Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AB0950
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 99/1063 NABW 58
Datum uitspraak: 9 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 4, 4a en 7a ABW (= 21 en 22 Abw) (= 51 en Wwb) / 1:3, 8:71 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand, aanschafkosten woonwagen en inrichtingskosten; geldlening; leenbijstand; niet-nakoming aflossingsverplichtingen; hoofdelijk medeschuldenaar; terugvordering; overeenkomst naar burgerlijk recht; civiel
Essentie: Onterechte terugvordering van de hoofdelijk medeschuldenaar, wegens niet-nakoming van de aflossingsverplichtingen, van leenbijstand voor de kosten van aanschaf en inrichting van een woonwagen, omdat, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, elke geldlening een overeenkomst naar burgerlijk recht is en het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 99/1063 NABW 58




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres]. wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 23 september 1999.




2. Feiten


Bij besluit van 5 maart 1975 is aan de (inmiddels overleden) echtgenoot van eiseres bijstand verleend in de vorm van een lening tegen 5% rente, ter voorziening in de aanschaf van een woonwagen ter vervanging van een bestaande woonwagen. De lening bedroeg in totaal een bedrag van 23.300,-, te weten een bedrag van 20.800,- ten behoeve van de aanschaf en een bedrag van 2500,- voor de inrichting van de betreffende woonwagen. In verband daarmee is tussen de gemeente Harderwijk en de echtgenoot van eiseres op 9 april 1975 een overeenkomst, akte van geldlening geheten, gesloten, waarbij laatstgenoemde zich heeft verbonden tot terugbetaling van voornoemd geldbedrag. Tevens heeft eiseres zich bij die overeenkomst als hoofdelijk medeschuldenares verbonden tot terugbetaling van al hetgeen haar echtgenoot uit hoofde van vorenstaande overeenkomst aan verweerder verschuldigd is of zal worden.

Vervolgens heeft eiseres op enig moment vr 1998 verweerder telefonisch laten weten dat de woonwagen medio 1997 was gesloopt en dat haar kinderen inmiddels voor haar een nieuwe woonwagen hadden aangeschaft. Verweerder is vervolgens gebleken dat eiseres inmiddels eigener beweging was gestopt met het aflossen van voornoemde geldlening en de woonwagen in strijd met het op 9 april 1975 overeengekomene niet aan verweerder ter vernietiging was overgedragen.

Bij brief van 10 februari 1999 is daarop het restant bedrag van de geldlening, te weten
17.569,60, van eiseres teruggevorderd op de grond dat de uit de geldlening voortvloeiende betalingsverplichtingen niet dan wel in onvoldoende mate zijn nagekomen. Het daartegen namens eiseres door mr. H.A. van der Kleij, advocaat werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, ingediende bezwaarschrift gedateerd 3 maart 1999 heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. Van der Kleij voornoemd beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift van 14 december 1999 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.J. van Bussel, ambtenaar der gemeente.




4. Motivering


4.1. De rechtbank ziet aanleiding allereerst te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of verweerders beslissing in primo een besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt.

4.2. Op 5 maart 1975 heeft verweerder op grond van het toenmalige Besluit bijstandverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, 359; hierna: het besluit) aan de echtgenoot van eiseres bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de aanschaf van een woonwagen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van genoemd besluit dient de bijstand in de kosten van de aankoop van een woonwagen te worden verleend in de vorm van een geldlening, tenzij bijstand in de vorm van borgtocht mogelijk is. Op 9 april 1975 is in dit kader een overeenkomst tot geldlening gesloten, waarbij eiseres en haar echtgenoot zich jegens verweerder hoofdelijk hebben verbonden tot terugbetaling van een geldbedrag ad 23.300,- in wekelijkse termijnen van 10,- en de eigendom van de woonwagen aan verweerder is overgedragen onder gelijktijdige in bruikleen verschaffing van die woonwagen aan de echtgenoot van eiseres. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen aflossingen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze in 1975 aangegane overeenkomst tot geldlening te worden gekwalificeerd als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af.

De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445) waarin het navolgende is overwogen:

"Waar de Algemene Bijstandswet in de artikelen 4, 4a en 7a in de destijds geldende tekst sprak, en artikel 21 en 22 Abw thans spreken, van bijstand in de vorm van een geldlening, had en heeft zij het oog op de overeenkomst naar burgerlijk recht, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, bij welke overeenkomst deze de betrokkene een som geld ter leen is verstrekt. De verbintenis van deze laatste om de door hem ter leen ontvangen som terug te betalen, moet dan ook worden gekwalificeerd als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot een geven zoals bedoeld in artikel 3:307 BW."

Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft ontvangen, wordt naar het oordeel van de rechtbank ook de vraag of de in die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden, alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele recht.

De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) per 1 juli 1997 de mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke weg terug te vorderen, doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet BMT is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient naar het oordeel van de rechtbank bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden beoordeeld.

In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke overeenkomst van 9 april 1975 heeft verbonden.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders beslissing in primo geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling inhoudt, zodat er - gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan slechts tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van eiseres ontvankelijk verklaard. Gelet hierop komt het bestreden besluit dan ook voor vernietiging in aanmerking. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

4.3.  De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in
de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Voorts kent de rechtbank ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van 46,91 toe.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de gemeente Harderwijk het betaalde griffierecht van 60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van eiseres tot een bedrag van 1420,-, te betalen door de gemeente Harderwijk aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement Zutphen te Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer;
- veroordeelt verweerder in de overige proceskosten van eiseres tot een bedrag van 46,91, te betalen door de gemeente Harderwijk aan eiseres.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB1019
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/810 NABW V06
Datum uitspraak: 9 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 59a ABW (= 63 en 84 Abw) (= 40 en 59 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; woonplaats; bevoegde gemeente
Essentie: Onterechte terugvordering van hoofdelijk aansprakelijk gestelde eiseres, omdat betrokkene waarmee eiseres een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd in het geheel geen recht had op bijstand jegens verweerders gemeente aangezien hij in een andere gemeente woonplaats had.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/810 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. W.H.C. Bulthuis,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerders,
gemachtigde: T. Veltman.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 4 juli 2000, verzonden 17 juli 2000, het bezwaar van eiseres van 5 april 2000 tegen hun besluit van 29 februari 2000, waarbij zij van eiseres een bedrag van 102.890,78 hebben teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 8 augustus 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 29 augustus 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 23 maart 2001.
Eiseres is aldaar niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door T. Veltman.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

De heer [betrokkene] heeft van 20 september 1982 tot en met 25 januari 2000 een uitkering ontvangen aanvankelijk op grond van de (oude) Algemene Bijstandswet en de daarop gebaseerde Rww, naderhand op grond van de nieuwe Algemene bijstandswet. Hij stond gedurende deze periode in de basisadministratie van de gemeente Hoogezand-Sappemeer ingeschreven op het adres [adres betrokkene].
Op 24 januari 2000 zijn [betrokkene] en eiseres door de politie aangehouden als verdachten van het plegen van een reeks inbraken en diefstallen. Uit de verhoren inzake deze misdrijven kwam naar voren dat [betrokkene] vrijwel dagelijks bij eiseres in [woonplaats eisers] verbleef. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. Op 10 februari 2000 is een drietal getuigen gehoord omtrent de feitelijke verblijfplaats van [betrokkene]. Op 16 februari 2000 zijn vervolgens [betrokkene] en eiseres hierover gehoord.
Verweerders hebben besloten de uitkering van [betrokkene] met ingang van 1 februari 1991 in te trekken; aangezien hij vanaf die datum bij eiseres in [woonplaats eiseres] verbleef, had hij geen recht op een bijstandsuitkering van de gemeente [woongemeente betrokkene].
Verweerders achten eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de ten onrechte aan [betrokkene] betaalde bijstand en hebben bij besluit van 29 februari 2000 over de periode van 1 maart 1995 tot en met 25 januari 2000 een bedrag van 102.890,78 van eiseres teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 4 april 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Op 7 juni 2000 is eiseres gehoord door de bezwaarschriftencommissie, waarna deze verweerders heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit conform het advies van de commissie het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat verweerders ten onrechte en op onvoldoende gronden hebben aangenomen dat eiseres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene]. Zij had een lat-relatie met hem.



Wettelijk kader

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden.
Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, verder aan te duiden als IHABW) wordt de oude Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die datum ingetrokken.
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) in werking getreden. Daarbij zijn verschillende bepalingen van de Abw gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.
Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998 artikel 84, tweede lid, Abw gewijzigd. Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking getreden.
Dit betekent dat de gronden voor terugvordering van de uitkering voor de periode van 1 maart 1995 tot 1 januari 1996 zijn neergelegd in de artikelen 55, 57 en 59a ABW, voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 in de artikelen 78, 81 en 84 Abw oud en voor de periode na 1 juli 1997 in de artikelen 78 en 81 Abw nieuw, artikel 84 Abw oud (tot 1 januari 1999) en nieuw (vanaf 1 januari 1999).



Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt vast dat verweerders de terugvordering van eiseres hebben gebaseerd op artikel 59a, tweede lid, ABW en artikel 84, tweede en derde lid, Abw.
Op grond van deze artikelen worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had moeten worden verleend.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn genoemde artikelen in casu echter niet van toepassing. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Indien [betrokkene] in de periode van 1 maart 1995 tot en met 25 januari 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiseres - wat hier ook van zij - was hij niet woonachtig in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, doch in de gemeente [woongemeente betrokkene]. Hij zou dan ingevolge artikel 14 ABW en artikel 63, eerste lid, Abw over deze periode in het geheel geen recht op bijstand hebben gehad jegens verweerders. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de bijstand in dat geval als gezinsbijstand had moeten worden verleend, zoals de artikelen 59a, tweede lid, ABW en 84, tweede en derde lid, Abw eisen.
Gelet hierop ontbeert het besluit tot terugvordering een wettelijke grondslag.
Het beroep van eiseres moet daarom gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 29 februari 2000 te herroepen, onder gegrondverklaring van het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift van eiseres.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad 60,- door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan eiseres wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op 710,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep van eiseres gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 4 juli 2000;
- bepaalt, onder gegrondverklaring van het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift, dat het besluit van 29 februari 2000 wordt herroepen;
- bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer eiseres het betaalde griffierecht ad 60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op 710,-, en bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door deze uitgesproken
op 9 april 2001, in tegenwoordigheid van W.J.C. Pije als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 9 april 2001.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB1261
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Dordrecht
Zaaknummer: AWB 00/188 en AWB 00/189
Datum uitspraak: 23 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 14a, 65, 69 en 81 Abw (= 11, , 17, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beindiging bijstand; terugvordering; schending inlichtingenverplichting; boeteoplegging; Koppelingswet; EVSMB; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; last tot uitzetting; Turken
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat betrokkene ingevolge het EVSMB wel rechtmatig verblijf hield nu de vreemdelingendienst haar nimmer heeft genformeerd over de last tot uitzetting en aldus bij gebreke van die last het rechtmatig verblijf is blijven voortduren. Onterechte boeteoplegging wegens het niet melden aan de gemeente van de uitspraak van de rechtbank strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om verlenging van de verblijfsvergunning, omdat er geen sprake is van te veel of ten onrechte betaalde bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Dordrecht AWB 00/188 en AWB 00/189




U I T S P R A A K




in de zaak van:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 12 juli 1999, verzonden op 15 juli 1999, kenmerk MGA/8099, heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Algemene bijstandswet (verder te noemen: Abw) over de periode van 26 januari 1999 tot 1 mei 1999 ingetrokken en per 1 mei 1999 beindigd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 juli 1999 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 16 november 1999, verzonden op 16 november 1999, kenmerk Rvi/8099, heeft verweerder besloten het over de periode van 26 januari 1999 tot 1 mei 1999 bruto aan eiseres verstrekte bedrag aan uitkering van 5463,30 van eiseres terug te vorderen en haar een boete op te leggen van 875,-.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 december 1999 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 15 februari 2000, verzonden op 18 februari 2000, kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 16 november 1999 deels gegrond en deels ongegrond verklaard (AWB 00/188)

Bij besluit van 22 februari 2000, verzonden op 25 februari 2000, kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 12 juli 1999 ongegrond verklaard (AWB 00/189)

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij op dezelfde datum ingekomen brief van 28 maart 2000 een beroepschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

De zaak is op 13 februari 2001 behandeld door een meervoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen en heeft zich doen bijstaan door mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht.

Verweerder is niet verschenen.




2. Overwegingen


Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijken de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres heeft de Turkse nationaliteit. Zij verblijft sinds 1 oktober 1993 in Nederland. Op 12 oktober 1993 is haar een vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot verleend. Na verbreking van het huwelijk is haar op 9 maart 1995 een vergunning tot verblijf verleend voor het verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst, geldig tot 9 maart 1996.
Op 19 maart 1996 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlenging van haar verblijfsvergunning. Tegen de afwijzing daarvan heeft zij bezwaar en beroep aangetekend. Eiseres heeft voorts een voorlopige voorziening verzocht, ertoe strekkende de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep was beslist. Bij uitspraak van 6 januari 1999 heeft de rechtbank te Den Haag het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van dezelfde datum is het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 26 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de korpschef van de politieregio Zuid-Holland-Zuid (voor zover nodig) een last tot uitzetting van eiseres verstrekt. De vreemdelingendienst heeft eiseres nimmer genformeerd over de last tot uitzetting.

