Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / WAO / Awb
x
LJN:
x
AA9587
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: 98/1889 NABW Z SCC
Datum uitspraak: 30 mei 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 47 en 82 Abw (= 31, 32 en 58 Wwb) / 1:3, 6:2, 6:10, 6:20 en 7:10 Awb
Trefwoorden: inkomsten; WAO-uitkering met terugwerkende kracht; terugvordering bijstand; brutoverrekening met Lisv (UWV); niet tijdig genomen besluit op bezwaar; prematuur bezwaar
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de feitelijke terugvordering van bijstand wegens met terugwerkende kracht toegekende WAO-uitkering, omdat is verzuimd (tijdig) een terugvorderingsbesluit te nemen. Het terugvorderingsbedrag, dat met het tegoed aan WAO-uitkering met het Lisv (bruto) is verrekend, is juist vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht 98/1889 NABW Z SCC




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard [zie gemeente Sittard-Geleen, red.], verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit:
- het met een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998;
- het besluit van verweerder van 21 december 1998, kenmerk 128;
- het besluit van verweerder van 24 maart 1999, kenmerk 3655.
Datum van behandeling ter zitting: 4 april 2000.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 2 juni 1998 heeft de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV in verband met de verrekening van een aan eiser toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een specificatie doen toekomen van de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze brief is namens eiser bij brief van 30 juli 1998 bezwaar gemaakt door mr. A.C.S. Grgoire, advocaat te Sittard.

Bij brief van 17 december 1998 is namens eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 14 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld dat eiser zich niet met dit besluit kan verenigen.

Inmiddels had verweerder bij besluit van 7 december 1998 de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 verstrekte uitkering ten bedrage van 9801,70 van eiser teruggevorderd. Daarbij is aangegeven dat dit bedrag reeds werd verrekend met het GAK.

Bij brief van 21 januari 1999 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank meegedeeld van mening te zijn dat het besluit van 7 december 1998 dient te worden meegenomen in de reeds bij de rechtbank aanhangige procedure.

Bij brief van 20 januari 1999 heeft verweerder ter zake van het namens eiser tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 ingestelde beroep een verweerschrift ingediend. Voorts heeft verweerder de op deze procedure betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 9 februari 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij brief van 18 maart 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend ter zake van de inhoudelijke beoordeling van eisers beroep. Voorts heeft verweerder de op deze beoordeling betrekking hebbende stukken ingediend. Deze stukken zijn op 25 maart 1999 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij besluit van 24 maart 1999 heeft verweerder beslist op de door verweerder als bezwaarschrift aangemerkte brief van 21 januari 1999.

Na de uitnodiging voor de zitting heeft verweerder bij brief van 4 april 2000 nog een aantal stukken ingediend. Hierop is namens eiser bij brief van 13 april 2000 gereageerd.

Op verzoek van de gemachtigde van eiser is het onderhavige beroep gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer 98/1696.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 4 april 2000. Eiser is bij voornoemde gemachtigde verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. S.E.H.M. Sniekers, werkzaam bij de gemeente Sittard.




II. Overwegingen



II.1. Namens eiser is beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.
Bij besluit van 21 december 1998, aan de gemachtigde van eiser verzonden op 6 januari 1999, heeft verweerder alsnog op dit bezwaarschrift beslist.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de door artikel 7:10 van de Awb voorgeschreven termijn voor het beslissen op bezwaar ruimschoots heeft overschreden. Hieraan kan niet afdoen dat, zoals door verweerder in het verweerschrift van 20 januari 1999 is aangevoerd, verweerder aanvankelijk van oordeel was dat de brief van 30 juli 1998 niet als bezwaarschrift kon worden aangemerkt en evenmin dat, naar door verweerder is gesteld, de behandeling van het bezwaar in overeenstemming met eiser gedurende ongeveer anderhalve maand is aangehouden.

Namens eiser is dan ook terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, waartegen beroep bij de rechtbank openstaat.

Nu door verweerder bij besluit van 21 december 1998 alsnog op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 is beslist, dient dit beroep, wegens het ontbreken van procesbelang, echter niet-ontvankelijk te worden verklaard.

II.2. De rechtbank zal thans overgaan tot de beoordeling van het bestreden besluit van 21 december 1998.

