Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2206
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/1106 ABW G V06
Datum uitspraak: 20 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= Ė Wwb) / 3:2 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; schuld; aflossing ineens; afkoopsom; afkopen; restsom; restantschuld; rechterlijke uitspraak; verjaring schuld; zorgvuldigheid
Essentie: Ten onrechte is de door betrokkene verzochte afkoopsom voor zijn schuld aan de gemeente vastgesteld op 75% van de restsom, omdat is verzuimd de gedeeltelijke verjaring van de vordering in de overwegingen te betrekken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/1106 ABW G V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 29 september 2000, nr. 10.417, afd. beza, het bezwaarschrift van eiser gericht tegen hun besluit van 23 februari 2000, nr. 65346100/9953878/sz, 2000, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het besluit van 29 september 2000 bij beroepschrift van 5 november 2000 beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 12 december 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en voor hun verweer verwezen naar het rapport van 24 mei 2000 naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 26 april 2001.
Eiser is niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mevr. [vertegenwoordiger].




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

De gemeente Stadskanaal heeft op eiser twee vorderingen met een totaalbedrag van É16.481,83. De eerste vordering, ten bedrage van É15.280,98, is het restant van een vordering van É17.920,98 die in 1985 is ontstaan als gevolg van het onjuist verstrekken van informatie door eiser in het kader van de bijstandverlening. De tweede vordering, ten bedrage van É1200,85, stamt uit 1992 en is ontstaan door het anderszins onverschuldigd uitbetalen van bijstand. De kantonrechter heeft met betrekking tot de beide oorspronkelijke vorderingen vastgesteld dat deze door eiser moeten worden terugbetaald. Tevens heeft hij ter zake van de eerstgenoemde vordering een betalingsregeling vastgesteld in die zin dat eiser vanaf 1 maart 1989 per maand É100,- moet aflossen.
Eiser heeft in 1999 bij het jaarlijkse onderzoek naar zijn aflossingscapaciteit te kennen gegeven dat hij beide vorderingen zou willen afkopen indien de afkoopsom binnen zijn financiŽle mogelijkheden zou liggen.
Verweerders hebben in hun primaire besluit van 23 februari 2000 aangegeven dat slechts artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw in casu van toepassing is en eiser een afkoopsom van É12.500,- aangeboden, zijnde 75% van de nog openstaande schuld.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij de aangeboden afkoopsom veel te hoog vindt omdat zijn financiŽle polsstok niet verder reikt dan É3375,-.
Verweerders hebben in hun beschikking op bezwaar van 29 september 2000 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en vastgehouden aan de toepassing van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw en de afkoopsom van É12.500,- in bezwaar gehandhaafd.



Beoordeling van het geschil

De Abw gaat uit van de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Van die terugvordering kan in de gevallen die zijn geregeld in de artikelen 78 tot en met 78c Abw worden afgezien.
Omdat er geen dringende redenen zijn aangevoerd zoals bedoeld in artikel 78, derde lid, Abw, er geen sprake is van een schuldregeling zoals bedoeld in artikel 78a Abw en de vordering het in artikel 78b Abw bedoelde bedrag ruimschoots te boven gaat, komt slechts artikel 78c Abw voor toepassing in aanmerking.
Aangezien eiser volgens opgave van gemachtigde van verweerders ter zitting in ieder geval sinds 1995 niets meer op de beide vorderingen heeft afgelost, zijn de bepalingen van artikel 78c, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, Abw niet van toepassing. Dat betekent dat in dit geval slechts geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou kunnen worden afgezien indien niet aannemelijk is dat eiser alsnog tot aflossing zal overgaan zoals is bepaald in artikel 78c, eerste lid, onderdeel c, Abw of indien eiser een bedrag van ten minste 50% van de restsom in ťťn keer zal aflossen, zoals is bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw.
Door eiser zijn geen omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het niet aannemelijk is dat hij op enig moment aflossingen op de beide vorderingen zal verrichten. Verweerders hebben zich volgens de rechtbank dan ook met recht op het standpunt gesteld dat het afzien van de terugvordering niet op artikel 78c, eerste lid, onderdeel c, Abw gebaseerd kan worden.
Verweerders hebben in het verlengde hiervan terecht geoordeeld dat slechts op basis van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw van gedeeltelijke terugvordering zou kunnen worden afgezien.
Eiser is blijkens zijn beroepschrift van opvatting dat hoewel hij ook dat bedrag niet kan betalen, hem op basis van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw een aanbod van 50% van de openstaande vorderingen had moeten worden gedaan.
Verweerders hebben echter terecht vastgesteld dat 50% de minimale afkoopsom is en dat verweerders ten aanzien van de hoogte van de afkoopsom voor het overige beleidsvrijheid hebben. De rechtbank kan verweerders echter niet volgen in de wijze waarop de hoogte van de afkoopsom is bepaald.
Artikel 3:324, eerste lid in samenhang met het derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de bevoegdheid tot de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van vijf jaar voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 15 november 1988 bepaald dat eiser de vordering van É17.920,98, waarvan de É15.280,98 de restvordering is, met ingang van 1 maart 1989 maandelijks É100,- moet aflossen. Dat betekent dat intussen een aanzienlijk deel van deze vordering is verjaard.
Verweerders hadden naar het oordeel van de rechtbank uit een oogpunt van zorgvuldigheid bij het bepalen van de omvang van de afkoopsom de gevolgen van de gedeeltelijke verjaring van de vordering van É15.280,98 in hun overwegingen moeten betrekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorbereid op de wijze zoals is bedoeld in artikel 3:2 Awb.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.



Griffierechten

Nu het beroep van eiser ten dele gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad É60,- door de gemeente Stadskanaal aan eiser wordt vergoed.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 2000, nr. 10.417 afd. beza, gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 september 2000, nr. 10.417 afd. beza;
- bepaalt dat de gemeente Stadskanaal eiser het betaalde griffierecht ad É60,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken
op 20 juni 2001, in tegenwoordigheid van K.A. Faber als griffier.
            



