Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB2486
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1581 NABW
Datum uitspraak: 15 mei 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 47 Abw (= 32 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; inkomen; compensatie-uitkeringen; inhouding; inkomensverlies; rechtspositionele nadelen; levensonderhoud; vroegere arbeid
Essentie: Terechte inhouding op de bijstand van maandelijkse uitkeringen ter compensatie van inkomensverlies en rechtspositionele nadelen (tijdens een vroegere dienstbetrekking), omdat dergelijke uitkeringen zijn bedoeld voor levensonderhoud en derhalve als inkomen dienen te worden aangemerkt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1581 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. J.C.A. Berris, werkzaam bij de Stichting Buro voor Rechtshulp te Haarlem, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Haarlem op 10 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 11 mei 1999 zijn de gronden van het beroep aangevuld en zijn nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft bij brief van 21 mei 1999 een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 april 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Berris, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door G.S. Woudstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, niet door partijen betwiste, feiten en omstandigheden.

Appellante is werkzaam geweest bij de [X] die tengevolge van een privatiseringsoperatie is opgegaan in de [Y] NV. Ter compensatie van inkomensverlies - en andere rechtspositionele nadelen - is de [Y] met de werknemersorganisaties een overgangsregeling overeengekomen voor alle in aanmerking komende werknemers. Daarvoor is een fonds in het leven geroepen waaruit de betreffende medewerkers gedurende een bepaalde periode maandelijks een netto-uitkering ontvangen. Het fonds wordt beheerd door de Stichting Uitbetaling Garantiesalarissen Overheidspersoneel (Stichting Sugo). Hoogte en duur van de uitkeringen zijn individueel bepaald. In 1990 zijn over de stortingen in het fonds inkomstenbelasting en sociale premies ingehouden en afgedragen. Aan appellante zijn over de periode januari 1990 tot en met december 1998 maandelijks betalingen gedaan uit het fonds.

Aan appellante is met ingang van 24 maart 1996 algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Op deze bijstand zijn de betalingen van de Stichting Sugo in mindering gebracht.

Namens appellante is gedaagde bij brief van 3 juli 1997 verzocht de op de bijstand ingehouden betalingen van de Stichting Sugo terug te betalen en de in de toekomst te ontvangen maandelijkse betalingen niet meer op de bijstand in mindering te brengen.

Gedaagde heeft dat verzoek bij primair besluit van 13 oktober 1997 afgewezen. Het vanwege appellante tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij het thans bestreden besluit van 14 januari 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak van 10 februari 1999 ongegrond verklaard.

Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de netto-uitkeringen die de Stichting Sugo maandelijks aan appellante heeft gedaan, moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw.

De Raad beantwoordt die vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Het volgende wordt overwogen.

Blijkens artikel 47, eerste lid, van de Abw wordt - voor zover hier van belang - onder inkomen verstaan inkomsten uit of in verband met arbeid en inkomsten uit vermogen, dan wel daarmee naar hun aard overeenkomende inkomsten die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Uit de door de regering gegeven toelichting op dat artikellid valt af te leiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen, zoals uitkeringen, kunnen worden ingezet voor de voorziening in het levensonderhoud en dat ook eenmalig ontvangen inkomsten die naar hun aard daarmee overeenkomen, zoals een alimentatieafkoopsom, als inkomen in aanmerking dienen te worden genomen. Voorts valt uit die toelichting af te leiden dat - indien het gaat om een uitkering ineens - moet worden beoordeeld op welke periode de uitkering geacht moet worden betrekking te hebben.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat de maandelijkse (netto-)uitkeringen die de Stichting Sugo aan appellante heeft gedaan, moeten worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Abw. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij zijn voortgevloeid uit de arbeid die appellante heeft verricht bij de voormalige [X] en dat zij (mede) zijn bedoeld om het inkomensverlies dat appellante naar verwachting geleden zou hebben indien zij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was geweest te compenseren door middel van maandelijkse betalingen.