Eiseres ontving sinds 11 april 1996 van verweerder een uitkering krachtens de Abw.

De rechtbank neemt deze feiten en omstandigheden als uitgangspunt bij de beoordeling van beide aan de orde zijnde zaken.



2.1. AWB 00/189

Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is onder andere artikel 7 van de Abw en met name het bepaalde in het tweede lid gewijzigd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (verder te noemen: Vw).
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) wordt voor de toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw:
a. vr die beindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, en 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij de uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw genieten vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de beindiging en de intrekking van de bijstanduitkering van eiseres gehandhaafd, omdat eiseres op de in geding zijnde data niet langer behoorde tot de personenkring van de Abw. Verweerder heeft voorts gesteld dat eiseres zich niet kan beroepen op het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (verder te noemen: EVSMB), aangezien zij op de in geding zijnde data niet beschikte over een verblijfs- of soortgelijke vergunning en er toen een last tot uitzetting tegen haar van kracht was. Dat eiseres nimmer op de hoogte is gesteld van de last tot uitzetting laat het voorgaande onverlet, aangezien het eiseres op grond van de uitspraak van de rechtbank redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zij was uitgeprocedeerd en geen geldige verblijfsvergunning (meer) had, aldus verweerder.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft - voor zover hier van belang - gesteld dat haar bijstandsuitkering ten onrechte is beindigd, nu zij op de in geding zijnde data rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van artikel 11 EVSMB.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat eiseres op de in geding zijnde data niet behoorde tot de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering van de Koppelingswet geldt.

Eiseres heeft zich beroepen op de bepalingen van het EVSMB, dat in artikel 1 bepaalt dat onderdanen van de verdragsstaten die zich rechtmatig ophouden in n van de andere verdragsstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.
Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB wordt het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van n der verdragssluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag beschouwd zolang ten aanzien van hen een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is die op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

Het EVSMB is van toepassing op deze zaak.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat haar verblijf op de in geding zijnde data als rechtmatig in de zin van artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB moet worden aangemerkt.
Het rechtmatig verblijf van eiseres in vorenbedoelde zin was aangevangen op 12 oktober 1993, toen zij een vergunning tot verblijf verkreeg. Op de in geding zijnde data was er, bij gebreke van een deugdelijke bekendmaking aan eiseres, geen sprake van een geldige last tot uitzetting. Uit artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB moet worden afgeleid dat het rechtmatig verblijf van eiseres in de zin van dit verdrag bij gebreke van een geldige last tot uitzetting is blijven voortduren.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw en artikel 1 van het besluit wegens strijd met het artikel 1 EVSMB ten aanzien van eiseres buiten toepassing moeten blijven. Het bestreden besluit moet om deze reden worden vernietigd. Het beroep moet gegrond worden verklaard.



2.2. AWB 00/188

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgmeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigener beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de Abw herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand indien - voor zover hier van belang - het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot een ten onrechte of een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de Abw leggen burgemeester en wethouders, indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, hem een boete op van ten hoogste 5000,-.
Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de dag waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Het vierde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders kunnen besluiten af te zien van het opleggen van een boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge het zevende lid worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) nemen burgemeester en wethouders bij de toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de Abw de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 14a, tweede lid, van de Abw.

Artikel 3, eerste lid, van het besluit bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, met dien verstande dat zij op ten minste 100,- wordt gesteld.

Ingevolge artikel 5 van het besluit wordt de boete vastgesteld op 100,- indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting zonder financile gevolgen is gebleven.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres gegrond verklaard voor zover zij waren gericht tegen schending van de inlichtingenplicht ter zake van de last tot uitzetting, omdat was gebleken dat eiseres hiervan nimmer op de hoogte was gesteld. Voor het overige heeft verweerder zijn besluit tot terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bijstand en tot oplegging van een boete in verband met schending van de inlichtingenplicht door eiseres gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het voor haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 januari 1999 invloed zou kunnen hebben op haar recht op bijstand.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft betwist dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geschil is slechts de schending van de op eiseres rustende inlichtingenplicht ter zake
van de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 januari 1999.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat eiseres deze inlichtingenplicht heeft geschonden. De uitspraak is een voor haar recht op een uitkering krachtens de Abw relevant feit, dat zij had moeten melden aan verweerder. Uit de stukken blijkt ook dat zij dit wist, althans had moeten weten. Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 1998 aan het recht van eiseres op een bijstandsuitkering de verplichting verbonden dat zij verweerder onverwijld op de hoogte stelt inzake de behandeling van en de uitspraak in de procedure omtrent haar verblijfsvergunning. Eiseres heeft niet betwist dat zij deze verplichting kende. Daargelaten of een dergelijke verplichting aan het recht van bijstand kan worden verbonden, blijkt hieruit dat eiseres in ieder geval had moeten weten dat eventuele ontwikkelingen in haar vreemdelingrechtelijke procedure, zoals de uitspraak van 6 januari 1999, relevant waren voor haar recht op bijstand en aan verweerder moesten worden gemeld.

