Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3618
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2664 NABW en 99/2666 NABW
Datum uitspraak: 31 juli 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 73 Abw (= 45 Wwb)
Trefwoorden: vakantietoeslag; vakantiegeld; vervroegde uitbetaling; bijzondere omstandigheden
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om vervroegde uitbetaling van de vakantietoeslag ter aflossing van een huurschuld, omdat zich onvoldoende bijzondere omstandigheden voordeden die afwijking van het uitgangspunt dat vakantietoeslag in de maand juni wordt uitbetaald, rechtvaardigden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2664 NABW en 99/2666 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Namens appellanten heeft mr. F. Vortman, advocaat te Hardenberg, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Zwolle op 2 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 juni 2001, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Vortman, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F. Wijnia, werkzaam bij de gemeente Ommen.




II. Motivering


Appellanten ontvangen sedert september 1994 een bijstandsuitkering. Zij huren een woning van woningstichting "[X]". Bij brief van 11 maart 1998 heeft "[X]" appellanten medegedeeld dat de vordering wegens een huurachterstand van É873,63 in handen van de deurwaarder wordt gegeven indien dit bedrag op 20 maart 1998 nog niet is ontvangen. Bij brief van 17 maart 1998 hebben zij gedaagde verzocht om betaling van het vakantiegeld.

Bij primair besluit van 20 maart 1998 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.

Bij brief van 30 maart 1998 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 20 maart 1998. Nadien hebben appellanten op 16 april 1998 gedaagde gemachtigd een bedrag van É1027,63 op de vakantietoeslag in te houden en rechtstreeks te betalen aan "[X]". Appellanten hebben hun bezwaren op 14 mei 1998 ten overstaan van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften toegelicht.

Bij besluit van 31 juli 1998 heeft gedaagde de bezwaren die appellanten tegen het primaire besluit hebben ingediend ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat de periodieke uitkering van appellanten op 10 maart 1998 op hun rekening is overgemaakt, dat bij besluit van 9 maart 1998 een bedrag van É500,- is toegekend op grond van de gemeentelijke 500-guldenregeling, welk bedrag vrijwel tegelijkertijd ook is overgemaakt, en dat appellant op 16 april 1998 een machtiging heeft verstrekt om É1027,60 in de maand juni 1998 in te houden op de vakantietoeslag en direct over te maken aan de woningstichting.

De rechtbank heeft het beroep dat namens appellanten tegen het besluit van 31 juli 1998 is ingesteld ongegrond verklaard.

In hoger beroep is deze uitspraak namens appellanten gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 73, derde lid, van de Abw wordt de vakantietoeslag, voor zover niet eerder uitbetaald, jaarlijks betaald in de maand juni over de aan die maand voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de maand waarin de algemene bijstand eindigt. De memorie van toelichting vermeldt over deze bepaling het volgende:
"De tussenvoeging "voor zover niet reeds eerder betaald" ziet mede op de bijzondere gevallen waarin, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, is besloten de opgebouwde vakantie-uitkering eerder dan in de maand juni geheel of gedeeltelijk uit te betalen. Op die wijze kan aan een uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene voor een eerdere uitbetaling, bijvoorbeeld in verband met een bepaalde aanschaffing, zo nodig worden voldaan".
Hieruit leidt de Raad af dat gedaagde bevoegd is om in bijzondere gevallen van het in het derde lid van artikel 73 neergelegde uitgangspunt af te wijken.

De Raad is evenals de rechtbank tot het oordeel gekomen dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in het geval van appellanten onvoldoende bijzondere omstandigheden voordeden die afwijking van het uitgangspunt dat vakantietoeslag in de maand juni wordt uitbetaald, rechtvaardigden.

Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellanten om de verschuldigde woonkosten tijdig uit de hun ter beschikking staande en mede voor woonkosten bestemde algemene bijstandsuitkering te voldoen. Het feit dat niettemin een huurachterstand is ontstaan, levert dan ook op zichzelf onvoldoende grond op om tot vervroegde uitbetaling van de vakantietoeslag over te gaan. Ten tijde van het primaire besluit was er geen sprake van een concrete dreiging dat de woning van appellanten zou worden ontruimd.

De Raad kan er voorts niet aan voorbijgaan dat appellanten de middelen waarover zij na ontvangst van de brief van "[X]" de beschikking hebben gekregen, bestaande uit de maandelijkse algemene bijstandsuitkering alsmede een bedrag van É500,-, niet (deels) hebben benut om de huurschuld af te lossen.

Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel faalt. Het karakter van de beoordeling van een verzoek om afwijking van het uitgangspunt van artikel 73, derde lid, van de Abw brengt immers mee dat aan het feit dat in een bepaald jaar een bijzonder geval aanwezig is geacht geen verwachtingen kunnen worden ontleend voor wat betreft de beoordeling in een volgend jaar.

Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3656
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2572 NABW en 01/2706 NABW
Datum uitspraak: 28 augustus 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 1a ABW en 18a Bln (= 17 en 39 Abw) (= 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; meerkosten dieet; kosten ontstoring woning; magneetstaaf; polariseerder; voorliggende voorziening; limitatieve lijst
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor extra meerkosten van een dieet, omdat de noodzaak van die kosten niet is aangetoond, en terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van ontstoring van de woning, daar deze kosten buiten de werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2572 NABW en 01/2706 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellante heeft op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 maart 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vervolgens heeft appellante een brief toegezonden met bijlagen waarin zij de gronden nader aanvult.

Gedaagde heeft schriftelijk meegedeeld dat de inhoud van het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 juli 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Minderhoud, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 30 oktober 1995 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor dieetkosten en voor de kosten van ontstoring van haar woning. Bij besluit van 28 december 1995 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 14 november 1997, hierna aangeduid als besluit I, is het besluit van 28 december 1995 in die zin herroepen dat de meerkosten van het door appellante gevolgde dieet tot een bedrag van É40,- per maand worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan en is aan appellante bijstand in de meerkosten tot dat bedrag toegekend. Tevens is bij besluit I de afwijzing van de gevraagde bijstand voor de kosten van ontstoring van haar woning gehandhaafd, omdat appellante deze kosten onvoldoende geconcretiseerd zou hebben. Tenslotte is bij dat besluit bijzondere bijstand voor homeopatische kosten toegekend tot een bedrag van É58,67. Deze toekenning is verder niet in geschil.

Terwijl het beroep van appellante bij de rechtbank tegen besluit I aanhangig was, heeft gedaagde dit besluit bij besluit van 8 mei 1998, hierna besluit II, herzien voor zover het betrekking heeft op de kosten van de ontstoring en het voor overige gehandhaafd.
Gedaagde heeft de gevraagde bijzondere bijstand in de kosten van ontstoring bij dit besluit afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de ABW.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van het beroep tegen besluit I gegrond verklaard, het beroep tegen besluit II ongegrond verklaard en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep voert appellante aan dat de tegemoetkoming in de dieetkosten tot een bedrag van É40,- onvoldoende recht doet aan de bijzonder hoge uitgaven die zij heeft voor voeding en dat de kosten van ontstoring van haar woning zijn aan te merken als bijzondere noodzakelijke kosten, zodat zij wel in aanmerking gebracht moet worden voor bijzondere bijstand in deze kosten.

Alvorens het geschil ten gronde te beoordelen, merkt de Raad het volgende op.

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij besluit II besluit I is aangevuld, waardoor de motivering aan besluit I (deels) is komen te vervallen, zodat besluit I voor vernietiging in aanmerking komt. Voorts heeft zij het geschil met betrekking tot de dieetkosten beoordeeld in het kader van besluit II.
De Raad volgt de rechtbank hierin niet, omdat besluit II in feite gedeeltelijk intrekking van besluit I inhoudt met betrekking tot het onderdeel bijzondere bijstand voor ontstoringskosten en vervanging door een nieuw afwijzend besluit met betrekking tot die kosten op basis van een andere motivering dan in besluit I. Besluit I is niet gewijzigd voor zover dat ziet op het onderdeel bijzondere bijstand voor dieetkosten.
Aan de orde is dan eerst de vraag of appellante nog belang had bij een gegrondverklaring van haar beroep voor zover dat ziet op het door gedaagde ingetrokken deel van besluit I.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, daarbij in aanmerking nemend dat dit belang niet gelegen kan zijn in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en voorts dat niet om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verzocht. Een niet-ontvankelijkverklaring van het inleidend beroep gericht tegen besluit I voor zover dat ziet op de ontstoringskosten was dan ook op zijn plaats geweest.

Met betrekking tot hetgeen partijen verdeeld houdt overweegt de Raad het volgende.