De Raad verwerpt het vanwege appellante ingenomen standpunt dat de storting van een bedrag ineens, die de [Y] in het jaar 1990 in het door de Stichting Sugo beheerde fonds heeft gedaan, voor zover deze bedoeld is voor appellante, moet worden aangemerkt als vermogensvorming van appellante in dat jaar en dat het aldus gevormde vermogen (ten tijde in geding) geringer was dan het bescheiden vrij te laten vermogen, bedoeld in artikel 52 van de Abw. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellante in 1990 niet de vrijheid had te vorderen dat haar aandeel in het fonds terstond tot uitbetaling zou komen en dat zij evenmin zeggenschap had over het beheer van het fonds en het tempo en de hoogte van de (maandelijkse) uitbetalingen. Dat over de storting in 1990 toen belasting en premies zijn afgedragen, kan hieraan niet afdoen.

Voor de Raad staat voorts vast dat de maandelijkse betalingen door de Stichting Sugo (mede) zijn bedoeld als compensatie voor het inkomensverlies dat het gevolg zou zijn van de overgang van een ambtelijke rechtspositie naar een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de tussen de werknemersorganisaties en de voormalige werkgever overeengekomen periode en dat zij, gelet hierop, mede bedoeld waren voor het maandelijkse levensonderhoud van appellante in de periode in geding.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde de desbetreffende maandelijkse betalingen terecht als inkomen heeft aangemerkt en dat deze ten tijde in geding terecht op de algemene bijstand in mindering zijn gebracht.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB2488
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6355 ABW
Datum uitspraak: 8 mei 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5a, 55 en 59a ABW (= 3, 78 en 84 Abw) (= 3, 58 en 59 Wwb) / 1:2, 8:72 en 8:75 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; belanghebbende; subject van bijstandverlening; alleenstaande ouder; verletkosten; kosten meebrengen getuige
Essentie: Onterechte hoofdelijkaansprakelijkstelling en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding, omdat betrokkene geen subject van bijstandverlening was en derhalve geen belanghebbende, aangezien zijn bijstandsgerechtigde partner (van wie wel terecht wordt teruggevorderd) een alleenstaandeouderuitkering genoot.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6355 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant A], thans wonende te [woonplaats B], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R. Koppe, advocaat te Uithuizen, op in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Groningen op 12 november 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn - samen met de gedingen tussen [C], wonende te [D], en gedaagde, nummers 99/3989 NABW tot en met 99/3991 NABW - gevoegd behandeld ter zitting van 27 maart 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Koppe voornoemd, terwijl aan de kant van gedaagde - met bericht van verhindering - niemand is verschenen. Aan de zijde van appellant is als getuige meegebracht en ter zitting gehoord [E], wonende te [D].
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 21 april 1998 appellant mededeling gedaan van zijn ten aanzien van [C] (hierna: [C]) genomen beslissing dat in het geval van haar en appellant in de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a (oud) van de ABW en dat [C] geen recht had op de haar toegekende bijstand ingevolge de ABW naar de norm voor een eenoudergezin; voorts heeft gedaagde met toepassing van de artikelen 55 en 59a van de ABW van appellant de over de genoemde periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand ad 13.426,73 teruggevorderd en hem voor de terugbetaling hoofdelijk aansprakelijk gesteld.
Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar gedaagde bij besluit van 12 oktober 1998 als ongegrond heeft afgewezen.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellant tegen het besluit van 12 oktober 1998 instelde ongegrond verklaard. In de eerste plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat het - in het bestreden besluit besloten liggende - standpunt van gedaagde juist is dat er in het geval van [C] en appellant over de periode van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voorts was zij van oordeel dat gedaagde gerechtigd is het genoemde bedrag van appellant terug te vorderen en hem voor de terugbetaling ervan hoofdelijk aansprakelijk te stellen.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze oordelen van de rechtbank gekeerd.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat hij in zijn uitspraak van heden in de gedingen tussen [C] en gedaagde als zijn oordeel heeft neergelegd dat er in het geval van [C] en appellant in het tijdvak van 1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 sprake was een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a van de ABW en dat [C] over dat tijdvak geen recht op bijstand had. Hiermee is de betrokken besluitvorming van gedaagde ten aanzien van [C] rechtens verbindend geworden en staat zij in dit geding niet meer ter beoordeling.
De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellant niet betrokken was bij de aan [C] over meergenoemd tijdvak verleende bijstand naar de norm voor een eenoudergezin en derhalve geen subject van die bijstandverlening, zodat hij ter zake die besluitvorming niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. De omstandigheid dat appellant ter zake van de terugbetaling van de aan [C] verleende bijstand hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, maakt dit niet anders. Derhalve dient al hetgeen appellant in hoger beroep met betrekking tot die besluitvorming heeft aangevoerd buiten bespreking te blijven. De rechtbank en ook gedaagde hebben dit laatste ten onrechte niet onderkend.

