Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB0236
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/1226 NABW V04
Datum uitspraak: 22 februari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6.2, 7:10, 7:13, 8:1 en 8:54 Awb
Trefwoorden: niet tijdig genomen besluit op bezwaar; onbevoegdverklaring rechtbank; verlenging beslistermijn
Essentie: Onbevoegdverklaring rechtbank wegens het ontbreken van een besluit nu geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Eisers ingewilligde verzoek om uitstel van de hoorzitting leidt redelijkerwijs tot verlenging van de beslistermijn, zodat nog tijdig op het bezwaar kan worden beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/1226 NABW V04




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J.Th. Waterman,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Reiderland, verweerders,
gemachtigde: F.J. Klein, sectorhoofd burgerzaken.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 18 augustus 2000, nr. 05.GJ.630, verzonden op 21 augustus 2000, het recht op uitkering van eiser op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) vanaf 24 juli 2000 herzien.

Eiser heeft tegen dit besluit op 1 september 2000 op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een bezwaarschrift ingediend.

Bij beroepschrift van 11 december 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op het bezwaarschrift.

Bij brief van 13 december 2000 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de zaak verder met toepassing van afdeling 8.2.3 Awb versneld wordt behandeld.

Verweerders hebben op 22 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 februari 2001 heeft de rechtbank eiser gevraagd om een reactie op het verweerschrift.

Eiser heeft op 7 februari 2001 een nadere reactie ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.




2. Rechtsoverwegingen


Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijk gesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, Awb beslist een bestuursorgaan op een bij hem ingediend bezwaarschrift binnen zes weken of, indien een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb is ingesteld, binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
Krachtens artikel 7:10, tweede lid, Awb wordt de termijn opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

De rechtbank stelt vast dat verweerders bij besluit van 18 augustus 2000 eisers recht op bijstandsuitkering vanaf 24 juli 2000 hebben herzien.
Eiser heeft tegen dit besluit bij bezwaarschrift van 1 september 2000 bezwaar gemaakt.

Niet is gebleken dat verweerders gebruik hebben gemaakt van de hen in artikel 7:10, derde lid, Awb gegeven bevoegdheid om hun beslissing op het bezwaarschrift van eiser te verdagen. Ook van uitstel met instemming van eiser als bedoeld in het vierde lid van artikel 7:10 Awb is niet gebleken.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat in de gemeente Reiderland ter zake van de behandeling van bezwaarschriften op grond van de Abw een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb is ingesteld, hadden verweerders uiterlijk op 10 november 2000 op het bezwaarschrift van eiser van 1 september 2000 dienen te beslissen.

Evenwel heeft de rechtbank uit de stukken, het verweerschrift en de reactie van eiser(s gemachtigde) daarop gedestilleerd dat eiser, uitgenodigd zijnde om op 18 oktober 2000 met betrekking tot het door hem ingediende bezwaar te worden gehoord, verweerders heeft verzocht om in november 2000 te worden gehoord.
Verweerders hebben eisers verzoek ingewilligd en hem op 22 november 2000 gehoord.

Dit zo zijnde is de rechtbank van oordeel dat verweerders bezwaarlijk eraan konden worden gehouden hun besluit op het bezwaar van eiser te nemen binnen de in artikel 7:10 Awb genoemde termijnen (van orde).

Gelet op het door eiser aan verweerders gedane verzoek om uitstel van de hoorzitting en de omstandigheid dat als gevolg van dit verzoek de hoorzitting vijf weken later heeft plaatsgevonden dan door verweerders was gepland, acht de rechtbank het niet meer dan redelijk dat de eerder genoemde uiterste datum om op het bezwaar te beslissen eveneens met vijf weken wordt verlengd.
Anders gezegd: het is niet onredelijk om eisers verzoek aan verweerders om uitstel van de hoorzitting aan te merken als een instemming als bedoeld in het vierde lid van artikel 7:10 Awb.

Het vorenoverwogene betekent dat verweerders niet op uiterlijk 10 november 2000, maar op uiterlijk 15 december 2000 op het bezwaar dienden te beslissen.

Eiser heeft bij brief van 11 december 2000 - bij de rechtbank ingekomen op 12 december 2000 - beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerders op het bezwaarschrift van 1 september 2000.

Op grond van het vorenstaande moet worden vastgesteld dat er ten tijde van het instellen van beroep geen sprake was van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
Nu in artikel 8:1 Awb is bepaald dat (slechts) tegen een besluit bij de rechtbank beroep kan worden ingesteld, moet de rechtbank oordelen dat zij niet bevoegd is van het onderhavige beroep kennis te nemen.

Voortzetting van het onderzoek is niet nodig. De rechtbank doet op de voet van artikel 8:54 Awb direct uitspraak in dit geschil.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart zich onbevoegd.

Aldus gegeven door mr. P.H.M. Smeets, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken
op 22 februari 2001, in tegenwoordigheid van H.H. Janssens als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 22 februari 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden op grond van artikel 8:55, eerste lid, Awb binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen verzet kunnen instellen bij de rechtbank. Indien men ter zake van het verzet wenst te worden gehoord, dient men dit in het verzetschrift te vermelden.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB0237
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/242 NABW V06
Datum uitspraak: 23 februari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 30, 54, 65, 69, 78, 81 en 84 Abw (= 3, 21, 34, 17, 54, 58, 58 en 59 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; inkomsten; terugvordering bijstand; schending inlichtingenverplichting; hoofdelijke aansprakelijkheid; bijstandsnorm; vermogensgrens; driepersoonshuishouden; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met twee anderen en (verzwegen) inkomsten, waarbij eiser tevens hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de terugbetaling van het van n van de twee anderen teruggevorderde bedrag aan bijstand. Onterechte terugvordering vanwege dezelfde feiten over een periode daarvoor, omdat verzuimd is te beoordelen of recht bestaat op aanvullende bijstand voor het driepersoonshuishouden, tot een bedrag van 3 x 50% van de gehuwdennorm, rekening houdende met 3 x 50% van het vrij te laten vermogen geldend voor gehuwden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/242 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. E.P. Groot, advocaat en procureur te Groningen,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 1 februari 2000, nr. 1096, het bezwaarschrift van eiser tegen hun besluiten van 30 juni 1999 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 13 maart 2000 (met bijlagen), op in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 12 april 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 november 2000 hebben verweerders op verzoek van de rechtbank verschillende nadere gedingstukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is gevoegd met de zaken met de nrs. AWB 00/243 NABW V06 en AWB 00/244 NABW V06 behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 februari 2001.
Eiser is aldaar in persoon verschenen, evenals [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Hun gemachtigde mr. E.P. Groot heeft voor hen het woord gevoerd.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door J. Snijders.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten

