Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD3412
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: NABW 99/11767 en NABW 00/3819
Datum uitspraak: 15 mei 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5, 13 en 35 Abw (= 3, 18 en 27 Wwb) / 6:2, 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; zeiljacht; zeilboot; gelijkstelling met woonschip; woonboot; hoofdverblijf; ligplaats; woonkosten; woonlasten; motivering
Essentie: Onterechte verlaging van de bijstandsnorm wegens het niet bewonen van een woning/woonschip maar een zeiljacht en het ontbreken van woonkosten, omdat het zeiljacht i.c. het hoofdverblijf is en er bovendien wel woonkosten zijn, zoals kosten van onderhoud, verzekeringen en locale belastingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle NABW 99/11767 en NABW 00/3819




U I T S P R A A K




in de geschillen tussen:

[eiser A] en [eiseres B], echtgenote van A, geboren op [...] 1950 respectievelijk [...] 1959, beiden wonende te [woonplaats C], eisers,
gemachtigde: mr. A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 11 februari 2000.




2. Zitting


Datum: 5 april 2001.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. A.Z. van Braam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw. E.J. van Est.




3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt


Eisers woonden/verbleven permanent aan boord van een zeilboot die is gelegen aan de [...] te C.

Verweerder heeft op 31 mei 1999 besloten de aan eisers toegekende bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm met ingang van 1 juli 1999 te herzien door 421,78 in mindering te brengen op die uitkering in verband met het ontbreken van woonlasten.
Tegen dit besluit is bij brief van 9 juli 1999 bezwaar aangetekend.
Op 30 november 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Eisers hebben bij een op 9 december 1999 bij de Provincie Flevoland ingekomen brief geageerd tegen de gang van zaken omtrent het ingediende bezwaarschrift. De Provincie Flevoland heeft deze brief vervolgens doorgezonden aan de rechtbank.
Gemachtigde van eisers heeft de rechtbank bij brief van 27 januari 2000 bericht dat laatstgenoemde brief van eisers dient te worden opgevat als een beroep tegen de weigering een beslissing op het bezwaarschrift d.d. 9 juli 1999 te nemen.
Dit beroep is bij de rechtbank sector Bestuursrecht geregistreerd onder nummer NABW 99/11767.

Verweerder heeft op 11 februari 2000 besloten het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren en noemt daarbij 412,78 als het te korten bedrag.
Verweerder heeft bij brief d.d. 14 maart 2000 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft partijen bij brief van 5 april 2000 bericht dat eerder genoemd beroep, bekend onder nummer NABW 99/11767, geacht wordt mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 11 februari 2000. Laatstgenoemd beroep is bij de rechtbank sector Bestuursrecht geregistreerd onder nummer NABW 00/3819.

Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 20 april 2000 plus bijlagen de gronden tegen verweerders besluit d.d. 11 februari 2000 ingediend.

Eisers wonen inmiddels in een gewone woning in D.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Met betrekking tot de beroepszaak van eisers, bekend onder nummer NABW 99/11767, overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens rubriek 3 van deze uitspraak heeft verweerder op 11 februari 2000 een beslissing afgegeven naar aanleiding van het door eisers tegen zijn beslissing d.d. 31 mei 1999 ingediende bezwaar.
Nu verweerder op 11 februari 2000 (alsnog) een beslissing heeft genomen naar aanleiding van de door eisers tegen verweerders besluit d.d. 31 mei 1999 ingediende bezwaar, oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van een belang van eisers in de procedure waarbij het handelt om het uitblijven van een besluit van verweerder. Dat beroep, bekend onder nummer NABW 99/11767, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien de beslissing op bezwaar veel te laat is genomen, is er terecht tegen het uitblijven van het besluit geprotesteerd. Er is daarom ondanks de niet-ontvankelijkverklaring reden het griffierecht te laten vergoeden aan eisers, te betalen door de gemeente Lelystad.
De rechtbank ziet in die beroepszaak voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat de gemachtigde van eisers zich eerst in een later stadium als gemachtigde heeft gesteld en als proceshandeling eerst het indienen van het aanvullend beroepschrift naar aanleiding van de afgifte van het besluit van 11 februari 2000 meetelt, zodat in het kader van de beroepszaak bekend onder nummer NABW 99/11767 geen punt kan worden toegekend.