A. Bijzondere bijstand voor dieetkosten.

Aan besluit I ligt, voor zover daarbij bijzondere bijstand is toegekend voor dieetkosten tot een bedrag van É40,-, een 27 oktober 1997 gedateerd advies ten grondslag van dr. U.J.L. Reijnders, arts bij de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) te Amsterdam. Dit advies bevat de conclusie dat er een medische indicatie bestaat voor een tegemoetkoming ten bedrage van É40,- per maand in de kosten van een diabetesdieet.
Alvorens de GG&GD-arts dit advies heeft uitgebracht, heeft hij appellante laten onderzoeken op de polikliniek endocrinologie van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit, alwaar J.H. de Vries, internist, heeft geconcludeerd dat er bij appellante sprake zou kunnen zijn van een reactieve hypoglykemie. Deze internist gaf appellante het advies om voedsel in te nemen bij het optreden van klachten. Met betrekking tot de candida van de darm kon de internist geen specifiek voedingsadvies geven omdat hier geen wetenschappelijk bewijs voor is. De huisarts heeft de GG&GD, als reactie op de conclusie van internist De Vries, op 16 oktober 1997 schriftelijk laten weten dat een voedingspatroon bestaande uit biologisch en biologisch dynamische producten zoals beschreven door de diŽtiste M.T. Geels, door wie appellante sinds september 1996 begeleid wordt, bij veel mensen in haar huisartsenpraktijk met reactieve hypoglykemie leidt tot vermindering van klachten.

Naar het oordeel van de Raad kan van het GG&GD-advies niet worden gezegd dat het onzorgvuldig is tot stand gekomen dan wel dat het op een onjuiste grondslag berust, zodat gedaagde bij het nemen van zijn besluit zich kon en mocht baseren op dit advies.

De door appellante en haar huisarts verstrekte informatie kan naar het oordeel van de Raad hieraan niet afdoen, aangezien die informatie geen toereikende onderbouwing bevat om aan te kunnen nemen dat op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten een aandoening is vastgesteld waarvoor het volgen van een dieet met overwegend biologisch en biologisch dynamische producten aangewezen is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de uit individuele omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke dieetkosten welke niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan meer dan É40,- per maand hebben bedragen.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht over het gunstige effect van haar behandeling door de osteopaat J.D. Fernand en de door hem geadviseerde voedingsmiddelen, en de bevestiging van de huisarts in een brief aan de Raad van 17 oktober 1999 dat de situatie van appellante sinds zij in behandeling is bij genoemde osteopaat een stuk stabieler is geworden, kan de Raad, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel brengen. De Raad merkt daarbij op dat de aanvraag voor dieetkosten die thans in geding is, dateert van eind 1995, terwijl appellante ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat zij eerst sedert augustus 1998 in behandeling is bij de osteopaat J.D. Fernand.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat besluit I stand kan houden voor zover het de afwijzing van de bijstand in de meerkosten van het dieet boven een bedrag van É40,- per maand betreft.

B. Bijzondere bijstand voor ontstoring van appellantes woning.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de ABW wordt geen bijstand verleend voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor betrokkene toereikend en passend te zijn.
Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de bijstand zich niet uitstrekt tot kosten die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van een voorliggende voorziening zijn gelaten.

Appellante wil de ontstoring van de woning in hoofdzaak plaats doen vinden met behulp van een zogeheten MagneTech. Dit is, zoals appellante ook ter zitting bevestigd heeft, een sterke magneetstaaf. Blijkens de productbeschrijving van deze magneetstaaf gaat het in feite om een hulpmiddel bij een natuurlijke geneeswijze. Dat betekent dat de gevraagde bijstand kosten betreft voor een hulpmiddel op het terrein van de gezondheidszorg. Hetzelfde geldt voor de zogeheten polariseerder die appellante ook zegt nodig te hebben voor de ontstoring van haar omgeving.

Naar het oordeel van de Raad dient voor de kosten van hulpmiddelen op het terrein van de gezondheidszorg ten tijde hier in geding, de AWBZ en in het bijzonder de Regeling hulpmiddelen AWBZ 1994 [zie Regeling hulpmiddelen 1996, red.], zoals die gold tot 1 januari 1996, in beginsel te worden beschouwd als een aan de ABW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de ABW.

Voor de hier aan de orde zijnde hulpmiddelen geldt dat zij niet zijn opgenomen in de limitatieve lijst van krachtens de AWBZ voor vergoeding in aanmerking komende hulpmiddelen, zodat het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de ABW aan bijstandverlening in de weg staat.

Het vierde lid van artikel 1a van de ABW biedt echter de mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden wel bijstand te verlenen voor de gevraagde kosten indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij gedacht te worden aan noodsituaties. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat hiervan in het geval van appellante niet is gebleken.