Afschrift verzonden op: 20 juni 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2256
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 98/6242 Abw
Datum uitspraak: 5 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 20, 42, 51, 52, 65, 69 en 81 Abw (= 7, 50+34, 31, 34, 34, 17, 54 en 58 Wwb) / 7:12 en 8:57 Awb
Trefwoorden: vermogen; eigen woning; verdere bezwaring; hypotheek; vermogensvrijlating; vermogensgrens; schending inlichtingenverplichting; beŽindiging bijstand; terugvordering; groot onderhoud; vrije besteding vermogen; spaargeld; motivering
Essentie: Onterechte beŽindiging en terugvordering bijstand wegens (ten behoeve van groot onderhoud) beschikbaar vermogen uit verdere bezwaring (hypothecaire lening) van de eigen woning (niet te beschouwen als spaargeld, maar wel vrij besteedbaar), omdat geen rekening is gehouden met vrij te laten vermogen gebonden in de eigen woning. Voor zover nog sprake is van in aanmerking te nemen vermogen, heeft betrokkene haar inlichtingenverplichting geschonden en kan bij een nieuw te nemen besluit de bijstand worden beŽindigd en teruggevorderd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 98/6242 Abw




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude, verweerder.




I. Ontstaan en loop van het geding


Eiseres ontvangt sedert 1 januari 1987 een bijstandsuitkering, laatstelijk berekend naar de norm voor een alleenstaande, in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek (nader te noemen: krediethypotheek).

Tijdens het heronderzoek van 2 maart 1998 is gebleken dat eiseres door het afsluiten van een tweede hypotheek bij de Rabobank op 12 januari 1998 over een vermogen beschikte of kon beschikken van É49.409,75.

Bij besluit van 16 april 1998 heeft verweerder besloten het recht op uitkering met ingang van 12 januari 1998 in te trekken, aangezien eiseres op die datum voldoende middelen had om zelf in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. De te veel ontvangen uitkering over de periode 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 ten bedrage van É1667,50 netto wordt bij het besluit teruggevorderd. Voorts wordt het middels krediethypotheek geleende bedrag ad É33.050,- direct opgeŽist.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 april 1998 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiseres is gehoord omtrent haar bezwaren door de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (nader te noemen: de Commissie) op 8 juni 1998.

Deze commissie heeft advies uitgebracht aan verweerder. De Commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren.

Op 6 juli 1998 wordt voorts op verzoek van verweerder door de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zoeterwoude een advies uitgebracht. Deze afdeling adviseerde verweerder het bezwaar voor zover gericht tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstandsuitkering ongegrond te verklaren en voor zover gericht tegen de opeisbaarheid van de krediethypotheek gegrond te verklaren.

Bij besluit van 16 juli 1998 (nader te noemen: het bestreden besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Commissie en overeenkomstig het advies van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zoeterwoude, de bezwaren van eiseres voor zover gericht tegen de directe opeisbaarheid van de geldlening gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 21 augustus 1998, ingekomen bij de rechtbank op 24 augustus 1998, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 24 september 1998 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 11 juni 1999 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes, advocaat te Leiden.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.R.H. Munir-Evers.
Tijdens de behandeling van het beroep ter zitting is het onderzoek geschorst en heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken.

Gegeven de daartoe verleende toestemming van partijen, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.




II. Motivering


1. In geschil is thans nog:
(1) de beŽindiging van de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 12 januari 1998;
(2) de terugvordering van de aan eiseres verstrekte bijstand over de periode 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998.

Ten grondslag aan deze besluitvorming ligt het standpunt van verweerder dat eiseres per 12 januari 1998 de beschikking heeft verkregen over een bedrag van É49.409,75 aan middelen als bedoeld in de artikelen 7 en 42 van de Algemene bijstandswet (Abw). Eiseres heeft dit bedrag verkregen uit een nieuwe hypotheek op haar eigen woning.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat eiseres deze hypothecaire lening ten onrechte niet aan hem heeft gemeld.

In beroep heeft eiseres primair aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom er is afgeweken van het advies van de Commissie van 8 juni 1998. Voorts heeft eiseres gesteld dat het geld waarover zij beschikte heeft aangewend teneinde achterstallig onderhoud aan haar woning te laten verrichten. Eiseres is van mening dat de waardestijging van de woning buiten beschouwing dient te worden gelaten op grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel d, Abw. Tevens is eiseres van mening dat volgens gemeentelijk beleid een hypothecaire lening wegens waardestijging van de woning, na overleg met de gemeente, kan worden toegestaan [kan worden aangewend, red.] ter verbetering van de woning. Volgens eiseres is het enige verwijt dat haar kan worden gemaakt het feit dat zij vooraf geen overleg heeft gepleegd met de gemeente.

2. Met betrekking tot de grief van eiseres dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom er is afgeweken van het advies van de Commissie overweegt de rechtbank als volgt.
In het advies van de afdeling Sociale Zaken staat naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd aangegeven om welke redenen het eerdere advies van de Commissie niet kan worden gevolgd. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het advies van de afdeling Sociale Zaken. Naar het oordeel van de rechtbank is in verband hiermee in het bestreden besluit voldoende kenbaar gemaakt op grond waarvan van het advies van de Commissie wordt afgeweken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het beroep op deze grond gegrond te oordelen.

3. De rechtbank heeft vervolgens de vraag te beantwoorden of verweerder terecht het door eiseres geleende bedrag als middelen als bedoeld in artikel 42 van de Abw heeft aangemerkt.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Abw wordt aan degene die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de Abw, bestaat recht op bijstand voor de eigenaar van een door hemzelf bewoonde woning, voor zover verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd.

Uit de motivering van het bestreden besluit valt af te leiden dat verweerder dit bedrag aanmerkt als vermogen als bedoeld in de artikelen 42 in samenhang met 51 van de Abw.
Aangezien tegenover het door eiseres ontvangen bedrag een schuld aan de geldverstrekkende bank van ten minste hetzelfde bedrag is komen te staan, is het totale vermogen van eiseres in ieder geval niet toegenomen.
In zoverre schiet de motivering van het bestreden besluit dus te kort.
Desondanks heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht het bedrag aangemerkt als middelen in de zin van artikel 42 van de Abw.
Eiseres heeft dit bedrag namelijk verkregen door de tot haar vermogen als bedoeld in artikel 42 van de Abw behorende woning verder te bezwaren. Daardoor heeft zij een deel van haar in deze woning gebonden vermogen vrijgemaakt.
In aanmerking genomen dat eiseres geheel op eigen initiatief tot deze verdere bezwaring is overgegaan, kan er geen grond zijn voor het oordeel dat de verdere bezwaring middels een hypothecaire lening in redelijkheid niet van haar kon worden gevergd als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Abw.

Vrijgemaakt vermogen uit een eigen woning is geen spaargeld, zodat het beroep van eiseres op artikel 52, eerste lid, onderdeel d, van de Abw faalt.
Aangezien de in deze bepaling gegeven opsomming van buiten aanmerking te laten vermogensbestanddelen limitatief is, bestaat geen rechtsgrondslag voor analoge toepassing ervan op de overwaarde van een eigen woning zoals door eiseres bepleit.
Of en waaraan eiseres de vrijgekomen middelen feitelijk heeft uitgegeven doet niet ter zake, aangezien de Abw geen grondslag biedt voor het buiten beschouwing laten van middelen op grond van de feitelijk daaraan door de betrokkene gegeven besteding.