Met betrekking tot het beroep tegen verweerders besluit van 11 februari 2000 overweegt de rechtbank het volgende.



Standpunten partijen

In het kader van dit beroep is, kort samengevat, aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van woonkosten. Eisers stellen kosten te hebben gemaakt voor voorzieningen (isolatie, zonnepaneel, windmolen) en voor onderhoud. Ze betalen geen liggeld.

In het verweerschrift d.d. 22 september 1998 heeft verweerder uiteengezet waarom er naar zijn oordeel geen sprake is van woonkosten. Het zeiljacht is geen woning of daarmee gelijk te stellen, aangezien het geen officile ligplaats inneemt.



Wettelijk kader

In artikel 5, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald dat onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen of een woonschip.
In artikel 13 van de Abw is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

In artikel 35 van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders de bijstandsnorm lager kunnen vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

In artikel 4 van de Verordening algemene bijstand van Lelystad (verder: de verordening) is bepaald:
1. de bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het wettelijk minimumloon per inwonende met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld. De verlaging in verband met de aanwezigheid van meer dan n inwonende met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bedraagt 20% van het wettelijk minimumloon.
3. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van de woning waaraan voor de betrokkenen geen kosten zijn verbonden.
4. De verlaging als bedoeld in het derde lid bedraagt 20% van het nettominimumloon.




6. Overwegingen


De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de door eisers bewoonde zeilboot als een woonschip is te beschouwen en daarmee een woning is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Abw en artikel 1, onderdeel h, van de verordening.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. In de Abw is geen nadere omschrijving van een woonschip gegeven. De rechtbank acht het meest kenmerkende onderscheid tussen een woonschip en andere schepen, bijvoorbeeld een pleziervaartuig, dat er op een woonschip gewoond wordt, dat wil zeggen, dat personen daar hun hoofdverblijf hebben. Een andere grens tussen gewone schepen en woonschepen is niet te trekken: typische woonschepen kunnen vaak varen en hebben soms zeilen, zij hoeven qua keuken en sanitair niet te voldoen aan de eisen die aan een huis worden gesteld; pleziervaartuigen met kajuit zijn anderzijds vaak van alle gemakken voorzien. Het hebben van een legale ligplaats is evenmin een goed criterium. Er zijn immers heel wat woonschepen die niet op een daarvoor aangewezen ligplaats liggen, terwijl het voor iedereen evident is dat het om een woonschip gaat.
Aan het bovenstaande doet niet af dat in andere regelgeving - de Wet individuele huursubsidie en de Algemene plaatselijke verordening - eigen definities en criteria voor het begrip woning worden gehanteerd. Die criteria moeten gezien worden in het licht van de door die wetten geregelde onderwerpen.

Verweerder heeft mitsdien ten onrechte gemeend eisers te kunnen korten omdat zij geen woning (= woonschip) bewonen.
Het bestreden besluit berust hierdoor op een onjuiste grondslag en is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. Zulks is in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Vervolgens is de vraag of eisers woonkosten hebben.
Met betrekking tot het antwoord op deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 4, derde lid, van de verordening is artikel 35 van de Abw herhaald. De rechtbank beschouwt de kosten in artikel 4 als woonkosten als bedoeld in artikel 35 van de Abw.
Blijkens artikel 1, onderdeel i, ten tweede, van de verordening wordt onder woonkosten bij bewoning van een eigen woning (of eigen woonschip) verstaan onder andere de zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. In het derde lid worden de zakelijke lasten nader geduid: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerendezaaksbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.

Ter zitting heeft eiseres verklaard dat eisers geen liggeld verschuldigd zijn en geen onroerendezaaksbelasting betalen. Wel worden er kosten gemaakt voor onderhoud en verzekeringen als bedoeld in voornoemd derde lid. De rechtbank acht dit aannemelijk, hoewel niet precies is vast te stellen hoe hoog de kosten zijn. In ieder geval is er geen sprake van een woning (woonschip) waaraan voor de betrokkenen geen kosten zijn verbonden. Dit betekent dat aan de voorwaarde voor de toepassing van de korting ex artikel 4, derde lid, van de verordening niet is voldaan, zodat verweerder ten onrechte heeft gekort.
Wat betreft de kosten om over gas, water en elektriciteit te kunnen beschikken, waarvoor eisers zelf voorzieningen hebben getroffen, onder andere zonnepanelen, merkt de rechtbank nog op dat die gezien artikel 1, onderdeel i, ten derde, van de verordening niet onder de woonkosten worden gerekend.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu ook het primaire besluit van 31 mei 1999 de onrechtmatige korting behelst, acht de rechtbank het geraden met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb dat besluit te herroepen en het bezwaar alsnog gegrond te verklaren.

