Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2277
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2787 NABW
Datum uitspraak: 26 juni 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 11 en 12 Abw (= 11, 16 en Ė Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; medische behandeling; non-discriminatie; Marokkanen
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens medische behandeling en hem reeds vůůr inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand was verleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2787 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de arrondissementsrechtbank te Roermond op 13 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn bij brief van 22 juni 1999 nog aanvullende gronden ingezonden.

Bij brief van 15 december 2000 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Raad desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 april 2001, waar voor appellant is verschenen mr. N. Gerards, advocaat te Roermond, en gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


Appellant, die de Marokkaanse nationaliteit heeft, heeft op 16 januari 1997 een verzoek om een vergunning tot verblijf in Nederland ingediend met als doel een verblijf om medische redenen. Aan appellant is met ingang van 13 februari 1997 onder toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend.

Bij besluit van 15 juli 1998 heeft gedaagde deze uitkering met ingang van 1 juli 1998 beŽindigd op de grond dat hij niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel en daarom ingevolge de Koppelingswet ingaande 1 juli 1998 geen aanspraak meer kan maken op uitkering.

Bij besluit van 8 oktober 1998 heeft gedaagde de namens appellant tegen het besluit van 15 juli 1998 ingediende bezwaren als ongegrond afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voor zover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 8 oktober 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is namens appellant onder meer bepleit dat aan diegenen ten behoeve van wie een aanvraag loopt voor een verblijfstitel op grond van medische verzorging en sedert dat tijdstip met toestemming en bewilliging van het ministerie van Justitie de afhandeling van de aanvraag in Nederland mogen afwachten, ook aanspraak kunnen maken op de kosten van het verblijf gedurende de periode dat die medische verzorging wordt verleend. Namens appellant is voorts een beroep gedaan op het overgangsrecht en gesteld dat hij zich in een gelijke positie bevindt als de personen aan wie op grond van artikel 25 van de Vreemdelingenwet (Vw) uitstel van vertrek is verleend. Ten slotte is namens appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met artikel 26 van het Internationaal verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), althans met de non-discriminatiebepaling van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Marokko.

De Raad overweegt het volgende.

De president van de rechtbank heeft het juridische kader van het bestreden besluit op juiste wijze als volgt uiteengezet:
"Met de Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203) wordt beoogd (onder andere) voor vreemdelingen het recht op bijstandsuitkering in beginsel voor te behouden aan die vreemdelingen die in het bezit zijn van een rechtsgeldige verblijfstitel. De Koppelingswet houdt een belangrijke wijziging in ten aanzien van de aanspraken op een bijstandsuitkering van vreemdelingen die niet in het bezit zijn van een verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet. De bevoegdheid die burgemeester en wethouders tot 1 juli 1998 hadden op grond van artikel 12 van de Abw, om bijstand te verlenen aan vreemdelingen die met instemming van het bevoegde gezag in Nederland verblijven, is komen te vervallen, zodat aan dit artikel - anders dan namens eiser ter zitting is betoogd - geen rechten voor een uitkering meer kunnen worden ontleend. Onder het nieuwe regime wordt voor rechtmatig verblijf houden in Nederland in artikel 7, tweede lid, van de Abw verwezen naar het nieuwe artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet. Dit heeft gevolgen voor de kring van rechthebbenden, zoals bedoeld in artikel 7 van de Abw.
Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
Het tweede en het (toegevoegde) derde lid van artikel 7 van de Abw luiden, voor zover hier van belang, sinds 1 juli 1998:
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. (...);
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

De in het derde lid van dit artikel bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Besluit van 27 april 1998, Stb. 1998, 304). Het besluit regelt dat voor de toepassing van onder andere de Abw in bepaalde situaties ook vreemdelingen zonder verblijfsvergunning met een Nederlander worden gelijkgesteld. Het dient dan wel te gaan om een vreemdeling die rechtmatig in Nederland heeft verbleven, in de zin van voornoemd artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
Zowel voor toepassing van artikel 7 van de Abw als voor toepassing van het Besluit van 27 april 1998 is artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet derhalve van constitutief belang voor de mogelijkheid van gelijkstelling.
Artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet bepaalt - voor zover hier relevant - dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten op grond van een besluit tot toelating. De toelating van vreemdelingen als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet is geregeld in de artikelen 9 en 10 van de Vreemdelingenwet. Artikel 9 betreft de vergunning tot verblijf. Artikel 10 betreft hoofdzakelijk de vergunning tot vestiging en de toelating als vluchteling."