De rechtbank stelt voorop dat de inzet van de onderhavige beroepsprocedure, alsmede van de met deze zaak gevoegd behandelde procedure onder registratienummer 98/1696 [LJN AA9529, www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AA9529, red.], voor eiser is gelegen in het veilig stellen van de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen het verrekenen van een aan eiser alsnog over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering met de door verweerder aan eiser over deze periode verstrekte bijstand. Deze verrekening dient te worden voorafgegaan door een met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw genomen terugvorderingsbesluit. Hieraan kan niet afdoen dat eiser op 16 januari 1998 een machtiging heeft ondertekend op grond waarvan de door hem eventueel in de toekomst te ontvangen gelden ingevolge de WAO aan de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard betaalbaar gesteld worden. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt immers mee dat verweerder eiser, voordat verweerder tot de feitelijke verrekening overgaat, van het hiertoe strekkende terugvorderingsbesluit op de hoogte stelt, en hem daarmee in de gelegenheid stelt desgewenst een rechtsmiddel tegen dit besluit aan te wenden.

II.3. In casu heeft de feitelijke verrekening van eisers Abw-uitkering met de hem alsnog toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsgevonden in de maand juni 1998. Deze verrekening is voorafgegaan door de in rubriek I vermelde brief van 2 juni 1998 van de directeur van de Dienst Sociale Zaken en Welzijn van de gemeente Sittard aan GAK Nederland BV. Eiser heeft deze brief via GAK Nederland BV ontvangen. Van een aan eiser gericht, aan de feitelijke verrekening voorafgaand, terugvorderingsbesluit is de rechtbank niet gebleken.

II.4. Bij het bestreden besluit van 21 december 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de brief van 2 juni 1998 kennelijk niet aan eiser was gericht, aangezien deze geen nieuw besluit betrof, maar een nadere uitwerking van de beschikking van 5 februari 1998, waarbij aan eiser met ingang van 25 december 1997 bijstand werd verleend onder cessie van de aan eiser nog toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering. Verweerder is op grond hiervan van oordeel dat de brief van 2 juni 1998 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, zodat het tegen deze brief gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is.

II.5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus miskend dat de brief van 2 juni 1998 weliswaar als zodanig niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt, maar dat eiser naar aanleiding van deze brief redelijkerwijs kon menen dat door verweerder reeds een besluit tot terugvordering van de aan hem verleende bijstand was genomen, te meer nu, naar hiervoor is aangegeven, de thans in geding zijnde terugvordering reeds in juni 1998 feitelijk is gerealiseerd. De omstandigheid dat eiser tegen de verrekening bezwaar heeft gemaakt, ruim voordat verweerder bij brief van 7 januari 1999 eiser op de hoogte heeft gesteld van het met de verrekening samenhangende terugvorderingsbesluit, kan dan ook op grond van het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb niet tot de niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van 30 juli 1998 leiden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 21 december 1998 niet in rechte kan worden gehandhaafd.

II.6. Zoals in rubriek I is aangegeven, heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 21 januari 1999 de rechtbank op de hoogte gesteld van het besluit van 7 december 1998, waarbij verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot en met 30 april 1998 verstrekte bijstandsuitkering alsnog met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw heeft teruggevorderd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze beslissing dient te worden meegenomen in de bij de rechtbank al lopende procedure, die haar oorsprong vindt in het namens eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaarschrift van 30 juli 1998.

Bij brief van 9 februari 1999 heeft de rechtbank verweerder, onder verwijzing naar de in rubriek I vermelde brief van eisers gemachtigde van 14 januari 1999, verzocht een verweerschrift in te dienen ter zake van het besluit van 21 december 1998. De rechtbank heeft daarbij miskend dat verweerder ter zake reeds bij brief van 20 januari 1999 een verweerschrift had ingediend.

Voor verweerder is de brief van de rechtbank echter aanleiding geweest om bij brief van 18 maart 1999 een verweerschrift in te dienen met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het namens eiser ingestelde beroep.
Bovendien heeft verweerder bij besluit van 24 maart 1999 een beslissing genomen op het namens eiser tegen het besluit van 7 december 1998 ingediend bezwaarschrift van 21 januari 1999. Daarbij wordt n en ander nog verder gecompliceerd door het feit dat de gemachtigde van eiser zich bij brief van dezelfde datum bovendien tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek het besluit van 7 december 1998 te betrekken in de lopende beroepsprocedure.

Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, wat er ook zij van de procesrechtelijke verwarring die uit deze gang van zaken spreekt, partijen kennelijk de bedoeling hebben gehad om ook de inhoudelijke besluitvorming met betrekking tot de jegens eiser toegepaste verrekening aan de rechtbank voor te leggen. Ook de rechtbank acht het om proceseconomische redenen aangewezen het besluit op bezwaar van 24 maart 1999 in de beoordeling te betrekken. De rechtbank acht dit met het oog op artikel 6:20 van de Awb verantwoord, nu bij dit besluit het inhoudelijk oordeel is gegeven, tegen het uitblijven waarvan het inleidende beroepschrift van 17 december 1998 was gericht.

II.7. De rechtbank staat dan ook thans voor de vraag of het bestreden besluit van 24 maart 1999 in rechte kan worden gehandhaafd. De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op het bepaalde in de artikel 82, aanhef en onder a, juncto de artikelen 42 en 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is de rechtbank van oordeel dat verweerder de aan eiser over de periode van 26 december 1997 tot 1 mei 1998 toegekende bijstand terecht van eiser heeft teruggevorderd, nu achteraf aan eiser over deze periode een WAO-uitkering is toegekend.
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht toepassing hebben gegeven aan de Circulaire van de SVR [Sociale Verzekeringsraad, de rechtsvoorganger van het Lisv, red.] van 18 april 1994, nr. 982. Zoals in de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van heden met registratienummer 98/1696 [LJN AA9529, www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AA9529, red.] is overwogen, is het Lisv terecht overgegaan tot een brutoverrekening van de aan eiser toegekende WAO-uitkering met de aan eiser door verweerder verleende bijstand.

De rechtbank heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de hoogte van het terug te vorderen bedrag niet juist zou zijn vastgesteld. Voor zover namens eiser is aangevoerd dat in het teruggevorderde bedrag ten onrechte een bedrag van 350,- aan voorschotten is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag ziet op een aan eiser bij besluit van 20 januari 1998 verstrekt voorschot, dat reeds in februari 1998 bij de uitbetaling van de Abw-uitkering over de maand december 1997 is verrekend, zodat dit bedrag niet meer betrokken is bij de verrekening met de arbeidsongeschiktheidsuitkering van eiser.

Op grond van het voorgaande is het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond.

II.8. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 alsmede tegen het besluit van 21 december 1998 redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2,5 punten met een waarde van 710,- toe (0,5 punt voor de indiening van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1999, 1 punt ter zake van het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x 710,- x 1 = 1775,-.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het als een besluit in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb aan te merken niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 30 juli 1998 niet-ontvankelijk;
2. verklaart het beroep tegen het besluit van 21 december 1998 gegrond en vernietigt dit besluit;
3. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 maart 1999 ongegrond;
4. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van 55,- wordt vergoed door de gemeente Sittard;
5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op 1775,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Sittard aan eiser.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars            w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA9691
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/313 NABW V01
Datum uitspraak: 16 januari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6:9 en 7:3 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; verschoonbare termijnoverschrijding; bezwaarschrift; niet tijdig; indienen; verzendtheorie; terpostbezorging; abnormaal gedrag bezorgdienst
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding, omdat de overschrijding verschoonbaar is nu het aan de postbezorging is te wijten dat het bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen. Met abnormaal gedrag van de bezorgdienst - het bezwaarschrift werd ten onrechte retour gezonden - hoefde eiseres geen rekening te houden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/313 NABW V01




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders.




1. Ontstaan en loop van het geding


Verweerders hebben bij besluit van 24 februari 2000 het door eiseres tegen het besluit van 5 juli 1999 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft eiseres beroep ingesteld.
Eiseres vordert vernietiging van de beslissing.

Verweerders hebben stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de beschikking gekregen over de gedingstukken.

De voorzitter heeft het vooronderzoek gesloten en heeft de verdere behandeling van het beroep verwezen naar een zitting van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken.