Nu eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, was verweerder gehouden de als gevolg daarvan te veel of ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen alsmede een boete op te leggen.

Het oordeel in de zaak 00/189 leidt echter tot de conclusie dat er geen sprake is van te veel of ten onrechte betaalde bijstand als gevolg van de schending van de op eiseres rustende inlichtingenplicht.

Hieruit volgt dat de aan de orde zijnde terugvordering en de boeteoplegging niet in stand kunnen blijven wegens strijd met artikel 14a, derde lid, en artikel 81, eerste lid, van de Abw en artikel 5 van het besluit. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd en het beroep dient gegrond te worden verklaard.



2.3. AWB 00/188 en AWB 00/189

Nu het beroep in beide zaken gegrond wordt verklaard, dient verweerder ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres in deze zaken betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaken redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank heeft de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig in deze zaken verleende rechtsbijstand beperkt tot
1420,-, nu er sprake was van n beroepschrift en gelijktijdige behandeling van deze zaken op n zitting en nu voorts gesteld kan worden dat er sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Niet is gebleken dat eiseres andere proceskosten heeft moeten maken.

Omdat eiseres een zogeheten toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

De rechtbank beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de gemeente Sliedrecht het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal 120,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op 1420,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bepaalt dat de betaling van het bedrag van 1420,-, ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht wordt gedaan;
- wijst de gemeente Sliedrecht aan als de rechtspersoon die voormelde kosten moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H.T.J.F. Verhappen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs.
J.C. Gerritse en L. de Loor-Alwin, rechters, en door de voorzitter en mr. B. Hamburger, griffier, ondertekend.




Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2001.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB1262
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Dordrecht
Zaaknummer: AWB 99/175
Datum uitspraak: 23 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Marokkanen
Essentie: Onterechte beindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn (eerste) aanvraag voor een verblijfsvergunning. Er is i.c. geen sprake van een op redelijke en objectief te rechtvaardigen gronden gebaseerd onderscheid naar nationaliteit, zodat betrokkene dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Dordrecht AWB 99/175  




U I T S P R A A K




in de zaak van:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 6 juli 1998, kenmerk 10/84784, heeft verweerder de uitkering van eiser krachtens de Algemene bijstandswet (verder te noemen: Abw) met ingang van 1 juli 1998 ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 9 juli 1998 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 2 februari 1999, verzonden op 8 februari 1999, kenmerk 990260 WEL, heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 maart 1999, ingekomen op 18 maart 1999, een beroepschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

De zaak is op 13 februari 2001 behandeld door een meervoudige kamer.

Eiser is niet ter zitting verschenen. Hij heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Teeninga.

Verweerder is ter zitting verschenen bij gemachtigde mr. T.J.A. Franssen, ambtenaar der gemeente.




2. Overwegingen


Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is onder andere artikel 7 van de Abw en met name het bepaalde in het tweede lid gewijzigd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (verder te noemen: Vw).
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het Gelijkstellingsbesluit) wordt voor de toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw:
a. vr die beindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, en 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij de uitzetting ingevolge de vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw genieten vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.
Artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bepaalt dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de intrekking van eisers uitkering krachtens de Abw per 1 juli 1998 gehandhaafd, omdat eiser op die datum niet langer behoorde tot de kring van belanghebbenden als bedoeld in artikel 7 van de Abw en evenmin onder de werking van het Gelijkstellingsbesluit viel. Verweerder heeft voorts gesteld dat eisers beroep op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (verder te noemen: IVBPR) en op artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder te noemen: EVRM) juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet opgaat.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij heeft daartoe gesteld dat het bestreden besluit primair in strijd is met artikel 26 van het IVBPR, subsidiair met artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Hij verblijft sinds 1990 in Nederland. Eiser was op het in geding zijnde tijdstip in procedure in verband met zijn eerste, in augustus 1996 ingediende aanvraag voor een vergunning tot verblijf. Eiser was toen in afwachting van een uitspraak op het door hem ingestelde beroep en het door hem ingediende verzoek om voorlopige voorziening.
Eiser heeft vanaf 5 oktober 1997 van verweerder een uitkering krachtens de Abw ontvangen. Daarvoor heeft hij tot mei 1994 in de bouw gewerkt en heeft hij achtereenvolgens uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen.

