Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD3847
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 1/102 NABW VV
Datum uitspraak: 6 februari 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65 Abw (= 17 Wwb) / 4:5 Awb
Trefwoorden: inlichtingenverplichting; vertaling Marokkaanse documenten; Arabisch; hersteltermijn; niet behandelen aanvraag
Essentie: Terecht niet in behandeling nemen bijstandsaanvraag wegens het niet verstrekken van vertalingen van Marokkaanse documenten inzake eigendom en erfenis, omdat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de geboden hersteltermijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Maastricht AWB 1/102 NABW VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, gevestigd te Brunssum, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 18 december 2000.
Kenmerk: sector Burgerzaken.
Behandeling ter zitting: vrijdag 2 februari 2001.




I. Procesverloop


Bij schrijven van 18 december 2000 heeft verweerder besloten op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering niet in behandeling te nemen, nu verzoeker niet binnen de hem gestelde termijn (vertaalde) gegevens heeft overgelegd.

Namens verzoeker is door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, op 22 januari 2001 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekers raadsman zich gewend tot de president van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gemachtigde gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 2 februari 2001, alwaar namens verzoeker is verschenen mr. A.J.J. Kreutzkamp voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door dhr. T.G.J. Ciszko.




II. Overwegingen


II.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien een bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen, ziet de president geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Omtrent de geformuleerde voorwaarden van de vereiste onverwijlde spoed oordeelt de president dat gelet op hetgeen van de kant van verzoeker omtrent zijn financile positie is uiteengezet voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker thans in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
De president ziet dan ook geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

II.2. Namens verzoeker is gesteld dat het besluit van 18 december 2000 onbevoegdelijk genomen is, nu het besluit ten onrechte krachtens ondermandaat is genomen. Verzoekers raadsman verwijst daartoe naar het mandaatbesluit van 27 maart 2000.
Verweerders gemachtigde heeft ter zitting erkend dat het besluit door het College genomen had moeten worden, echter stelt zich op het standpunt dat dit hersteld kan worden in de bezwaarprocedure.

Ook de president ziet in het bevoegdheidsgebrek van het primaire besluit onvoldoende grond om te concluderen dat in een eventuele hoofdzaak het besluit op bezwaar niet gehandhaafd kan worden. De president laat daarbij wegen dat het bestuursorgaan dat krachtens de Abw verantwoordelijk is voor beslissingen inzake het verlenen van bijstand, te weten het College, het orgaan is waarvan betrokkene een beslissing op zijn bezwaarschrift zal verkrijgen.

II.3. Verzoeker heeft op 1 november 2000 een uitkering aangevraagd op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij heeft verzoeker documenten overhandigd welke betrekking hebben op zijn eigendom in Marokko alsmede op zijn erfenis in verband met het overlijden van zijn vader.

Bij brief van 14 november 2000 heeft verweerder verzoeker verzocht om de betreffende documenten vr 15 december 2000 te doen vertalen en over te leggen aan de afdeling Inkomen, nu de van gemeentewege ingeschakelde tolk/vertaler de stukken niet kan vertalen vanwege het gebruikte schrift.
Bij schrijven van 29 november 2000 heeft verzoekers gemachtigde verweerder meegedeeld dat verzoeker financieel niet in staat is een vertaling van bedoelde gegevens over te leggen.

Bij het thans bestreden besluit van 18 december 2000 heeft verweerder verzoeker meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, nu de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn zijn overgelegd. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft, zoals ter zitting is gebleken, bij het nemen van zijn besluit mee laten wegen dat verzoeker en zijn gemachtigde zich passief hebben opgesteld en geen verdere stappen hebben ondernomen om duidelijkheid te verschaffen met betrekking tot de betreffende stukken.

II.4. In het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
In het tweede lid van artikel 4:5 van de Awb is bepaald dat indien de aanvraag of n van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag met een vertaling aan te vullen.