Eiser heeft van 1 juli 1991 tot 1 december 1991 en van 24 februari 1992 tot 1 juni 1999 een bijstandsuitkering ontvangen. Aanvankelijk op grond van de op de (oude) Algemene Bijstandswet gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), naderhand op grond van de (nieuwe) Algemene bijstandswet. Eiser heeft in de betreffende periode steeds aan verweerders gemeld dat hij geen inkomsten heeft en woont als kostganger.

Blijkens rapporten van 21 juni 1999 en 13 september 1999 van twee opsporingsambtenaren, verbonden aan het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Oost Groningen, is vanwege een vermoeden van bijstandsfraude onderzoek gedaan naar de situatie waarin eiser verkeerde. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat eiser met zowel mevrouw [betrokkene 1] als met mevrouw [betrokkene 2] in de hier aan de orde zijnde periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.
Tevens is bij het onderzoek gebleken dat eiser in voormelde periode heeft beschikt over vermogen, alsmede inkomsten heeft genoten uit zelfstandige handel en het verlenen van kost en inwoning aan anderen.

Bij besluit van 30 juni 1999 hebben verweerders vervolgens de aan eiser toegekende uitkeringen ingevolge de Rww en de Abw met ingang van 1 juli 1991 beindigd en de van 1 juli 1994 tot 1 juni 1999 aan eiser verstrekte uitkeringen ten bedrage van 98.588,09 van hem teruggevorderd.

Bij een tweede besluit van 30 juni 1999 hebben verweerders eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van het van [betrokkene 1] teruggevorderde bedrag aan uitkering van
85.676,65.

Eiser heeft bij brief van 19 juli 1999 bezwaar gemaakt tegen beide voormelde besluiten.

Bij hun thans bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser kan zich ook met dit besluit niet verenigen op in het beroepschrift nader uitgewerkte gronden. Deze gronden zullen hierna voor zover nodig worden besproken.



Het van toepassing zijnde recht

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden.
Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, verder aan te duiden als IHABW) wordt de oude Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die datum ingetrokken.

Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248), houdende onder meer wijziging van de Abw, in werking getreden (hierna te noemen: de Wet BMT).
Op grond van het eerste lid van artikel XVI van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, de Sociale Verzekeringsbank en de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging gebracht.

Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998, artikel 84, tweede lid, Abw gewijzigd. Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking getreden.

Nu het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1 juli 1994 tot 1 juni 1999 dient het recht op uitkering beoordeeld te worden aan de hand van respectievelijk de ABW en de daarop gebaseerde Rww, de Abw (oud) zoals deze tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997 luidde en de Abw (nieuw) zoals deze vanaf 1 juli 1997 luidt en is gewijzigd per 31 december 1998.

Dat betekent dat de vraag naar het recht op de uitkering beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 1, eerste lid, ABW en artikel 7, eerste lid, Abw, de vraag of er sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding aan de hand van artikel 5a ABW en artikel 3 Abw en de vraag of eiser kon beschikken over middelen aan de hand van de artikelen 8, 8a, 9 en 10, eerste en tweede lid, Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) en hoofdstuk IV, afdeling 3, Abw.

Voor beantwoording van de vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden, zijn bepalend artikel 30, tweede lid, ABW, artikel 65, eerste lid, Abw (oud) en artikel 65, eerste lid, Abw (nieuw).
Met betrekking tot de herziening van de uitkering is van belang het bepaalde in artikel 69, derde lid, Abw, zoals dat vanaf 1 juli 1997 luidt.

De gronden voor terugvordering van de uitkering van eiser zijn voor de periode tot 1 januari 1996 neergelegd in artikel 55 in samenhang met artikel 57 ABW, voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 in artikel 78 in samenhang met artikel 81 Abw (oud) en voor de periode na 1 juli 1997 in artikel 78 in samenhang met artikel 81 Abw (nieuw).


De gronden voor terugvordering van de aan [betrokkene 1] verstrekte uitkering zijn voor de periode tot 1 januari 1996 neergelegd in 59a, tweede en derde lid, ABW, voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1998 in artikel 84, tweede en derde lid, Abw (oud) en voor de periode vanaf 31 december 1998 in artikel 84, tweede en derde lid, Abw (nieuw).



Beoordeling van het geschil

Het tijdstip van besluitvorming.
Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat verweerders niet tot herziening en terugvordering van de aan hem verleende uitkering hadden mogen besluiten op een moment dat het (strafrechtelijke) onderzoek nog niet was afgerond.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt niet. Op 30 juni 1999 beschikten verweerders over een frauderapport van 21 juni 1999, waarin voldoende aanknopingspunten waren te vinden voor herziening van de uitkering van eiser en een daarop gebaseerde terugvordering.
Ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit beschikten verweerders voorts over het hoofdproces-verbaal van de sociale recherche van 13 september 1999. Weliswaar beschikten verweerders en betrokkenen op dat moment nog niet over de aan het hoofdproces-verbaal ten grondslag liggende processen-verbaal van het verhoor van onder meer betrokkenen en getuigen, doch de rechtbank zal hier geen gevolgen aan verbinden. Het belang van het kunnen beschikken over de onderliggende processen-verbaal is daarin gelegen dat betrokkenen kunnen nagaan of het hoofdproces-verbaal een juiste weergave vormt van hetgeen uit de onderliggende stukken blijkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser inmiddels wel beschikt over het volledige dossier en ook de rechtbank heeft kennis genomen van de processen-verbaal van het verhoor van betrokkenen. Daaruit is gebleken, en eiser heeft dit ter zitting ook bevestigd, dat het hoofdproces-verbaal de verklaringen van betrokkenen juist weergeeft.

De periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999.
Ter zitting hebben eiser, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangegeven dat niet langer wordt betwist dat zij in de in het geding zijnde periode steeds hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad; vanaf 1 juli 1994 aan [adres eiser] en vanaf eind 1996 op het adres [adres eiser]. Verder hebben zij gezamenlijk de kosten van de huishouding gedragen en ook op andere wijze voorzien in elkaars verzorging. Bovendien is op eiser en [betrokkene 2] het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, Abw van toepassing.

Eiser, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben ter zitting verder verklaard dat zij niet langer bestrijden dat zij vanaf 1996 over voldoende inkomsten hebben beschikt om te kunnen voorzien in de kosten van hun samenlevingsverband. De terugvorderingen over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 worden door hen daarom niet langer betwist.

Het beroep van eiser zal dan ook voor zover het betreft de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 ongegrond worden verklaard.

De periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996.
De herziening van zijn uitkering over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering blijft eiser wel bestrijden. Hij heeft gesteld dat over die periode niet voldoende inkomsten zijn verworven om de terugvordering van alle over die periode verstrekte bijstand te rechtvaardigen.

Uit de hiervoor weergegeven verklaring van eiser vloeit voort dat hij erkent dat hij de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 30, tweede lid, ABW heeft geschonden, zowel wat betreft de wijze waarop hij samenwoont als de beschikbare middelen over deze periode.
In het geval van schending van de inlichtingenverplichting mag evenwel, wanneer naderhand bij het onderzoek de situatie met betrekking tot inkomen en vermogen van betrokkenen duidelijk wordt, althans bij een zorgvuldig onderzoek duidelijk kan worden, niet zonder meer tot intrekking van de uitkering worden overgegaan, maar dient op basis van de verkregen gegevens het recht op uitkering alsnog te worden vastgesteld.
In dit geval heeft het onderzoek van de sociale recherche voldoende gegevens opgeleverd om achteraf het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Derhalve moet de vraag worden beantwoord of eiser aanspraak op aanvullende bijstand zou hebben gehad indien hij op de voorgeschreven wijze melding zou hebben gemaakt van alle voor de bijstandverlening relevante feiten en omstandigheden gedurende de onderhavige periode.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten aan de situatie waarin betrokkenen destijds verkeerden en nog steeds verkeren voor de toepassing van de ABW de volgende conclusies worden verbonden. Eiser en [betrokkene 2] vormen een gezamenlijke huishouding en hebben in beginsel aanspraak op gezinsbijstand naar de norm voor gehuwden. Verder vormen ook eiser en [betrokkene 1] een gezamenlijke huishouding en hebben ook zij in beginsel aanspraak op gezinsbijstand naar de norm voor gehuwden. Daarentegen vormen [betrokkene 2] en [betrokkene 1], gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid, ABW (zie thans artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, Abw) geen gezamenlijke huishouding, omdat zij bloedverwanten in de eerste graad zijn.
De rechtbank acht het gezien artikel 1, tweede lid, ABW (zie thans de artikelen 13, tweede lid, Abw en 34 Abw), redelijk ervan uit te gaan dat ieder van de betrokkenen aanspraak heeft op maximaal 50% van het normbedrag voor gehuwden, zodat zij gezamenlijk aanspraak hebben op maximaal 150% van het normbedrag voor gehuwden. Vervolgens moet op de voorgeschreven wijze rekening worden gehouden met de middelen in de vorm van inkomsten en vermogen waarover de betrokkenen hebben kunnen beschikken. In dat verband tekent de rechtbank aan dat het vrij te laten vermogen in de situatie waarin betrokkenen verkeren, moet worden vastgesteld op drie keer de helft van het normbedrag voor gehuwden, derhalve op totaal 150% van het normbedrag voor gehuwden.

Uit zowel het besluit van 30 juni 1999 als het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat verweerders ervan uit zijn gegaan dat het samenlevingsverband van eiser, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] maximaal aanspraak zou kunnen maken op de norm voor gehuwden (100%). De rechtbank heeft uit de stukken niet kunnen opmaken op welke wijze het vrij te laten vermogen voor betrokkenen is vastgesteld.
Verder hebben verweerders voor wat betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996, afgezien van een schatting van de inkomsten van eiser uit handel en reparatie van
250,00 per maand en inkomsten uit inwoning gedurende een beperkt aantal maanden, geen berekening gemaakt van de inkomsten en het vermogen van eiser.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank n en ander onjuist. Omdat op voorhand niet zonder meer valt uit te sluiten dat eiser een deel van de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 recht had op een aanvullende bijstandsuitkering, hadden verweerders over deze periode het recht van eiser op (aanvullende) bijstand moeten beoordelen, alvorens tot besluitvorming over te gaan.

De slotsom moet daarom luiden dat verweerders het bestreden besluit voor wat betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid en genomen.
Het beroep van eiser zal in zoverre gegrond worden verklaard.

Ingevolge artikel 55 in samenhang met 57, aanhef en onder d, ABW wordt, indien de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, ABW, door de belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen, de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Zoals hiervoor is overwogen, zijn verweerders ten onrechte niet nagegaan of eiser over een gedeelte van de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 mogelijk nog recht had op een aanvullende bijstandsuitkering. Daardoor staat niet vast tot welk bedrag eiser te veel uitkering is betaald.
De terugvordering ontbeert daarom, voor zover het betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996, een feitelijk juiste grondslag.
Derhalve zal het beroep van eiser op dit onderdeel eveneens gegrond worden verklaard.

De terugvordering van de aan [betrokkene 1] verstrekte uitkering.
Krachtens artikel 59a, tweede lid, ABW en artikel 84, tweede lid, Abw worden, indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
De in het tweede lid van genoemde bepalingen bedoelde personen zijn op grond van het derde lid hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Zoals in de uitspraak van heden met het nr. AWB 00/244 NABW V06 is vastgesteld, is de terugvordering van de te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 niet in geschil. Verweerders hebben derhalve terecht de over deze periode aan [betrokkene 1] te veel betaalde uitkering van haar teruggevorderd.


