Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB1315
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6377 NABW
Datum uitspraak: 27 februari 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 8:75 Awb
Trefwoorden: proceskostenveroordeling bestuursorgaan
Essentie: Terechte proceskostenveroordeling van de gemeente door de rechtbank, omdat de CRvB het uitgangspunt hanteert dat, indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten behoort te worden veroordeeld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6377 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijkerhout, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Den Haag op 12 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 6 januari 2000 heeft mr. E.H. de Milliano-Machielse, advocaat te Katwijk, zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 januari 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Houtsma, werkzaam bij de gemeente Noordwijkerhout, terwijl gedaagde en haar gemachtigde met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. Motivering


De Raad verwijst voor een meer uitvoerige weergave van de feiten naar de aangevallen uitspraak en volstaat met de vermelding van de in hoger beroep van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 13 augustus 1998 heeft appellant onder meer het recht van gedaagde op een bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1994 tot 1 juli 1998 herzien en een bedrag van
31.291,23 als ten onrechte ontvangen bijstand teruggevorderd. Bij besluit van 22 december 1998 zijn de tegen het primaire besluit van 13 augustus 1998 ingediende bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit van 22 december 1998 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven en appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde ad 1420,-. De rechtbank is, onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 27 juli 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/255, tot het oordeel gekomen dat aan het besluit van 22 december 1998, voor zover dit betrekking heeft op perioden vr 1 juli 1997, ten onrechte bepalingen van de Algemene bijstandswet (Abw), zoals die luiden sinds 1 juli 1997 ten grondslag zijn gelegd en dat dit besluit dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke wettelijke grondslag. De rechtbank heeft voorts aanleiding gevonden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat zij van oordeel is dat appellant op grond van de vr 1 juli 1997 toepasselijke bepalingen van de Algemene Bijstandswet en de Abw bevoegd was om tot de in dit besluit vervatte herziening en terugvordering over te gaan.

In hoger beroep keert appellant zich uitsluitend tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van de proceskosten. Appellant acht deze veroordeling in de kosten onbegrijpelijk en meent dat de rechtbank ongemotiveerd en in strijd met de redelijkheid en billijkheid tot deze beslissing is gekomen. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat niet is gebleken dat de onjuiste wettelijke grondslag van het besluit op bezwaar de aanleiding is geweest voor het instellen van beroep en dat toepassing van de juiste bepalingen niet heeft geleid tot een inhoudelijk ander besluit. Voorts acht appellant de proceskostenveroordeling in strijd met de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid en heeft hij in dat verband verwezen naar s Raads eerder genoemde uitspraak van 27 juli 1999.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Blijkens onder meer zijn uitspraak van 27 februari 1997, gepubliceerd in Rawb 97/140, hanteert de Raad bij de beoordeling van de toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb door de rechtbank het uitgangspunt dat, indien de rechtbank een bestreden besluit vernietigt, het bestuursorgaan in beginsel in de proceskosten behoort te worden veroordeeld. Slechts in uitzonderlijke gevallen is afwijking van dit uitgangspunt gerechtvaardigd.

De Raad ziet geen aanleiding om de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, welke met dit uitgangspunt in overeenstemming is en om die reden ook geen nadere motivering behoeft, voor onjuist te houden. Voorts is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat gedaagde niet zelf bezwaar heeft gemaakt tegen de onjuiste wettelijke grondslag van het bestreden besluit en dat dit besluit niettemin gerechtvaardigd is gebleken indien daarbij op de juiste bepalingen acht wordt geslagen niet zodanig uitzonderlijk is dat - in afwijking van voormeld uitgangspunt - een proceskostenveroordeling achterwege moest blijven. Hierbij tekent de Raad aan dat zijn hiervoor genoemde uitspraak van 27 juli 1999 in dit verband niet maatgevend is.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
bepaalt dat van de gemeente Noordwijkerhout een recht van 675,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB1608
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Haarlem
Zaaknummer: AWB 00-8725 NABW H V00 G14 Kv en 00-8726 NABW H V00 G14 Kv
Datum uitspraak: 17 januari 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 11 en 17 Abw (= 16 en 15 Wwb) / 7:12, 8:85 en 8:86 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; onrechtmatig verblijf; bijstand voor kind; dringende redenen; voorliggende voorziening; ondertoezichtstelling; mishandeling; Blijf-van-mijn-lijfhuis; Bureau Jeugdzorg; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing van bijstand voor de zoon van betrokken niet rechtmatig in Nederland verblijf houdende vreemdeling, omdat sprake is van dringende redenen nu onder meer is gebleken dat moeder en kind zijn mishandeld door de ex-echtgenoot en niet aannemelijk zal zijn dat tot ondertoezichtstelling, zijnde een voorliggende voorziening, zal worden overgegaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Haarlem AWB 00-8725 NABW H V00 G14 Kv en 00-8726 NABW H V00 G14 Kv




U I T S P R A A K




op een verzoek om voorlopige voorziening (artikel 8:81 Awb) en tevens in de hoofdzaak (artikel 8:86 Awb) in de zaak van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A.M. Ansink, advocaat te Zaandam,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder.



Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] respectievelijk B&W Zaanstad.




1. De loop van het geding


Voor de loop van het geding verwijst de president naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende stukken, partijen bekend:
het verzoekschrift van 7 december 2000, met bijlagen,
het beroepschrift van 7 december 2000, met bijlagen,
de door B&W Zaanstad overgelegde op het geding betrekking hebbende stukken,
de door de gemachtigde van [verzoekster] op 15 en 16 januari 2001 nader in geding gebrachte stukken,
het verhandelde ter zitting op 17 januari 2001, alwaar [verzoekster] in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. B&W Zaanstad is verschenen bij mr. Ph. Arnold.




2.  De vaststaande feiten


Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt de president in dit geding de volgende feiten vast:
a. [verzoekster] verblijft sedert 19 juni 1996 in Nederland. Zij is gehuwd geweest met de heer [ex-echtgenoot] (Nederlandse nationaliteit) en beschikte destijds over een vergunning tot verblijf in het kader van gezinshereniging. Uit het huwelijk is op [datum] 1994 een zoon geboren. De zoon (hierna: [zoon]) heeft de Nederlandse nationaliteit. In november 1997 is [verzoekster] met haar zoon vertrokken uit de echtelijke woning en heeft zij haar toevlucht gezocht in het [opvangcentrum]. Per 21 augustus 1998 is het huwelijk ontbonden.
b. Tot 7 november 1998 was [verzoekster] in het bezit van een verblijfsvergunning met als doel het vinden van arbeid in loondienst. Een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning is bij besluit van 8 april 1999 afgewezen en het daartegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard. Op 7 juli 2000 heeft [verzoekster] een nieuwe aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf om humanitaire redenen (in verband met de zorg voor een minderjarig kind en het gevoerde beleid ter zake van mishandelde vrouwen). De aanvraag is buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging voorlopig verblijf. Hiertegen is bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening ingediend, welke nog niet zijn behandeld.
c. B&W Zaanstad heeft de bijstandsuitkering van [verzoekster] met ingang van 1 mei 2000 beindigd wegens het niet beschikken over een geldig verblijfsdocument.
d. Op 14 juni 2000 heeft [verzoekster] een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten ten behoeve van haar minderjarige zoon. Deze aanvraag is bij besluit van 29 juni 2000 afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 16 november 2000, verzonden 23 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) zijn, onder wijziging van de gronden, de bezwaren ongegrond verklaard.