De griffier heeft partijen uitgenodigd ter zitting te verschijnen onder mededeling van plaats en tijdstip van de zitting. Daarbij is erop gewezen dat tot tien dagen vr de zitting nog nadere stukken door partijen mogen worden ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 januari 2001.
Eiseres is in persoon verschenen. Voor verweerders is verschenen mr. K.D. van Loo, juridisch medewerkster van de Dienst Sozawe van de gemeente Groningen.
Partijen hebben hun standpunt uiteengezet en desgevraagd nadere inlichtingen verschaft.

De voorzitter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan binnen zes weken.




2. Rechtsoverwegingen


De rechtbank legt de volgende feiten en rechtsoverwegingen aan haar beslissing ten grondslag.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerders van 5 juli 1999. Zij heeft dit gedaan door indiening van een bezwaarschrift. Zij heeft ervoor gekozen dit bezwaarschrift in te dienen door dit per post te verzenden.
Blijkens de envelop waarmee het bezwaarschrift is verzonden heeft eiseres het bezwaarschrift gericht tot het juiste bestuursorgaan, met vermelding van het juiste postadres en met voldoening aan alle eisen die voor postbezorging gelden (frankering).

Blijkens de stempeling van de enveloppe van het bezwaarschrift heeft eiseres dit stuk ter verzending aangeboden bij de postbezorging op de laatste dag van de bezwaartermijn (16 augustus 1999). Daarmee heeft eiseres voldaan aan de eerste eis voor tijdigheid van indiening van een bezwaarschrift: een bezwaarschrift dat per post wordt verzonden, moet geacht worden tijdig ingediend te zijn indien het vr het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd.

Na de bezorging ter post is er kennelijk een fout gemaakt bij de postbezorging. Het bezwaarschrift is niet bij verweerders afgeleverd, maar geretourneerd aan eiseres. De stempel die op de envelop is geplaatst en hiermee kennelijk verband houdt, is deels niet leesbaar en geeft, voor zover wel leesbaar, geen andere verklaring dan dat hier sprake is van falen van de bezorgdienst.

Toen eiseres het bezwaarschrift geretourneerd kreeg, was de termijn van n week als bedoeld in het tweede lid van artikel 6:9 Awb verlopen; althans was het niet meer mogelijk om het bezwaarschrift nog tijdig in te dienen.
Uiteindelijk is het bezwaarschrift ingediend door dit af te geven te bestemder plaatse.

Verweerders hebben geoordeeld dat niet is voldaan aan de eis dat een per post verzonden bezwaarschrift, dat tijdig ter post is bezorgd, ontvangen moet zijn binnen n week na afloop van de bezwaartermijn. Voorts hebben verweerders geoordeeld dat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding, omdat het risico dat de postbezorgdienst fouten maakt voor rekening van degene komt die kiest voor indiening van een bezwaarschrift door verzending per post.
Verweerders achtten deze opvatting niet voor twijfel vatbaar en hebben daarom afgezien van het horen van eiseres: met toepassing van onderdeel a van artikel 7:3 Awb is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres bestrijdt deze beslissing en de daaraan door verweerders ten grondslag gelegde opvatting. Daartoe heeft zij onder meer gesteld dat het onterecht is dat een fout van de PTT onder haar verantwoordelijkheid wordt geschoven, nu de PTT zelf erkent dat in zo'n 10 procent van de gevallen niet wordt voldaan aan de eisen van een correcte postbezorging.

Met het arrest van 16 oktober 1991, Vakstudienieuws 1991/3139, heeft de Hoge Raad beslist dat het feit dat een beroepschrift eerst na het einde van de beroepstermijn wordt ontvangen niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep indien de termijnoverschrijding het gevolg is van een in de sfeer van de PTT gelegen omstandigheid van zodanig abnormale aard dat deze niet aan de verzender kan worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat deze maatstaf ook geldt bij de toepassing van het tweede lid van artikel 6:9 Awb en derhalve ook in het onderhavige geval.