De Raad stelt eerst vast dat appellant op grond van de thans ter beschikking staande gegevens op 1 juli 1998 niet kan worden aangemerkt als een vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw en ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het besluit met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Appellant behoort dan ook niet tot de kring van rechthebbenden van de Abw. Artikel 11, eerste lid, van de Abw bepaalt dat indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken ook aan een persoon die niet tot die kring behoort bijstand kan worden verleend. In het eveneens bij de Koppelingswet toegevoegde tweede lid van artikel 11 is echter bepaald dat deze bepaling niet van toepassing is op andere vreemdelingen dan die bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw.

De Raad merkt vervolgens op dat hij onderschrijft het oordeel van de president van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen met betrekking tot artikel XXIII, tweede lid, van de Koppelingswet neergelegde overgangsbepaling.

In hoger beroep is voorts onder meer de vraag aan de orde gesteld of het beŽindigen van algemene bijstand aan een vreemdeling die niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander op grond van artikel 7, tweede of derde lid, van de Abw, maar die nochtans rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij onder de categorie valt als omschreven in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, kan worden aangetast door de non-discriminatiebepaling als neergelegd in artikel 26 van het IVBPR.

De Raad is, evenals in zijn uitspraken van heden betreffende de toepassing van de Koppelingswet in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet en de werknemersverzekeringswetten, van oordeel dat bij wetgeving als de onderhavige, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 IVBPR valt. Het gaat hier immers steeds om de vraag onder welke omstandigheden en in welke mate het gerechtvaardigd is een niet-Nederlander anders te behandelen dan een Nederlander. Dat uit de toepassing van de regeling voortvloeit dat bepaalde categorieŽn vreemdelingen niet anders worden behandeld dan Nederlanders doet niet af aan het nationaliteitsgebonden karakter van het onderscheid.

De Koppelingswet introduceert in de Abw ingaande 1 juli 1998, kort gezegd, het vereiste van een toegekende verblijfstitel om met een Nederlander te worden gelijkgesteld. Voor deze vorm van onderscheid op zich (tussen Nederlanders en vreemdelingen met een verblijfstitel enerzijds en vreemdelingen zonder zodanige titel anderzijds) acht de Raad een toereikende rechtvaardiging aanwezig.
Daarbij stelt de Raad voorop dat een staat, binnen de grenzen van zijn verplichtingen die uit de op dit punt geldende supra- en internationale regelingen voortvloeien, vrij is in het vaststellen van de voorwaarden waaronder vreemdelingen tot zijn grondgebied worden toegelaten. Eveneens is aanvaardbaar dat gelegaliseerde toelating als vereiste geldt om aanspraak te kunnen maken op uitkering ingevolge de Abw.
Hierbij sluit aan de doelstelling van de Koppelingswet zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, te weten het wegnemen van de mogelijkheid om ondanks het ontbreken van een verblijfstitel aanspraak te maken op uitkeringen en verstrekkingen, hetgeen immers een aanzet kan vormen tot de voortzetting van, in beginsel, wederrechtelijk verblijf en uiteindelijk kan leiden tot een vorm van schijnlegaliteit wat de verblijfspositie betreft; dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid, dat onder meer tot doel heeft degenen die geen toelating verkrijgen het land te doen verlaten.
Het uitgangspunt van de Koppelingswet stuit wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad dan ook in het algemeen niet op bedenkingen.

Dit geldt ook voor de toepassing van het koppelingsbeginsel op de categorie vreemdelingen als bedoeld onder 3 van artikel 1b van de Vw, hierboven geciteerd. Ook binnen het hierboven omschreven kader is goed denkbaar, en onder zekere omstandigheden uit humanitaire overwegingen wellicht geboden, dat een vreemdeling in staat wordt gesteld de beslissing op zijn verzoek om toelating in Nederland af te wachten, zonder dat noodzakelijkerwijs aan dat rechtmatige verblijf de rechtsposities worden gekoppeld die aan een volkomen gelegaliseerd verblijf zijn verbonden. De alsdan ontstane frictie tussen rechtmatig verblijf en de belemmering om bestaansmiddelen te verwerven, kan worden opgelost door op die situatie toegesneden maatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld omschreven in artikel 8c van de Vw.

Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het onderhavige geding moet de Raad constateren dat de gerechtvaardigdheid van de Koppelingswet zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend. De Raad meent dat bij de beoordeling of het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is, mede in het licht van de hierboven - kort - geschetste motieven van de wetgever, betekenis toekomt aan de feitelijke en juridische positie waarin de groep die door de regeling wordt getroffen ten tijde van de inwerkingtreding van die regeling verkeert.