De Raad overweegt met betrekking tot de terugvordering en de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van appellant als volgt.

Het besluit om de ten onrechte gemaakte kosten van de aan [C] over het tijdvak van
1 januari 1995 tot 1 oktober 1995 verleende bijstand van appellant terug te vorderen en hem hoofdelijk aansprakelijk te stellen, berust op het bepaalde in artikel 59a, tweede en derde lid, van de ABW.

Onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 23 oktober 1998, NJ 1998, 900, en JVB 1999/4, en van 22 december 2000, gepubliceerd in RvdW 2001, 13, overweegt de Raad dat in een geval als het onderhavige waarin - naar de norm voor een eenoudergezin - gezinsbijstand is verleend, artikel 59a, tweede lid, van de ABW geen grond kan bieden voor terugvordering van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand ten onrechte geen rekening is gehouden.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet moet worden vernietigd. De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens het primaire besluit van 21 april 1998, dat eveneens in strijd met de wet is, te vernietigen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 1420,- in beroep alsook in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, op 84,76 voor reiskosten (gevormd door 73,- aan treinkosten en (14 strippen 0,84 per strip =
11.76) en op 200,- voor verletkosten aan de kant van appellant, alsmede op 84,76 voor de kosten van het meebrengen van de getuige, in totaal 3209,52.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit alsook het primaire besluit van 21 april 1998;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, totaal tot een bedrag van 3209,52, te betalen door de gemeente Eemsmond;
gelast de gemeente Eemsmond aan appellant het gestorte recht van 55,- in beroep en 170,- in hoger beroep (totaal 225,-) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IHABW / Awb
x
LJN:
x
AB3075
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 01/150 NABW
Datum uitspraak: 31 juli 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 52, 54 en 82 Abw (= 34, 34 en 58 Wwb) / 4 IHABW / 1:3 Awb
Trefwoorden: vermogen bij aanvang bijstand; erfenis; oververmogen; terugvordering; nieuwe vermogenstoets ex (nieuwe) Abw
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens vermogen (uit een erfenis) boven de vermogensgrens, omdat met de inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw per 1 januari 1996 een nieuw recht op bijstand ontstaat en derhalve een nieuwe vermogenstoets dient plaats te vinden, welke i.c. leidt tot de vaststelling van een lager aanwezig vermogen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 01/150 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 28 december 2000.




2. Feiten


Eiseres ontvangt sinds 1 januari 1983 van verweerder een bijstandsuitkering.

Op 23 maart 1999 is de vader van eiseres overleden. Eiseres heeft dientengevolge begin 2000 een erfenis ontvangen ten bedrage van 5125,-.

In verband met deze erfenis heeft verweerder bij besluit van 9 augustus 2000 een bedrag van 2174,75 teruggevorderd van eiseres wegens overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Eiseres heeft beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2001, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door P. Stam en verweerder door mr. L. Rst.




4. Motivering


In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder op goede gronden heeft besloten een bedrag van 2174,75 terug te vorderen van eiseres.



Uit het bepaalde in artikel 82 in verbinding met hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw, voor zover hier van belang, volgt dat kosten van bijstand worden teruggevorderd van de belanghebbende voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen vermogen beschikt of kan beschikken.

Artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen: vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

Bij de berekening van het teruggevorderde bedrag is verweerder uitgegaan van het vermogen van eiseres op 1 januari 1983, dat toen 6899,75 bedroeg, als het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen.