4. Omtrent de beŽindiging van de bijstandverlening aan eiseres overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het vorenstaande volgt dat, gelet op de artikelen 7 en 20, eerste lid, van de Abw, in onderlinge samenhang, eiseres in beginsel geen recht meer had op bijstand nu zij door verdere bezwaring van haar woning over middelen van bestaan was komen te beschikken.
Verweerder heeft reeds daarom in beginsel terecht de bijstandverlening aan eiseres gestaakt vanaf de dag waarop zij over deze middelen is komen te beschikken, 12 januari 1998.

5. Omtrent de terugvordering van de betaalde bijstand over de periode van 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Artikel 69, derde lid, van de Abw bepaalt onder meer dat burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand herzien indien een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte is verleend van de belanghebbende teruggevorderd.

Vaststaat dat eiseres van de verdere bezwaring van de woning en van de daarmee verkregen middelen geen melding heeft gemaakt aan verweerder, zodat zij artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden.
Dat zij deze middelen niet als inkomen beschouwde - hetgeen op zichzelf juist is - maakt dit niet anders, aangezien artikel 65, eerste lid, van de Abw blijkens de bewoordingen een inlichtingenplicht op de bijstandsgerechtigde legt die aanzienlijk ruimer is dan louter het melden van inkomen.

Aangezien eiseres in beginsel geen aanspraak meer had op bijstand vanaf 12 januari 1998 volgt hieruit dat verweerder bevoegd en in beginsel verplicht was de uitkering van eiseres krachtens artikel 69, eerste en vierde lid, in samenhang met artikel 7 van de Abw, te beŽindigen en tevens krachtens artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de Abw de bijstandsuitkering van eiseres te herzien en in te trekken, behoudens dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw.
Deze laatste bevoegdheid geldt slechts voor zover eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.

6. Uit de door verweerder gegeven motivering blijkt dat hij ervan uitgaat dat het door eiseres vrijgemaakte gedeelte van haar vermogen geheel de grens van het vrij te laten vermogen te boven gaat. Hierbij heeft verweerder getoetst aan de artikelen 51 tot en met 54 van de Abw.
Uit niets blijkt evenwel dat verweerder rekening heeft gehouden met de bijzondere regels die zijn gesteld in respectievelijk krachtens artikel 20, derde respectievelijk zevende lid, van de Abw met betrekking tot vermogen dat gebonden is in een eigen woning.
De omstandigheid dat bij de aanvang van de bijstandverlening al rekening is gehouden met het vrij te laten vermogen als bedoeld in (thans) artikel 54 van de Abw sluit immers niet uit dat (een deel van) het nu door eiseres vrijgemaakte vermogen valt beneden de in artikel 20, derde lid, van de Abw gestelde grens aan het bij de middelentoets te betrekken vermogen dat gebonden is in een eigen woning.
Daarom staat niet vast dat het gehele door eiseres uit de hypothecaire lening verkregen bedrag bij de middelentoets betrokken moet worden. In dat geval dienen deze middelen toch geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing te worden gelaten bij de toetsing van haar recht op bijstand aan de artikelen 7 en 20 van de Abw. In dat geval is de bijstand geheel of gedeeltelijk ten onrechte beŽindigd en ontbrak op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw een grondslag voor terugvordering van alle of een deel van de na 12 januari 1998 betaalde bijstand.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende kenbaar en draagkrachtig is gemotiveerd.
Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

8. Ter voorlichting van eiseres merkt de rechtbank op dat deze uitspraak niet uitsluit dat zal blijken dat een deel van het vrijgemaakte vermogen door verweerder terecht bij de middelentoets is betrokken, zodat de bijstand toch terecht per 12 januari 1998 is beŽindigd en voor zover reeds betaald terecht is teruggevorderd.

9. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op É1775,-, bestaande uit de kosten van het door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener indienen van een beroepschrift (1 punt), het verschijnen ter zitting (1 punt) en het indienen van een nadere memorie na de schorsing van het onderzoek (0,5 punt), waarbij per punt een bedrag van É710,- voor vergoeding in aanmerking komt, bij een wegingsfactor 1 (gemiddeld).

10. Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.




III. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Zoeterwoude aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten É55,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van É1775,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.L. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2001, in tegenwoordigheid van de griffier B.D. Slotboom-Muntz.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB2257
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: NABW 99/7316
Datum uitspraak: 20 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; hoogte; verzwaring; schending arbeidsverplichtingen; recidive
Essentie: Opgelegde maatregel wegens veelvuldige en herhaalde schending van arbeidsverplichtingen is te zwaar, omdat voor individualisering in de vorm van een verzwaring van de maatregel geen ruimte is nu de maatregel volledig en minutieus krachtens de wet is geregeld in een categorieŽnsysteem (onjuist, zie LJN AE2461).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle NABW 99/7316




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], geboren op [...] 1965, wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. H.A. Appelo, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Lelystad,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 16 augustus 1999.




2. Zitting


Datum: 5 april 2001.
Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Appelo, voornoemd.
Verweerder is verschenen bij gemachtigden mw. J.F. Eelsing en mw. M. Loonstra.




3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt


Verweerder heeft op 18 april 1995 besloten eiser met ingang van 27 februari 1995 bijstand toe te kennen overeenkomstig de geldende woningdelersnorm echtpaar van É1612,92 per maand.
In verband met de per 1 januari 1996 in werking getreden nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) heeft verweerder op 9 oktober 1996 besloten eiser vanaf 1 november 1996 een uitkering ingevolge laatstgenoemde wet toe te kennen. Verweerder heeft op 9 oktober 1996 voorts besloten dat voor eiser vanaf 1 november 1996 de verplichtingen gelden op basis van de Abw.