In het kader van de toepassing van de Abw geldt ten aanzien van de categorie vreemdelingen waartoe appellant behoort het volgende.
Zij verbleven hier te lande rechtmatig in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. De Nederlandse overheid heeft hun verblijf reeds mogelijk gemaakt door aan hen bijstand te verlenen met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw, dit op basis van een verklaring van de korpschef in de zin van de Vw als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift Vreemdelingen, omdat zij feitelijk niet over de middelen beschikten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aldus waren zij onder hetzelfde uitkeringsregime gebracht als Nederlanders en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen.
Het voorgaande brengt mee dat de gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf welke de Koppelingswet bedoelt te voorkomen hier reeds zijn ingetreden en dat desondanks deze als laatste vangnet bedoelde, voor hen van overheidswege getroffen voorziening wordt beŽindigd. Van een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel te bereiken, kan naar het oordeel van de Raad voor deze groep niet worden gesproken, zodat het gemaakte onderscheid, leidend tot het tenietdoen van de verworven rechtspositie, ten aanzien van deze gevallen niet gerechtvaardigd kan worden geacht.

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad reeds tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven. Hetgeen overigens namens appellant naar voren is gebracht behoeft thans geen bespreking meer. Doende hetgeen de president van de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De Raad acht het voorts aangewezen om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het primaire besluit van 15 juli 1998 op dezelfde grond te vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op É1420,- in beroep en op É1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
vernietigt het primaire besluit van 15 juli 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot É2840,-, te betalen door de gemeente Weert;
gelast de gemeente Weert aan appellant het betaalde griffierecht van É55,- in beroep en É170,- in hoger beroep (totaal É225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Rww / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2279
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 96/11266 ABW
Datum uitspraak: 10 maart 1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 12 Rww (= Ė Abw) (= Ė Wwb) / 3:2 en 3:4 Awb
Trefwoorden: opleiding; studie; HBO; WO; universiteit; dagonderwijs; beŽindiging bijstand; vertrouwensbeginsel; zorgvuldigheid; evenredigheid
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand indien betrokkene niet binnen drie maanden zijn deeltijdstudie rechten staakt, omdat de Rww niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandverlening aan degenen die een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig hogerberoeps- of wetenschappelijk dagonderwijs volgen. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, daar de gemeente, die weliswaar gedurende drie jaar de onrechtmatigheid van de verleende toestemming voor het volgen van de studie niet heeft onderkend, betrokkene geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededeling heeft gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn Rww-uitkering niet eerder zou worden beŽindigd dan nadat hij zijn deeltijdstudie zou hebben voltooid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 96/11266 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 25 oktober 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 27 januari 1998, waar partijen niet zijn verschenen.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en gedaagde als verweerder [waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser, red.], ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"Eiser studeerde sedert 1988 rechten aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In de studiejaren 1988/1989 en 1989/1990 heeft hij als deeltijdstudent ingeschreven gestaan en in de studiejaren 1990/1991 en 1991/1992 als voltijdstudent. In de studiejaren 1992/1993, 1993/1994 en 1994/1995 heeft eiser ingeschreven gestaan voor deeltijdstudie. Het onderwijs werd gedeeltelijk overdag gegeven.
Bij formulier van 1 juni 1992 heeft eiser een uitkering ingevolge de Rww aangevraagd. Op het formulier is aangegeven dat hij zijn studie rechten in de avonduren wil afmaken.
Bij brief van 29 juni 1992 heeft eiser een mede door de universiteit ondertekende verklaring van dezelfde datum overgelegd waarin is gesteld dat hij geen gebruik meer zal maken van de onderwijs- of examenmogelijkheden die zijn inschrijving aan de universiteit mogelijk maakt.
Bij besluit van 21 juli 1992 is aan eiser een uitkering ingevolge de Rww toegekend per 1 juli 1992.
Op 10 december 1992 is door een ambtenaar van verweerders dienst Sociale Zaken een rapportage opgesteld in het kader van een heronderzoek. In deze rapportage is gesteld dat eiser naast het zoeken naar werk bezig is met een deeltijdstudie rechten. Ook in de rapportages van 22 juni 1993, 27 september 1993 en 18 maart 1994 is melding gemaakt van eisers deeltijdstudie rechten.
Op 14 juli 1994 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en C. Kleinkoerkamp van verweerders dienst Sociale Zaken. Bij die gelegenheid is hem meegedeeld dat het niet mogelijk is met behoud van Rww-uitkering een deeltijdstudie te volgen.
Bij besluit van 21 oktober 1994 heeft verweerder eisers recht op uitkering onder toepassing van
artikel 12, vierde lid, Rww beŽindigd per 1 januari 1995, indien hij althans per die datum zijn studie niet heeft gestaakt."