Eiseres heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat, gelet op de invoering van de (nieuwe) Abw in 1996, had moeten worden uitgegaan van haar vermogen in dat jaar. Zij heeft daarbij aangevoerd dat verweerder vanwege de geringe omvang van haar vermogen in 1996 in de erfenis geen aanleiding kon vinden om kosten van bijstand terug te vorderen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij besluit van 23 december 1996 heeft verweerder bepaald dat de (nieuwe) Abw met ingang van 1 december 1996 jegens eiseres van toepassing is. Derhalve is, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, de toepassing van de (oude) Algemene Bijstandswet jegens eiseres op 1 december 1996 geindigd. Op laatstgenoemde datum ontstond er voor eiseres een nieuw recht op algemene bijstand. De rechtbank ziet zich in deze opvatting gesteund door de memorie van toelichting bij de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, waarin het besluit dat de rechtsgevolgen specificeert waartoe toepassing van de (nieuwe) Abw leidt ten aanzien van degene die op het moment van de inwerkingtreding van de (nieuwe) Abw reeds recht op algemene bijstand had, een toekenningsbesluit wordt genoemd (Kamerstukken II 1991-1992, 22 614, nr. 3, blz. 6 en 18).

Ten aanzien van eiseres heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank de datum van
1 december 1996 te gelden als de aanvang van de bijstandverlening als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

Verweerder heeft nog aangevoerd dat hij in het genoemde besluit van 23 december 1996 eveneens is uitgegaan van het vermogen bij de aanvang van de bijstand in 1983 en dat eiseres tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat zijn standpunt dat het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw ten aanzien van eiseres 6899,75 bedroeg rechtens onaantastbaar is geworden, overweegt de rechtbank het volgende.

De betrokken passage in het besluit, verzonden op 23 december 1996, luidt:
"Volgens de bepalingen in de Algemene bijstandswet geldt in uw situatie een maximale vermogensvrijlating van 7600,-.
Uw vermogen bij aanvang van bijstandverlening bedroeg 6899,75.
Zonder dat verdere bijstandverlening in gevaar komt, kunt u dus nog een vermogensvermeerdering realiseren ten bedrage van het verschil tussen bovengenoemde bedragen".

Deze passage bevat naar het oordeel van de rechtbank slechts een feitelijke mededeling, opgenomen ter informatie van de bijstandsgerechtigde. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde deze zienswijze onderschreven. Het besluit behelst derhalve geen bindende vaststelling van het bedrag van het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen als bedoeld in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij de berekening van het bedrag van de terugvordering c.q. de bepaling van het bedrag waarmee de ten aanzien van eiseres toepasselijke vermogensgrens werd overschreden, is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt met betrekking tot het bij de aanvang van de bijstandverlening aanwezige vermogen. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 52, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw.

De rechtbank merkt ten slotte op dat niet is gebleken van proceskosten aan de zijde van eiseres als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast verweerders gemeente aan eiseres het betaalde griffierecht van 60,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.W.A. Fleuren en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Ioaw / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AB3076
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 01/234 NABW
Datum uitspraak: 31 juli 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17, 20 en 25 Ioaw / 81 Abw (= 58 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: inkomsten; werkaanvaarding; terugvordering; maatregel; verwijtbare werkloosheid; onjuiste wettelijke grondslag
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens voldoende inkomsten uit arbeid, ofschoon ten onrechte gebaseerd op de Abw in plaats van de Ioaw. Onterechte terugvordering van bijstand over n maand wegens een opgelegde maatregel wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zowel de maatregel als de terugvordering de juiste wettelijke grondslag missen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zutphen 01/234 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 8 januari 2001.




2. Feiten


Bij besluit van 18 maart 1999 heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) met ingang van 10 december 1998 beindigd in verband met werkaanvaarding door diens echtgenote.
Tevens heeft verweerder bij dit besluit bij wijze van maatregel de uitkering van eiser gedurende de maand oktober 1998 voor 100% geweigerd, op de grond dat diens echtgenote met ingang van 1 oktober 1998 verwijtbaar werkloos was geworden.

Bij besluit van 30 mei 2000 heeft verweerder van eiser wegens ten onrechte verstrekte uitkering een bedrag van 2886,79 teruggevorderd. Dit bedrag bestaat uit ten onrechte verstrekte uitkering over de maand oktober 1998 (1631,62) en over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 (2861,68), verminderd met bedragen die eiser nog tegoed had wegens gereserveerd vakantiegeld (624,06) en ten onrechte op de uitkering ingehouden inkomsten uit arbeid (982,45).

Tegen het besluit van 30 mei 2000 is namens eiser door mr. W.D. van Doorn, advocaat te Amsterdam, bij brief van 28 juni 2000 bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiser heeft mr. Van Doorn, voornoemd, beroep ingesteld op de in het beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 mei 2001, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Daudey.