3.  Het verzoek om een voorlopige voorziening


[Verzoekster] verzoekt de president het bestreden besluit met onmiddellijke ingang te schorsen en te bepalen dat aan [verzoekster] op en na 7 december 2000 bijstand wordt toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ten behoeve van haar zoon.

B&W Zaanstad heeft getoetst of er zeer dringende reden op grond van artikel 11 Abw zijn om tot bijstandverlening over te gaan. B&W Zaanstad stelt allereerst dat, nu er aanleiding is voor een maatregel van justitile kinderbescherming, er vanuit een oogpunt van bijstandverlening geen sprake kan zijn van zeer dringende redenen. Voorts stelt B&W Zaanstad dat, gelet op de handhaving van het ouderlijk gezag na echtscheiding, het financieel onvermogen van [verzoekster] geen dringende reden kan opleveren. B&W Zaanstad wijzen erop dat de beschuldigingen van mishandeling door de vader op geen enkele wijze met bewijzen wordt gestaafd en [verzoekster] ook akkoord is gegaan met het in stand laten van het gezamenlijke ouderlijke gezag.

[Verzoekster] stelt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Volgens [verzoekster] is B&W Zaanstad ten onrechte tot de conclusie gekomen dat zeer dringende redenen die tot bijstandverlening nopen, ontbreken. In tegenstelling tot hetgeen B&W Zaanstad stelt, is er volgens [verzoekster] geen aanleiding voor het treffen van een maatregel van justitile kinderbescherming. Door het Bureau Jeugdzorg is aangegeven dat er geen sprake kan zijn van de dergelijke maatregel omdat in dit geval de moeder ten aanzien van de ontstane situatie geen verwijt treft. Wat betreft de positie van de vader wijst [verzoekster] op de verklaring van het Blijf-van-mijn-lijfhuis en Bureau Jeugdzorg Zaanstreek/Waterland. Zij voert verder aan dat zij zich uit angst voor een reactie niet tegen de gezagskwestie en de omgangsregeling heeft durven verzetten en er bovendien van uitging dat het slechts papieren afspraken zouden zijn omdat de vader in wezen nooit belangstelling heeft getoond voor zijn zoon. Zij wijst erop dat de vader de afgelopen twee en een half jaar geen contact heeft gezocht met zijn zoon en evenmin anderszins van belangstelling blijk heeft gegeven. [Verzoekster] meent daarmee genoegzaam duidelijk te hebben gemaakt dat er sprake is geweest van mishandeling van het kind en contacten met de vader de belangen van het kind zouden kunnen schaden.




4.  Beoordeling van het verzoek



Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De president, gehoord partijen, is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, zodat in zoverre geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86 Awb.



Overwegingen

De president stelt voorop dat B&W Zaanstad de voorliggende aanvraag terecht heeft getoetst aan artikel 11 Abw. Dit artikel geeft de bevoegdheid aan B&W Zaanstad om ten behoeve van [zoon], waarvan vaststaat dat hij geen zelfstandig recht op bijstand heeft, financile steun te verlenen wanneer zich daartoe dringende redenen voordoen.

Het geschil spitst zich hier allereerst toe op de vraag of de aanwezigheid van een veronderstelde voorliggende voorziening, namelijk een maatregel van justitile kinderbescherming, aan bijstandverlening in de weg staat. De president is van oordeel dat aard en doel van deze maatregel tot gevolg heeft dat hier niet van een aan de bijstand als passend en toereikend te beschouwen voorliggende voorziening kan worden gesproken. Bovendien is de toepassing van deze maatregel niet daadwerkelijk aangewend en is op grond van de overgelegde informatie ook niet aannemelijk dat tot ondertoezichtstelling zal worden overgegaan. Er kan daarom niet gesproken worden van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 Abw.

De president ziet zich voorts gesteld voor de vraag of in dit geval de handhaving van het gezamenlijke ouderlijke gezag - en dus de mogelijkheid tot het (mede) kunnen bijdragen aan de opvoeding/verzorging door de vader - aan bijstandverlening in de weg staat. B&W Zaanstad stellen niet zomaar op de verklaringen van de moeder te kunnen afgaan, zonder de vader daarbij te betrekken. B&W Zaanstad meent in dit verband dat [verzoekster] haar bewering dat de vader zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling op geen enkele wijze met bewijzen heeft ondersteund. B&W Zaanstad acht daarbij met name van belang dat [verzoekster] geen aangifte heeft gedaan van mishandeling.

De president kan B&W Zaanstad hierin niet volgen. Het komt de president op grond van de voorhanden zijnde verklaringen van het [opvangcentrum] en het Bureau Jeugdzorg wel aannemelijk voor dat er sprake is geweest van een situatie van mishandeling. De president neemt daarbij in aanmerking dat [verzoekster] en haar zoon, zo blijkt uit de verklaring van 28 juli 2000 van het [opvangcentrum], daar met behulp van de politie zijn binnengekomen. In zoverre kan, naar het oordeel van de president van [verzoekster] en haar zoon niet in redelijkheid gevergd worden dat er contact wordt gezocht met de vader. Dat de vader niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit is betrokken, mag [verzoekster] niet worden tegengeworpen. De president merkt verder op aan de instandlating van het gezamenlijk gezag over het kind niet die betekenis toe te kennen als verweerder doet. Op grond van de thans geldende wettelijke bepalingen is de instandlating van het gezamenlijke gezag door beide ouders regel en wordt slechts bij uitzondering anders beslist. Ook dient in de afweging te worden betrokken het gegeven dat de vader al geruime tijd geen contact heeft gezocht met zijn zoon en ook anderszins niet heeft laten blijken belangstelling te hebben voor zijn zoon.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en op grond van artikel 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

De president overweegt voorts dat toepassing van artikel 11 Abw aan de orde kan zijn indien vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van de bijstand onvermijdelijk is. De president tekent daarbij aan dat blijkens de memorie van toelichting het ontbreken van de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien op zich nog geen dringende redenen oplevert.