De Raad voegt daar aan toe dat het tegen het besluit van 21 oktober 1994 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard bij besluit van 13 februari 1995.
De rechtbank heeft in haar uitspraak op het door gedaagde tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep geconcludeerd dat de beŽindiging van gedaagdes uitkering in overeenstemming is met artikel 12, vierde lid, van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) en gedaagdes beroep op het zogeheten vertrouwensbeginsel verworpen. De rechtbank heeft niettemin het besluit van 13 februari 1995 niet in stand gelaten wegens strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellant heeft dit oordeel in het aanvullend beroepschrift bestreden en er daarbij onder meer op gewezen dat:
"- de heer A in een gesprek op 14 juli 1994 is medegedeeld dat de studie niet met behoud van uitkering kan worden voortgezet;
- een periode van drie maanden, ingaande 1 oktober 1994, is aangehouden waarin de betrokkene kan besluiten om de studie dan wel de uitkering te beŽindigen;
- in een gesprek op 14 oktober 1994 aan de heer A definitief is medegedeeld dat per januari 1995 de uitkering wordt beŽindigd vanwege het feit dat hij kenbaar maakt de studie niet te willen beŽindigen;
- op 21 oktober 1994 de omstreden beschikking is verzonden met de mededeling dat de Rww-uitkering met ingang van 1 januari 1995 wordt beŽindigd;
- in de beschikking de mogelijkheid is geboden om de omstandigheden (het ingeschreven zijn als student) alsnog vůůr 1 januari 1995 te wijzigen;".

Gedaagde heeft in zijn verweerschrift gepersisteerd bij zijn opvatting dat het bestreden besluit wegens strijd met het vertrouwensbeginsel en met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb geen stand kan houden.

De Raad deelt de opvatting van de rechtbank en van gedaagde niet. Hij stelt daartoe allereerst vast dat de Rww niet de ruimte biedt voor (verdere) bijstandverlening aan degenen die een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig hogerberoeps- of wetenschappelijk dagonderwijs volgen. Dit is slechts anders indien ťťn van de in het vierde lid van artikel 12 van de Rww genoemde uitzonderingssituaties zich voordoet. Gedaagde volgde geen onderwijs als omschreven onder a van die bepaling en, zoals de rechtbank heeft aangegeven, was de in artikel 11 van de Rww bedoelde periode reeds verstreken, zodat ook de situatie genoemd onder b van voornoemde bepaling niet meer aan de orde was. Appellant was dan ook niet meer bevoegd om gedaagde tijdens zijn studie een Rww-uitkering te verlenen. Appellants dienst Sociale Zaken heeft dit, zij het pas na geruime tijd, onderkend, waarna achtereenvolgens op 14 juli 1994, op 14 oktober 1994 en op 21 oktober 1994 de in het aanvullend beroepschrift vermelde mededelingen aan gedaagde zijn gedaan.

De Raad voegt hier aan toe dat gedaagde niet met vrucht een beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel of op de in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb neergelegde beginselen.
Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht, zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met bedoelde beginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd inlichtingen zijn verstrekt die bij hem gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.
Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de Raad niet voor.
Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens appellant een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde mededeling aan gedaagde is gedaan op grond waarvan hij erop mocht vertrouwen dat zijn Rww-uitkering niet eerder zou worden beŽindigd dan nadat hij zijn deeltijdstudie rechten zou hebben voltooid.

Uit de gedingstukken komt wel naar voren dat appellant bij zijn besluitvorming rekening heeft gehouden met het gegeven dat gedaagde al sedert 1 juli 1992 Rww-uitkering ontving en dat hem tijd moest worden gegund om - zoals verwoord in het bestreden besluit - "tot een keuze te komen tot studeren of niet studeren en de uitkering behouden".
In aanmerking genomen dat gedaagde op 14 juli 1994 voor de eerste maal is geconfronteerd met de gewijzigde opvatting van gedaagdes dienst Sociale Zaken en dat hij vervolgens nog tot 1 januari 1995 de tijd heeft gehad om die keuze te maken, kan naar het oordeel van de Raad niet staande worden gehouden dat de ingangsdatum van de beŽindiging van gedaagdes uitkering niet in overeenstemming zou zijn met een zorgvuldige, rechtens aanvaardbare wetstoepassing.