Nu eiser en [betrokkene 1] gedurende de periode waarop deze terugvordering betrekking heeft een gezamenlijke huishouding vormden, zodat bij de verlening van bijstand aan [betrokkene 1] met zijn middelen rekening had moeten worden gehouden, hebben verweerders de aan [betrokkene 1] over deze periode verstrekte bijstand terecht mede van eiser teruggevorderd.

Voor wat betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 heeft de rechtbank in de zaak met het nr. AWB 00/244 NABW V06 echter vastgesteld dat de uitkering van [betrokkene 1] ten onrechte is ingetrokken zonder na te gaan in hoeverre [betrokkene 1] mogelijk nog aanspraak op aanvullende bijstand zou kunnen maken over een deel van deze periode.
Daardoor staat niet vast tot welk bedrag [betrokkene 1] te veel uitkering is betaald.
De terugvordering ontbeert daarom, voor zover het betreft de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996, een feitelijk juiste grondslag.
Om die reden zal het beroep van eiser ook voor wat betreft dit onderdeel gegrond worden verklaard.

De invorderingskosten.
Met betrekking tot de passages over de invorderingskosten in de besluiten van 30 juni 1999 is de rechtbank van oordeel dat deze passages niet zelfstandig op rechtsgevolg zijn gericht en daarmee geen onderdeel vormen van het bestreden besluit. Deze passages informeren eiser over de mogelijke gevolgen die voortvloeien uit het bepaalde in artikel 87, Abw in samenhang met artikel 14f, zevende lid, Abw in het geval de te veel betaalde bijstand niet tijdig wordt terugbetaald. Ter zake kan te zijner tijd zo nodig afzonderlijk een bezwaar- en beroepsprocedure worden gevolgd. Het beroep van eiser is in zoverre ongegrond.

Conclusie.
Het beroep van eiser is ongegrond voor wat betreft de herziening van zijn uitkering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 en de daarop gebaseerde terugvordering. Zijn beroep is eveneens ongegrond voor zover het betreft de terugvordering op hem van de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1999 te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand, alsmede voor zover het betreft de passage over de invorderingskosten.
Daarentegen is zijn beroep gegrond voor wat betreft de herziening van zijn uitkering over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering. Het beroep is ook gegrond voor zover het betreft de terugvordering van de te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996.
Het bestreden besluit dient op die onderdelen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 7:12, eerste lid, Awb.



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad
60,00 door de gemeente Stadskanaal aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiser zijn gemaakt en wijst de gemeente Stadskanaal aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op
1441,58, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.
De rechtbank tekent hierbij aan dat de vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand mede strekt tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de zaken AWB 00/243 NABW V06 en AWB 00/244 NABW V06, nu deze zaken zijn aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover het betreft de herziening van de uitkering van eiser over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering, alsmede voor zover het betreft de terugvordering op eiser van de over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand;
- vernietigt het besluit van verweerders van 1 februari 2000, voor zover het betreft de herziening van de uitkering van eiser over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 en de daarop gebaseerde terugvordering, alsmede voor zover het betreft de terugvordering op eiser van de over de periode van 1 juli 1994 tot 1 januari 1996 te veel aan [betrokkene 1] betaalde bijstand;
- bepaalt dat de gemeente Stadskanaal eiser het betaalde griffierecht ad
60,00 vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiser gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op
1441,58 en bepaalt dat de gemeente Stadskanaal deze kosten aan de griffier dient te betalen;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken
op 23 februari 2001, in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 23 februari 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB0577
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/763 ABW
Datum uitspraak: 25 januari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 9 en 39 Abw (= 5, 13 en 35 Wwb) / 7:3 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; huurkosten; gedetineerde; detentie; motivering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor huurkosten, omdat betrokkene, die de huur van zijn woning moest opzeggen vanwege langdurige detentie, over de betreffende maand nog bijstand heeft ontvangen. Onterechte afwijzing van die bijzondere bijstand over de periode waarin geen bijstand meer is ontvangen, omdat niet voldoende is onderzocht of betrokkene in zijn specifieke situatie over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/763 ABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

tegen

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerster van 12 november 1999, verzonden op 29 november 1999, met kenmerk 991737/4529.




2. Zitting


Op 4 december 2000 is de zaak ter zitting behandeld.
Eiser noch zijn gemachtigde is ter zitting verschenen.
Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.I.E. Rhuggenaath.




3. Feiten


Bij besluit van 16 april 1999 heeft verweerster eisers bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 3 maart 1999 beindigd omdat er geen recht op bijstand bestaat aangezien eisers vrijheid rechtens is ontnomen.

Eiser heeft in verband met de vermoedelijke duur van de detentie zijn huurwoning opgezegd. De gemachtigde van eiser heeft namens eiser verweerster verzocht om doorbetaling van huur van eisers woning vanaf 1 februari 1999 tot en met 15 april 1999, de datum van de huurbeindiging.

Bij besluit van 1 juli 1999 heeft verweerster afwijzend beslist op de aanvraag om bijstand in de kosten van de huur van de woning omdat dit gezien de duur van de detentieperiode niet noodzakelijk wordt geacht.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 9 juli 1999 bezwaar gemaakt.

Verweerster heeft op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgezien van het horen van eiser.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Namens eiser is bij brief van 10 januari 2000, aangevuld bij brief van 2 februari 2000, beroep ingesteld.

Op 17 februari 2000 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij fax van 28 november 2000 heeft verweerster een verweerschrift aan de rechtbank doen toekomen.