Tevens is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten ter zake van de door eisers ingeroepen rechtshulp, begroot op 1065,- (= 1,5 maal 710,-, te weten een halve punt voor aanvullend beroepschrift en 1 punt voor bijwonen zitting).




7. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 99/11767 niet-ontvankelijk;
gelast dat de gemeente Lelystad aan eisers het door hen gestorte griffierecht ad 60,- vergoedt;

verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 00/3819 gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept verweerders besluit van 31 mei 1999 en verklaart het bezwaar daartegen alsnog gegrond;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken, tot op heden begroot op 1065,-;
wijst de gemeente Lelystad aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eisers.


Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. Wassink-Beerekamp als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3420
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6290 NABW
Datum uitspraak: 3 juli 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 en 11 Abw (= 13 en 16 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten aanhouden huurwoning tijdens detentie, gedetineerde; zeer dringende redenen
Essentie: Terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van aanhouden huurwoning tijdens detentie, niet omdat niet tijdig een aanvraag is ingediend, maar omdat er geen sprake is van een acute noodsituatie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6290 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op het beroepschrift (met bijlagen) uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar op 23 november 1999 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 2001. Daar heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door mr. K.A.C. Bruin-Krmer, werkzaam bij de gemeente Den Helder, en is gedaagde - zoals tevoren aangekondigd - niet verschenen.




II. Motivering


Gedaagde is van 17 februari 1998 tot 15 oktober 1998 rechtens van haar vrijheid beroofd geweest. Op 28 april 1998 is namens haar een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in de kosten van het aanhouden van haar huurwoning tijdens de periode van detentie.
Appellant heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 13 augustus 1998.

Overwogen is dat de aanvraag niet binnen redelijke termijn na aanvang van de detentie (onder welke termijn een periode van veertien dagen wordt verstaan) is ingediend. Hierbij heeft appellant het beleid, ontwikkeld in het kader van artikel 11 van de Abw, gevolgd dat is neergelegd in een werkboek.
Na bezwaar heeft appellant bij besluit van 8 december 1998 het besluit van 13 augustus 1998 gehandhaafd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat namens gedaagde tegen het besluit van 8 december 1998 is ingediend gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak; tevens zijn beslissingen inzake griffierecht en proceskosten gegeven.
De rechtbank heeft - samengevat - geoordeeld dat het bestreden besluit strijdt met de Abw, in welke wet geen bepaling is opgenomen die voorziet in een termijn waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend.

Appellant heeft in hoger beroep dat oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand. Derhalve verzet dit voorschrift zich ertegen dat aan gedaagde de door haar gevraagde bijzondere bijstand wordt verleend.

Ingevolge artikel 11 (oud) van de Abw zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Appellant heeft de aanvraag van gedaagde mede beoordeeld aan de hand van het beleid dat hij in het kader van de hem bij artikel 11 (oud) van de Abw gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens dat beleid komen in een geval van detentie de vaste lasten die moeten worden doorbetaald ten laste van de gemeente; voorwaarde hierbij is dat de aanvraag binnen veertien dagen vanaf de datum van detentie wordt ingediend. Aangezien gedaagde haar aanvraag buiten die termijn heeft gedaan, is haar aanvraag afgewezen.

De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt - burgemeester en wethouders eerst dan bevoegd zijn met toepassing van artikel 11 (oud) van de Abw bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie. Het onderhavige beleid van appellant gaat daaraan voorbij en is dan ook met artikel 11 (oud) van de Abw in strijd.

In het onderhavige geval is de Raad van oordeel dat van het bestaan van een acute noodsituatie geen sprake is. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat gedaagde alleenstaande is en dat haar minderjarige kinderen ten tijde hier van belang uit huis waren geplaatst. Dit betekent dat appellant niet de bevoegdheid heeft de aanvraag van gedaagde op grond van artikel 11 (oud) van de Abw in te willigen.