In de door gedaagde benadrukte omstandigheid dat hij destijds nog maar een aantal tentamens af behoefde te leggen en zich al voor het laatste jaar had ingeschreven, en ook in hetgeen hij overigens heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 1998.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2280
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 97/5165 ABW
Datum uitspraak: 25 augustus 1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 ABW (= 54 Abw) (= 34 Wwb) / 3:2 en 3:4 Awb
Trefwoorden: vermogen; erfenis; oververmogen; toepasselijke vermogensgrens; interingsperiode; vertrouwensbeginsel; zorgvuldigheid; evenredigheid
Essentie: Terechte weigering bijstand wegens na intering nog immer aanwezig vermogen boven de vermogensgrens, zeker nu de inwonende dochter inmiddels 18 jaar is geworden en voor betrokkene als alleenstaande een veel lagere vermogensgrens geldt (hetgeen overigens ook zou gelden zonder onderbreking van de bijstandverlening). Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt ten aanzien van de vermogensgrens geldend voor een alleenstaande ouder.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 97/5165 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Als gemachtigde van appellante heeft mr. N.M.H. Neijsen, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Enschede, op de bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Almelo onder dagtekening 29 april 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft d.d. 29 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 juli 1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Neijsen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren in 1940, heeft een studerende dochter, C, die op 20 december 1977 is geboren.

Appellante ontvangt sedert 1980 een uitkering ingevolge de ABW.

Begin 1995 heeft appellante een erfenis ontvangen in verband waarmee gedaagde bij besluit van 7 maart 1995 de uitkering van appellante met ingang van 1 februari 1995 heeft beŽindigd. Hij heeft daarbij overwogen dat het vermogen van appellante ten bedrage van É47.313,88 het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen van É18.400,- overtreft. Bij dat besluit is voorts aan appellante medegedeeld dat zij omstreeks 22 december 1995 opnieuw een aanvraag om bijstand kan indienen indien zij dan niet zou kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Eind december 1995 heeft appellante gedaagde verzocht om haar wederom een uitkering ingevolge de ABW toe te kennen.

Die aanvraag is bij primair besluit van 22 januari 1996 afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante ten bedrage van É21.034,34 het vrij te laten bescheiden vermogen met É11.834,34 overtreft. Daarbij is overwogen dat appellante voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande wordt aangemerkt sedert haar dochter C, voornoemd, de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, zodat het vrij te laten bescheiden vermogen É9200,- bedraagt.

Het door appellante tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift, dat zich richtte tegen de vaststelling van het vrij te laten bescheiden vermogen op een bedrag van É9200,-, is door gedaagde bij het bestreden besluit van 15 juli 1996 ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van de door u op 27 december 1995 ingediende aanvraag werd door de sociale dienst een nieuw onderzoek ingesteld. U bleek nog te beschikken over een vermogen ad É21.034,34. Geconcludeerd werd dat, nu uw dochter op 20 december 1995 de leeftijd van 18 jaar had bereikt, u voor de ABW niet meer aangemerkt kon worden als eenoudergezin, maar als alleenstaande. Derhalve werd dan ook voor een vermogensvaststelling uitgegaan van het lagere bedrag voor het vrij te laten vermogen ad É9200,-.

Echter, ingevolge het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering gaat een eventuele studiebeurs eerst in in het kwartaal na het kwartaal waarin de betrokkene 18 jaar is geworden, in casu 1 januari 1996. Tot en met 31 december 1995 behield u dan ook uw recht op kinderbijslag voor de bij u inwonende en ten laste van u komende dochter. Derhalve diende bij de behandeling van de aanvraag d.d. 27 december 1995 tot 1 januari 1996 qua vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van É18.400,-. Na 1 januari 1996 gold echter wel het lagere bedrag ad É9200,- (na indexering É9300,-).
De feitelijke aanwezigheid van een saldo ad É21.034,34 overtrof echter ook voornoemd (hogere) bescheiden vermogen, hetgeen betekent dat er geen recht op ABW bestond."