4. Motivering


In dit geding dient de vraag te worden beantwoordt of het bestreden besluit, waarbij verweerster de afwijzing van de aanvraag om bijstand in de kosten van de huur heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

Verweerster heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in het geval van eiser de detentieperiode de duur van zes maanden overschrijdt. Eiser voldoet daarmee niet aan de gestelde voorwaarden die een uitzondering op artikel 9, eerste lid, van de Abw rechtvaardigen.
Daarbij komt, stelt verweerster, dat eiser over de maand februari 1999 een bijstandsuitkering heeft ontvangen waardoor hij geacht wordt over voldoende middelen te beschikken om in de gevraagde kosten te voldoen. Verweerster stelt dat eiser ingevolge artikel 15 van de Abw, nu eiser bij het ontstaan van de schuldenlast over middelen beschikte, niet geacht wordt in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw te verkeren.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat verweerster ten onrechte toetst aan het beleid met betrekking tot een detentieduur van korter dan zes maanden. In zijn geval, zo stelt eiser, is daar geen sprake van.
Eiser stelt dat verweerster niet heeft getoetst of er sprake is van het voldoen aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van de Abw.
Eiser stelt vervolgens dat hij heeft laten zien verantwoordelijk te zijn voor zijn eigen daden door onmiddellijk zijn huur op te zeggen. Ten slotte is eiser van mening dat hij gedurende zijn uitkeringsperiode niet in staat is geweest om enig vermogen op te bouwen uit welk vermogen hij in staat zou zijn om de huur over de periode maart 1999 en half april 1999 te kunnen betalen. Eiser is volledig aangewezen op de gemeente Den Haag.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. In afwijking hiervan kan krachtens artikel 11 van de Abw bijstand worden verstrekt indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.
In artikel 6, onderdeel a, van de Abw is geregeld dat onder bijzondere bijstand moet worden verstaan de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaat.

De rechtbank is van oordeel dat verweerster de afwijzing van eisers verzoek om de huur over de maand februari 1999 door te betalen terecht heeft gehandhaafd. Eiser heeft immers over de maand februari 1999 algemene bijstand ontvangen.

Eiser wordt dan ook geacht van deze uitkering de huur over maand februari 1999 te hebben kunnen voldoen. Het beroep voor zover het zich richt tegen de weigering om de huur door te betalen over februari 1999 wordt ongegrond verklaard.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het op grond van de wettelijke bepalingen ter vaststelling van het recht op bijzondere bijstand noodzakelijk is om vast te stellen of de individuele aanvrager in zijn concrete geval recht heeft op bijzondere bijstand.
Uit de stukken blijkt dat verweerster, na het verzoek van eisers gemachtigde om doorbetaling van de huur over de maanden februari tot en met 15 april 1999, de aanvraag heeft getoetst aan het in de gemeente gehanteerde beleid inzake doorbetalen van woonkosten tijdens detentie. Dat beleid heeft betrekking op kortgedetineerden die in staat worden gesteld hun woning aan te houden in afwachting van hun invrijheidstelling. Daarvan is hier geen sprake. Van meet af aan was duidelijk dat eiser zijn woning niet wilde aanhouden tot hij vrij zou komen. Eiser heeft zo spoedig mogelijk de huur opgezegd, maar was desalniettemin genoodzaakt tot half april 1999 de huur door te betalen.
Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerster in het geval van eiser de concrete feiten en omstandigheden van eiser heeft vastgesteld, aan de hand waarvan zou moeten worden beoordeeld of eiser in dit geval voor bijzondere bijstand in aanmerking komt.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerster, bij de vaststelling van het recht van eiser op de gevraagde voorziening, niet voldoende heeft onderzocht of eiser in zijn specifieke situatie over voldoende middelen kon beschikken om de voor hem onvermijdelijke kosten te voldoen.
Nu verweerster dat heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerster het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft besloten.
Het beroep wordt in zoverre gegrond verklaard.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op
710,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht. De waarde per punt is 710,-.




5. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep voor zover het zich richt tegen de weigering van bijzondere bijstand over de maand februari 1999 ongegrond;
verklaart het beroep voor het overige gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is beslist op het bezwaar inzake bijzondere bijstand over de maanden maart en april 1999;
draagt verweerster op om binnen een termijn van vier weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerster in de kosten ad
710,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiser het door deze betaalde griffierecht, zijnde
60,-, vergoedt.




6. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de
Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H. Peper.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden:

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wsg / Awb
x
LJN:
x
AB0578
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 99/8034 ABW
Datum uitspraak: 15 januari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 14 en 65 Abw (= 13, 18 en 17 Wwb) / 8:73 Awb
Trefwoorden: vrijheidsbeneming; gedwongen opname; psychiatrisch ziekenhuis; artikel 37:1 Sr; Bopz; Wsg; voorwaardelijk ontslag; onrechtmatige daad; vergoeding renteschade; wettelijke rente
Essentie: Onterechte beindiging bijstand wegens vrijheidsbeneming (gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis), omdat betrokkene met toestemming van de behandelend arts met voorwaardelijk ontslag is gegaan en Justitie niet voorziet in de kosten van levensonderhoud. De renteschade dient te worden vergoed.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 99/8034 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 26 februari 1999 heeft verweerster op de aanvraag van 4 januari 1999 om een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend beslist op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 maart 1999 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend.

Bij brief van eveneens 12 maart 1999 heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening bij de president van deze rechtbank ingediend.

Bij uitspraak van 26 april 1999 heeft de (fungerend) president het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verweerster aan eiser met ingang van 15 maart 1999 tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar een aanvullende bijstandsuitkering moet toekennen.

Bij besluit van 29 juli 1999, verzonden op 9 augustus 1999, heeft verweerster het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en aan eiser alsnog met ingang van 4 januari 1999 tot en met 28 januari 1999 een bijstandsuitkering naar de norm zak- en kleedgeld toegekend. Met betrekking tot de periode vanaf 29 januari 1999 is het bezwaar ongegrond verklaard op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 september 1999, ingekomen bij de rechtbank op 3 september 1999, en aangevuld bij brief van 21 oktober 1999, beroep ingesteld.

Bij brief van 3 december 1999 heeft eiser een verklaring van het Psycho-Medisch Centrum X ingediend.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 18 december 2000 ter zitting behandeld.
Voor eiser is verschenen zijn advocaat mr. W.M.A. der Weduwe-de Groot.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes.




2. Motivering


De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, voor zover daarbij ook na heroverweging aan eiser een bijstandsuitkering is geweigerd vanaf 29 januari 1999, in rechte stand kan houden.