Verweerder heeft op 19 maart 1998 besloten eiser gedurende ťťn maand een maatregel op te leggen in de vorm van een korting van 10% op zijn uitkering omdat eiser zich ten onrechte op het standpunt stelde vanwege gezondheidsredenen niet in staat te zijn geweest te solliciteren.
Eiser heeft bij brief van 21 april 1998 tegen dit besluit bezwaar aangetekend.
Verweerder heeft op 3 juli 1998 besloten dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

Verweerder heeft op 2 november 1998 besloten eisers uitkering met ingang van 1 oktober 1998 gedurende twee maanden met 10% te verlagen omdat eiser onvoldoende en niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd voorafgaand aan het heronderzoek.
Eiser heeft bij brief van 3 november 1998 tegen dit besluit bezwaar aangetekend.
Verweerder heeft op 2 februari 1999 besloten dit bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

Ter bevordering van eisers uitstroommogelijkheden is eiser op 15 december 1998 aangemeld bij Tuner Regionaal Test & Trainings Centrum te Dronten (verder te noemen: Tuner). Verweerder heeft bij het verweerschrift onder meer een overzicht overgelegd van acties van Tuner naar eiser.
Op 22 december 1998 en 4 januari 1999 hebben gesprekken plaatsgevonden volgens dit overzicht. Op een uitnodiging d.d. 11 januari 1999 om op 13 januari 1999 te verschijnen voor medisch onderzoek is eiser niet verschenen.
Tuner heeft verweerder bij brief van 21 januari 1999 medegedeeld dat eiser tijdens een op 5 (?) januari 1999 plaatsgevonden gesprek heeft medegedeeld veel medische klachten te hebben en dat eiser zonder enige berichtgeving geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om op 13 januari 1999 bij de arts van Tuner te verschijnen.
Verweerder heeft eiser vervolgens bij brief van 11 februari 1999 bericht dat hij verplicht is mee te werken aan de activiteiten van Tuner, dat hij vůůr 18 februari 1999 zelf een nieuwe afspraak met Tuner dient te maken en dat hij zonder verdere waarschuwing vooraf gedurende ťťn maand een maatregel van 100% korting opgelegd krijgt indien hij vůůr 18 februari 1999 geen nieuwe afspraak heeft gemaakt of weer geen medewerking verleent aan de activiteiten van Tuner.
Tuner heeft eiser bij brief van 16 februari 1999 opgeroepen voor een medisch onderzoek op 24 februari 1999 om 12.15 uur.
J.K. Heijnstek en A. v.d. Zwan, bedrijfsartsen bij Tuner, hebben rapport uitgebracht rondom het medisch onderzoek van eiser d.d. 24 februari 1999. Eiser meldt zich op 6 maart 1999 ziek.
Op 15 maart 1999 heeft er zijdens Tuner een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden waarbij eiser aanwezig is geweest.
Op 18 maart heeft Tuner eiser bericht dat op maandag 22 januari a.s. de training zou beginnen. Bedoeld werd 22 maart 1999. Eiser is niet geweest. Hij wordt uitgenodigd voor een gesprek op 30 maart 1999. Eiser belt af en het gesprek vindt op 1 april 1999 plaats. Aan de uitnodiging voor een vervolggesprek op 8 april 1999 heeft eiser zonder bericht van verhindering geen gevolg gegeven. Evenmin is hij op de training verschenen. Eiser meldt zich op 12 april 1999 en op 23 april 1999 (aanvang training) ziek.
Tuner heeft verweerder bericht dat eiser zich heeft ziek gemeld op het moment dat de trainingsperiode zou ingaan.
Nadien heeft eiser zich niet meer bij Tuner gemeld. In oktober 1999 vindt weer een gesprek plaats.

Verweerder heeft op 2 juli 1999 besloten eiser met ingang van 1 juli 1999 gedurende ťťn maand de gehele uitkering te weigeren omdat eiser weigert mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt.
Eiser heeft bij brief van 13 juli 1999 tegen dit besluit bezwaar aangetekend, aangevuld bij brief van 26 juli 1999.
Op 4 augustus 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Verweerder heeft op 16 augustus 1999 besloten eisers bezwaarschrift ongegrond te verklaren. In dit besluit is overwogen dat eiser een aantal malen niet op afspraken van Tuner is verschenen en dat hij zich heeft ziek gemeld op het moment dat de trainingsperiode zou ingaan. De maatregel van 100% korting voor de duur van ťťn maand blijft gehandhaafd.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 9 september 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld, aangevuld bij brief van 21 oktober 1999.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en aanvullende producties, afkomstig van Tuner, waaronder een medisch rapport d.d. 24 februari 1999, ingezonden.




4. Motivering


In dit geding is de vraag aan de orde of verweerder bij het bestreden besluit de maatregel inhoudende weigering van de gehele bijstandsuitkering gedurende ťťn maand terecht heeft gehandhaafd.



Wettelijk kader

Artikel 14 van de Abw, voor zover van belang:
-1. Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel (...) onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, (...) weigeren burgemeester en wethouders de bijstand geheel of gedeeltelijk.
-2. Een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, Koninklijk besluit van 19 juni 1996, Stb. 1996, 360.
Artikel 3, voor zover van belang:
De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, worden onderscheiden in de volgende categorieŽn:
1. (...);
2. tweede categorie:
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;
c. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot inschakeling in de arbeid, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding.
3. derde categorie:
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding dan wel aan andere aangewezen activiteiten die de zelfstandige bestaansvoorziening bevorderen.

Artikel 5, voor zover van belang:
-1. De weigering, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, wordt vastgesteld op:
a. (...);
b. 10 procent van de bijstand gedurende ťťn maand bij gedragingen in de tweede categorie;
c. 20 procent van de bijstand gedurende ťťn maand bij gedragingen van de derde categorie;
d. 100 procent van de bijstand gedurende ťťn maand bij gedragingen van de vierde categorie.
-2. De periode van weigering van de bijstand, genoemd in het eerste lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.



Standpunten partijen

Verweerder heeft de maatregel gebaseerd op artikel 14, eerste en tweede lid. Verweerder meent dat sprake is van verwijtbaar gedrag in de derde categorie plus recidive als bedoeld in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Vanwege herhaald verwijtbaar gedrag acht verweerder een zwaardere sanctie dan het Maatregelenbesluit voorschrijft op zijn plaats. artikel 14 zou ruimte bieden voor een zwaardere maatregel.

Eiser kan zich niet verenigen met de sanctie. Hij vindt niet duidelijk (omschreven) wat hem wordt verweten. Het niet verschijnen op afspraken en de training wijt hij aan zijn ziekte en ernstige ziekte van zijn dochter, alsmede het niet ontvangen van oproepingen. Ten slotte acht hij de straf te zwaar.
Hetgeen hem verweten wordt, valt zijns inziens in de tweede categorie. Verweerder mag geen zwaardere maatregelen treffen dan in het Maatregelenbesluit zijn aangegeven.



Beoordeling

De rechtbank zal eerst bezien wat eiser heeft misdaan en in welke categorie dat valt.