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit van 15 juli 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, betoogd dat het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen slechts ťťnmaal dient te worden vastgesteld en wel op het moment van de aanvraag dan wel, zoals in haar geval, op het moment van overschrijding daarvan. Aangezien het vrij te laten bescheiden vermogen bij het besluit van 7 maart 1995 op É18.400,- is vastgesteld, is bedoeld vermogen volgens appellante bij het bestreden besluit ten onrechte bepaald op É9200,- c.q É9300,-.
Appellante heeft voorts gesteld dat gedaagde door diens brief van 7 maart 1995 bij haar het te rechtvaardigen vertrouwen heeft gewekt dat zij omstreeks 22 december 1995 wederom voor een uitkering ingevolge de ABW in aanmerking zou komen.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante ten tijde van haar aanvraag in december 1995 (nog) geen recht had op toekenning van een bijstandsuitkering omdat haar vermogen van É21.034,34 zowel het voor een eenoudergezin geldende vrij te laten bescheiden vermogen van É18.400,- als dat voor een alleenstaande van É9200,- overtrof.
Partijen worden slechts verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of gedaagde zich bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het voor appellante op en na 1 januari 1996 geldende vrij te laten bescheiden vermogen É9300,- bedraagt omdat appellante per die datum voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande dient te worden aangemerkt omdat haar dochter op 20 december 1995 de leeftijd van 18 jaar had bereikt.

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een voor de toepassing van de ABW relevante wijziging in de omstandigheden het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW in verbinding met artikel 8 van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen opnieuw dient te worden vastgesteld. Aangezien de dochter van appellante met ingang van 1 januari 1996 niet langer kon worden aangemerkt als een ten laste van appellante komend kind, zulks in verband met haar aanspraken ingevolge de Wet op de studiefinanciering, is appellante per laatstvermelde datum door gedaagde terecht en op goede gronden als een alleenstaande in de zin van het Bln aangemerkt voor wie het vrij te laten bescheiden vermogen É9300,- bedraagt.

Voorts is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het vertrouwensbeginsel of met de in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij haar gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de Raad hier niet voor omdat het besluit van gedaagde van 7 maart 1995 geen toezeggingen als bedoeld bevat.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 1998.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) I. de Hartog.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2483
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/2768 NABW
Datum uitspraak: 29 mei 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 26, 43 en 106 Abw (= 19, 31 en 55 Wwb) / 1:3 Awb
Trefwoorden: inkomsten; tariefgroepindeling; verplichting; belastingteruggave
Essentie: Onterecht opgelegde verplichting tot indeling in tariefgroep 2 teneinde te komen tot een hoger nettoloon, omdat betrokkene anders zijn belastingteruggave bij indeling in tariefgroep 0 misloopt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/2768 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 11 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Als gemachtigde van gedaagde heeft J.A. Klaver, verbonden aan het Werkkollektief Hoorn, een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen geregistreerd onder de nummers 00/2769 NABW, 00/2770 NABW en 00/2771 NABW, behandeld ter zitting van 17 april 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. ing. F.A.J. Groenendijk, werkzaam bij de gemeente Hoorn, terwijl gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde J.A. Klaver voornoemd. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de onderwerpelijke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde was ten tijde van belang als oproepkracht werkzaam bij [X] BV te [Y]. Hij was bij die werkgeefster ingedeeld in belastingtariefgroep 0.

Appellant heeft gedaagde met ingang van 4 maart 1998 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 31 maart 1999 heeft appellant aan gedaagde de verplichting opgelegd om de tariefgroepindeling door zijn werkgeefster uiterlijk op 31 maart 1999 te doen wijzigen in tariefgroep 2 en bepaald dat vanaf 1 april 1999 bij de verrekening van zijn inkomsten uit arbeid ervan wordt uitgegaan dat hij in de juiste tariefgroep is ingedeeld.

Bij zijn besluit van 22 juni 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen de hiervoor genoemde onderdelen van het primaire besluit als ongegrond afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van - thans - gedaagde tegen het besluit van 22 juni 1999 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat - thans - appellant opnieuw op het ingediende bezwaarschrift beslist met inachtneming van het in die uitspraak overwogene. De rechtbank was van oordeel dat in de Abw geen bepaling is aan te wijzen die appellant de bevoegdheid toekent om een bijstandsgerechtigde te verplichten zich in een bepaalde belastingtariefgroep te laten indelen. Op grond daarvan is, aldus de rechtbank, de onderwerpelijke, bij het besluit van 31 maart 1999 aan gedaagde opgelegde verplichting om zich bij zijn werkgeefster in belastingtariefgroep 2 te doen indelen niet gebaseerd op een aan appellant toegekende publiekrechtelijke bevoegdheid. Aldus kan dat besluit in zoverre niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat niet gesproken kan worden van een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van gedaagde tegen dit onderdeel van het besluit van 31 maart 1999 had dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Omdat appellant dit niet had gedaan, komt het op bezwaar genomen besluit van appellant van 22 juni 1999 volgens de rechtbank in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft voorts de vraag of appellant het recht heeft om, indien gedaagde niet voldoet aan de hem opgelegde verplichting, de uitkering uit te betalen alsof hij daaraan had voldaan ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesproken van middelen waarover gedaagde redelijkerwijs kan beschikken.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het hiervoor omschreven oordeel van de rechtbank gekeerd. Appellant is van opvatting dat artikel 106 van de Abw hem de bevoegdheid toekent om een bijstandsgerechtigde, die ook loon uit een dienstbetrekking ontvangt, te verplichten om zich bij zijn of haar werkgever in de voor de bijstandverlening gunstigste tariefgroep te doen indelen en dat bij de berekening van de aanvullende bijstand ervan uitgegaan moet worden dat die indeling ook heeft plaatsgevonden.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 106 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand onder andere verplichtingen verbinden die strekken tot zijn vermindering of beŽindiging.