Blijkens de stukken is bij vonnis van 3 september 1998 van deze rechtbank aan eiser een maatregel opgelegd, in die zin dat hij met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van n jaar in een psychiatrisch ziekenhuis is geplaatst. Op 4 januari 1999 is hij overgebracht naar de gesloten afdeling van de inrichting Y, afdeling Psychiatrische Zorg en Drugs (PZD-X) te B. Op 29 januari 1999 heeft eiser, naar zijn zeggen met toestemming van zijn behandelaar, de inrichting verlaten.

Verweerster heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat aan eiser krachtens de hem opgelegde maatregel rechtens zijn vrijheid was ontnomen. Dat eiser vanaf 29 januari 1999 niet langer in de inrichting zou hebben verbleven, doet volgens verweerster niet af aan het onvrijwillig karakter van de maatregel. Dit zou slechts anders zijn indien zou blijken dat de behandeling met toestemming van de geneesheer-directeur is gestaakt. Nu eiser een verklaring van die strekking niet heeft kunnen overleggen, moet volgens verweerster worden aangenomen dat eiser ook na 29 januari 1999 rechtens zijn vrijheid was ontnomen, zodat hij op grond van artikel 9, eerste lid, van de Abw niet voor bijstand in aanmerking kwam.

Eiser heeft in beroep (samengevat) aangevoerd dat hij met ingang van 28 januari 1999 voorwaardelijk uit de inrichting is ontslagen en zich uitsluitend wekelijks behoefde te melden voor ambulante behandeling. Naar zijn mening was hem dan ook niet langer zijn vrijheid ontnomen. Eiser heeft een verklaring overgelegd van de behandelend arts, in overleg met de behandelend psychiater, waarin wordt gesteld dat eiser van 4 januari 1999 tot 18 januari 1999 (de rechtbank leest 28 januari 1999) met een strafrechtelijke machtiging opgenomen is geweest op de afdeling PZD van X.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van artikel 37, eerste lid, van het Sr niet op n lijn worden gesteld met andere vormen van vrijheidsbeneming waarop artikel 9, eerste lid, van de Abw betrekking heeft.

Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van de wetsgeschiedenis, met name de toelichting op artikel 9 van de Abw, waaruit blijkt dat met het begrip rechtens zijn vrijheid ontnomen wordt gedoeld op gedetineerden die voor de algemene en bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vallen onder de financile verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3). In het geval er sprake is van een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr wordt in de kosten van levensonderhoud niet door de Staat voorzien; belanghebbende is derhalve aangewezen op een bijstandsuitkering naar de van toepassing zijnde uitkeringsnorm.

Onlangs is de relatie tussen het begrip rechtens zijn vrijheid ontnomen en een gedwongen opname in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) dan wel een gedwongen opname met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr, aan de orde gekomen bij de behandeling van de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden. Uit de toelichting bij dit wetsvoorstel blijkt eveneens dat bij een gedwongen opname op grond van de Bopz of met toepassing van artikel 37, eerste lid, van het Sr, het niet gerechtvaardigd wordt geacht om belanghebbenden uit te sluiten van het recht op een uitkering, aangezien de Staat in deze gevallen niet voorziet in het levensonderhoud van de opgenomen personen. Voorts wordt toegelicht dat het gaat om personen wie hun vrijheidsontneming niet kan worden aangerekend. Het gaat hierbij in feite om een rechterlijke machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis zoals die doorgaans door de civiele rechter op grond van de Bopz wordt opgelegd. De wijze van tenuitvoerlegging van deze maatregel vindt ook geheel volgens de bepalingen van de Bopz plaats en de last moet in dit kader met de civielrechtelijke machtiging worden gelijkgesteld (Kamerstukken II 1997-1998, 26 063, nr. 3).

Overigens merkt de rechtbank op dat verweerster zelf heeft vastgesteld dat eiser gedurende zijn gedwongen opname op de afdeling PZD van X was aangewezen op een bijstandsuitkering aangezien zij eiser een bijstandsuitkering heeft verstrekt naar de norm zak- en kleedgeld gedurende de periode van 4 januari 1999 tot 29 januari 1999.

Voor zover verweerster in haar verweerschrift en ter zitting heeft opgemerkt dat eiser vanaf 29 januari 1999 geen recht op bijstand heeft aangezien hij, door zelf X te verlaten, blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 14 van de Abw, dan wel, subsidiair, aangezien hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, merkt de rechtbank het volgende op.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het overleggen van de brief van n van de psychiaters van X van 11 februari 1999 (gedingstuk B14) voldaan aan de plicht die inlichtingen te verschaffen waarom verweerster mocht verzoeken. In elk geval is duidelijk dat eiser het psychiatrisch ziekenhuis heeft verlaten met de daarvoor binnen die organisatie vereiste toestemming. Ook uit de later in het geding ingebrachte brief van de behandelend arts, in samenspraak met voornoemde psychiater van de afdeling PZD van X, van 18 november 1999 blijkt dat eiser met zon toestemming met voorwaardelijk ontslag is gegaan. Eiser kan dus noch tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, noch een verzuim te voldoen aan de inlichtingenplicht worden verweten.

Gelet op het vorenstaande berust het bestreden besluit op een onjuiste toepassing van artikel 9, eerste lid, van de Abw. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Verweerster zal ter uitvoering van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het ingediende bezwaar dienen te nemen, strekkende tot bijstandverlening met ingang van 29 januari 1999.

Eiser heeft in beroep tevens verzocht verweerster te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over de achterstallige uitkeringen.
Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep overweegt de rechtbank dat verweerster, door eiser per 29 januari 1999 ten onrechte een Abw-uitkering te onthouden, een haar toe te rekenen onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor haar de plicht voortvloeit om aan eiser de schade te vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt. De rechtbank acht de schade die wordt veroorzaakt door vertraagde uitbetaling van eisers Abw-uitkering, te weten wettelijke rente op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek, toewijsbaar vanaf de datum dat vanwege verweerster een Abw-uitkering zou zijn uitgekeerd indien het primaire besluit van 26 februari 1999 zou hebben geluid zoals het rechtens had behoren te luiden. Ervan uitgaande dat de uitkering uiterlijk op de laatste dag van de maand had moeten worden uitbetaald, is de eerste dag waarop rente verschuldigd is de daaropvolgende dag vr de alsdan verstreken termijn. De rentevergoeding over de volgende termijnen loopt telkens vanaf de eerste dag na afloop van de desbetreffende termijn, tot de dag van algehele voldoening.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerster met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 1420,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepsschrift door een advocaat en n punt voor de aanwezigheid ter zitting van de advocaat, met een wegingsfactor voor de zaak van 1 (gemiddeld), terwijl de waarde per punt 710,- bedraagt.

Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is afgegeven, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van bovengenoemd bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank. Het door eiser betaalde griffierecht dient aan eiser te worden vergoed.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de rechtspersoon gemeente Den Haag aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten
60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerster in de proceskosten ten bedrage van
1420,-, onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden;
veroordeelt de gemeente Den Haag tot vergoeding van renteschade als hiervoor aangegeven.


Aldus gegeven door mrs. C.J. Waterbolk, E.R. Eggeraat en D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB0596
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 99/12344 ABW
Datum uitspraak: 8 december 2000
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30, 57, 58 en 59a ABW (= 65, 81, 82 en 84 Abw) (= 17, 58, 58 en 59 Wwb) / 32 en 69 Abw (= 24 en 54 Wwb) / 8:69 Awb
Trefwoorden: inkomsten; WW-uitkering; ZW-uitkering; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; gezamenlijke huishouding met illegale vreemdeling; hoofdelijke aansprakelijkheid
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid en WW- en ZW-uitkering, met dien verstande dat eisers partner over de periode dat zij nog illegale vreemdeling was niet mede hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, aangezien zij in die periode niet bijstandsgerechtigd was. Terecht zijn haar inkomsten in die periode slechts in aanmerking genomen voor zover daarmee het gezamenlijke inkomen de gehuwdennorm te boven ging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 99/12344 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], verder te noemen eiser, en [eiseres], verder te noemen eiseres, beiden wonende te [woonplaats],

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verder te noemen verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft verweerster het recht op bijstand over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 op grond van artikel 69, derde lid, Algemene bijstandswet (Abw) herzien. De als gevolg van de herziening te veel betaalde bijstand ad 80.331,41 heeft verweerster op grond van artikel 81 Abw teruggevorderd.

Bij brief van 30 oktober 1998 en nader aangevuld bij brief van 24 december 1998 hebben eiser en eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 1998.

Bij besluit van 5 november 1999, verzonden op 23 november 1999, heeft verweerster de bezwaren van eiser en eiseres gericht tegen het besluit van 16 oktober 1998 ongegrond verklaard onder wijziging van de wettelijke grondslagen van het besluit.

Tegen dit besluit hebben eiser en eiseres bij brief van 30 december 1999, en van gronden voorzien bij brief van 21 maart 2000, beroep ingesteld.

Het beroep is op 23 november 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mevrouw mr. M.J. Zennipman.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.R.L. Berkes.




2. Motivering


De rechtbank staat voor de vraag of verweerster op goede gronden, zoals deze gewijzigd zijn in het besluit op bezwaar van 5 november 1999, is overgegaan tot terugvordering van 80.331,41 aan verleende bijstand op zowel eiser als op eiseres.

Verweerster heeft aan het bestreden besluit, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 is gebleken dat eiseres inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.
Daarnaast is gebleken dat eiser over de periode 14 februari 1994 tot 14 juli 1997 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving en over de periode 14 juli 1997 tot 20 april 1998 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Verweerster stelt dat eiser bovengenoemde inkomsten van hemzelf en van eiseres tot 5 februari 1998 niet heeft gemeld en hiermee niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30, tweede lid, Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 65, eerste lid, Abw. Hierdoor is over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 een bedrag van in totaal 80.331,41 te veel aan bijstand toegekend. Dit bedrag wordt op grond van de artikelen 57, onderdeel a en d, 58 en 59a ABW en 81, 82 en 84 Abw van eiser en eiseres teruggevorderd.

Hiertegen is namens eiser in beroep, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is van mening dat hij terecht in de veronderstelling verkeerde volledige en juiste gegevens te hebben overgelegd. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat zijn uitkering werd verrekend tussen Cadans en de DSZW [Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidprojecten, red.] en voorts dat de WW en ZW niet onder de noemer inkomsten vielen. Daarnaast meende hij dat de inkomsten van zijn partner/eiseres niet meetelde aangezien zij illegaal was en hij een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontving. Eiser is voorts van mening dat hem niet kan worden verweten onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt nu hij de vragen over zijn partner/eiseres, mede door zijn taalprobleem, niet heeft ingevuld. Eiser is van mening dat het op de weg van de DSZW had gelegen om te vragen waarom deze vragen niet werden ingevuld. Eiser is van mening dat ten onrechte de partner/eiseres over de gehele periode als mede hoofdelijk aansprakelijk wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Met betrekking tot de inkomsten van eiseres over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 merkt de rechtbank het volgende op.
Eiser en eiseres vormden ten tijde van de bijstandverlening een gezamenlijke huishouding. Bij de vaststelling of een belanghebbende in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert zoals neergelegd in artikel 1, eerste en tweede lid, ABW dient rekening te worden gehouden met alle middelen waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit beginsel blijft overeind staan ook in het onderhavige geval waarbij eiseres op grond van het ontbreken van een verblijfsvergunning geen recht op bijstand had. In het geval zij over inkomsten ging beschikken, diende hier bij de bijstandverlening rekening mee te worden gehouden. Eiser diende dit op grond van de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30, tweede lid, ABW en artikel 65, eerste lid, Abw te melden. Onder de werking van de (oude) ABW is dit uitgangspunt terug te vinden in de Circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 mei 1991, nr. SZ/BV/UKB/MZM/5518, inzake bijstandverlening aan vreemdelingen. In deze circulaire wordt ingegaan op de afstemming van de bijstand bij een gezamenlijke huishouding met een illegale vreemdeling of asielzoeker. De afstemming houdt in dat aan de rechthebbende partner bijstand wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande dan wel alleenstaande ouder en dat met het inkomen van de illegale of asielzoekende partner rekening wordt gehouden voor zover dat inkomen ten goede komt aan de bijstandsgerechtigde. Hiervan kan in de regel worden uitgegaan indien en voor zover het gezamenlijke inkomen het normbedrag voor een echtpaar overschrijdt. Zie hiertoe ook de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 20 juni 1995 ABW 1994/588. Onder de (nieuwe) Abw is dit uitgangspunt terug te vinden in artikel 32.