Eiser is blijkens het rapport d.d. 24 februari 1999 van J.K. Heijstek, bedrijfsarts, en ook volgens eerdere keuringen ondanks zijn rugklachten en psoriasis in staat om arbeid te verrichten. Fysiotherapie of een lichtkuur hoeven hem voorts niet te verhinderen daarnaast te werken. Eiser heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van J.K. Heijstek.
Eiser kan zich daarom niet op zijn rugklachten of zijn huidziekte beroepen als het om werken en solliciteren gaat. Bovendien werkt hij regelmatig in de vis. Wel is eiser door zijn taalprobleem moeilijk bemiddelbaar.

Uit de gedingstukken maakt de rechtbank op dat eiser in 1998 te weinig (aantoonbaar) solliciteerde. Eiser had het arbeidsbureau moeten bezoeken en proberen een baan te vinden die past bij zijn (lichte) beperkingen.
Voor deze gedragingen zijn reeds twee maatregelen opgelegd en zij spelen dus slechts een rol in het kader van de recidive.

Vervolgens heeft verweerder het eind 1998 nodig gevonden dat eiser (mede) op een andere manier aan werk geholpen zou worden. Eiser bleek moeilijk bemiddelbaar door zijn opvatting over zijn ziekte en door taalproblemen. Verweerder heeft daarom eiser op 15 december aangemeld bij Tuner.
Uit een overzicht van Tuner blijkt dat eiser tweemaal (13 januari 1999 en 8 april 1999) zonder bericht niet op afspraken is verschenen. De rechtbank heeft niet kunnen ontdekken waarom verweerder van mening is dat eiser op 22 december 1998 niet bij Tuner zou zijn verschenen. Voorts meldde eiser zich ziek bij de aanvang van de training op 23 april 1999. Daarna liet hij aan Tuner niets meer van zich horen. Pas in oktober 1999 vindt weer een gesprek plaats op uitnodiging van Tuner.

Als gezegd, is eisers "ziekte" geen reden niet te verschijnen op afspraken of training, tenzij zou blijken van een andere ziekte dan de reeds door de arts beoordeelde, quod non. Ook het ziekenhuisverblijf van zijn dochter, waarvan eiser overigens de data niet wist, hoeft hem niet te beletten te komen of, indien er werkelijk een onoverkomelijk probleem is, op zijn minst af te zeggen en een nieuwe afspraak te maken. De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat oproepbrieven niet aangekomen zouden zijn.
Het tweemaal niet verschijnen en niet deelnemen aan de training valt eiser mitsdien te verwijten. Van andere verwijtbare gedragingen in de periode december 1998 tot juli 1999 is de rechtbank niet gebleken.

Overigens is het de rechtbank opgevallen dat verweerder in het dossier de feiten niet altijd precies heeft omschreven. Zo valt uit het overzicht van Tuner niet af te leiden dat eiser op 22 december 1998 niet zou zijn verschenen en wordt in het rapportageformulier ten onrechte gewag gemaakt van een gesprek tussen mw. Jaarsveld en eiser op 8 april 1999. Deze zaken hebben wel ten grondslag gelegen aan verweerders verzwaarde sanctie.
Zeker voor onderbouwing van een verzwaarde sanctie - zo dit al mag, de rechtbank komt hier later in de uitspaak op terug - schiet de rapportage tekort in precisie.

Niet verschijnen en niet deelnemen aan de training zijn beschreven in de tweede categorie, onder b en c. In tegenstelling tot verweerder beschouwt de rechtbank de training namelijk als een onderzoek naar eisers mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Het is geen opleiding of scholing, het is bedoeld om uit te vinden wat iemand kan en welke opleiding eventueel nog nodig is, aldus ook verweerder desgevraagd ter zitting.
Verweerder heeft dit miskend door in het verweerschrift te stellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het weigeren van een opleiding of scholing. Verweerder heeft echter geen argumenten aangedragen die die opvatting steunen. In het primaire besluit spreekt verweerder overigens wel van weigeren mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt, maar blijkens het daaraan ten grondslag liggende rapportageformulier is weer sprake van de derde categorie.

Verweerder heeft in het verweerschrift tevens aangevoerd dat eiser de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd, hetgeen in de derde categorie thuishoort.
De rechtbank deelt dit oordeel evenmin. Bijna alle gedrag dat in ťťn van de categorieŽn valt, belemmert de inschakeling in de arbeid indirect. Daarmee valt niet ieder gedrag (tevens) in de derde categorie. Als een bepaald gedrag in een lagere categorie is beschreven, dan kan het niet zonder meer tevens in een hogere categorie vallen. Het vereiste van rechtszekerheid bij het opleggen van maatregelen staat hieraan in de weg.
De rechtbank acht de derde categorie door verweerder gelet op het vorengaande niet onderbouwd en acht de tweede categorie van toepassing.
Vervolgens is de vraag aan de orde welke maatregel behoort te worden opgelegd.

Bij de tweede categorie hoort volgens het Maatregelenbesluit een maatregel van 10% gedurende ťťn maand.
Verzwaring in verband met recidive kan alleen als er binnen ťťn jaar sprake is van gedrag uit dezelfde of een hogere categorie. In 1998 heeft eiser te weinig (aantoonbaar) gesolliciteerd. Dit is door verweerder (terecht) aangemerkt als vallende in de tweede categorie (artikel 3, onderdeel 2, subonderdeel a). Er is derhalve sprake van - opnieuw - recidive. Een kenmerk van recidive is de herhaling. Een dubbele herhaling valt ook onder het begrip recidive. Als dit laatste zwaarder bestraft zou moeten worden, dan was zulks ongetwijfeld geregeld in het Maatregelenbesluit, waarin alle situaties en daarbij behorende maatregelen in detail zijn aangegeven.
Gelet op het vorenstaande behoort eiser naar het oordeel van de rechtbank volgens het Maatregelenbesluit voor zijn gedrag in de eerste helft van 1999, dat hier aan de orde is, een maatregel opgelegd te krijgen van ten hoogste 10% gedurende twee maanden.