Vaststaat dat [verzoekster] niet beschikt over voldoende middelen. Haar bijstandsuitkering is ingaande 1 mei 2000 beindigd omdat zij niet (langer) rechtmatig verblijf hield in Nederland in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet. Zij kan op diezelfde grond evenmin aanspraak maken op kinderbijslag voor [zoon]. Het is [verzoekster] ook niet toegestaan in Nederland te werken en dus is zij niet in staat zelf inkomen te genereren. Voorts is gesteld - en niet weersproken - dat de vader geen draagkracht heeft. Hij ontvangt een bijstandsuitkering, zodat een vordering tot alimentatie geen kans van slagen heeft. Zoals hiervoor overwogen, kan in verband met [zoon]s belangen niet gevergd worden dat de vader in de opvoeding/verzorging wordt betrokken en is dit naar moet worden aangenomen ook feitelijk niet aan de orde. Ter zitting is verder gebleken dat [verzoekster] en haar zoon vanaf mei 2000 hebben geleefd van door een maatschappelijk werkster ingezamelde giften van kerken. Deze giften zullen in de loop van deze maand worden stopgezet.

De president constateert dat [verzoekster] en haar zoon al geruime tijd in behoeftige omstandigheden verkeren en tot op heden in staat zijn geweest via giften de allerbenodigste levensbehoeften te verkrijgen. Het stopzetten van die giften zal naar verwachting voor [zoon] een bedreigende situatie opleveren. Uit de verklaring van mevrouw Beuk van het Bureau Jeugdzorg van 28 augustus 2000 begrijpt de president verder dat een hulpaanbod (daarbij wordt gedacht aan gespecialiseerde gezinsverzorging en deelname van [zoon] aan het project Spel aan huis) voor [zoon]s ontwikkeling onontbeerlijk is, maar dit alleen kans van slagen heeft wanneer er een stabiele situatie voor [zoon] en zijn moeder ontstaat en daarvoor is nodig dat het gezin over financile middelen beschikt. Bovendien kan op korte termijn geen concreet behandelaanbod worden gedaan omdat daartoe de middelen (ziektekostenverzekering) ontbreken.

De concrete omstandigheden in ogenschouw nemend, komt het de president voor dat in de onderhavige situatie artikel 11 Abw in casu toepasbaar lijkt. De president neemt daarbij tevens in aanmerking dat, gelet op de aannemelijke mishandeling van moeder en kind, de kans van slagen in de vreemdelingenrechtelijke procedure tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, gelet op het thans bestaande beleid, bepaald niet kansloos moet worden geacht. Verondersteld mag worden dat de verblijfsrechtelijke procedure binnen niet al te lange tijd zal zijn afgerond.

De president ziet hierin aanleiding met toepassing van het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat ten behoeve van [zoon] bij wijze van voorlopige voorziening bijstand wordt toegekend zoals hieronder in het dictum aangegeven.




5.  Beslissing


De president:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 16 november 2000;
verstaat dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
draagt verweerder op ten behoeve van [zoon] met ingang van de datum van deze uitspraak bij wijze van voorlopige voorziening bijstand te verlenen overeenkomstig de norm als bepaald in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw, tot uiterlijk zes weken na de datum van het nieuw te nemen besluit op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van [verzoekster] begroot op 1420,-, te betalen door de gemeente Zaanstad aan de griffier;
gelast dat de gemeente Zaanstad het door [verzoekster] betaalde griffierecht van 60,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gewezen door mr. F.F.W. Brouwer, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2001, in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.




Afschrift verzonden op:




Rechtsmiddel

Deze uitspraak betreft zowel het verzoek om voorlopige voorziening als de bodemzaak. Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Wel kan hoger beroep worden ingesteld tegen deze uitspraak voor zover die ziet op de bodemzaak, door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA te Utrecht, binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van deze uitspraak door de griffier.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB1792
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 00/362 NABW
Datum uitspraak: 23 januari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 13, 39, 69, 81 en 84 Abw (= 5, 11, 35, 54, 58 en 59 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; maandlasten hypotheek; woonkostentoeslag; woonlasten; intrekking bijzondere bijstand; terugvordering; aanwending voor ander doel; besteding; hoofdelijke aansprakelijkheid; onverschuldigde betaling
Essentie: Terechte intrekking en terugvordering bijzondere bijstand wegens het niet aanwenden van de woonkostentoeslag (2579,74 per maand voor hypotheeklasten totdat de woning - binnen n jaar - zou zijn verkocht) voor het doel waarvoor deze was verleend. Zowel betrokkene als haar ex-partner zijn hoofdelijk aansprakelijk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 00/362 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 29 februari 2000.




2. Feiten


Bij besluit van 16 juni 1998 heeft verweerder aan eiseres en haar toenmalige partner, de heer [ex-partner] (hierna: [ex-partner]), met ingang van 1 maart 1998 algemene bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder tevens aan eiseres en [ex-partner] met ingang van 1 maart 1998, voor de duur van maximaal n jaar, periodieke bijzondere bijstand ter voorziening in de hoge woonlasten (woonkostentoeslag) toegekend tot een bedrag van 2579,74 per maand.

Bij brief van 28 juli 1999 heeft de Rabobank Apeldoorn verweerder medegedeeld dat sedert 30 januari 1998 geen maandelijkse betalingen zijn verricht op de door deze bank aan eiseres en [ex-partner] verstrekte hypothecaire geldlening.

Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft verweerder:
voormeld besluit tot toekenning van bijzondere bijstand ter voorziening in de woonlasten over de periode van 1 maart 1998 tot en met 28 februari 1999 ingetrokken;
de als gevolg van deze intrekking ten onrechte ontvangen bijstand ten bedrage van 30.956,88 teruggevorderd van eiseres;
van eiseres een bedrag van 2592,- teruggevorderd ter zake van ten onrechte betaalde bijstand over de periode 1 maart 1999 tot en met 31 maart 1999, aangezien over die periode abusievelijk de bijzondere bijstand in de woonlasten is doorbetaald.

Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. F.J. Bosma, advocaat te Apeldoorn, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 oktober 2000, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bosma voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw G.H. Knoef.




4. Motivering


4.1. In de eerste plaats moet worden beoordeeld of verweerder terecht is overgegaan tot intrekking van het besluit tot toekenning van periodieke bijzondere bijstand ter voorziening in de woonlasten c.q. woonkostentoeslag.

Verweerder heeft deze intrekking bij het primaire besluit van 16 augustus 1999 gebaseerd op artikel 69, derde lid, onderdeel b, van de Algemene bijstandswet (Abw) en daarbij overwogen dat de woonkostentoeslag niet is aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend, namelijk het voldoen aan de maandelijkse hypothecaire betalingsverplichtingen aan de Rabobank.