Gedaagde heeft derhalve de aanvraag om bijstand in de kosten van ontstoring op goede gronden bij besluit II afgewezen.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in beroep is beslist;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I, voor zover dit ziet op de dieetkosten, ongegrond;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I voor het overige niet-ontvankelijk;
verklaart het inleidend beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit II ongegrond;
gelast de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep gestorte recht van É170,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IHABW
x
LJN:
x
AD3773
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3050 NABW
Datum uitspraak: 31 juli 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65, 66, 69 en 109 Abw (= 17, 53a, 54 en 57 Wwb) / 4 en 5 IHABW
Trefwoorden: bank- en giroafschriften; weigering inzage; onleesbaar maken uitgavenposten; afdekken; afschrijvingen; schending inlichtingenverplichting; opschorting bijstand; beŽindiging; gegronde redenen
Essentie: Onterechte opschorting en beŽindiging bijstand wegens het onleesbaar maken van uitgavenposten op bank- en giroafschriften, omdat er i.c. geen gegronde redenen waren om inzicht te verkrijgen in het uitgavenpatroon van betrokkene.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3050 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. E.H. Jansen, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Groningen op 26 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 19 juni 2001, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. Motivering


Appellant ontvangt sedert 1 maart 1986 een bijstandsuitkering. In het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (IHABW) heeft in augustus 1996 een gesprek met appellant plaatsgevonden. Aangezien appellant onder andere had verzuimd afschriften van al zijn giro-, bank- en spaarrekeningen over de laatste drie maanden te overleggen, is zijn uitkering bij besluit van 2 september 1996 opgeschort. Daarbij is hij uitgenodigd voor een gesprek op 11 september 1996 met het verzoek op die datum de gevraagde informatie te verstrekken. Op 11 september 1996 heeft appellant bank- en giroafschriften over de periode van 2 mei tot en met 2 september 1996 overgelegd, waarop de uitgavenposten onzichtbaar zijn gemaakt; hij bleef bij zijn weigering om volledige inzage in deze afschriften te verlenen, omdat de sociale dienst naar zijn mening daar geen recht op heeft.

Bij primair besluit van 20 september 1996 is de bijstandsuitkering van appellant op grond van artikel 69, derde lid (oud), van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1996 beŽindigd.

Bij het thans bestreden besluit van 18 september 1997 heeft gedaagde de bezwaren van appellant gegrond verklaard, voor zover van hem overlegging van kopieŽn van giroafschriften over drie maanden is gevergd en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard, voor zover appellant niet volledig inzage heeft verleend in zijn giro- en bankafschriften.

De rechtbank heeft het beroep dat appellant heeft ingesteld tegen het besluit van 18 september 1997, voor zover daarbij zijn bezwaren ongegrond zijn verklaard, ongegrond verklaard. De rechtbank is - kort samengevat - tot het oordeel gekomen dat het controleren van bank- en giroafschriften weliswaar een inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer van appellant, maar dat die in het onderhavige geval gerechtvaardigd is op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom hij inzicht verlangt in het uitgavenpatroon van appellant.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad stelt eerst met de rechtbank vast dat het primaire besluit van 20 september 1996 een besluit is als bedoeld in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van de IHABW, zodat de rechtmatigheid van dit besluit dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw. Op het onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de IHABW, dat aan het primaire besluit vooraf is gegaan, is krachtens het tweede lid van dat artikel het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65, 66, eerste, tweede en derde lid, 69, 71 en 122 van de nieuwe Algemene bijstandswet van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, zoals deze bepaling tot 1 juli 1997 luidde, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. In artikel 66, eerste lid, van de Abw is onder meer bepaald dat burgemeester en wethouders bepalen welke bewijsstukken dienen te worden overgelegd. Ingevolge artikel 69, eerste en tweede lid, van de Abw, voor zover hier van belang, schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op indien de belanghebbende de gevorderde bewijsstukken onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, waarbij zij de belanghebbende mededeling doen van de opschorting en hem uitnodigen binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Het derde lid (oud) bepaalt dat de bijstand wordt beŽindigd met ingang van de eerste dag van de periode waarover de bijstand is opgeschort, indien de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Vaststaat dat appellant niet binnen de hersteltermijn de gevraagde volledige inzage van zijn giro- en bankafschriften heeft verleend. Met betrekking tot de vraag of dit verzuim hem valt te verwijten, overweegt de Raad het volgende.

De inlichtingenverplichting brengt onder meer mee dat in het kader van een heronderzoek naar het recht op uitkering voor de verlening van bijstand van belang zijnde financiŽle en andere persoonlijke gegevens dienen te worden verstrekt. Dit vormt in het algemeen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbende. Bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja, in welke mate de belanghebbende in een concreet geval verplicht is gegevens te verstrekken, neemt de Raad tot uitgangspunt dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig mag zijn aan het met de verstrekking van de gegevens nagestreefde doel en dat dit doel niet op een minder ingrijpende wijze moet kunnen worden bereikt.