Verweerder heeft gemeend vanwege de herhaalde recidive en eisers onverbeterlijke houding toch een zwaardere maatregel op te mogen leggen.
De rechtbank kan zich met dit standpunt niet verenigen en overweegt daarbij als volgt:

Het Maatregelenbesluit is een op artikel 14 van de Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur in de vorm van een koninklijk besluit. Het is mitsdien geen gemeentelijke beleidsregel, waarvan door verweerder in een bepaald geval gemotiveerd kan worden afgeweken
[onjuist, zie LJN AE2461, red]. Verweerder heeft in dezen dus geen beleidsvrijheid, maar dient de wet en het Maatregelenbesluit te volgen. Dit is ook in het belang van de rechtsgelijkheid en van de rechtszekerheid.
Verweerder meent in het eerste en tweede lid van artikel 14 van de Abw desondanks ruimte te kunnen vinden voor een geÔndividualiseerde sanctie.
Artikel 14, eerste en tweede lid, van de Abw zijn echter nader ingevuld met het Maatregelenbesluit. De ernst van de gedraging en de zwaarte van de maatregel is volledig en minutieus geregeld in het categorieŽnsysteem. Valt de gedraging volledig aan de betrokkene te verwijten en gelden geen bijzondere omstandigheden, dan dient de maatregel onverkort te worden toegepast. Recidive beschouwt de rechtbank niet als een omstandigheid waarin de belanghebbende verkeert. Recidive is in artikel 5 apart geregeld. Voor individualisering in de vorm van een verzwaring van de maatregel ziet de rechtbank dan ook geen ruimte. De mate van verwijt en de omstandigheden waarin de individuele belanghebbende verkeert, kunnen hooguit reden zijn voor verlichting van de maatregel.
Het derde en vierde lid van artikel 14 geven een mogelijkheid om van een maatregel af te zien, niet om deze te verzwaren.
Een verzwaring in een individueel geval verdraagt zich ook niet met het legaliteitsbeginsel, waaraan sancties behoren te voldoen.
Overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor een verlichting van de sanctie in eisers geval aanleiding geven.

De rechtbank oordeelt in verband met het bovenstaande dat de opgelegde sanctie en daarmee het bestreden besluit in strijd zijn met de wet en het Maatregelenbesluit.
Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking, onder gegrondverklaring van het beroep. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak.

Vanwege de gegrondverklaring van het beroep wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten. Tevens dient het griffierecht te worden vergoed.




5. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep heeft moeten maken (rechtsbijstand), tot op heden begroot op É1420,-;
wijst de gemeente Dronten aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser vergoedt;
gelast dat de gemeente Dronten het griffierecht ad É60,- vergoedt.

Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2001 in tegenwoordigheid van mw. mr. M.A.T.V. Wassink-Beerekamp als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2260
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/10 NABW V06
Datum uitspraak: 1 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 51, 52, 54 en 82 Abw (= 31, 34, 34, 34 en 58 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; verkoop eigen woning en roerende zaken; herziening bijstand; terugvordering; schulden; herinrichtingskosten; verhuiskosten; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte herziening en terugvordering van bijstand wegens vermogen uit boedelscheiding (verkoop eigen woning en roerende zaken), omdat geen rekening is gehouden met een schuld, de verhuis- en de herinrichtingskosten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Groningen AWB 00/10 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 15 november 1999, nrs. Nip/99.2998, 99.2999, 99.3437 en 99.3438, de bezwaarschriften van eiseres tegen hun besluiten van 5 juli 1999 en 12 juli 1999, waarbij het recht op uitkering van eiseres op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) over de periode van 1 augustus 1997 tot en met 31 januari 1999 is herzien en een bedrag van É36.507,30 van eiseres is teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 29 december 1999, op nader bij brief van 26 januari 2000 ingediende gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 29 februari 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 4 oktober 2000 nog verschillende stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 februari 2001.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Melles.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten

Eiseres heeft, in verband met haar voorgenomen echtscheiding, met ingang van 1 augustus 1997 van verweerders een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend gekregen, alsmede bijzondere bijstand voor meerdere bijzondere kostensoorten.

De door verweerders aan haar toegekende uitkering is beŽindigd met ingang van 1 februari 1999, de datum waarop eiseres met haar twee kinderen naar B is verhuisd.

Eiseres heeft tot 1 februari 1999 gewoond in de voormalige echtelijke woning aan de [...] te Y. Blijkens een zich bij de gedingstukken bevindende afrekening van de notaris van 19 februari 1999 is voormelde woning met een aantal zich in die woning bevindende onroerende zaken verkocht, als gevolg waarvan eiseres de beschikking heeft gekregen over een vermogen van É56.207,30.

Verweerders hebben vervolgens bij besluit van 5 juli 1999 het recht op bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien: eiseres had, gelet op de middelen waar zij naderhand de beschikking over heeft gekregen, slechts gedeeltelijk recht op de haar tussen 1 augustus 1997 en 1 februari 1999 toegekende algemene bijstandsuitkering en de haar toegekende bijzondere bijstand.

Bij besluit van 12 juli 1999 hebben verweerders, onder toepassing van artikel 82 van de Abw, een bedrag van É36.507,30 van eiseres teruggevorderd.

Tegen deze beide besluiten heeft eiseres op 18 augustus 1999 bezwaarschriften ingediend bij verweerders.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerders bij het bepalen van het bedrag dat zij moet terugbetalen, zijn uitgegaan van een onjuiste omvang van haar vermogen.
Verweerders hebben op haar vermogen ten onrechte niet in mindering gebracht:
-  een bedrag van É5000,-, welk bedrag zij heeft ontvangen uit de verkoop van roerende zaken in de woning. Eiseres heeft aangevoerd dat zij dit bedrag diende aan te wenden voor de aankoop van een nieuwe inboedel;
- een bedrag van É7500,- aan schulden. Eiseres heeft een doorlopend krediet afgesloten bij de Rabobank te Z op 13 januari 1999 vanwege haar verhuizing op 1 februari 1999;
- een bedrag van É7500,- aan verdere herinrichtings- en verhuiskosten.

Verweerders hebben aangevoerd dat eiseres gelet op de omvang van de naderhand aan haar ter beschikking gestelde middelen uit de verkoop van de woning en de roerende zaken in die woning geen recht had op de haar toegekende bijstand. Verweerders hebben aangegeven bij het bepalen van de omvang van het vermogen van eiseres in overeenstemming met hetgeen daarover in de Abw is bepaald rekening te hebben gehouden met het vrij te laten deel van het vermogen van eiseres, haar schulden en haar vermogen uit de verkoop van haar deel van de roerende zaken.



Het van toepassing zijnde recht

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, Abw, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, paragraaf 2 en 3, en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Ingevolge artikel 4, onderdeel c, ten derde, Abw wordt onder gezin begrepen de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.

Op grond van artikel 39, eerste lid, Abw heeft, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Artikel 42 van de Abw bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Krachtens artikel 51 Abw wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
Ingevolge artikel 52, eerste lid, Abw wordt niet als vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijk vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

De in artikel 54 Abw genoemde vermogensgrens bedroeg voor eiseres ten tijde hier in geding É19.700,-.