Niet in geschil is dat eiser op de in geding zijnde datum viel buiten de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering van de Koppelingswet geldt.

Eiser heeft zich primair beroepen op artikel 26 van het IVBPR, dat luidt:
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie naar welke aard dan ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Met eiser is de rechtbank van oordeel dat het door de Koppelingswet gemaakte onderscheid dient te worden gekwalificeerd als een onderscheid naar nationaliteit en niet, zoals verweerder heeft betoogd, slechts naar verblijfsstatus. De sinds de invoering van de Koppelingswet aan het recht op een uitkering krachtens de Abw gekoppelde voorwaarde dat betrokkene een bepaalde verblijfstitel bezit, kan naar haar aard slechts worden tegengeworpen aan vreemdelingen. De toepassing ervan houdt derhalve een rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit in. Dat niet alle vreemdelingen door dit onderscheid worden getroffen, doet aan het voorgaande niet af.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of dit onderscheid naar nationaliteit wordt gerechtvaardigd door redelijke en objectief te rechtvaardigen gronden.

Bij de beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat het feit dat er in de Koppelingswetbepalingen sprake is van rechtstreeks onderscheid naar nationaliteit, n van de in artikel 26 van het IVBPR met name genoemde vormen van discriminatie, betekent dat het primair aan de wetgever is de afwezigheid van discriminatie en dus de aanwezigheid van redelijke en objectieve gronden ter rechtvaardiging van dit onderscheid aan te tonen. Dit betekent voorts dat zware eisen dienen te worden gesteld aan de motivering van dit onderscheid. De rechtbank volgt hierin de jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (verder te noemen: CRvB) bij toetsing aan artikel 26 van het IVBPR, zoals deze bijvoorbeeld blijkt uit een uitspraak van de CRvB van 4 november 1993, AB 1994/213.

Blijkens de parlementaire stukken (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3) worden met de Koppelingswet twee doeleinden nagestreefd.
1. Het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen waarbij geen verblijfspositietoets wordt aangelegd. In de parlementaire stukken is aangegeven dat het uitblijven van een horizontaal en consequent gehanteerde verblijfspositietoets de realisering van het principe van het gentegreerde vreemdelingenbeleid, dat inhoudt dat wie als vreemdeling in Nederland wil verblijven toelating moet aanvragen en dat wie niet is toegelaten Nederland onverwijld dient te verlaten, frustreert. Met dat beginsel is niet te verenigen dat de vertrekplichtige vreemdelingen niettemin uitkeringen, ontheffingen, verstrekkingen, voorzieningen en dergelijke zouden kunnen verkrijgen, aldus de wetgever.
2. Het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verwerven. Daarmee wordt, blijkens de parlementaire stukken, in het bijzonder gedoeld op het verschijnsel dat in procedure zijnde vreemdelingen in de loop van de procedure gaandeweg in staat blijken een zodanige sterke rechtspositie op te bouwen, of de schijn van een dergelijke positie, dat zij na afloop van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze doeleinden samen in beginsel en in het bijzonder voor nieuwe gevallen redelijke en objectieve gronden ter rechtvaardiging van het in de Koppelingswet gemaakte onderscheid naar nationaliteit, waarbij de rechtbank er uitdrukkelijk op wijst dat naar haar oordeel er alleen dan sprake is van voldoende rechtvaardigingsgronden voor het tengevolge van de Koppelingswet gemaakte onderscheid indien beide doeleinden aan de orde zijn.