Met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van bijstandscliŽnten heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gemeentebesturen op 20 februari 1998 een circulaire onder de titel "Privacykader voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet" doen toekomen. Dit privacykader, waaraan terugwerkende kracht is verleend tot 1 januari 1996, beoogt aan het bijstandverlenend orgaan een richtsnoer te bieden voor het uitvoeren van de Abw met inachtneming van de privacybescherming van cliŽnten. Met betrekking tot het mogen inzien van uitgavenposten op bank- en giroafschriften is in deze circulaire onder meer het volgende vermeld:
"De uitgaven op de bank- en giroafschriften kunnen de sociale diensten relevante informatie bieden over de financiŽle situatie van cliŽnten, wat soms aanleiding kan geven voor nader onderzoek. (...) Het inzicht kunnen hebben in het uitgavenpatroon van een cliŽnt echter is niet strikt noodzakelijk voor de controle op inkomsten en vermogen om het recht op uitkering te kunnen vaststellen. Gelet op de uitlatingen van de Registratiekamer en de uitspraak van de Arnhemse rechter hierover, dient het als een recht van de cliŽnt beschouwd te worden om de uitgaven op de bank- en giroafschriften onleesbaar te maken. De keuze om de uitgaven onleesbaar te maken, is aan de cliŽnt, tenzij de sociale dienst gegronde redenen heeft om de uitgaven in te zien, bijvoorbeeld bij een vermoeden van fraude of bij de toepassing van artikel 109 Abw. De situaties waarin de noodzaak van het inzien van het uitgavenpatroon volgens de sociale dienst wel bestaat, dient ze vooraf te motiveren. Na een individuele belangenafweging kan een onderzoek naar de uitgaven dan noodzakelijk blijken. De cliŽnt moet in dat geval uitdrukkelijk de uitgaven zichtbaar laten".

Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de reikwijdte van de inlichtingenplicht is overwogen, mede bezien in het licht van de hiervoor geciteerde opvatting van de voor de Abw verantwoordelijke bewindspersoon met betrekking tot de in gevallen als het onderhavige te hanteren gedragslijn, is de Raad van oordeel dat burgemeester en wethouders in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand aan de belanghebbende in beginsel inzage in de giro- en bankafschriften over de aan het onderzoek voorafgaande periode mogen vragen. Indien de belanghebbende bezwaar blijkt te hebben tegen het verlenen van inzage in zijn uitgaven, hetgeen bijvoorbeeld tot uitdrukking kan komen doordat hij de uitgavenposten onleesbaar heeft gemaakt, dient dit gerespecteerd te worden, tenzij deze gegevens werkelijk noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Hiervan is naar het oordeel van de Raad slechts sprake indien er in het betreffende geval gegronde redenen zijn om inzicht te verkrijgen in het uitgavenpatroon van de belanghebbende.

In het onderhavige geval is niet gebleken dat aan het verzoek van gedaagde aan appellant om volledige inzage te verlenen in zijn giro- en bankafschriften concrete, op hem betrekking hebbende feiten en omstandigheden ten grondslag hebben gelegen welke een gegronde reden opleveren om van hem inzage in diens uitgaven te verlangen. Het verzoek van gedaagde berust blijkens de gedingstukken op het ten aanzien van bijstandsgerechtigden in het algemeen door gedaagde ingenomen standpunt dat het bijstandverlenend orgaan in zijn functie van poortwachter bij de herbeoordeling als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de IHABW in het algemeen de inkomens- en vermogenspositie moet kunnen verifiŽren aan de hand van bank- en giroafschriften, waaronder begrepen de uitgavenposten. Onder deze omstandigheden kan appellant naar het oordeel van de Raad niet worden verweten dat hij bij het verstrijken van de hersteltermijn op 11 september 1997 slechts ten dele aan het verzoek van gedaagde heeft voldaan door bank- en giroafschriften over te leggen waarop de uitgavenposten onleesbaar zijn gemaakt.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde in het onderhavige geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 69, derde lid (oud), van de Abw en dat het bestreden besluit, voor zover aangevochten, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd. Gedaagde zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde ter veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op É710,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot É710,- , te betalen door de gemeente Veendam;
gelast de gemeente Veendam aan appellant het gestorte griffierecht van É55,- in beroep en É170,- in hoger beroep (in totaal É225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3836
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1771 NABW en 99/3916 NABW
Datum uitspraak: 21 augustus 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 18a Bln (= 39 Abw) (= 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand, bewindvoeringskosten; bewindvoerder; beschikking kantonrechter
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten wegens het ontbreken van de noodzaak daartoe, omdat de gemeente gebonden is aan de beschikking van de kantonrechter, die de noodzaak tot financiŽle belangenbehartiging in de vorm van onderbewindstelling reeds heeft vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1771 NABW en 99/3916 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidlaren [zie gemeente Tynaarlo, red.], als rechtsopvolger van het College Sociale Voorzieningen van die gemeente, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Assen op 19 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Als gemachtigde van gedaagde heeft mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, bij brief van 16 april 1999 beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van de uitspraak. Appellant heeft op 19 april 1999 alsnog een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij een voorbehoud is gemaakt voor het geval dat de Raad de uitspraak van de rechtbank zal vernietigen. De rechtbank heeft dat beroepschrift ter behandeling aan de Raad gezonden.