In artikel 82, onderdeel a, Abw, is bepaald dat kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.



Beoordeling van het geschil

Verweerders hebben bij besluit van 5 juli 1999 het recht van eiseres op zowel algemene bijstand als bijzondere bijstand over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien. In aansluiting daarop hebben zij bij besluit van 12 juli 1999 een bedrag van É36.507,30 van eiseres teruggevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat in het geval de terugvordering wordt gebaseerd op artikel 82 Abw, de terugvordering niet behoeft te worden voorafgegaan door een beslissing tot herziening van de aanspraken op bijstand met terugwerkende kracht. De grond voor de terugvordering is in artikel 82 zelf aangegeven en maakt ook onderdeel uit van het op die bepaling gebaseerde terugvorderingsbesluit. Aan het besluit van 5 juli 1999 komt dan ook geen zelfstandige betekenis toe.

Voor de berekening van het vermogen van eiseres is het volgende van belang.
Eiseres heeft bij de boedelscheiding op 19 februari 1999 de beschikking gekregen over een bedrag van É56.207,30.
Op dit bedrag moeten allereerst op de voet van artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, Abw de schulden van eiseres in mindering worden gebracht.
Eiseres had op 19 februari 1999 nog een schuld van É7500,00 in de vorm van een op 13 januari 1999 afgesloten doorlopend krediet. Verweerders hebben hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Anders dan verweerders blijkens de stukken veronderstellen, is dit krediet niet het doorlopend krediet dat op de afrekening van de notaris staat vermeld.
Derhalve dient deze schuld in mindering te worden gebracht op het bedrag van É56.206,30. Er resteert dan een bedrag van É48.706,30.

Op het aldus berekende vermogen dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b en c, Abw in samenhang met artikel 54 Abw het vrij te laten vermogen in mindering te worden gebracht. Verweerders hebben dit bedrag vastgesteld op het É19.700,00. Partijen verschillen hierover niet van mening.
Er blijft dan nog een bedrag aan vermogen over van É29.006,30.

Tot de op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, Abw bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te laten bezittingen in natura behoort een naar aard en waarde algemeen gebruikelijke inboedel.
In een geval als dit, waarbij na een echtscheiding een andere woning moet worden betrokken die moet worden voorzien van onder meer vloerbedekking en gordijnen en ten dele een nieuwe inboedel, acht de rechtbank het aanvaardbaar dat de betrokkene de woning tot een algemeen gebruikelijk niveau inricht. De daarmee gemoeide noodzakelijke kosten dienen bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te worden gelaten.
Bij de beoordeling van de vraag wat gebruikelijk is en welke kosten noodzakelijk zijn, dient enerzijds rekening te worden gehouden met het gegeven dat de betrokkene op bijstand is aangewezen, anderzijds moet acht worden geslagen op eventuele bijzondere omstandigheden waarin de persoon of het gezin verkeert. Uitgangspunt is daarom een sobere, maar doelmatige inrichting.

Voorts moet bij de berekening van het vermogen in een geval als dit rekening worden gehouden met de verhuiskosten, zijnde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die de betrokkene heeft moeten maken. Weliswaar behoren verhuiskosten in de regel tot de noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het normbedrag voor algemene bijstand moeten worden voldaan. Echter in een situatie als deze, waarin door een echtscheiding een min of meer acute noodzaak tot verhuizing is ontstaan, is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand zouden hebben gerechtvaardigd als betrokkene niet over vermogen zou hebben beschikt.

Verder tekent de rechtbank daarbij aan dat van de betrokkene mag worden verlangd dat deze op verzoek van burgemeester en wethouders de verhuis- en inrichtingskosten met nota's onderbouwt.
Voor zover de verhuis- en inrichtingskosten zijn betaald uit een lening kan dit bedrag uiteraard slechts eenmaal in mindering worden gebracht op de beschikbare middelen.

De rechtbank moet vaststellen dat verweerders bij de berekening van het vermogen van eiseres ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de door haar ter zake van de verhuizing en de inrichting van haar nieuwe woning gedane uitgaven.
Nu niet is onderzocht welk bedrag aan verhuis- en inrichtingskosten als noodzakelijk kan worden beschouwd, valt thans ook niet vast te stellen met welk vermogen rekening moet worden gehouden bij de berekening van de hoogte van het van eiseres terug te vorderen bedrag aan bijstand.

De stelling van verweerders dat zij geen rekening hoeven te houden met de inrichtingskosten, omdat eiseres bijstand voor deze kosten kan vragen in de gemeente waar zij zich heeft gevestigd, onderschrijft de rechtbank niet. Het uitgangspunt van verweerders zou juist zijn geweest wanneer het zou gaan om het aanvragen van bijstand in deze kosten. Het gaat hier echter om de vaststelling van het vermogen van eiseres op het moment dat zij daarover de beschikking krijgt.

Anderzijds onderschrijft de rechtbank evenmin de opvatting van eiseres dat op het bedrag waarover zij de beschikking heeft gekregen een bedrag in mindering zou moeten worden gebracht in verband met de verkoop van enkele roerende zaken. Eiseres heeft de beschikking over dat geld gekregen en mag dat met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen besteden aan de aanschaf van een nieuwe inventaris. Voor een afzonderlijke vrijlating van dat bedrag is dan geen reden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat verweerders het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid, alsmede dat de motivering van het bestreden besluit tekortschiet.
Onder gegrondverklaring van het beroep dient het bestreden besluit dan ook te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad É60,- door de gemeente Eemsmond aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Eemsmond aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op É1420,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 15 november 1999;
- bepaalt dat de gemeente Eemsmond eiseres het betaalde griffierecht ad É60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op É1420,-, en bepaalt dat de gemeente Eemsmond deze kosten dient te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 1 maart 2001, in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier.

De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 1 maart 2001.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2276
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2382 NABW
Datum uitspraak: 26 juni 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; medische behandeling; non-discriminatie; Marokkanen
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem reeds vůůr inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was verleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2382 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de arrondissementsrechtbank te Utrecht op 23 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 december 2000 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Raad desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Namens appellant is bij brief van 2 april 2001 nog een stuk overgelegd.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Pieters voornoemd, en gedaagde door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. Motivering


Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft op 29 maart 1994 een verzoek om een vergunning tot verblijf in Nederland ingediend wegens verblijf bij zijn echtgenote. Dit verzoek is afgewezen omdat zijn echtgenote inmiddels was overleden. De tegen die afwijzing ingediende bezwaren zijn bij besluit van 3 juni 1997 als ongegrond afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend; zowel het beroep als het verzoek zijn nadien door hem ingetrokken.