Eiseres heeft aangevoerd dat in de beschikking tot toekenning van de woonkostentoeslag verschillende voorwaarden zijn opgenomen, doch niet de voorwaarde dat deze bijstand daadwerkelijk moet worden besteed aan het verrichten van betalingen aan de Rabobank. Daarbij komt nog, aldus eiseres, dat de werkelijke woonlasten 3816,68 bedroegen, zodat de woonkostentoeslag niet toereikend was om de bank te kunnen betalen. Voorts heeft eiseres gesteld dat feitelijk de betalingen aan de Rabobank wel zijn verricht, zij het op een later tijdstip, namelijk in mei 1999 door middel van verrekening met de opbrengst uit de verkoop van de woning.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 6, onderdeel b, van de Abw wordt verstaan onder bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

In artikel 69, derde lid, van de Abw is bepaald dat een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 69, vijfde lid, van de Abw kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking worden afgezien.

Bijzondere bijstand op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw wordt, zoals verweerder terecht heeft gesteld, steeds verleend voor een specifiek doel, namelijk ter voorziening in specifieke kosten welke worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Zodanige bijzondere bijstand wordt derhalve niet ter vrije besteding verleend. Wordt de bijzondere bijstand in een voorkomend geval niet aangewend voor het doel waarvoor deze is verleend maar voor een ander doel, dan kunnen de kosten waarvoor de bijstand is verleend naar het oordeel van de rechtbank achteraf gezien niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan. In dat geval moet dan worden geconcludeerd dat de bijzondere bijstand ten onrechte is verleend.

In het onderhavige geval is de bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag verleend ter (gedeeltelijke) voorziening in de maandelijkse woonlasten voortvloeiend uit de hypothecaire betalingsverplichtingen van eiseres en [ex-partner] aan de hypotheekhouder, in dit geval de Rabobank te Apeldoorn. Het staat vast dat de woonkostentoeslag in de periode waarvoor deze is toegekend in het geheel niet voor dat doel is aangewend en kennelijk aan andere zaken is besteed. Gelet hierop moet - in het licht van hetgeen hiervoor in algemene zin is overwogen - worden geoordeeld dat de maandelijkse hypothecaire verplichtingen achteraf gezien niet behoorden tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van eiseres en [ex-partner]. Dat in mei 1999 alsnog de verschuldigde maandelijkse termijnen aan de bank zijn betaald door verrekening met de opbrengst van de verkoop van de woning, maakt dit niet anders.
Nu de opbrengst van de verkoop hiervoor is aangewend, kan niet worden gezegd dat de verstrekte bijzondere bijstand alsnog bij de verkoop van de woning is aangewend ter voorziening in de woonlasten.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag ten onrechte is verleend en wel anderszins als bedoeld in artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Het toekenningsbesluit dient dan ook in beginsel op grond van deze bepaling te worden ingetrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van het toekenningsbesluit met ingang van een in het verleden liggend tijdstip in dit geval niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is te achten. De rechtbank overweegt daartoe dat eiseres en [ex-partner] redelijkerwijs hadden kunnen begrijpen dat de woonkostentoeslag diende te worden besteed aan de voldoening van de maandelijkse hypothecaire verplichtingen aan de bank, aangezien de toeslag onmiskenbaar juist voor dat doel werd toegekend. Dat in het toekenningsbesluit niet een uitdrukkelijk daarop toegespitste voorwaarde is opgenomen, kan aan dit oordeel niet afdoen. Voorts is in dit verband niet van belang dat het bedrag van de woonkostentoeslag lager was dan het bedrag van de maandelijkse woonlasten.

Van het bestaan van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de rechtbank niet gebleken. Verweerder is derhalve terecht op grond van artikel 69, derde lid, onderdeel b, van de Abw overgegaan tot intrekking van het toekenningsbesluit.

De bij het bestreden besluit door verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie gegeven aanvullende motivering, inhoudende dat eiseres en [ex-partner] de inlichtingenplicht hebben geschonden door niet aan verweerder mede te delen dat de woonkostentoeslag aan andere doelen werd besteed, kan hier verder buiten beschouwing blijven.

4.2. Aan de orde is vervolgens het besluit tot terugvordering van de als gevolg van het intrekkingsbesluit ten onrechte ontvangen bijstand. Eiseres is van mening dat verweerder deze bijstand niet van haar, maar uitsluitend van [ex-partner] dient terug te vorderen. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.

Uit artikel 84, eerste en derde lid, in verbinding met artikel 13, tweede lid, van de Abw vloeit voort dat personen aan wie bijstand als gezinsbijstand is verleend hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling indien deze bijstand ten onrechte is verleend.

Op grond van artikel 78, derde lid, van de Abw kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien.

De onderhavige bijzondere bijstand c.q. woonkostentoeslag is aan eiseres en [ex-partner], die toen een gezin vormden, gezamenlijk en bijgevolg als gezinsbijstand verleend. Eiseres en [ex-partner] zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk, zodat de ten onrechte ontvangen bijstand van ieder van hen volledig kan worden teruggevorderd. Naar verweerder heeft verklaard is ook ten aanzien van [ex-partner] een terugvorderingsbesluit genomen.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat dringende redenen aanwezig zijn om af te zien van terugvordering van eiseres. Zodanige redenen kunnen niet gevonden worden in de omstandigheid dat [ex-partner] de contacten met verweerder onderhield en eiseres van de uitkomst van die contacten niet op de hoogte zou hebben gesteld, noch in de omstandigheid dat eiseres geen enkele invloed op de besteding van de bijzondere bijstand zou hebben gehad. Dergelijke omstandigheden liggen in haar risicosfeer en dienen dan ook voor haar rekening te blijven.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de ten onrechte ontvangen bijstand (ook) geheel van eiseres terug te vorderen.

4.3. Ten slotte is in geschil de terugvordering van de bijstand van 2592,- die over de maand maart 1999 aan eiseres en [ex-partner] is betaald als gevolg van het abusievelijk doorbetalen van de toegekende woonkostentoeslag.

Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op artikel 81, tweede lid, van de Abw, waarin is bepaald dat hetgeen anderszins - dat wil zeggen anders dan bedoeld in het eerste lid - onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Volgens verweerder had eiseres redelijkerwijs kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigde betaling, nu in het toekenningsbesluit van 16 juni 1998 uitdrukkelijk is vermeld dat de bijzondere bijstand met ingang van 1 maart 1998 voor maximaal n jaar wordt verleend.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat de verstrekking van de woonkostentoeslag zou worden gecontinueerd tot het transport van de woning kon plaatsvinden, aangezien het niet was gelukt om de woning binnen n jaar daadwerkelijk te verkopen. Eiseres mocht dan ook aannemen, zo heeft zij gesteld, dat de toekenning stilzwijgend was verlengd, nu er feitelijk na 1 maart 1999 werd doorbetaald.