De gemachtigde van gedaagde heeft naar aanleiding van het besluit van 19 april 1999 het beroep ingetrokken en gelijktijdig verzocht om appellant in de gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze gemachtigde heeft tevens een verweerschrift ingediend betreffende het onderhavige geding alsmede het geding met de nummers 99/1824 NABW en 99/3909 NABW.

Het geding is, gevoegd met het hiervoor genoemde geding, behandeld ter zitting van 10 juli 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. O. Ketel, werkzaam bij de gemeente Zuidlaren, terwijl gedaagde is verschenen bij haar gemachtigde mr. Groot, voornoemd, en M. Kooi, werkzaam bij het Notariaat Zuidlaren BV.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst en wordt in de onderwerpelijke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Gedaagde, geboren in 1917, is op 19 februari 1991 door de kantonrechter te Assen onder bewind gesteld; als bewindvoerder is benoemd het Notariaat Zuidlaren BV (hierna: het notariaat).
Namens gedaagde is verzocht om de in 1995 gemaakte bewindvoeringskosten ad É984,13 voor vergoeding in aanmerking te brengen.

Bij besluit van 21 februari 1997 heeft het College Sociale Voorzieningen van de gemeente Zuidlaren (hierna: het College SV) de aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat de kosten van bewindvoering slechts bij uitzondering gerekend worden te behoren tot de noodzakelijke bestaanskosten en dat van die bijzondere noodzaak in het onderhavige geval niet is gebleken.
Bij besluit van 18 juli 1997 heeft het College SV het tegen het besluit van 21 februari 1997 ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, onder bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep van - thans - gedaagde tegen het besluit van 18 juli 1997 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat opnieuw op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van het in die uitspraak overwogene.

Appellant heeft in hoger beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat een beschikking van de kantonrechter tot onderbewindstelling niet meebrengt dat de kosten hiervan tot de noodzakelijke bestaanskosten, waarvoor in principe toekenning van bijzondere bijstand mogelijk is, dienen te worden gerekend. Appellant is van mening dat een kostbare oplossing als bewindvoering door het notariaat zeker niet nodig is in het geval van personen zoals gedaagde, die een beschermd bestaan leiden, omdat in die gevallen ook naar alternatieve oplossingen kan worden gezocht. Appellant stelt zich, onder verwijzing naar het beleid vastgelegd in zijn Nota bijzondere bijstandverlening gemeente Zuidlaren, alsmede naar een brief van 23 april 1993 van het hoofd van de sector Uitkeringsbeleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op het standpunt dat bewindvoeringskosten in principe door belanghebbenden zelf (uit de norm) betaald kunnen worden. Dit leidt slechts uitzondering indien sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden, welke door appellant nader zijn omschreven als "bestaans- of levensbedreigende omstandigheden". Van een medische noodzaak is, gelet op het advies van de GGD, evenmin gebleken. Voor een uitvoeriger weergave van genoemde beleidsregels verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt eerst dat de onderhavige aanvraag ten onrechte door appellant is beoordeeld in het kader van de Algemene bijstandswet. Het bestreden besluit ziet - zoals ook uit het onderliggende advies blijkt - op de in het jaar 1995 gemaakte kosten, zodat beoordeling van de betreffende aanvraag had dienen plaats te vinden op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW). Ook de rechtbank is uitgegaan van de toepasselijkheid van de Abw.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de ABW wordt aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln), in welk besluit nadere regelen betreffende de verlening van bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan zijn gegeven, wordt bijstand in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan vastgesteld met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk IV van dit besluit.

Artikel 18a van het Bln bepaalt vervolgens dat bijstand ter voorziening in de bijzondere kosten van het bestaan wordt verleend indien individuele omstandigheden leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan die naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de in hoofdstuk II, paragraaf 1, en hoofdstuk III, paragraaf 1, bedoelde uitkering en de aanwezige draagkracht.