Nu aan het verzoek tot het verzorgen van een vertaling niet voldaan is binnen de gestelde termijn, was verweerder naar dezerzijds oordeel bevoegd de aanvraag buiten behandeling te laten. Niet is gebleken dat namens verzoeker om uitstel is verzocht om de vertaling over te leggen.
Namens verzoeker is in het schrijven van 29 november 2000 wel meegedeeld dat er geen financile ruimte is om de kosten te dragen die zijn verbonden aan bedoelde vertaling. Daarbij heeft verzoekers gemachtigde aangegeven dat hij van mening is dat dit feit niet in de weg mag staan aan voortgezette behandeling van de aanvraag en verzoekt hij om verweerders visie dienaangaande. Nu hij deze visie niet ontvangen heeft, stelt verzoekers gemachtigde dat verweerders bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Nog afgezien van het feit dat verweerders besluit in wezen verweerders visie op het standpunt van verzoekers gemachtigde weergeeft, kan de president verzoekers gemachtigde niet volgen in diens opvatting. De bevoegdheid om met toepassing van artikel 4:5, eerste en tweede lid, van de Awb een aanvraag niet te behandelen, komt verweerder toe indien de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Dit brengt mee dat een bestuursorgaan dat van die bevoegdheid gebruik wil maken de aanvrager onmiskenbaar dient te hebben meegedeeld dat hem een termijn is gesteld voor het aanvullen van de aanvraag en dat het niet binnen die termijn voldoen aan het verzoek om de aanvraag aan te vullen tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet behandeld wordt. Uit het schrijven van verweerder van 14 november 2000 blijkt welke gegevens verzoeker dient over te leggen, binnen welke termijn de gegevens moeten worden overgelegd en tevens dat niet of niet volledige verstrekking van de gegevens tot gevolg kan hebben dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

II.5. Gelet op het voorgaande ziet de president geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek dienaangaande afgewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.




III. Beslissing


De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. R.A.B. Bollen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2001 door mr. A.G.M. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Bollen            w.g. A.G.M. Jansberg




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 februari 2001.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/3528 NABW-VV en 01/3318 NABW
Datum uitspraak: 21 augustus 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beindiging bijstand; onrechtmatig verblijf; uitgeprocedeerd; Turken
Essentie: Terechte beindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat definitief is komen vast te staan dat het verzoek om toelating is afgewezen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/3528 NABW-VV en 01/3318 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. Inleiding


Namens verzoekster heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Maastricht op
9 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 28 juni 2001 heeft voornoemde gemachtigde tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Partijen hebben desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 augustus 2001, waar voor verzoekster is verschenen mr. Kreutzkamp, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster, van Turkse nationaliteit, heeft op 17 maart 1997 een verzoek ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 22 juni 1998 is deze aanvraag afgewezen. De Staatssecretaris van Justitie heeft het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard bij besluit van 18 maart 1999. De rechtbank te Den Haag heeft het beroep tegen het besluit van 18 maart 1999 ongegrond verklaard bij uitspraak van 6 april 2000. Vervolgens is verzoekster aangezegd om Nederland vr 19 juni 2000 te verlaten.

Verzoekster heeft op 26 juni 2000 een nieuwe aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend. Bij besluit van 29 september 2000 heeft voornoemde Staatssecretaris besloten deze aanvraag niet in behandeling te nemen en verzoekster aangezegd dat zij Nederland binnen vier weken moest verlaten wegens het niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf als omschreven in artikel 16a van de Vreemdelingenwet (Vw). Namens verzoekster is tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij brief van 26 oktober 2000. Bij brief van 29 november 2000 heeft meergenoemde Staatssecretaris de gemachtigde van verzoekster de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd en bericht dat verzoekster Nederland binnen twee weken na dagtekening van die brief moest hebben verlaten. Daaraan is in die brief toegevoegd dat verzoekster, alleen indien een voorlopige voorziening tegen de dreigende uitzetting binnen de vertrektermijn wordt aangevraagd, de uitspraak in beginsel in Nederland mag afwachten. Bij brief van 12 december 2000 is namens verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend met het verzoek te bepalen dat verzoekster de beslissing op haar bezwaarschrift in Nederland mag afwachten. Op dat laatste verzoek en op het bezwaarschrift is nog niet beslist.