De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. De toekenning van de woonkostentoeslag is niet met ingang van 1 maart 1999 verlengd, terwijl voorts niet is gebleken dat van de zijde van verweerder enigerlei toezegging in die richting is gedaan. Ook overigens valt niet in te zien dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de verstrekking van de woonkostentoeslag na 1 maart 1999 zou worden gecontinueerd, dan wel dat de doorbetaling na 1 maart 1999 berustte op een verlenging van de toekenning met ingang van die datum.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat eiseres redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de betaling over de maand maart 1999 op een vergissing berustte en derhalve onverschuldigd plaatsvond. Verweerder heeft dit bedrag dan ook terecht op grond van voormelde bepaling teruggevorderd. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de rechtbank ook voor wat betreft deze terugvordering niet gebleken.

4.4. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. K van Duijvendijk en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB1797
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/608 NABW V06
Datum uitspraak: 21 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 69 en 81 Abw (= 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: bijstandsnorm; toepasselijke bijstandsnorm; onjuiste leeftijd; herziening bijstand; terugvordering; inschrijving in GBA; persoonsgegevens
Essentie: Terechte herziening en terugvordering van bijstand wegens toepassing van de onjuiste bijstandsnorm, omdat betrokkene niet in 1967, maar in 1978 is geboren en derhalve niet de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder van toepassing is, maar die voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. De gegevens in de GBA zijn niet zonder meer doorslaggevend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/608 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. S.S. Ilahi,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam, verweerders,
gemachtigde: A. Jager.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 12 april 2000, verzonden op 17 april 2000, het bezwaar van eiseres van 26 oktober 1999 tegen hun besluit van 7 september 1999, waarbij haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 is herzien, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 29 mei 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 5 september 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 maart 2001.
Voor eiseres is aldaar haar gemachtigde, mr. S.S. Ilahi, verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door A. Jager.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

Bij besluit van verweerders van 7 oktober 1996 is eiseres met ingang van 1 september 1996 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. Eiseres stond ten tijde van dit besluit in de gemeentelijke basisadministratie van Appingedam ingeschreven onder de naam [GBA-naam], geboren [datum] 1967, doch zij gaf verweerders aan in werkelijkheid te zijn [eiseres], geboren [datum] 1978. Verweerders zijn bij het toekennen van de uitkering uitgegaan van de door haar zelf aangedragen persoonsgegevens.

Na een verzoek hiertoe door de gemachtigde van eiseres hebben verweerders bij besluit van 30 september 1998 de uitkering van eiseres vanaf 1 september 1996 herzien. De bijstandsuitkering is op basis van de persoonsgegevens opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder. Tevens hebben verweerders een nabetaling aan eiseres verricht.

Na een door eiseres gestarte gerechtelijke procedure met als inzet de wijziging van haar persoonsgegevens is eiseres per 19 april 1999 in de basisadministratie van de gemeente Appingedam ingeschreven als [eiseres], geboren [datum] 1978.
Naar aanleiding hiervan hebben verweerders bij besluit van 26 mei 1999 de uitkering van eiseres aldus herzien dat deze vanaf 19 april 1999 tot 15 mei 1999 is voortgezet naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. Verweerders hebben vervolgens bij beschikking van 7 september 1999 de uitkering van eiseres over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 herzien; eiseres had volgens verweerders over deze periode recht op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar, terwijl haar uitkering was gebaseerd op een leeftijd van 21 jaar of ouder. Verweerders hebben bij dit laatste besluit tevens aangekondigd de te veel ontvangen bijstand te zullen terugvorderen.

Eiseres heeft tegen het besluit van 7 september 1999 op 26 oktober 1999 een bezwaarschrift ingediend.

Op 23 februari 2000 is eiseres gehoord door de bezwaarschriftencommissie, waarna deze verweerders heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat verweerders - zoals zij zelf ook stellen - voor de uitvoering van de Abw dienen uit te gaan van de in de basisadministratie vastgelegde gegevens. Nu de persoonsgegevens van eiseres in de basisadministratie niet met terugwerkende kracht zijn gewijzigd, heeft eiseres over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 terecht een uitkering ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder.

Verweerders stellen zich op het standpunt dat de uitkering van eiseres terecht is herzien vanaf 1 september 1996, daar er bij de uitvoering van de Abw niet kan worden uitgegaan van verschillende geboortedata bij een en dezelfde persoon.



Wettelijk kader

Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) in werking getreden. Daarbij zijn verschillende bepalingen van de Abw gewijzigd.

In artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vr de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.

Aangezien het onderhavige geschil zich uitstrekt over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 zijn op dit geschil achtereenvolgens van toepassing de bepalingen van de Abw, zoals deze luidden tot 1 juli 1997, en de bepalingen van de Abw, zoals deze luiden vanaf 1 juli 1997.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw, heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 29, tweede lid, onderdeel a, Abw geeft de hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar.
Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, Abw geeft de hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder.

Op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, zoals dit sinds 1 juli 1997 luidt, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand of trekken zij dat in indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.



Beoordeling van het geschil

Verweerders hebben de uitkering van eiseres over de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 herzien naar aanleiding van het wijzigen van haar geboortedatum in de persoonsgegevens van de gemeentelijke basisadministratie per 19 april 1999. Vaststaat dat eiseres gedurende deze periode ten onrechte in de basisadministratie stond ingeschreven als [GBA-naam], geboren [datum] 1967. Er moet voorts van worden uitgegaan dat de thans opgenomen persoonsgegevens - waarbij als geboortedatum [datum] 1978 is vermeld - de juiste zijn; eiseres heeft hierover onder ede een verklaring afgelegd, welke is aan te merken als een brondocument als bedoeld in de Wet op de gemeentelijke basisadministratie.

De uitkering die eiseres in de periode van 1 september 1996 tot 19 april 1999 heeft ontvangen, correspondeert met haar leeftijd zoals die gedurende deze periode was opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie. Nu echter voor de toepassing van de Abw de gegevens in de basisadministratie niet zonder meer doorslaggevend zijn en in casu is komen vast te staan dat de geboortedatum vermeld in de basisadministratie niet haar werkelijke geboortedatum was, hebben verweerders de uitkering van eiseres voor de betreffende periode op goede gronden herzien.