De kantonrechter heeft in het kader van zijn bevoegdheid tot onderbewindstelling zoals geregeld in artikel 1:431 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) - met afweging van de individuele omstandigheden van gedaagde - de noodzaak tot haar onderbewindstelling beoordeeld en vastgesteld.
In artikel 1:447, eerste lid, van het BW wordt de beloning van de bewindvoerder geregeld, waarbij de kantonrechter de bevoegdheid toekomt om de beloning anders te regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven. Ter zake van de in geding zijnde kosten heeft de kantonrechter bij beschikking van 23 september 1996 de bewindvoerder gemachtigd deze kosten ten laste te brengen van het onder bewind gestelde vermogen van gedaagde.

De Raad is van oordeel dat appellant onder deze omstandigheden in het kader van de toepassing van de ABW ten aanzien van gedaagde aan de beschikking van de kantonrechter gebonden is en dat hiermee de noodzaak tot financiŽle belangenbehartiging in de vorm van onderbewindstelling uitgangspunt voor appellant dient te zijn.
Het stond appellant dan ook niet vrij om zelf de noodzaak van die onderbewindstelling te beoordelen en evenmin om te bezien of andere oplossingen mogelijk zouden zijn.

Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat de door appellant geformuleerde beleidsregels, onder meer inhoudende dat bijzondere bijstand in de onderhavige kosten slechts kan worden verleend indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, nader omschreven als bestaans- of levensbedreigende omstandigheden, uitgaan van een te beperkte opvatting van het begrip bijzondere omstandigheden, in artikel 18a van het Bln aangeduid als individuele omstandigheden.
De Raad verwijst in dit verband ook naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JABW 1999/149, inzake de toepassing van artikel 39, eerste lid, van de Abw.

Op grond van het vorenstaande dienen de met de bewindvoering samenhangende kosten te worden aangemerkt als noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 18a van het Bln.

De Raad merkt ten slotte nog op dat aan artikel 1:447 van het BW, waarin de beloning van de bewindvoerder is geregeld, geen betekenis toekomt voor de beantwoording van de vraag of de onderbewind gestelde in staat is de aldus vastgestelde beloning uit eigen middelen te voldoen.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden wegens strijd met de wet.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op É1775,-, wegens verleende rechtsbijstand, waarvan É355,- voor het indienen van een beroepschrift wegens het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot É1775,-, te betalen door de gemeente Zuidlaren aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat van appellant een recht van É675,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD3845
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/2471 NABW-VV en 01/1845 NABW
Datum uitspraak: 3 juli 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 69 en 81 Abw (= 13, 54 en 58 Wwb) / 3:2, 7:9 en 7:12 Awb
Trefwoorden: opleiding; studie; universiteit; studiebelasting ten minste 19 uur per week; beŽindiging bijstand; terugvordering; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte beŽindiging en terugvordering van bijstand wegens het volgen van een studie gedurende ten minste 19 uur per week, omdat betrokkene niet is gehoord over nieuwe informatie bij de gemeente bekend geworden na de hoorzitting en het terugvorderingsbesluit de juiste wettelijke grondslag mist. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar echter kunnen de beŽindiging en terugvordering rechtmatig zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/2471 NABW-VV en 01/1845 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Utrecht op 23 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij datzelfde geschrift is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 26 juni 2001, waar voor verzoeker is verschenen mr. C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de president het volgende.

Gedaagde, geboren in 1967, heeft vanaf 1991 tot en met augustus 1997 als voltijdstudent psychologie gestudeerd aan de [X] ([X]). Van maart 1998 tot en met augustus 1998 en van maart 1999 tot en met augustus 1999 volgde hij als deeltijdstudent deze studie aan de [X].
De inschrijving als deeltijdstudent in 1998 en 1999 was bij verzoeker, die gedaagde vanaf 24 december 1997 een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) verstrekte, niet bekend. De studieactiviteiten van gedaagde als deeltijdstudent psychologie in 1998 werden gemeld in een bezwaarschrift van 24 januari 1999 naar aanleiding van een besluit tot verlaging van gedaagdes uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten.
De herinschrijving van gedaagde als deeltijdstudent per 1 maart 1999 werd gemeld tijdens een in april 1999 verricht heronderzoek. Verzoeker heeft daarop gedaagdes recht op bijstand opgeschort vanaf 1 maart 1999 en gedaagde een termijn gesteld voor het verstrekken van een kopie collegekaart of inschrijvingsbewijs als student aan de [X]. Gedaagde heeft die informatie binnen de gestelde termijn alsnog aan verzoeker verstrekt.