De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van een in de sfeer van de postbezorgdienst gelegen omstandigheid die tot overschrijding van de termijn van een week heeft geleid.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat het retourneren van het bezwaarschrift niet had behoren te geschieden, nu dit aan alle eisen voldeed die aan ter post bezorgde stukken gesteld worden. Het retourneren wijkt daarmee af van de norm; met andere woorden: is - in de termen van de HR - abnormaal. Met abnormaal gedrag van de bezorgdienst hoefde eiseres geen rekening te houden. Er is dan ook sprake van een niet voor rekening van eiseres te brengen termijnoverschrijding.
Verweerders hadden dan ook niet tot niet-ontvankelijkverklaring mogen overgaan.
Bovendien was het misplaatst om het bepaalde in onderdeel a van artikel 7:3 Awb toe te passen.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd dient te worden met verdere bepalingen.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 februari 2000;
- bepaalt dat verweerders opnieuw dienen te beslissen op het door eiseres ingediende bezwaarschrift, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de gemeente Groningen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van 60,-.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2001 door mr. A.H.J. Lennaerts, rechter, in tegenwoordigheid van K.A. Faber, griffier.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 16 januari 2001:




Partijen kunnen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, door verzending van een beroepschrift.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA9801
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 00/796 NABW
Datum uitspraak: 23 januari 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 113 Abw (= 9 Wwb)
Trefwoorden: arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; medisch onderzoek; keuring; advies; verlies van procesbelang
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens verlies van procesbelang, omdat de gemeente inmiddels aan het bezwaar is tegemoet gekomen door - naar aanleiding van medisch advies - betrokkene wederom volledig te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 00/796 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 27 juni 2000.




2. Feiten


Eiseres ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 29 maart 2000 heeft verweerder besloten aan eiseres, die tot dat moment volledig was ontheven van die verplichtingen, de verplichtingen op te leggen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten eiseres niet de volledige arbeidsverplichting op te leggen, maar tot september 2000 te beginnen met een orintatiefase in overleg met de trajectconsulent.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mw. mr. A. van Bon-Moors, advocaat te Nijmegen, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Desgevraagd heeft verweerder deze stukken nadien aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 januari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. mr. Van Bon-Moors voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heren B.H.P.G. Buiting en A.G. Roesink.




4. Gronden


De rechtbank overweegt het volgende.

Naar ter zitting namens verweerder is toegelicht houdt het bestreden besluit in een gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw.
De periode tot de zomervakantie 2000 is aangemerkt als orintatiefase, waarin van eiseres slechts werd verlangd dat zij het vrijwilligerswerk dat zij als handwerkbegeleidster voor maximaal 4 uur per week reeds verrichtte op de vrije school [school] te [woonplaats] zou voortzetten. In september 2000 zou een evaluatie plaatsvinden en vervolgens zou een nieuw traject worden vastgelegd.
Ter zitting is gebleken dat die beoogde evaluatie, evenals nadere besluitvorming, is uitgebleven in afwachting van door verweerder inmiddels gevraagd medisch advies.

Desgevraagd is daarop namens verweerder ter zitting verklaard dat het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat vanaf september 2000 geldt dat eiseres (weer) volledig is ontheven van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw.
Verder is namens verweerder verklaard dat eiseres zich tot september 2000 heeft gehouden aan de ingevolge het bestreden besluit voor haar geldende verplichtingen.

Gelet daarop komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres, die blijkens haar beroep meent volledig vrijgesteld te moeten worden van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw, geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep.

Bezwaren tegen het door verweerder mogelijk in de toekomst (weer) geheel of gedeeltelijk opleggen van de arbeidsverplichting dienen in het kader van de daartoe strekkende toekomstige besluitvorming aan de orde te komen.

Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het griffiegeld zal door verweerders gemeente aan eiseres dienen te worden vergoed, nu het instellen van het beroep noodzakelijk is geweest om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de precieze strekking van verweerders besluitvorming. Om dezelfde reden is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de gemeente Zutphen het betaalde griffierecht van 60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van 1420,-, te betalen door de gemeente Zutphen.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AA9884
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Amsterdam
Zaaknummer: 99/4165 NABW 20
Datum uitspraak: 18 april 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beindiging gezinsbijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Belgen
Essentie: Terechte wijziging bijstand naar de alleenstaandennorm, omdat de niet over een verblijfsvergunning beschikkende Belgische echtgenote van eiser geen recht op bijstand heeft nu zij ingevolge de Koppelingswet niet langer met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Amsterdam 99/4165 NABW 20




U I T S P R A A K


 

inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.




I. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 19 maart 1999, nr. EST 1999/630 (5864.966).




II. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder de aan eiser en [echtgenote] naar de norm van een gezin toegekende bijstandsuitkering gewijzigd in een uitkering naar de norm van een alleenstaande met ingang van 29 december 1998.

Tegen dit besluit is namens eiser door mr. S.D. Lugt, advocaat te Amsterdam, op 28 januari 1999 bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit in eerste aanleg gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft mr. Lugt, voornoemd, op 3 mei 1999 beroep op nader aan te voeren gronden ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 2 juli 1999 heeft mr. Lugt de nadere gronden van het beroep aan de rechtbank gezonden.

Verweerder heeft desgevraagd op 26 oktober 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

Eiser heeft op 11 januari 2000 een aantal stukken aan de rechtbank gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 januari 2000, alwaar eiser, daartoe opgeroepen, in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Lugt, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, juridisch medewerkster van de gemeentelijke sociale dienst van de gemeente Amsterdam.




III. Motivering


In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende uit de gedingstukken en ter zitting gebleken feiten.



Feiten

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit en is sedert 24 april 1990 gehuwd met [echtgenote] (verder te noemen: [echtgenote]), die de Belgische nationaliteit heeft.

Verweerder heeft bij besluit van 13 december 1994 de aan eiser en [echtgenote] toegekende bijstandsuitkering naar de norm van een gezin gewijzigd in een uitkering naar de norm van een alleenstaande omdat uit een door de Dienst Vreemdelingenpolitie verstrekte verklaring is gebleken dat [echtgenote] niet (langer) met instemming van het gezag in Nederland verblijft.

Bij besluit op bezwaar van 16 juni 1995 heeft verweerder het tegen voornoemde besluit door eiser ingediende bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat gelet op de situatie van eiser en [echtgenote], beiden zijn verslaafd en [echtgenote] is seropositief, er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 84, vierde lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW), zodat aanleiding bestond om ook bijstand ten behoeve [echtgenote] te verlenen.

De GG&GD [Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst, red.] heeft verweerder bij brief van 24 september 1996 meegedeeld dat [echtgenote] vanaf 19 september 1996 blijvend arbeidsongeschikt is.

Bij besluit van 17 oktober 1996 heeft verweerder aan eiser en [echtgenote] een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm van een gezin.

Uit door verweerder op 5 november 1998 geraadpleegde gegevens is gebleken dat [echtgenote] niet beschikte over een verblijfstitel.

Verweerder heeft daarop [echtgenote] uitgenodigd nadere informatie te verschaffen, onder meer omtrent haar verblijfsstatus. Deze informatie is door eiser en [echtgenote] op 20 november 1998 verstrekt.

De Dienst Vreemdelingenpolitie heeft op 25 november 1998 desgevraagd aan verweerder het volgende meegedeeld omtrent de verblijfsstatus van [echtgenote]: "De door de vreemdeling getoonde bescheiden zijn niet (meer) correct. De systemen van de GBA [gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, red.] en de DVAS [Decentraal Vreemdelingen Administratie Systeem, red.] blijken de juiste gegevens weer te geven. U kunt zich derhalve richten op de GBA-titel. U wordt verzocht de vreemdeling naar onze dienst te verwijzen".

Bij besluit van 21 december 1998 heeft verweerder de aan eiser toegekende bijstandsuitkering met ingang van 29 december 1998 gewijzigd in een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft daarbij overwogen dat [echtgenote] geen verblijfsstatus heeft als bedoeld in artikel 7 van de Abw.

Eiser heeft op 28 januari 1999 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in primo gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij - zakelijk weergegeven - overwogen: [echtgenote] heeft de Belgische nationaliteit en dient gelet op de duur van haar verblijf ingevolge de Regeling bescheiden rechtmatig verblijf (de regeling) te beschikken over een E-document. [Echtgenote] beschikt en beschikte niet over een geldig verblijfsdocument, zodat ervan uit kan worden gegaan dat zij niet rechtmatig in Nederland verblijft ingevolge artikel 1b, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw). De situatie van artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (het besluit) is hier niet aan de orde, zodat eiseres ook niet aan artikel 7, derde lid, van de Abw recht op bijstand kan ontlenen.



Standpunten van partijen

Eiser

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten aanzien van [echtgenote] zodanige noodzaak tot bijstandverlening bestaat dat de voorwaarde van het hebben van een geldige verblijfsstatus niet meer gesteld mag worden. Het onderzoek dat verweerder naar deze noodzaak heeft ingesteld, is bovendien onzorgvuldig geweest.