4. Motivering


In dit geding dient beoordeeld te worden of verweerder op goede gronden heeft besloten van eiser een bedrag van 2886,79 terug te vorderen ter zake van ten onrechte verstrekte uitkering.
ingevolge de Ioaw.

In het bestreden besluit is ten aanzien van hetgeen over de maand oktober 1998 is betaald artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en ten aanzien van hetgeen over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 is betaald artikel 81, tweede lid, van de Abw aangewezen als wettelijke grondslag voor de terugvordering. De rechtbank merkt echter op dat artikel 81 van de Abw geen grondslag biedt voor de terugvordering van bedragen die ingevolge de Ioaw zijn uitgekeerd. Aangezien het bestreden besluit aldus berust op onjuiste wettelijke grondslagen, komt het voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van het navolgende ziet de rechtbank evenwel aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit gedeeltelijk in stand te laten.

Artikel 25, eerste lid, van de Ioaw bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17, derde of vierde lid, of artikel 20 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Voor zover verweerder bij besluit van 18 maart 1999 de uitkering van eiser met ingang van 10 december 1998 heeft beindigd, is dit een besluit als bedoeld in artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de Ioaw. De uitkering die verweerder over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 aan eiser heeft betaald, is als gevolg van dit besluit ten onrechte verleend en moet derhalve op grond van artikel 25, eerste lid, van de Ioaw in beginsel van eiser worden teruggevorderd. Namens eiser is evenwel, zowel in het beroepschrift als ter zitting, onder verwijzing naar artikel 81, tweede lid, van de Abw, aangevoerd dat hij niet redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat de uitkering over deze periode onverschuldigd was betaald. Dienaangaande merkt de rechtbank op dat, zoals hierboven reeds is overwogen, artikel 81, tweede lid, van de Abw niet van toepassing is op het onderhavige geschil. Overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser redelijkerwijs niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering over de hier aan de orde zijnde periode onverschuldigd is betaald.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten de uitkering over deze periode terug te vorderen. De rechtbank tekent hierbij aan dat niet gebleken is van dringende redenen als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van de Ioaw, die verweerder zouden nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Voorts is gesteld noch gebleken dat het bedrag van de terugvordering over deze periode onjuist is berekend.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de terugvordering van de uitkering die verweerder over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 ten onrechte heeft verleend, verminderd met de bedragen die eiser nog tegoed had wegens gereserveerd vakantiegeld en ten onrechte ingehouden inkomsten uit arbeid, in stand dienen te blijven.

Voor zover de terugvordering betrekking heeft op de uitkering die over de maand oktober 1998 is verleend, overweegt de rechtbank als volgt.

In de gedachtegang van verweerder is de uitkering over deze maand ten onrechte verleend omdat bij besluit van 18 maart 1999 aan eiser een maatregel is opgelegd, inhoudende dat deze uitkering voor 100% geweigerd wordt. Het meergenoemde artikel 25, eerste lid, van de Ioaw biedt echter uitsluitend een grondslag voor de terugvordering van de uitkering die als gevolg van een besluit ten onrechte is verleend, indien dit een besluit is als bedoeld in dit artikellid.

Het desbetreffende onderdeel van het besluit van 18 maart 1999 luidt als volgt:
"Uw echtgenote is ingaande 1 oktober 1998 verwijtbaar werkloos, waardoor zij geen WW heeft toegekend gekregen. Op grond van artikel 5 van het Maatregelen besluit Ioaw [Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, red.] leggen wij over de maand oktober 1998 een maatregel, korting, op van 100%. Omtrent de afwikkeling hiervan ontvangt u binnenkort bericht".

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze passage niet worden beschouwd als een besluit waarop artikel 25, eerste lid, van de Ioaw het oog heeft. Weliswaar verwijst dit artikellid onder andere naar een besluit als bedoeld in artikel 20 van de Ioaw en verleent laatstgenoemd artikel verweerder de bevoegdheid om in de daar bedoelde gevallen een maatregel op te leggen, maar de aangehaalde passage kan niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 20. Ten eerste vermeldt de passage als grondslag voor de opgelegde maatregel niet artikel 20 van de Ioaw, maar artikel 5 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, welk artikel betrekking heeft op maatregelen ingevolge de Abw.