Het beroep van eiseres moet daarom ongegrond worden verklaard.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door deze uitgesproken op 21 maart 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 21 maart 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw / Abw / Wwb / Pemba / Awb
x
LJN:
x
AB1806
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW
Datum uitspraak: 28 februari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5 en 60 Ioaw / 24 Abw (= 48 Wwb) / 1:3, 6:15 en 8:72 Awb
Trefwoorden: grondslag; nettogrondslag; bijstandsnorm; aanvullende bijstand; leenbijstand; geldlening; belastingmaatregel; Pemba; buitengewone lasten; eerste uitkeringsspecificatie als appellabel besluit; doorzending beroepschrift aan bevoegde orgaan
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen de afwijzing van aanvullende bijstand om niet op de Ioaw-uitkering (nodig vanwege een inkomensval veroorzaakt door een belastingmaatregel als gevolg van de invoering van de Pemba), omdat eerst bezwaar diende te worden gemaakt; de rechtbank zendt het beroepschrift door aan verweerder. Het bezwaar tegen de vaststelling van de hoogte van de Ioaw-uitkering verklaart de rechtbank alsnog niet-ontvankelijk, omdat niet tijdig bezwaar is gemaakt tegen de eerste uitkeringsspecificatie waarop de lagere uitkering stond vermeld. Voor het overige is terecht ter aanvulling van het inkomen tot de bijstandsnorm leenbijstand verstrekt in plaats van bijstand om niet en wordt betrokkene niet tekort gedaan nu zijn inkomen na (gedeeltelijke) verrekening van de belastingteruggave met de leenbijstand nooit onder de bijstandsnorm kan uitkomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Utrecht SBR 99/1714 ABW en SBR 00/1899 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.




1. Verloop van de procedure


Bij besluit van 14 juli 1998, verzonden op 20 juli 1998, heeft verweerder eisers bezwaarschrift, gericht tegen de hoogte van de uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) vanaf 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 27 augustus 1999 namens eiser beroep bij deze rechtbank ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij brief van 18 oktober 2000 aangevuld.

Bij brief van 11 oktober 1999 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW.

Bij besluit van 16 augustus 2000, verzonden op 23 augustus 2000, heeft verweerder eisers bezwaren tegen het besluit van 27 juli 1999, waarbij aan eiser met ingang van 1 januari 1999 bijstand in de vorm van een geldlening is toegekend als aanvulling op het inkomen tot het wettelijk minimum, ongegrond verklaard.

Op 3 oktober 2000 is namens eiser beroep tegen dit besluit ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Namens eiser is bij brief van 24 november 2000 een reactie gegeven op het verweerschrift. Tevens zijn bij die gelegenheid nog enkele stukken aan de rechtbank overgelegd.

Dit geding is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 december 2000, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht. Verweerder is verschenen bij gemachtigden Chr. van den Berg en H.C. Hoogendam, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.




2. Overwegingen



Feiten

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt maandelijks een uitkering ingevolge de Ioaw. Op deze uitkering wordt eisers uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in mindering gebracht. Bij brief van 30 november 1998 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de aan hem uitbetaalde uitkering ingevolge de Ioaw over de periode vanaf januari 1998 tot op het moment van schrijven, omdat deze uitkering sinds januari 1998 verlaagd is. Eiser verzoekt om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal minimum.

Op 14 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder eiser meegedeeld zijn brief van 30 november 1998 (tevens) als aanvraag voor aanvullende bijstand in de vorm van leenbijstand met betrekking tot de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 aan te merken.

Bij besluit van 27 juli 1999 heeft verweerder aan eiser leenbijstand toegekend vanaf 1 januari 1999.

Namens eiser is hiertegen bij brief van 7 september 1999 bezwaar gemaakt.

Op 18 november 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit van 16 augustus 2000 afgegeven.



Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW

In dit geding staat de rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden eisers bezwaren tegen de hoogte van zijn Ioaw-uitkering ongegrond heeft verklaard en heeft geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor aanvullende bijstand over het jaar 1998.

In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de uitkering ingevolge de Ioaw correct en overeenkomstig de wettelijke bepalingen is vastgesteld. Door een per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel is eisers inkomen vanaf die datum inderdaad lager dan de voor eiser geldende bijstandsnorm. Als gevolg van deze rijksmaatregel heeft verweerder besloten om bij wijze van uitzondering op aanvraag aanvullende bijstand toe te kennen en wel in de vorm van leenbijstand. Verweerder heeft in het hier bestreden besluit van 14 juli 1999 overwogen dat eiser met zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft beoogd alsnog in aanmerking te komen voor aanvullende periodieke bijstand van 1 januari 1998 tot 1 december 1998. Gelet op de omstandigheid dat eiser over het jaar 1998 reeds via de Belastingdienst de nadelige gevolgen van de per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel ongedaan heeft kunnen maken, acht verweerder het niet juist dat alsnog over het jaar 1998 aanvullende bijstand wordt verleend.

Namens eiser is in beroep betoogd dat vanaf 1 januari 1998 het maandelijkse totale netto-inkomen van eiser beneden het bijstandsniveau ligt, hetwelk het gevolg is van de invoering per die datum van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba). Door deze maatregel heeft een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-nettotrajecten van inkomens. Namens eiser is aangevoerd dat eiser voor het jaar 1998 een T-biljet heeft ingevuld, doch dat daarmee de terugval in zijn inkomen niet volledig wordt gecompenseerd. Voor het deel dat niet gecompenseerd wordt, dient naar de mening van eiser aanvullende bijstand te worden verleend. Eisers brief van 30 november 1998 dient als een aanvraag voor aanvullende bijstand te worden beschouwd.
Ter zitting is namens eiser nog gesteld dat het niet verweerders zaak is of eiser nu wel of niet een belastingteruggave ontvangt. Voorts heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat verweerder de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) voorgestelde werkwijze zou moeten volgen, te weten dat verweerder naast de Ioaw-uitkering ook de uitbetaling van eisers uitkering op grond van de WAO voor zijn rekening neemt.
Ten slotte is namens eiser ter zitting nog aangegeven dat eisers netto-inkomsten in het jaar 1998 met inbegrip van de belastingteruggave over dat jaar net boven het sociaal minimum liggen.

Verweerder heeft hier tegenin gebracht dat eiser formeel geen aanvraag heeft ingediend voor aanvullende bijstand over het jaar 1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de toegekende Ioaw-uitkering. Ter zitting heeft verweerder hier nog aan toegevoegd dat een beroepsprocedure niet kan worden gebruikt om een niet-ingediende aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht geffectueerd te krijgen. Daarnaast heeft verweerder in beroep gesteld dat eiser uiteindelijk aan netto-inkomsten meer heeft ontvangen dan waar hij in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) recht op zou hebben.
Verweerder heeft nog betoogd dat de door de Minister van SZW voorgestelde werkwijze erg tijdrovend is. Verweerder onderkent echter de problemen voor mensen zoals eiser. Daarom is verweerder bereid leenbijstand te verstrekken.

De rechtbank overweegt als volgt.