Verweerder

Verweerder heeft gepersisteerd bij het bestreden besluit.



Overwegingen

De rechtbank overweegt als volgt.

Het bestreden besluit berust op de zogenaamde Koppelingswet (Stb. 1998, 204), die met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Vanaf die datum luidt artikel 7 Abw als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. (...); of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1b Vw luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten

De rechtbank stelt vast dat [echtgenote] niet op grond van een besluit tot toelating in Nederland verblijft. Evenmin kan zij aan enige regeling van het Gemeenschaps- en/of het Beneluxrecht een recht op verblijf ontlenen.

Nu [echtgenote] voorts niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit en er ten aanzien van haar geen sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van voormeld artikel Ib, onder 1, Vw, kan zij aan het bepaalde in artikel 7, tweede lid, Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander ontlenen. [Echtgenote] kan evenmin aan het bepaalde bij of krachtens artikel 7, derde lid, Abw een zodanige aanspraak ontlenen. Het feit dat [echtgenote] op 23 november 1999 een aanvraag voor een vergunning tot verblijf heeft gedaan, maakt dat niet anders. Immers dit feit dateert van na het moment waarop het bestreden besluit betrekking heeft en kan derhalve niet in dit geding worden betrokken.

Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat de Abw (vide artikel 11, tweede lid, van de Abw), anders dan vr de invoering van de Koppelingswet, geen ruimte laat om rekening te houden met de bijzondere omstandigheden waarin [echtgenote] zich bevindt.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:74, tweede lid, of artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




IV. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mrs. H.C. Naves, voorzitter, C.J. Polak en H.P.M. Meskers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Klomp, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2000 door mr. H.C. Naves, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            De voorzitter,




Afschrift verzonden op: 16 juni 2000:




Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB0226
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 00/1600 NABW VV en AWB 00/1599 NABW
Datum uitspraak: 23 januari 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 63 Abw (= 40 Wwb) / 8:86 Awb
Trefwoorden: woonplaats; domicilie; bevoegde gemeente; weigering bijstand; geen wettelijke grondslag onderzoek sociale recherche; opsporingsonderzoek; stelselmatige observaties
Essentie: Onterechte weigering bijstand wegens het niet woonplaats hebben in de gemeente van aanvraag, omdat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende onderzoek van de sociale recherche een wettelijke grondslag mist nu betrokkene ten tijde van de aanvang van de observaties geen bijstand ontving, noch een aanvraag om bijstand had ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Maastricht AWB 00/1600 NABW VV en AWB 00/1599 NABW





U I T S P R A A K




met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van deze wet, in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geleen, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 5 december 2000.
Kenmerk: dossiernr. 39071501 reg.nr. 2000/2939.
Behandeling ter zitting: donderdag 18 januari 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van de (voormalige) gemeente Geleen (verder te noemen: het college) de bezwaren van eiseres tegen het besluit van het college van 27 juni 2000, waarbij de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door de gemachtigde van eiseres, dr. mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij brief van 18 december 2000 beroep ingesteld. Bij brief van gelijke datum heeft de gemachtigde van eiseres de president van deze rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de president op 18 januari 2001, waar eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder is de heer J. Delahaye verschenen.




II. Overwegingen



II.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de president zijn partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.
Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De president doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

II.2. Eiseres ontving van de zijde van de gemeente Geleen een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 3 maart 2000 heeft het college het recht op uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 1998 beindigd en eiseres meegedeeld - kort gezegd - dat is komen vast te staan dat eiseres in de periode van 1 januari 1998 tot en met 8 februari 2000 haar woonplaats buiten de gemeente van het college had en er derhalve voor eiseres in die periode geen recht op uitkering van de zijde van de gemeente Geleen bestond. Het college heeft daarbij tevens meegedeeld een bedrag van 50.771,92 van eiseres terug te vorderen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar en beroep ingesteld, op welk beroepschrift thans nog niet is beslist. Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase is bij uitspraak van de president van 4 mei 2000 afgewezen.