Ten tweede valt de opgelegde maatregel inhoudelijk niet binnen de termen van artikel 20 van de Ioaw. Het eerste lid van dit artikel bepaalt immers dat, indien de belanghebbende zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, dan wel indien de dienstbetrekking eindigt of is beindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, burgemeester en wethouders de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende uit of in verband met deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven, tenzij het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigeren burgemeester en wethouders de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen als hiervoor bedoeld.
De door verweerder opgelegde maatregel bestaat noch uit een blijvende weigering van uitkering naar de mate waarin eisers echtgenote bij voortzetting van de dienstbetrekking inkomen zou hebben kunnen verwerven, noch uit een gedeeltelijke weigering van de uitkering over een periode van 26 weken op de wijze als omschreven in artikel 20, eerste lid, van de Ioaw.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit besluit betrekking heeft op de terugvordering van de uitkering die verweerder over de maand oktober 1998 heeft verleend, niet in stand kunnen blijven. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door herroeping van het besluit van 30 mei 2000 op dit punt.

Aangezien het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en de rechtsgevolgen van dit besluit slechts gedeeltelijk in stand kunnen blijven, is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Ter zake van rechtsbijstand worden 2 punten toegekend met een wegingsfactor 1.

Beslist wordt derhalve als volgt.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven voor zover het betreft de terugvordering van hetgeen verweerder over de periode van 10 december 1998 tot en met 31 januari 1999 ten onrechte aan uitkering aan eiser heeft verleend, verminderd met de bedragen die eiser nog tegoed had;
- herroept het besluit van 30 mei 2000 voor zover dit besluit inhoudt dat van eiser een bedrag van 1631,62 wordt teruggevorderd wegens verleende uitkering over de maand oktober 1998;
- gelast verweerders gemeente aan eiser het betaalde griffierecht van 60,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 1420,- ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. J.W.A. Fleuren en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AB3331
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Groningen
Zaaknummer: AWB 00/391 NABW V06
Datum uitspraak: 15 februari 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30, 57 en 59a ABW (= 65, 81 en 84 Abw) (= 17, 58 en 59 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; hoofdelijk aansprakelijke; vervalsing handtekening partner; fraude
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten, omdat betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is. Dat haar partner (mogelijk) het ontvangen van aanvullende bijstand aan haar heeft verzwegen en haar handtekening telkens heeft vervalst, doet daar niet aan af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige
Rechtbank Groningen AWB 00/391 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. G. Meijer

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 8 maart 2000 (verzonden op 14 maart 2000), kenmerk TV20000313.05, het bezwaarschrift van eiseres tegen hun besluit van 17 december 1999, waarbij verweerders de aan eiseres en X verstrekte bijstand op grond van de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) en de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw) van haar hebben teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 20 april 2000, dat op 29 juni 2000 van nadere gronden is voorzien, beroep bij de rechtbank ingesteld.

Verweerders hebben op 7 juli 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Verweerders hebben op 12 december 2000 nadere stukken ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 26 januari 2000.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.A. van Dijk.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door T. Veltman.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten en de standpunten van partijen

Verweerders hebben eiseres en X (verder: X) gedurende de perioden van 30 januari 1995 tot en met 10 april 1996 en van 15 juli 1996 tot en met 31 mei 1997 een uitkering naar de norm voor gehuwden op grond van de ABW, respectievelijk de Abw, toegekend.

Bij besluit van 17 december 1999 (verzonden op 20 december 1999) hebben verweerders de te veel betaalde bijstand van totaal 6856,16 van eiseres op grond van artikel 30 ABW in samenhang met artikel 55 ABW en artikel 65 Abw in samenhang met de artikelen 78, eerste lid, en 81, eerste lid, Abw van eiseres teruggevorderd.
Verweerders hebben daartoe overwogen dat uit gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat eiseres van 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1995 en van 22 augustus 1995 tot en met 31 december 1995 en in de jaren 1996 en 1997 werkzaam is geweest bij P. Eiseres heeft de inkomsten van de werkzaamheden over de periode 1 januari 1995 tot en met 31 maart 1995 aan verweerders opgegeven. Verweerders hebben deze inkomsten in mindering gebracht op de inkomsten.