Vervolgens heeft verzoeker bij besluit van 3 juni 1999 gedaagdes bijstandsuitkering per 1 maart 1999 ingetrokken op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a (bedoeld is: b), van de Abw en die uitkering over de periode van 1 maart 1999 tot en met 30 april 1999 teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van die wet.
Bij besluit van 23 augustus 1999 heeft verzoeker na gemaakt bezwaar de grondslag van het intrekkingsbesluit per 1 maart 1999 gewijzigd in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw en het terugvorderingsbesluit gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 23 augustus 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is ten onrechte op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw het recht op bijstand ingetrokken en tot terugvordering overgegaan.

Verzoeker heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De president stelt eerst vast dat in de aangevallen uitspraak terecht tot uitgangspunt is gekozen dat objectieve, dan wel objectiveerbare gegevens betreffende de studielast van
de studie in concreto (inclusief eventueel verleende vrijstellingen) van de betrokken onderwijsinstelling bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de betrokkene een persoon is als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw (zie onder meer 's Raads uitspraken, gepubliceerd in JABW 1999/113 en USZ 2000/19).
Niet te controleren informatie van de student zelf omtrent de hoeveelheid tijd die hij aan de studie besteedt of besteed heeft, is in dit kader niet beslissend. Evenmin is beslissend de omstandigheid dat de student ervoor kiest of gekozen heeft om het studieprogramma en de te behalen studiepunten over een langere tijd te spreiden (zie ook 's Raads uitspraak, gepubliceerd in RSV 2001/140).
Anders dan de rechtbank kent de president evenmin doorslaggevende betekenis toe aan de door gedaagdes gemachtigde aan de rechtbank overgelegde verklaring van 6 oktober 1999 van een studieadviseur van de faculteit Sociale Wetenschappen van de [X]. Die verklaring, die slechts laat zien wat het aantal studiepunten en de studiebelasting is van ťťn vak waarin gedaagde op 27 augustus 1999 een tentamen heeft gedaan, biedt geen deugdelijke basis om te oordelen dat ten aanzien van gedaagde ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw.

Er zijn echter andere redenen waarom het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten.

De president stelt daartoe eerst vast dat gedaagde in bezwaar niet de gelegenheid is geboden om op de eerst na afloop van de hoorzitting door de [X] aan verzoeker verstrekte informatie omtrent de studiebelasting van de deeltijdstudie psychologie te reageren. De gemachtigde van gedaagde heeft in beroep als grief aangevoerd dat door verzoeker artikel 7:9 van de Awb is geschonden. Deze grief treft doel, omdat juist die informatie van aanmerkelijk belang was voor de op het bezwaar te nemen beslissing.
Met betrekking tot het besluit tot terugvordering van bijstand over de periode van 1 maart 1999 tot en met 30 april 1999 stelt de president voorts vast dat dit besluit gebaseerd is op artikel 81, eerste lid, van de Abw zoals deze bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Er ontbreekt echter een besluit dat nodig is om dat artikel toe te kunnen passen. Dat kan zijn een besluit gegrond op de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van die wet. Het terugvorderingsbesluit komt dan ook wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Nu de vernietiging van het bestreden besluit op geheel andere gronden berust dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gebezigd, zal de president deze uitspraak vernietigen behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in eerste aanleg is beslist, het bestreden besluit vernietigen en voorts doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

Verzoeker zal ter zake van de intrekking en de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Met het oog op dat nieuwe besluit geeft de president nog enkele aanwijzingen.

Wat de intrekking van het recht op uitkering per 1 maart 1999 aangaat, kan gedaagde [verzoeker, red.] zich alsnog de basis voor de terugvordering verschaffen door toepassing te geven aan artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, in verbinding met artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw.
Daarbij kan uitgangspunt zijn dat in casu laatstgenoemde bepaling toepasselijk is, omdat zowel uit de in bezwaar als in hoger beroep vanwege de [X] aan verzoeker verstrekte informatie naar voren komt dat de deeltijdstudie psychologie een volwaardige studie is, opgebouwd uit een propedeuse en een doctoraalfase, met een cursusduur van zeven jaar en een studiebelasting van meer dan 19 uren per week. Gesteld nog gebleken is dat in het geval van gedaagde sprake is geweest van verkorting van de studieduur wegens verleende vrijstellingen. Met dit besluit zal aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw kunnen worden voldaan.

Aangezien uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte termen aanwezig. Deze kosten worden begroot op É710,- wegens aan gedaagde verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht in eerste aanleg is beslist;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verzoeker een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;
veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot É710,-, te betalen door de gemeente Utrecht;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht van É675,- wordt terugbetaald door de griffier van de Raad.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x