De rechtbank stelt evenwel vast dat er vreemdelingen zijn ten aanzien van wie de weergegeven doeleinden niet beiden opgaan. Het gaat om vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw alsmede vreemdelingen die de uitspraak op het door hen ingestelde beroep en/of verzoek om voorlopige voorziening op de n of andere wijze in Nederland mogen afwachten en die voorts enerzijds, gelet op de duur van hun verblijf in Nederland en op hun werk- en/of uitkeringsgeschiedenis, reeds beschikken over de in de parlementaire stukken aangeduide schijn van legaliteit en voor wie anderzijds (nog) geen sprake is van de in de parlementaire stukken aangeduide vertrekplicht, nu zij in procedure zijn in verband met hun eerste aanvraag en (nog) niet zeker is dat hen geen verblijfsrecht toekomt in Nederland. De rechtbank doelt in dit verband niet op vreemdelingen die in procedure zijn in verband met de afwijzing van een beslissing op een herhaalde aanvraag tot voortgezet verblijf of toelating.

Voor de hierboven aangeduide vreemdelingen bevatten de parlementaire stukken ook overigens onvoldoende argumenten ter rechtvaardiging van het in de Koppelingswet gemaakte onderscheid naar nationaliteit. Geconcludeerd moet derhalve worden dat ten aanzien van deze vreemdelingen geen sprake is van een op redelijke en objectief te rechtvaardigen gronden gebaseerd onderscheid naar nationaliteit, hetgeen in strijd moet worden geacht met artikel 26 van het IVBPR.

Eiser is een van de hiervoor aangeduide vreemdelingen.

Uit het voorgaande volgt dat de in deze zaak aan de orde zijnde bepalingen van de Koppelingswet ten aanzien van eiser buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR. Het bestreden besluit kan om deze reden niet in stand blijven en eisers beroep moet gegrond worden verklaard.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van eisers subsidiaire grief.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser in deze zaak betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn begroot op 1420,-. Niet is gebleken dat eiser andere proceskosten heeft moeten maken.

De rechtbank beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Dordrecht het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van 60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op 1420,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- wijst de gemeente Dordrecht aan als de rechtspersoon die voormelde kosten moet vergoeden.


Aldus gegeven door mr. H.T.J.F. Verhappen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs.
J.C. Gerritse en L. de Loor-Alwin, rechters, en door de voorzitter en mr. B. Hamburger, griffier, ondertekend.




Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2001.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB1309
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/799 NABW V06
Datum uitspraak: 25 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 20, 24 en 68 Abw (= 50, 48 Wwb en 4:3 Awb) / 6:2 Awb
Trefwoorden: krediethypotheek; niet vrij te laten ander vermogen; geldlening; overeenstemming over taxateur
Essentie: Terechte verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening waarbij rechtmatig is afgezien van het vestigen van een krediethypotheek, omdat sprake is van niet vrij te laten ander vermogen. Het beroep is echter gegrond, daar de gemeente heeft verzuimd met betrokkene te overleggen over de aan te wijzen taxateur.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/799 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders,
gemachtigde: mr. F.J. Veenstra.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 3 juli 2000 het bezwaar van eiseres van 29 oktober 1998 tegen hun besluit van 25 september 1998 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 6 augustus 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 17 augustus 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 februari 2001 heeft eiseres de rechtbank het advies van haar rechtskundig adviseur doen toekomen.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 maart 2001.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen en is bijgestaan door de heer J.W.C. de Boer.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. F.J. Veenstra.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

Over de periode van 1 juli 1996 tot 1 november 1997 heeft eiseres van verweerders een uitkering ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Omdat eiseres de door haar bewoonde woning in eigendom heeft, is in het toekenningsbesluit van 23 september 1996 aan de uitkering de voorwaarde verbonden dat eiseres, indien daartoe aanleiding mocht zijn, haar medewerking verleent aan het vestigen van een krediethypotheek.
Op 15 januari 1997 is door de Dienst SOZAWE aan de Dienst Informatie en Administratie, afdeling taxaties (DIA), een opdracht tot taxatie van de woning van eiseres gegeven. Naar aanleiding van de taxatie op 1 april 1997 is de waarde van de woning vastgesteld op 102.000,- en de waarde van het (niet vrij te laten) vermogen van eiseres op 24.695,68.
Bij besluit van 25 september 1998 hebben verweerders bepaald dat de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 juli 1996 tot en met 11 juli 1997, ter hoogte van een bedrag van 24.695,68, de vorm heeft van een geldlening. Verweerders hebben hierbij besloten af te zien van het vestigen van een krediethypotheek, omdat de uitkering van eiseres op dat moment reeds was beindigd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 oktober 1998 een bezwaarschrift ingediend.
Op 11 april 2000 heeft de directeur Ondersteuning van de Dienst SOZAWE verweerders geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Eiseres is naar aanleiding van haar bezwaarschrift op 8 juni 1999 alsmede - na nadere rapportage door de Dienst SOZAWE in verband met haar schuldpositie - op 30 mei 2000 gehoord door de bezwaarschriftencommissie. Deze heeft verweerders geadviseerd te handelen conform het advies van de directeur Ondersteuning.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat verweerders niet bevoegd zijn de bijstandsuitkering te verstrekken als een geldlening; deze is haar immers toegekend onder de voorwaarde van een eventuele krediethypotheek en een krediethypotheek wordt in de Abw uitdrukkelijk onderscheiden van een geldlening (artikel 20 Abw, respectievelijk artikel 24 Abw).
Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het besluit om de bijstand als een geldlening te verstrekken dermate lang op zich heeft laten wachten dat verweerders hiermee in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelen.
Ten slotte maakt eiseres bezwaar tegen de getaxeerde waarde van de woning.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij op goede gronden een deel van de verstrekte bijstand als geldlening hebben aangemerkt. Een krediethypotheek is immers een geldlening onder verband van hypotheek en door afstand te doen van het (verdergaand) recht om een hypotheek te vestigen, doen verweerders geen afstand van het (minder vergaand) recht om de bijstand als een geldlening te verstrekken.
Verweerders zijn voorts van mening dat hun recht om de bijstand als een geldlening te verstrekken niet is vervallen door het feit dat het betreffende besluit lang op zich heeft laten wachten; dit is onder meer te wijten aan systeemtechnische problemen en het feit dat de DIA de aanvraag voor een taxatie in eerste instantie niet heeft ontvangen.