Uit gedingstuk B61 blijkt dat verweerster bovengenoemde systematiek heeft toegepast bij de berekening van de te veel verstrekte bijstand. Het deel van de inkomsten van eiseres dat het verschil tussen de bijstandsnorm van eiser en de gezinsnorm voor een echtpaar vormde, is hiermee buiten beschouwing gebleven. Het meerdere diende te leiden tot een lagere bijstandverlening aan eiser. Nu dit niet is gebeurd doordat deze inkomsten niet zijn opgegeven, vordert verweerster terecht dit deel van de verleende bijstand van eiser terug.

Ten aanzien van de inkomsten van eiser over de periode 14 juli 1997 tot en met 31 januari 1998.
Eiser heeft inkomsten uit WW- en ZW-uitkering ontvangen welke hij niet heeft opgegeven opdat hiermee bij de bijstandverlening rekening kon worden gehouden. De door eiser aangevoerde bezwaren dat hij meende te voldoen aan de inlichtingenplicht en dat voor zover dit niet het geval was dit mede veroorzaakt werd door een taalprobleem kan de rechtbank niet volgen mede gelet op de voorgeschiedenis van eiser waarbij hij onder andere in 1993 reeds werd geconfronteerd met het niet opgeven van inkomsten uit arbeid, hetgeen leidde tot een terugvordering. Daarnaast heeft eiser aangevoerd in de veronderstelling te verkeren dat de inkomsten uit WW en ZW met de bijstand werden verrekend. Ook voor deze veronderstelling kan de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond vinden aangezien dit onverlet laat dat eiser de inkomsten op grond van de inlichtingenplicht diende te vermelden en dit heeft nagelaten.

Verweerster heeft derhalve terecht de te veel verstrekte bijstand op grond van artikel 57 aanhef en onder a en d, in relatie met artikel 30, tweede lid, ABW alsmede artikel 58 ABW van eiser teruggevorderd over de periode dat de (oude) ABW van toepassing was. Voor de periode dat de (nieuwe) Abw van toepassing was, heeft verweerster de periode tot 1 juli 1997 de te veel betaalde bijstand terecht teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, Abw in relatie met artikel 65, eerste lid, Abw alsmede artikel 82 Abw. Voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 1998 is de bijstand terecht herzien op grond van artikel 69, derde lid, Abw en de te veel betaalde bijstand teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, Abw. Ten aanzien van de door verweerster gehanteerde rechtsgrond van artikel 82, tweede lid, Abw merkt de rechtbank op dat het besluit duidelijkheid zou moeten geven voor welk deel van de vordering deze rechtsgrond wordt gehanteerd, dit mede vanwege de rechtsgevolgen inzake de verjaringstermijn. Bovendien ziet de rechtbank niet in wat artikel 81, tweede lid, Abw toevoegt aan het besteden besluit naast de reeds gehanteerde rechtsgrond van artikel 81, eerste lid, Abw. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de rechtsgrond van artikel 81, tweede lid, Abw te laten vervallen.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 59a ABW en 84 Abw waarmee eiseres hoofdelijk aansprakelijk is gesteld ten aanzien van de gehele vordering overweegt de rechtbank het volgende.

Vanaf 13 oktober 1997 wordt de bijstand aan eiser en eiseres als gezinsbijstand naar de norm van een echtpaar verstrekt. Het deel van de vordering dat ziet op de ten onrechte verstrekte bijstand van 13 oktober 1997 tot en met 31 januari 1998 kan terecht met toepassing van artikel 84, eerste en derde lid, Abw van eiseres worden teruggevorderd.

De rechtbank is echter van mening dat eiseres niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor het deel van de vordering van ten onrechte verleende bijstand over de periode 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 aangezien het bepaalde in artikel 59a ABW en 84 Abw op haar niet van toepassing is.

De rechtbank komt tot dat oordeel aangezien eiseres over de desbetreffende periode geen recht op bijstand had. De terugvorderingsgrondslag van artikel 59a ABW en 84 Abw werden ingevoerd vanuit de overweging dat het als onredelijk werd ervaren dat een verzwegen partner de terugvorderingsdans ontspringt, terwijl hij wel heeft meegeprofiteerd van de ten onrechte verstrekte bijstand (Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, inwerkingtreding 1 augustus 1992, toelichting in Nota naar aanleiding van het eindverslag, II 1988-1989, 20598, nr. 9 p. 16 [lees: nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1988-1989, 20 598, nr. 9, blz. 16, red.]). In dit geval kan niet gesteld worden dat eiseres gedurende de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 van de bijstand heeft meegeprofiteerd. De rechtbank is uit de totstandkomingsgeschiedenis evenwel niet gebleken dat de bepalingen van genoemde artikelen zo uitgelegd dienen te worden dat zij mede betrekking hebben op het onderhavige geval. Voor een dergelijke extensieve uitleg ziet de rechtbank geen ruimte en concludeert zij dat de Abw niet voorziet in een terugvordering op eiseres gedurende de periode dat zij geen recht op bijstand had.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 59a ABW en 84 Abw voor zover het besluit betrekking heeft op eiseres en ongegrond voor zover het besluit betrekking heeft op eiser.
Verweerster dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen rekening houdend met hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De president ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 1420,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepsschrift door een advocaat en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting van de advocaat, met een wegingsfactor voor de zaak van 1 (gemiddeld), terwijl de waarde per punt 710,- bedraagt.

Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is afgegeven, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van bovengenoemd bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank. Het door verzoeker betaalde griffierecht dient aan hemzelf te worden vergoed.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit voor zover het bepaalt dat eiseres hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering over de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van 1420,-, onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank dient te betalen;
gelast dat de gemeente Den Haag als de rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt;

Aldus gegeven door mr. T.M.A. Claessens en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2000, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x