Gezien het voorgaande heeft het onderhavige beleid van appellant het karakter van buitenwettelijk beleid. De Raad komt in dit verband een terughoudende toets toe. Met inachtneming hiervan is de Raad niet kunnen blijken dat het bestreden besluit behoort te worden vernietigd. In het bijzonder heeft de Raad vastgesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming met het onderhavige buitenwettelijke beleid is genomen.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit ten onrechte heeft vernietigd. Die uitspraak kan dan ook niet in stand blijven.

De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorziter en mr. Ch. De Vrey en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.W.E. de Rooij als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) A.W.E. de Rooij.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD3427
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/7301 ABW
Datum uitspraak: 8 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39, 40, 47 en 51 Abw (= 35, 35, 32 en 34 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; huurkosten; woonkostentoeslag; inkomsten uit vermogen; ontvangen aflossingsbedragen schuld; middelen; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag wegens voldoende inkomsten, omdat de maandelijkse aflossing van een schuld aan betrokkene van vr de bijstandsaanvang niet tot de middelen kan worden gerekend en geen inkomsten uit vermogen betreft.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/7301 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet van 1413,08 per maand.

Sinds 15 maart 1997 huurt zij een woning op het adres [...] te [woonplaats]. De nettohuur bedraagt 1185,73.

Per 31 december 1998 is de vennootschap onder firma X, waarvan eiseres mede-eigenaar was, ontbonden. In het kader van de afwikkeling daarvan heeft de rechtsopvolger van de firma, Y BV, zich in een vaststellingsovereenkomst verplicht om een bestaande schuld jegens eiseres te doen verminderen door betaling aan eiseres van een totaalbedrag van 37.500,- in maandelijkse termijnen van 1000,-. Deze betalingen hebben op 15 februari 1999 een aanvang genomen.

Op 22 september 1999 heeft eiseres een aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Eiseres komt in verband met de hoogte van de huur voor haar woning niet in aanmerking voor huursubsidie.
Op haar aanvraagformulier woonkostentoeslag heeft eiseres aangegeven dat zij bij acceptatie van de woning niet kon voorzien dat zij door ziekte niet meer de financile middelen voor onder andere huurbetaling zou kunnen verwerven.

Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerster hierop afwijzend beslist op grond van de overweging dat eiseres over voldoende middelen beschikt om zelf in de gevraagde kosten te voorzien.
Hiertegen heeft eiseres bij schrijven van 14 december 1999 bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 14 januari 2000 is de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 maart 2000 heeft de president van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.

Op 9 maart 2000 is eiseres in het kader van het bezwaarschrift gehoord.

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft verweerster de bezwaren van eiseres, overeenkomstig het advies van de afdeling Bezwaar en Beroep van 11 april 2000, ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 1 juli 2000 beroep ingesteld.

Voorts heeft eiseres op 16 december 1999 een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend.
Op deze aanvraag is uiteindelijk door verweerster met ingang van 16 december 1999 aan eiseres een woonkostentoeslag toegekend ad 758,00 per maand.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 maart 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van Es. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerebeek.




2. Motivering


Artikel 39, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Artikel 40, eerste lid, Abw bepaalt dat voor de vaststelling van de draagkracht burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.

Artikel 47, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit vermogen (...), dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Verweerster staat op het standpunt dat de maandelijkse betalingen aan eiseres van 1000,- gezien dienen te worden als inkomsten uit vermogen of naar hun aard daarmee gelijk te stellen inkomsten. Doordat eiseres beschikt over haar Anw-uitkering n deze maandelijkse inkomsten van 1000,-, beschikt zij over voldoende draagkracht om de kosten van de huur op te vangen.