Daarentegen heeft eiseres de na 22 augustus 1995 genoten inkomsten van de P en ook de van 1 juni 1996 tot en met 31 december 1996 genoten inkomsten bij Q en de door eiseres of X in 1996 genoten inkomsten van R niet aan verweerders opgegeven.

Eiseres heeft tegen het besluit van 17 december 1999 bij bezwaarschrift dat op 4 januari 2000 door verweerders is ontvangen - samengevat - aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van het feit dat de gemeente haar een uitkering verstrekte. X heeft zonder haar medeweten de inkomstenbriefjes getekend. De uitkering werd gestort op de rekening van X. Pas toen zij en X uit elkaar waren, kwam zij erachter dat hij haar handtekening had vervalst. Zij acht zich niet aansprakelijk voor de terugvordering.

Verweerders hebben - in overeenstemming met het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften Sociale Zaken en Wet voorzieningen gehandicapten van 23 februari 2000 het bezwaar bij besluit van 8 maart 2000 ongegrond verklaard.

Verder hebben verweerders in hun verweerschrift aangegeven dat eiseres heeft gesteld dat zij niets van de bijstandverlening zou hebben geweten. Dit komt ongeloofwaardig over, aangezien zij alle voor de bijstandverlening relevante documenten mede heeft ondertekend. Uit rechterlijke uitspraken blijkt dat in geval van gezinsbijstand partners over en weer verantwoordelijk zijn voor het invullen van de inkomstenverklaringen. Dit betekent dat eiseres medeverantwoordelijk is voor de onjuiste opgave aan de gemeente en de vastgestelde verzwijging van de inkomsten binnen de risicosfeer van eiseres valt.

Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft in beroep haar bezwaren - inhoudelijk - herhaald.



Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt vast dat verweerders eiseres en X over de in het geding zijnde perioden bijstand hebben verleend naar de norm voor een echtpaar in aanvulling op de inkomsten van eiseres als klassenassistent via S.
Daarnaast heeft eiseres in de hiervoor genoemde perioden inkomsten verworven uit werkzaamheden voor de P en Q, terwijl X inkomsten heeft verworven bij de R.
Eiseres en X hebben de na 22 augustus 1995 uit deze werkzaamheden ontvangen inkomsten niet meer bij verweerders opgegeven.
Daardoor hebben eiseres en X niet voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting als omschreven in artikel 30, tweede lid, ABW en artikel 65, eerste lid, Abw, zoals deze bepaling tot 1 juli 1997 luidde.
Als gevolg daarvan hebben verweerders een bedrag van 6856,16 te veel aan bijstand aan eiseres en X betaald.
Dit bedrag is door eiseres verder niet betwist.

Op grond van artikel 57, aanhef en onder d, ABW en artikel 81, eerste lid, Abw, zoals die bepaling tot 1 juli 1997 luidde, waren verweerders gehouden de te veel betaalde bijstand van eiseres en X terug te vorderen.

Krachtens artikel 59a, eerste en derde lid, ABW en artikel 84, eerste en derde lid, Abw, zoals die bepalingen destijds luidden, is eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.

Doordat eiseres hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand gedurende de periode dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met X is het niet van belang of X de aanvraag- en inlichtingenformulieren opzettelijk onjuist invulde en haar handtekening mogelijk heeft vervalst. Evenmin is van belang dat eiseres, zoals zij heeft gesteld, er niet van op de hoogte was dat zij een bijstandsuitkering ontving.
Het gaat erom dat eiseres en X een gezamenlijke huishouding vormden en hen gezinsbijstand is verstrekt.
Een onderzoek door een deskundige naar de vraag of de handtekeningen van eiseres op de aanvraag- en inlichtingenformulieren echt zijn, dan wel vervalst, kan daarom niet tot een andere uitkomst van dit geschil leiden.
Reeds om die reden ziet de rechtbank ervan af een dergelijk onderzoek te gelasten.

Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien, is de rechtbank niet gebleken.

Het beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken
op 15 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. H.G. Wiemans als griffier.


De griffier, wnd.,            De rechter,




Afschrift verzonden op: 15 februari 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.




Deze uitspraak is door de Centrale Raad van Beroep bevestigd op 4 november 2003 in de zaak 01/1907 NABW
(LJN AN8380), red.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x