Op 29 mei 2000 heeft eiseres zich met een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering tot het college gewend, welk verzoek bij besluit van 27 juni 2000 is afgewezen, omdat eiseres haar woonplaats niet in de gemeente Geleen zou hebben.
Tegen dit besluit is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend dat bij het thans bestreden besluit van 5 december 2000 ongegrond is verklaard.

II.3. Het college heeft daarbij - kort gezegd - het standpunt ingenomen dat de door de sociale recherche verrichte waarnemingen geen ander oordeel toelaten dan dat de woning van eiseres die zij in B huurt niet voor permanente woning wordt benut en dat zij kennelijk nog steeds in Maastricht woont. Op grond van het bepaalde in artikel 63 van de Abw komt de aanvraag van eiseres dan ook niet voor inwilliging in aanmerking, aldus het college

II.4. Namens eiseres is het standpunt ingenomen dat de gang van zaken tijdens de bezwaarfase in strijd is met een eerlijke procesgang, nu het vermoeden is gewekt dat de bezwaar- en adviescommissie (verder de commissie) tijdens de hoorzitting op 3 oktober 2000 op n of andere wijze weet had van het bestaan van een rapportage die eiseres niet kende.
Voorts is aangevoerd dat de rapportage van de sociale recherche van 2 november 2000 het thans bestreden besluit niet kan dragen. Uit het rapport blijkt volgens eiseres niet onomstotelijk dat eiseres niet woont op het door haar aangegeven adres in de gemeente Geleen. Uit de observaties kunnen volgens de gemachtigde van eiseres niet worden afgeleid of eiseres al of niet thuis was op de genoemde momenten. Ten slotte is namens eiseres gewezen op de overlegde telefoonrekeningen en op de verklaring van haar buren.

II.5. Dienaangaande overweegt de president dat de grondslag voor het thans bestreden besluit van 5 december 2000 is gelegen in het rapport van de sociale recherche van 2 november 2000. Blijkens het voorblad van dit rapport is de rapportage tot stand gekomen in het kader van een onderzoek naar fraude.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder echter verklaard dat de observaties niet hebben plaatsgevonden in het kader van een opsporingsonderzoek, maar dat de sociale recherche er zelf behoefte aan had te volgen hoe de situatie rond eiseres zich zou ontwikkelen, n en ander met het oog op een mogelijke toekomstige aanvraag.
Ook de president gaat ervan uit dat de observaties niet hebben plaatsgevonden in het kader van een opsporingsonderzoek, nu immers niet is gebleken van toestemming van de officier van justitie als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering voor het stelselmatig volgen of observeren van eiseres, hetgeen in casu heeft plaatsgevonden. Daar komt bij dat op het moment dat de observaties zijn aangevangen op 20 maart 2000, geen sprake was of kon zijn van verdenking van fraude van eiseres, nu eiseres ten tijde van de aanvang van de observaties immers geen uitkering ontving, noch een aanvraag om een bijstandsuitkering had ingediend.
De president is dan ook van oordeel dat, nu het hier geen opsporingsonderzoek betreft, de observaties zoals weergegeven in de rapportage van 2 november 2000 handelingen zijn die aan verweerder kunnen worden toegeschreven. Voorts is de president van oordeel dat het verrichten van stelselmatige observaties zodanig zwaar is dat dit slechts kan geschieden op basis van een wettelijke bepaling. Nu niet is gebleken van een wettelijke grondslag voor het verrichten van die observaties door of namens verweerder is de president van oordeel dat de rapportage van 2 november 2000 niet ten grondslag kan worden gelegd aan het thans bestreden besluit. Het thans bestreden besluit ontbeert derhalve een deugdelijke motivering en komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop komt de president niet toe aan een bespreking van de overige grieven van eiseres.

Nu de president onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb uitspraak doet in de hoofdzaak, dient het voorliggend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

II.6. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2,5 punt met een waarde van 710,- toe voor de indiening van het verzoekschrift, het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x 710,- x 1 = 1775,-. Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74, 8:75 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 1 augustus 2000 met inachtneming van deze uitspraak;
3. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
4. bepaalt dat aan eiseres de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van 120,- worden vergoed door de gemeente Sittard-Geleen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op 1775,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Sittard-Geleen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.C.A.M. Philippart in tegenwoordigheid van mr. M.J.H.T. Peters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2001 door mr. Philippart voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Peters            w.g. Philippart




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x