Eiseres betwist dat zij beschikt over voldoende middelen om in haar woonkosten te voorzien. Zij stelt dat zij naast haar uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet beschikt over middelen die als inkomsten in de zin van de artikelen 47 e.v. van de Abw kunnen worden aangemerkt. De maandelijkse uitbetalingen van 1000,- door Y BV kunnen naar de mening van eiseres niet als inkomsten worden aangemerkt nu deze betrekking hebben op een aflossingsbedrag dat genoemde vennootschap aan betrokkene verschuldigd is.
Deze middelen voldoen derhalve niet aan de criteria zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Abw.
Bovendien hebben deze middelen geen betrekking op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, maar houden zij verband met de inmiddels gestaakte activiteiten van eiseres als zelfstandig horecaondernemer, zodat volgens eiseres evenmin wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Abw.
Eiseres stelt dat voor zover bedoelde middelen dienen te worden aangemerkt als vermogen, dat vermogen het vrij te laten vermogen niet overtreft. Ten tijde van de aanvraag woonkostentoeslag was de vordering op Y B.V. nog 29.500,-. Daarnaast heeft verzoekster in verband met haar voormalige horecaonderneming een lening bij de IDM-bank afgesloten, waarvan zij op het moment van aanvraag nog 23.313,- moest terugbetalen. Tevens is vermeld dat zij op haar bankrekening bij de Rabobank voor 3000,- en op haar girorekening bij de Postbank 1000,- rood staat.
Uit de stukken blijkt dat verzoekster maandelijks een bedrag van 508,08,- ter aflossing van haar schuld aan de IDM-bank en 25,- ter aflossing van een schuld aan Wehkamp betaalt.


De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiseres per 16 december 1999 in aanmerking is gebracht voor woonkostentoeslag. Vanaf die datum is de woonkostentoeslag toegekend, aangezien eiseres na december 1999 niet langer de betalingen van 1000,- per maand ontving en het niet mogelijk was gebleken de schuldenaar via rechtsmaatregelen tot betaling te dwingen.
Overigens kan uit de gedingstukken worden opgemaakt dat eiseres ook in de maanden oktober en november wegens financile problemen van haar schuldenaar geen betaling van het maandbedrag van 1000,- heeft ontvangen. Dat zou nog uitsluitend in december 1999, na enige aanmaning door eiseres, het geval zijn geweest.

Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerster terecht heeft geoordeeld dat eiseres over de periode 22 september 1999 tot 16 december 1999 geen aanspraak kan maken op woonkostentoeslag op grond van de overweging dat eiseres gelet op haar inkomsten beschikt over de middelen ter voorziening in haar woonkosten.
Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de berekening van haar draagkracht op zichzelf niet heeft betwist, maar aanvoert dat daarbij ten onrechte rekening is gehouden met het feit dat zij maandelijks van Y BV een bedrag van 1000,- ontvangt.

De rechtbank neemt, evenals verweerster, tot uitgangspunt dat de maandelijkse betalingen van 1000,- door Y BV voortvloeien uit een vordering die is ontstaan door een voorheen door eiseres uit haar vermogen verstrekte lening.

In het bestreden besluit heeft verweerster ermee volstaan te stellen dat de maandelijkse betalingen moeten worden gezien als maandelijks door eiseres te besteden inkomsten. De in deze stelling neergelegde mening van verweerster wordt door verweerster in het bestreden besluit en evenmin in het verweerschrift verder van enige motivering voorzien. Waarom de aflossing van een uit het vermogen verstrekte lening behoort tot de inkomsten als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, Abw wordt niet verduidelijkt. Terwijl dit nu juist wel n van de door eiseres ingediende bezwaargronden was.
Hiermee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de maandelijkse betalingen in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen. De betaalde bedragen betreffen immers slechts aflossingen op de hoofdsom van de lening en geen rente of andere opbrengsten van die hoofdsom.

Ook de vraag of deze inkomsten naar hun aard gelijk te stellen zijn met inkomsten uit vermogen beantwoord de rechtbank ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het begrip inkomsten eigen dat, zolang het bedrag van die inkomsten niet wordt uitgegeven, dit leidt tot een toename van het totaal van het bezit van de betrokkene. In casu is daar geen sprake van. Door de enkele ontvangst van deze inkomsten wordt de financile positie van eiseres per saldo niet verbeterd.
Indien eiseres maandelijks een bedrag zou opnemen van een eerder door haar bij een bank ondergebracht gedeelte van haar geldelijke bezit, dan valt niet in te zien dat zulke geldopnames tot haar inkomsten moeten worden gerekend. In casu is de situatie niet anders. De vergelijking die verweerster maakt met de inkomsten bestaande uit een lijfrente op basis van een daarvoor als koopsom gestort bedrag gaat hierom mank, omdat die koopsom niet alleen gestort is met het oogmerk om in de toekomst periodieke inkomsten te verkrijgen, maar ook omdat die lijfrente, in elk geval, ten dele ook gefinancierd wordt met de renderende opbrengst van de gestorte koopsom.
Indien, zoals verweerster doet, het bedrag van de maandelijkse aflossing van de lening wordt gerekend tot de door eiseres maandelijks te besteden inkomsten, heeft dit het gevolg dat de betrokkene feitelijk moet interen op het vermogen; daarmee ontstaat strijd met de bepaling dat - een gedeelte van - het vermogen van een bijstandsgerechtigde bij de beoordeling van het recht op bijstand wordt vrijgelaten.