Met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de Ioaw-uitkering

Als gevolg van de Pemba-operatie heeft er met ingang van januari 1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-nettotrajecten van inkomens. De oorzaken hiervan zijn (a) een lagere overhevelingstoeslag, het vervallen van de WAO-premie als werknemerspremie en het vervallen van de premie ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en (b) een extra verhoging van het belastingvrije bedrag. De Ioaw-grondslagen worden zodanig vastgesteld dat deze, rekening houdend met het toepasselijke bruto-nettotraject, netto gelijk zijn aan de in de wet genoemde nettobedragen. Het gewijzigde bruto-nettotraject leidt tot lagere Ioaw-grondslagen. Daardoor resulteert na de verrekening met het andere inkomen een lagere bruto-Ioaw-uitkering. Bij de bepaling van de in te houden loonheffing kan het voorgaande tot gevolg hebben dat geen van beide inkomens groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag daarop in mindering te brengen. Het resultaat kan zijn dat het totale netto-inkomen lager is dan beoogd.

Dit stemt overeen met hetgeen eiser in zijn bezwaarschrift van 30 november 1998 heeft gesteld, te weten dat zijn Ioaw-uitkering al sinds januari 1998 verlaagd is.

Tot besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen te worden gerekend besluiten die wijziging beogen te brengen in de aanspraak op in het verleden toegekende en reeds uitbetaalde uitkeringen. De rechtbank is van oordeel dat de uitkeringsspecificatie van januari 1998 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu deze specificatie ertoe strekt dat aan eiser een uitkering ingevolge de Ioaw wordt toegekend die in verband met de invoering van de Pemba afwijkt van de Ioaw-uitkering die eiser voordien werd verstrekt.
De uitkeringsspecificaties over de maanden februari 1998 en volgende zijn naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan een informatieve weergave van de berekening van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Ioaw en leveren dan ook geen besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb op.
Eiser kon derhalve slechts tegen de uitkeringsspecificatie van januari 1998 bezwaar maken. De betreffende specificatie dateert van 17 januari 1998, zodat eiser zijn bezwaren uiterlijk 1 maart 1998 aan verweerder had dienen kenbaar te maken. Nu eiser eerst bij brief van 30 november 1998 bezwaar heeft gemaakt tegen de vaststelling van de hoogte van de aan hem toegekende Ioaw-uitkering vanaf januari 1998 tot dan toe, moet de conclusie luiden dat dit bezwaarschrift tardief is ingediend.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder eiser in zijn bezwaren tegen de vaststelling van de hoogte van diens Ioaw-uitkering sinds januari 1998 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Nu verweerder eiser ten onrechte heeft ontvangen in diens desbetreffende bezwaren kan het op de vaststelling van de hoogte van de uitkering ingevolge de Ioaw ziende gedeelte van het bestreden besluit niet in stand blijven. In verband hiermee dient eisers beroep, voor zover betrekking hebbend op dit aspect, gegrond te worden verklaard.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om ten aanzien van dit gedeelte van het bestreden besluit met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien.



Met betrekking tot de aanvraag om aanvullende bijstand

De rechtbank kan verweerder niet volgen waar hij in beroep stelt dat eiser formeel geen aanvraag heeft ingediend voor aanvullende bijstand over het jaar 1998, doch slechts bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de toegekende uitkering krachtens de Ioaw. Immers heeft eiser in zijn brief van 30 november 1998 (tevens) verzocht om met terugwerkende kracht tot en met januari 1998 een aanvulling te verstrekken tot het wettelijk sociaal minimum. Bovendien heeft verweerder in het hier bestreden besluit overwogen dat eiser met zijn brief van 30 november 1998 kennelijk heeft beoogd alsnog in aanmerking te komen voor aanvullende periodieke bijstand van 1 januari 1998 tot 1 december 1998. Verweerder heeft deze aanvraag echter afgewezen onder de overweging dat, gelet op de omstandigheid dat eiser over het jaar 1998 reeds via de Belastingdienst de nadelige gevolgen van de per 1 januari 1998 ingevoerde belastingmaatregel ongedaan heeft kunnen maken, verweerder het niet juist acht dat alsnog over het jaar 1998 aanvullende bijstand wordt verleend.

De rechtbank concludeert dan ook dat eiser wel een aanvraag om aanvullende bijstand heeft gedaan over de periode januari tot december 1998, op welke aanvraag verweerder ook beslist heeft. Nu het hier echter een primair besluit betreft, dient, vooraleer deze zaak aan de rechtbank ter beoordeling kan worden voorgelegd, hiertegen eerst bezwaar te worden gemaakt. De rechtbank kan eiser in het namens hem ingestelde beroep tegen de afwijzende beslissing ten aanzien van eisers aanvraag om een aanvulling op zijn Ioaw-uitkering over het jaar 1998 dan ook niet ontvangen. Het bij de rechtbank ingediende beroepschrift dient op de voet van artikel 6:15 van de Awb te worden doorgezonden aan verweerder.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 AWB oordeelt de rechtbank dat er aanleiding is om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand en op 5,- als reiskosten.

Gelet op de reden van vernietiging van het thans bestreden besluit dient het verzoek om schadevergoeding in de vorm van renteschade te worden afgewezen.



Het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW

Bij dit besluit heeft verweerder zijn besluit van 27 juli 1999 tot het aan eiser verlenen van bijstand in de vorm van leenbijstand gehandhaafd.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat op grond van artikel 24a [artikel 24, red.], aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) leenbijstand kan worden verstrekt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Eiser stelt in de eerste plaats dat er geen sprake is van een redelijk korte termijn. Eiser zal in het jaar 2000 aangifte moeten doen over het jaar 1999, hetgeen op zijn vroegst medio 2000 zal leiden tot teruggave. Een termijn van meer dan n jaar is geen korte termijn. Daarnaast meent eiser dat hoe dan ook een deel van de leenbijstand zal moeten worden omgezet in bijstand om niet, hetgeen betekent dat er sowieso geen sprake is van het redelijkerwijs beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Voorts heeft eiser betoogd dat hij jaarlijks een belastingteruggave ontvangt in verband met een buitengewone lastenaftrek vanwege het onderhouden van familieleden in Marokko. Namens eiser is een kopie van de aangifte over 1999 met en zonder buitengewone lastenaftrek overgelegd. Zonder die lastenaftrek is er geen sprake van een teruggave, met aftrek bedraagt het terug te ontvangen bedrag 505,-.
Ter zitting is aan het vorenstaande namens eiser nog toegevoegd dat het verweerder niet aangaat of eiser belasting terugkrijgt of niet.

Blijkens het hier bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat bijstand in de algemene bijstandskosten om niet wordt verstrekt, tenzij de Abw anders voorschrijft. In sommige gevallen is de gemeente verplicht en in andere gevallen heeft ze de vrijheid om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. In het onderhavige geval heeft verweerder ervoor gekozen bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken ter hoogte van het verschil tussen de bijstandsnorm en de werkelijke inkomsten op grond van de Ioaw en WAO. Afhankelijk van de hoogte van de belastingteruggave dient de leenbijstand door eiser te worden terugbetaald of kan de leenbijstand voor een deel of volledig worden omgezet in bijstand om niet. Voorts verdient het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening de voorkeur boven het verlenen van bijstand om niet, omdat dit fiscaal gezien voordeliger is voor eiser. Leenbijstand wordt fiscaal niet belast, in tegenstelling tot bijstand om niet.