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant op grond van deze bepaling in beginsel bevoegd is om aan de bijstandverlening aan gedaagde de voorwaarde te verbinden dat gedaagde zich bij zijn werkgeefster in een andere belastingtariefgroep doet indelen, nu deze voorwaarde tot vermindering van het door appellant te betalen bedrag aan bijstand leidt. Dat appellant zich aldus op het terrein van de fiscus begeeft, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.

Ten aanzien van de vervolgens aan de orde komende vraag of appellant niet in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen om gedaagde de onderwerpelijke voorwaarde op te leggen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, is de Raad tot het volgende gekomen.

Artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand heeft indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het tweede lid van deze bepaling houdt in dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3. Het vierde lid van dit artikel bepaalt, ten slotte, dat de algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.

Met het oog op de zoŽven aangehaalde bepaling is een aantal circulaires en brieven van de Staatssecretaris van FinanciŽn van belang, waaronder de Circulaire van 2 september 1997, nr. DB97/1429, V-N 1997, blz. 3251, welke aan partijen bekend is. Uit die circulaire blijkt dat er knelpunten in de belastingheffing over bijstandsuitkeringen kunnen optreden indien er sprake is van samenloop van bijstand en loon uit dienstbetrekking in combinatie met aftrekposten. Dienaangaande is het volgende vermeld:
"Zowel bij de inhouding op de bijstandsuitkering als bij de inhouding op het loon mag rekening worden gehouden met (een deel van) de belastingvrije som.
Zoals hiervoor is beschreven, leidt dit op zich niet tot een verplichte aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Als er echter om een andere reden toch een aanslag wordt opgelegd, treden inhaaleffecten op; over de te veel genoten belastingvrije som wordt dan alsnog belasting berekend. Als gevolg daarvan zal een aftrekpost niet of slechts gedeeltelijk tot een teruggaaf leiden. Om dat te voorkomen, kan de bijstandsgerechtigde ingeval hij aftrekposten voorziet, bij zijn werkgever om indeling in tariefgroep 1 verzoeken".
Hieraan voegt de Raad toe dat voor 1998 een zelfde regeling geldt, waarbij het gaat om indeling in tariefgroep 0.

De Raad constateert op grond van de aangehaalde passages dat de fiscus accepteert en zelfs als uitgangspunt neemt dat een bijstandsgerechtigde die tevens loon uit dienstbetrekking ontvangt, zich bij zijn werkgever niet in tariefgroep 0 doet indelen. Maar de fiscus acht het eveneens aanvaardbaar indien een bijstandsgerechtigde die daarnaast loon uit dienstbetrekking ontvangt zich bij zijn werkgever wel in tariefgroep 0 doet indelen, zulks met het oog op mogelijke aftrekposten.

Onder die omstandigheden is de Raad van oordeel, mede in het licht van artikel 43, tweede lid, aanhef en onder d, van de Abw, dat appellant niet in redelijkheid van gedaagde, die zich met het oog op mogelijke aftrekposten bij zijn werkgeefster in belastingtariefgroep 0 heeft doen indelen, kan vergen dat hij zich bij zijn werkgeefster in tariefgroep 2 doet indelen. De omstandigheid dat ťťn en ander tot gevolg heeft dat gedaagde van zijn werkgeefster een lager nettoloon ontvangt en appellant mitsdien een hoger bedrag aan aanvullende bijstand moet betalen, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