Voorts is de rechtbank met eiseres van oordeel dat deze middelen geen betrekking hebben op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, zodat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Abw. De periodieke aflossing van de lening is niet bestemd voor een bepaalde periode, zoals dat bij een uitkering of een andere inkomstenbron die dient voor levensonderhoud, zoals alimentatie, pensioen e.d., het geval is.

Op bovenstaande gronden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerster op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, die worden bepaald op 1420,-.

Beslist is derhalve als volgt.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit met bepaling dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van 1420,-, welk bedrag aan eiser dient te worden vergoed door de gemeente Den Haag;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad 60,- zal vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD3472
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/11550 ABW
Datum uitspraak: 23 juli 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= Wwb) / 4:81 en 4:82 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld; aflossing ineens 50% restsom; afkoopsom; vaste gedragslijn; discretionaire bevoegdheid
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de vaste gedragslijn is toegepast om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/11550 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij beschikking van 15 oktober 1998 heeft de kantonrechter te Delft bepaald dat eiseres aan verweerder een bedrag van 99.478,29 dient te betalen in verband met ten onrechte genoten uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW).

Bij beschikking van 31 januari 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger beroep de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

Op 26 april 2000 heeft eiseres aan verweerder verzocht om, na betaling van een bedrag van 21.575,00 ineens, in aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de bijstandsschuld.

Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 mei 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiseres is gehoord omtrent haar bezwaren door de Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 14 augustus 2000.

Bij besluit van 5 oktober 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 30 oktober 2000, nader aangevuld bij brief van 29 november 2000, beroep ingesteld.


Verweerder heeft bij brief van 29 november 2000 de onderliggende stukken opgestuurd en bij brief van 11 januari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met het beroep van X (AWB 00/11407 ABW) [
LJN AD4971, red.], op 13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Samama.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.J. Ross.




2. Motivering


De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 5 oktober 2000 in rechte stand kan houden.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, samengevat, overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een deel van de uitstaande vordering, aangezien de schuld van eiseres het gevolg is van fraude. Verweerder volgt reeds langdurig de beleidsregel dat bij fraudeschulden geen medewerking wordt verleend aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. De inwerkingtreding van artikel 78c van de Abw per 1 augustus 1998 heeft geen aanleiding gevormd hierin verandering te brengen, ook al worden fraudeschulden in deze bepaling niet uitgezonderd. Gelet op de tekst van artikel 78c van de Abw alsmede de parlementaire behandeling is verweerder niet gehouden zijn beleid ter zake te wijzigen. Voor zover gezegd moet worden dat er in casu geen sprake is van een beleidsregel, is er in ieder geval een bestendige gedragslijn, welke gedragslijn in dit besluit adequaat is gemotiveerd.

Eiseres is, samengevat, van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen aangezien verweerder bij de inwerkingtreding van de Wet herziening debiteurenbeleid [Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] met betrekking tot artikel 78c van de Abw geen werkelijk beleid heeft gemaakt en enkel heeft vastgesteld dat het bestaande beleid niet gewijzigd hoefde te worden. Eiseres is van mening dat verweerder zich ten onrechte beroept op algemene beleidsuitgangspunten en hiermee voorbij is gegaan aan de omstandigheden van het individuele geval.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om kwijtschelding betrekking heeft op het restant van de vordering, welke vordering verweerder op grond van de beschikking van de rechtbank van 31 januari 2000 op eiseres heeft. Tevens stelt de rechtbank vast dat naast eiseres X eveneens aansprakelijk is voor genoemde vordering en dat eiseres en X een gezamenlijk aanbod hebben gedaan tot betaling van een bedrag ineens dat neerkomt op de helft van de openstaande vordering om zodoende in aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de vordering.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 78 van de Abw, van terugvordering of van verdere terugvordering afzien indien de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.