Op 28 mei 1998 heeft appellant een nieuw verzoek om een verblijfsvergunning ingediend, thans voor verblijf wegens medische behandeling. Appellant mag de beslissing op dit verzoek in Nederland afwachten.
Bij besluit van 15 september 1998 heeft gedaagde de aan appellant eerder toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 oktober 1998 beŽindigd op grond van artikel 7 van de Abw in verbinding met artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw), zoals deze bepalingen na de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: de Koppelingswet) luiden.
Bij besluit van 15 januari 1999 heeft gedaagde de namens appellant tegen het besluit van 15 september 1998 ingediende bezwaren als ongegrond afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voor zover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 15 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant primair aangevoerd dat appellant zich in een gelijke positie bevindt als de personen aan wie op grond van artikel 25 van de Vw uitstel van vertrek is verleend. In dit verband is betoogd dat appellant om medische redenen niet kan worden uitgezet, maar dat dit wegens de grote achterstand bij de Medisch Adviseur bij het ministerie van Justitie nog niet bevestigd kon worden. Voorts is namens appellant een beroep gedaan op de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 23 november 1998, waarin deze stelt dat hij heeft besloten naar analogie van de in artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet neergelegde regeling die geldt voor personen met uitstel van vertrek op grond van artikel 25 van de Vw ook voorzieningen kunnen worden verstrekt aan personen die zich feitelijk in dezelfde positie bevinden hoewel zij nog in procedure zijn over hun verblijfsrecht. Appellant stelt er nimmer op te zijn gewezen dat hij zich, teneinde dit vast te stellen, had moeten wenden tot een politiearts. Subsidiair is namens appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), terwijl hiervoor geen of althans onvoldoende rechtvaardigingsgrond aanwezig is, te meer daar appellant reeds vůůr de inwerkingtreding van de Koppelingswet een uitkering ontving en hij tot heden steeds verblijf heeft gehad in de zin van artikel 1b van de Vw.

De Raad overweegt het volgende.

De president van de rechtbank heeft het juridische kader van het bestreden besluit op juiste wijze als volgt uiteengezet :

"er 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (Stb. 1998, 203), ook wel aangeduid als Koppelingswet.
Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 van de Abw gewijzigd. Dit artikel luidt met ingang van 1 juli 1998 als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

In artikel 1b van de Vw is - voor zover hier van belang - bepaald dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijven genieten:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. In afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.

In de AMvB als bedoeld in het derde lid van artikel 7 van de Abw, het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308) van 27 april 1998 (hierna: het besluit), is in artikel 1, eerste lid, bepaald dat voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf in Nederland te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw:
a. vůůr de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1, aanhef en onder 1, Vw."

De Raad stelt eerst vast dat appellant op grond van de thans ter beschikking staande gegevens op 1 oktober 1998 niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw en ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het besluit met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.

De Raad merkt vervolgens op dat hij onderschrijft het oordeel van de president van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet neergelegde overgangsbepaling. Hij voegt daaraan toe dat niet is betwist dat het inmiddels in augustus 1999 aan appellant verleende uitstel van vertrek niet is gebaseerd op artikel 25 van de Vw.

In hoger beroep is voorts de vraag aan de orde gesteld of het beŽindigen van algemene bijstand aan een vreemdeling die niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander op grond van artikel 7, tweede of derde lid, van de Abw, maar die nochtans rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij onder de categorie valt als omschreven in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, kan worden aangetast door de non-discriminatiebepaling als neergelegd in artikel 26 van het IVBPR.

De Raad is, evenals in zijn uitspraken van heden betreffende de toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet en de werknemersverzekeringswetten, van oordeel dat bij wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR valt. Het gaat hier immers steeds om de vraag onder welke omstandigheden en in welke mate het gerechtvaardigd is een niet-Nederlander anders te behandelen dan een Nederlander. Dat uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieŽn vreemdelingen niet anders worden behandeld dan Nederlanders doet niet af aan het nationaliteitsgebonden karakter van het onderscheid.

De Koppelingswet introduceert in de Abw ingaande 1 juli 1998, kort gezegd, het vereiste van een toegekende verblijfstitel om met een Nederlander te worden gelijkgesteld. Voor deze vorm van onderscheid op zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met een verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Evenzeer is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt om aanspraak te kunnen maken op uitkering ingevolge de Abw.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de Koppelingswet zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten.
Het uitgangspunt van de Koppelingswet stuit wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op bedenkingen.

Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de Vw, hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c van de Vw.

Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het onderhavige geding moet de Raad constateren dat de gerechtvaardigdheid van de Koppelingswet zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend. De Raad meent dat bij de beoordeling of het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, mede in het licht van de hierboven - kort - geschetste motieven van de wetgever, betekenis toekomt aan de feitelijke en juridische positie waarin de groep die door de regeling wordt getroffen ten tijde van de inwerkingtreding van die regeling verkeert.

In het kader van de toepassing van de Abw geldt ten aanzien van de categorie vreemdelingen waartoe appellant behoort het volgende.
Zij verbleven hier te lande rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. De Nederlandse overheid heeft hun verblijf hier te lande reeds mogelijk gemaakt door aan hen bijstand te verlenen met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw, dit op basis van een verklaring van de korpschef in de zin van de Vw als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift Vreemdelingen, omdat zij feitelijk niet over de middelen beschikten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aldus waren zij onder hetzelfde uitkeringsregime gebracht als Nederlanders en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen.
Het voorgaande brengt mee dat de gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf welke de Koppelingswet bedoelt te voorkomen hier reeds zijn ingetreden en dat desondanks deze als laatste vangnet bedoelde, voor hen van overheidswege getroffen voorziening wordt beŽindigd. Van een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel te bereiken, kan naar het oordeel van de Raad voor deze groep niet worden gesproken, zodat het gemaakte onderscheid, leidend tot het tenietdoen van de verworven rechtspositie, ten aanzien van deze gevallen niet gerechtvaardigd kan worden geacht.

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de president van de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De Raad acht het voorts aangewezen om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit van 15 september 1998 op dezelfde grond te vernietigen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op É1420,- in beroep en op É1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
vernietigt het primaire besluit van 15 september 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot É2840,-, te betalen door de gemeente Utrecht;
gelast de gemeente Utrecht aan appellant het betaalde griffierecht van É55,- in beroep en É170,- in hoger beroep (totaal É225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.

(get.) J.G. Treffers.

get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x