Wettelijk kader

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Krachtens artikel 20, eerste lid, Abw heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de bijstand - indien aan een aantal voorwaarden is voldaan - de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand is de geldlening ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 20, derde lid, Abw.
Krachtens artikel 2, tweede lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand vindt ter vaststelling van de waarde van de woning taxatie plaats door een bedigd taxateur voor onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen.



Beoordeling van het geschil

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders artikel 20 Abw ten grondslag hebben gelegd aan hun besluit om een gedeelte van de aan eiseres betaalde bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit artikel maakt het mogelijk bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, oftewel een krediethypotheek.
Met verweerders is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat verweerders hebben afgezien van het vestigen van een hypotheek niet met zich brengt dat de bijstand op grond van genoemd artikel niet in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt; verweerders hebben slechts afstand gedaan van hun recht op zekerheid voor deze geldlening.
De rechtbank stelt voorts vast dat verweerders in het onderhavige geval in twee fasen op de bijstandsaanvraag van eiseres hebben beslist. Bij besluit van 23 september 1996 hebben zij aan eiseres een uitkering toegekend, doch hierbij in afwachting van de taxatie van de woning voorlopig in het midden gelaten in welke vorm deze zou worden verleend. Op 25 september 1998 hebben verweerders vervolgens besloten dat de verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 1996 tot en met 11 juli 1997 de vorm heeft van een geldlening.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, Abw dienen verweerders binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag vast te stellen of er recht op bijstand bestaat. Het vaststellen van de vorm waarin de uitkering wordt verleend, moet als een wezenlijk onderdeel van het vaststellen van het recht op bijstand worden beschouwd. Gelet hierop is in casu eerst na plusminus twee jaar een volledige beslissing genomen op de aanvraag van eiseres, waardoor de beslistermijn ruim is overschreden.
Daar ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb het niet tijdig beslissen voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, had eiseres vanaf het moment van overschrijden van de beslistermijn de mogelijkheid hiertegen bezwaar en vervolgens beroep aan te tekenen. Hoewel onbenut gelaten, brengt deze mogelijkheid met zich mee dat eiseres zich in het kader van het onderhavige beroep niet met succes kan beroepen op het feit dat het besluit d.d. 25 september 1998 te lang op zich heeft laten wachten; zij had hiertegen reeds lang kunnen opkomen.
Met betrekking tot het taxeren van de woning van eiseres overweegt de rechtbank ten slotte het volgende.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand dient de waarde van een woning te worden vastgesteld door een taxateur die door verweerders in overeenstemming met de belanghebbende is aangewezen. In casu hebben verweerders de DIA opdracht gegeven tot taxatie. Nu de rechtbank niet is gebleken dat zij hierover hebben overlegd met eiseres, hebben zij in strijd met genoemd wettelijk voorschrift gehandeld. Dit is reden voor de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad 60,- door de gemeente Groningen aan haar wordt vergoed.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van 3 juli 2000;
- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad 60,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door deze uitgesproken
op 25 april 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 25 april 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x