Deze bepaling is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278) ingevoerd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het kader van de Wet herziening debiteurenbeleid door de wetgever slechts wijziging is gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, een redelijke uitleg van de ter zake geldende wettelijke bepalingen meebrengt dat ten aanzien van besluiten als het onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een onder de (oude) ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het (nieuwe) Abw-recht van toepassing is. Artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw is hier derhalve van toepassing.

Verweerder komt bij de toepassing van artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw een discretionaire bevoegdheid toe. Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de Awb, kan verweerder ten aanzien van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Ingevolge artikel 4:82 van de Awb kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel. Indien een vaste gedragslijn niet in een beleidsregel is neergelegd, moet een besluit conform zo'n vaste gedragslijn steeds opnieuw worden gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder inzake zijn bevoegdheid ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw geen beleidsregels heeft vastgesteld. De beleidsregel, zoals in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op 17 december 1998 bij Raadsbesluit 980537 is vastgesteld, kan hier niet als beleidsregel gelden, nu bedoeld raadsbesluit enkel ziet op de bevoegdheid die de gemeente toekomt in het kader van de uitvoering van de WSNP.
Dit neemt niet weg dat wel sprake is van een vaste gedragslijn van verweerder om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. Deze gedragslijn is in het bestreden besluit uiteengezet en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uitgangspunt van deze gedragslijn is de opvatting van verweerder dat fraude niet mag lonen.

Naar het oordeel van de rechtbank laat artikel 78c van de Abw ruimte voor het voeren van een zodanige vaste gedragslijn. Deze gedragslijn kan niet als kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar worden beschouwd. Dit geldt te minder nu, zoals ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet herziening debiteurenbeleid blijkt, de wetgever met deze wet geen wijziging heeft beoogd ten aanzien van het uitgangspunt dat ten onrechte verleende uitkeringen moeten worden teruggevorderd (Kamerstukken II 1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 4). Het gegeven dat artikel 78c van de Abw blijkens de parlementaire geschiedenis ook toepassing kan vinden op fraudeschulden (t.a.p., blz. 5) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had dienen af te wijken door het verzoek van eiseres in te willigen, is de rechtbank niet gebleken. De ter zitting door eiseres aangevoerde omstandigheid dat er nooit sprake is geweest van samenwonen en de verleende bijstand ten onrechte is teruggevorderd, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

De rechtbank heeft bij eerder genoemde beschikking van 31 januari 2000 in hoger beroep immers definitief in andere zin geoordeeld. De overige door eiseres aangevoerde omstandigheden dat haar familie bereid is financieel bij te dragen aan de aflossing van deze schuld, dit de enige grote schuld is die zij heeft en dat deze schuld zwaar op haar drukt aangezien zij de zorg heeft voor een aantal kinderen, zijn evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had moeten afwijken.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan n van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M. Heijs en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AA3567
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 98/1246 NABW 57
Datum uitspraak: 29 december 1998
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 en 69 Abw (= 3 en 54 Wwb) / 8:81 Awb
Trefwoorden: opschorting bijstand; blokkering; gezamenlijke huishouding; nader onderzoek; financile noodsituatie; onverwijlde spoed
Essentie: Afwijzing voorlopige voorziening, omdat de opschorting van het recht op bijstand wegens vermoedelijke gezamenlijke huishouding voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij periodieke betalingen (dankzij geleend geld) en er inmiddels een nieuwe bijstandsaanvraag is ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 98/1246 NABW 57




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem, verweerder.




1. Bestreden besluit


Besluit van verweerder van 3 december 1998, waarbij het recht van verzoekster op uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 november 1998 is opgeschort.




2. Procesverloop


Namens verzoekster heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, bij brief van 7 december 1998 een bezwaarschrift ingediend en bij brief van gelijke datum verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 december 1998, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk voornoemd.
Verweerder werd vertegenwoordigd door mw. mr. H. Post, advocaat te Zwolle, en mw. J.M.C. Klop, werkzaam bij de gemeente Hattem.




3. Motivering


3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken van een gezamenlijke huishouding van verzoekster met de heer X (hierna: X) en dat verzoekster daarvan geen melding heeft gemaakt. Verzoekster heeft het bestaan van een gezamenlijke huishouding betwist.