In het voorgaande ligt tevens besloten dat appellant ten onrechte bij de berekening van de hoogte van de aanvullende bijstand is uitgegaan van een indeling in tariefgroep 2.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad tot de slotsom gekomen dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde die, omdat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden begroot op É2130,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat appellant met inachtneming van het in deze - ís Raads - uitspraak overwogene een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot É2130,-;
bepaalt dat van de gemeente Hoorn een griffierecht van É675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.E. de Rooij als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) A.W.E. de Rooij.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2485
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1460 NABW
Datum uitspraak: 24 april 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 107 en 113 Abw (= 9 en 9 Wwb) / 1:3 en 8:72 Awb
Trefwoorden: fase-indeling; fase 4; arbeidsverplichtingen; ontheffing; advies GGD; appellabel besluit
Essentie: Terechte indeling in fase 4 en ontheffing van de arbeidsverplichtingen, met name omdat de GGD daartoe op goede gronden heeft geadviseerd. Fase-indeling en ontheffing van arbeidsverplichtingen betreffen appellabele besluiten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1460 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commissie Bezwaren SW van de gemeente Gemert-Bakel, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te ís-Hertogenbosch op 23 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Nadien heeft appellant zich diverse malen met brieven tot de Raad gewend en nog stukken aan de Raad doen toekomen.

Gedaagde heeft zich bij schrijven van 1 februari 2000 tot de Raad gewend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2001, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W. van Zutphen.




II. Motivering


Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering welke appellant ontving ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), berekend naar de norm voor een alleenstaande, na herbeoordeling met ingang van 1 december 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij is appellant op grond van indeling in de zogenoemde fase 4 (D-categorie) met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheven van de verplichtingen neergelegd in in het bijzonder artikel 113 van de Abw om redenen van medische, sociale of andere aard.

Na door appellant tegen deze ontheffing gemaakt bezwaar is het besluit van 20 november 1996 bij besluit van 21 april 1997 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 april 1997 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de indeling van appellant in fase 4 (D-categorie) een handeling van feitelijke aard is en geen rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Gedaagde had het bezwaar van appellant dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat, wanneer het bezwaar van appellant geacht zou moeten worden te zijn gericht tegen de gebruikmaking door gedaagde van de in artikel 107, eerste lid, van de Abw neergelegde bevoegdheid om de verplichting gericht op de arbeidsinschakeling niet op te leggen, ook dat bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat - aldus de rechtbank - niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang appellant bij zodanig bezwaar zou kunnen hebben.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen die oordeelsvorming gekeerd. Hij heeft - voor zover de Raad het uit de diverse schrifturen van appellant begrijpt - zijn al in de bezwaarschriftprocedure geŽtaleerde standpunt dat hij wel een plaats op de arbeidsmarkt behoort te hebben, gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Allereerst is de Raad van oordeel dat een indeling in fase 4, categorie D, geen handeling van feitelijke aard betreft, nu daaraan het standpunt ten grondslag ligt dat appellant niet bemiddelbaar is naar arbeid, zodat van de kant van gedaagde geen pogingen worden ondernomen om hem aan te zetten tot het ontplooien van activiteiten op de arbeidsmarkt.
Aldus is bedoelde indeling op rechtsgevolg gericht. Voorts berust het verlenen van ontheffing als vorenbedoeld op de bevoegdheid van burgemeester en wethouders neergelegd in artikel 107 van de Abw. Het besluit om van deze wettelijke bevoegdheid gebruik te maken, is evenzeer op rechtsgevolg gericht en bij dat besluit is het belang van appellant terdege rechtstreeks betrokken, in welk verband de al dan niet gegrondheid van de geuite bezwaren niet ter zake doet.

Dit brengt mee dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen voor appellant het middel van bezwaar openstaat. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot een niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is gekomen.

Wel onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op bezwaar onbevoegdelijk door de Commissie Bezwaren SW in plaats van door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel is genomen en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het College van burgemeester en wethouders in beroep schriftelijk te kennen heeft gegeven het besluit van 21 april 1997 van de Commissie Bezwaren SW te bekrachtigen, staat de Raad, gezien naar artikel 8:72, derde lid, van de Awb, voor de vraag of het besluit van gedaagde op grond van artikel 107 van de Abw op onjuiste gronden is genomen.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de beschikbare gegevens, waarvan met name het medische advies van de GGD Helmond van 24 mei 1995, acht de Raad het besluit van gedaagde om appellant met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheffing van de in artikel 113 van de Abw neergelegde verplichtingen te verlenen op goede gronden te berusten. De Raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het inleidend beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd;
vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige, behoudens voor zover daarbij de gemeente Gemert-Bakel is gelast aan appellant het door hem gestorte griffierecht te vergoeden;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
gelast de gemeente Gemert-Bakel aan appellant het in hoger beroep gestorte griffierecht ad É170,- te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x