In beroep is namens verweerder nog naar voren gebracht dat als uit de definitieve belastingaanslag blijkt dat eiser aan netto-inkomsten in 1999 meer heeft ontvangen dan de hem toekomende nettobijstandsnorm dat meerdere dan met de verstrekte leenbijstand zal worden verrekend. Als eiser als gevolg van buitengewone lasten met zijn netto-inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm geraakt, zal aan de hand van de definitieve belastingaanslag worden bezien of met de opgevoerde lasten wel of geen rekening moet worden gehouden. Verweerder meent dat het niet zo kan en mag zijn dat de gemeenschap in de vorm van bijstandverlening opdraait voor buitengewone lasten die in het kader van bijstandverlening niet noodzakelijk zijn.

Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat hij heeft aangenomen dat er sprake is van het ingevolge artikel 24 van de Abw "redelijkerwijs kunnen aannemen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken" vanwege de vooronderstelling dat, hoewel hij bijna elke maand minder dan de bijstandsnorm ontvangt, eiser op jaarbasis qua netto-inkomsten wel minimaal op het sociaal minimum zit. Dit zou te maken hebben met het feit dat eiser jaarlijks in de maand mei zijn vakantiegeld op grond van de WAO krijgt uitbetaald, hetgeen een hoger percentage betreft dan het vakantiegeld ingevolge de Ioaw.
Ten slotte is ter zitting door verweerder nog aangevoerd en middels een berekening toegelicht dat eisers netto-inkomen over het jaar 1999, ook als geen rekening wordt gehouden met zijn buitengewone lasten, hoger ligt dan waar hij ingevolge de Abw recht op zou hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Het tweede lid van dit artikel stelt gelijk met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

Artikel 13, tweede lid, van de Abw bepaalt dat burgemeester en wethouders ten aanzien van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

Op grond van artikel 19 van de Abw wordt bijstand verleend om niet, tenzij in deze wet anders is bepaald.

Ingevolge artikel 24 van de Abw kan bijstand (eveneens) worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien - voor zover hier van belang - redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, heeft er als gevolg van de invoering van de Pemba met ingang van 1 januari 1998 een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in de bruto-nettotrajecten van inkomens, leidend tot lagere Ioaw-grondslagen. Wanneer iemand naast zijn uitkering krachtens de Ioaw nog andere inkomsten heeft, zoals in het geval van eiser, kan het gevolg zijn dat bij de bepaling van de in te houden loonheffing geen van beide inkomens groot genoeg is om het volledige belastingvrije bedrag daarop in mindering te brengen. Het resultaat kan dan zijn dat het maandelijkse netto-inkomen lager is dan beoogd.

De norm van de Ioaw is dezelfde als de bijstandsnorm krachtens de Abw. Door de Pemba-operatie kan de netto-uitkering ingevolge de Ioaw echter een andere uitkomst geven dan de bijstandsnorm ingevolge Abw. Ook in het onderhavige geval is sprake van een maandelijkse netto-uitkering die lager is dan de bijstandsnorm. Op jaarbasis evenwel liggen de netto-inkomsten van eiser net boven het sociaal minimum. Partijen kunnen niet exact aangeven waar dit door veroorzaakt wordt, maar men vermoedt dat dit te maken heeft met de vakantietoeslag (krachtens de WAO). Wat hiervan ook zij, tussen partijen is niet in geding dat eisers uitkeringen ingevolge de Ioaw en de WAO tezamen op jaarbasis netto niet onder de bijstandsnorm liggen.
Partijen verschillen evenmin van mening over het feit dat eiser maandelijks meestal een netto-uitkering ontvangt die onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt. Ter compensatie verleent verweerder eiser aanvullende bijstand in de vorm van leenbijstand tot de voor eiser geldende bijstandsnorm.
Aangezien eisers maandelijkse tekorten ten opzichte van de bijstandsnorm blijkbaar worden gecompenseerd door de vakantietoeslag die eiser ontvangt, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede de door verweerder te verlenen c.q. verleende leenbijstand te verrekenen met hetgeen eiser als gevolg van die vakantietoeslag boven de bijstandsnorm krijgt uitgekeerd. De rechtbank oordeelt evenwel dat de door verweerder gekozen oplossing om de leenbijstand jaarlijks te verrekenen na een eventuele belastingteruggave aan eiser - hoewel minder voor de hand liggend - ook een mogelijkheid is. Eiser wordt hierdoor immers, in vergelijking met het verrekenen met de jaarlijkse vakantietoeslag, niet tekort gedaan.
De rechtbank overweegt in dit verband nog dat verweerder heeft aangegeven dat de leenbijstand afhankelijk van de hoogte van de belastingteruggave (deels) dient te worden terugbetaald dan wel gedeeltelijk of volledig wordt omgezet in bijstand om niet. Door deze benadering kan het nimmer zo zijn dat eisers inkomsten op jaarbasis onder de voor hem geldende bijstandsnorm komen te liggen.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat bijstandverlening niet, zoals namens eiser wordt betoogd, kan geschieden op de grond dat eisers inkomsten als gevolg van de invoering van de Pemba lager uitvallen dan voorheen. Bijstand wordt verleend in die gevallen dat personen onder het sociaal minimum (dreigen te) geraken, niet als sprake is van een terugval in inkomen.

Het vorengaande leidt ertoe dat in de namens eiser aangevoerde grieven geen grond is gelegen het bestreden besluit te vernietigen. Aangezien de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet in stand zou kunnen blijven, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Er dient als volgt te worden beslist.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Utrecht,

recht doende:

ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 99/1714 ABW:
verklaart het beroep, voor zover dit ziet op het gedeelte van het bestreden besluit waarin verweerder zich uitspreekt over de vaststelling van de hoogte van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Ioaw, gegrond;
vernietigt dit gedeelte van het bestreden besluit;
verklaart eiser in zijn bezwaren tegen dit gedeelte van het bestreden besluit alsnog niet-ontvankelijk;
verklaart eiser in zijn beroep, voor zover dit betrekking heeft op eisers aanvraag om aanvullende bijstand, niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad 60,- aan hem vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van 1425,-, te betalen door de gemeente Utrecht;

ten aanzien van het beroep geregistreerd onder nummer SBR 00/1899 NABW:
verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Barkel-van Berchum, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2001.

De griffier, G.J. van Ingen,            De rechter, mr. J. Barkel-van Berchum,




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x