3.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste jurisprudentie vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn.

Uit de bevindingen van de sociale recherche, zoals neergelegd in het rapport van 16 november 1998, kan genoegzaam worden afgeleid dat X ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van verzoekster. In het rapport zijn evenwel geen objectieve feiten en omstandigheden vermeld waaruit ondubbelzinnig blijkt van een wederzijdse zorgrelatie. Evenmin komen zodanige feiten of omstandigheden naar voren uit het verslag van het zogenoemde confrontatiegesprek met verzoekster. Ook hetgeen in het verweerschrift en ter zitting zijdens verweerder is aangevoerd, levert niet een voldoende onderbouwing op van de stelling dat verzoekster en X blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar. Zo kan bijvoorbeeld uit de vermelding dat verzoekster als bestuurster van de auto van X is gezien en de constatering dat X na een bezoek aan de Gamma Bouwmarkt direct naar de woning van verzoekster is gegaan niet worden afgeleid dat X zorg heeft gedragen voor verzoekster.

Gezien het vorenstaande berust het bestreden besluit waar het betreft de (vermeende) aanwezigheid van een gezamenlijke huishouding niet op een deugdelijke motivering.

3.4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit toepassing gegeven aan artikel 69, eerste lid, van de Abw. De in deze bepaling gegeven regeling omtrent opschorting van de uitkering is bedoeld voor situaties waarin door de betrokkene de inlichtingenplicht is geschonden en het recht op bijstand als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld. In verband daarmee is in het tweede lid van artikel 69 voorgeschreven dat de belanghebbende bij de mededeling van de opschorting wordt uitgenodigd het verzuim binnen een te stellen termijn te herstellen.

Een dergelijke uitnodiging en termijnstelling ontbreken evenwel in het bestreden besluit. Dit strookt op zichzelf met het feit dat verweerder reeds een conclusie omtrent een gezamenlijke huishouding had getrokken en verstrekking van nadere informatie door verzoekster kennelijk niet nodig heeft geacht. Verweerder heeft aldus echter blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de betekenis van artikel 69, eerste lid, Abw en ten onrechte deze bepaling aan zijn besluit ten grondslag gelegd.

3.5. Het moet mogelijk worden geacht dat - hoewel de Abw niet een daarop toesneden bepaling kent - de uitbetaling van een bijstanduitkering wordt geblokkeerd indien het gegronde vermoeden aanwezig is dat het recht op uitkering niet meer bestaat, zulks in afwachting van nader onderzoek.

De omstandigheid dat X zijn hoofdverblijf in de woning van verzoekster heeft (gehad), levert - in combinatie met het gegeven dat verzoekster met hem een affectieve relatie onderhoudt - voldoende grond op voor het vermoeden dat sprake is (geweest) van een gezamenlijke huishouding en daarmee het vermoeden dat op de in geding zijnde datum 1 november 1998 het recht op bijstand niet meer bestond, mede in aanmerking genomen dat X inkomen uit een dienstbetrekking heeft.

Het is voorts niet ondenkbaar dat bij een nader onderzoek zijdens verweerder alsnog (objectieve) feiten en omstandigheden aan het licht komen waaruit tot het bestaan van een wederzijdse zorgrelatie en derhalve een gezamenlijke huishouding kan worden geconcludeerd, zodat daarop een beindiging van de uitkering per 1 november 1998 zou kunnen worden gebaseerd.

3.6. Ter zitting is gebleken dat de opschorting c.q. blokkering van de uitkering voorshands niet heeft geleid tot achterstanden bij periodieke betalingen, zoals de huurbetaling en betalingen inzake de nutsvoorzieningen.
Verzoekster heeft voorts gesteld dat zij thans geld leent van haar ex-schoonmoeder ter voorziening in de kosten van het bestaan. Verder is gebleken dat verzoekster inmiddels een aanvraag voor een nieuwe uitkering heeft ingediend en dat deze thans bij verweerder in behandeling is.

Gelet op n en ander kan niet worden gezegd dat verzoekster in een financile noodsituatie verkeert.

Mede in het licht van hetgeen onder 3.5 is overwogen, is er dan ook geen plaats voor het oordeel dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, thans een voorlopige voorziening vereist.

Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in proceskosten.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 1998 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x