Uit het dossier blijkt voorts dat gedaagde verzoekster een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) heeft toegekend, aanvankelijk slechts voor de periode van 3 juni 1997 tot 17 maart 1998 en later ook vanaf laatstgenoemde datum, met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw. Hieraan lagen verklaringen van de korpschef in de zin van de Vw ten grondslag als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift Vreemdelingen. Gedaagde heeft na de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: de Koppelingswet) per 1 juli 1998 de bijstandsuitkering van verzoekster voortgezet.
Medio mei 2000 werd bij de Dienst Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Maastricht bekend dat het beroep van verzoekster tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 18 maart 1999 ongegrond was verklaard.
Bij besluit van 17 juli 2000 heeft gedaagde de aan verzoekster toegekende uitkering beindigd met ingang van 1 augustus 2000.
Bij besluit van 31 januari 2001 heeft gedaagde het namens verzoekster tegen het besluit van 17 juli 2000 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard, kort samengevat omdat zij geen recht meer heeft op bijstand ingevolge artikel 7 van de Abw. Voorts heeft gedaagde in dat besluit het beroep op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en op het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) verworpen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens verzoekster tegen het besluit van 31 januari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust dan wel in strijd zou zijn met de ingeroepen verdragsbepalingen.

In hoger beroep is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de president gaat ervan uit, dat verzoekster op grond van het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels op de in dit geding relevante datum (dat is, anders dan in die uitspraak vermeld, niet 17 juli 2000 maar 1 augustus 2000) geen recht meer kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Verzoekster was immers geen vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf hield in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw en zij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1998, 308) met een Nederlander worden gelijkgesteld.

In zijn uitspraken van 26 juni 2001 betreffende de toepassing van de Koppelingswet, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186, heeft de Raad bij de toetsing van die wet aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt ervan wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen genoemd in onderdeel 3 van artikel 1b van de Vw. Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn op een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een rechterlijke beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten.
De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de Koppelingswet zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw, de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de werknemersverzekeringswetten in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend en voor degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling op reguliere wijze hun verzekeringspositie krachtens de AKW en de werknemersverzekeringswetten hebben verworven.
Voor hen geldt dat er onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te beindigen dan als voorzien in artikel 1b, onder 3, van de Vw, te weten eerst wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het verzoek om toelating.

Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval moet de president constateren dat verzoekster heeft behoord tot de groep van vreemdelingen aan wie met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is toegekend. Zij heeft dit recht ook na de invoering van de Koppelingswet op 1 juli 1998 behouden omdat zij in afwachting was van de uitkomst van de toelatingsprocedure naar aanleiding van haar verzoek om toelating van 17 maart 1997.
Met de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 april 2000 is definitief komen vast te staan dat dit verzoek om toelating terecht niet is ingewilligd. Evenals de rechtbank is ook de president van oordeel dat na deze uitspraak het bestreden besluit tot afbouw van verzoeksters bestaande rechtspositie, leidend tot beindiging van haar bijstandsuitkering per 1 augustus 2000, niet als strijdig met artikel 26 IVBPR kan worden bestempeld. Het enkele gegeven dat verzoekster op die datum in afwachting was van een besluit op een nieuw verzoek om toelating van 26 juni 2000 maakt dit niet anders.

Het beroep op artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB slaagt evenmin. Ten tijde hier van belang was van rechtmatig verblijf in de zin van dat verdrag geen sprake. Aan verzoekster was aangezegd dat zij vr 19 juni 2000 Nederland moest hebben verlaten.
De president overweegt ten slotte dat met feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na 1 augustus 2000 en waarvan niet vaststaat dat deze wijziging brengen in de situatie op die datum, in dit geding geen rekening kan worden gehouden. Reeds om die reden komt aan de mededeling van de Staatssecretaris van Justitie van 29 november 2000 dat verzoekster bij indiening van een verzoek om een voorlopige voorziening binnen twee weken na die datum de uitspraak in beginsel in Nederland mag afwachten geen betekenis toe.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Awb / Bw / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3849
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/3140 NABW, 01/3141 NABW, 01/3191 NABW-VV en 01/3192 NABW-VV
Datum uitspraak: 27 juli 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8:31 en 8:42 Awb / 26 Bw
Trefwoorden: op de zaak betrekking hebbende stukken; inzending alle stukken aan rechtbank; herstel verzuim; terugverwijzing zaak naar rechtbank
Essentie: Terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank wegens het ten onrechte vernietigen van het bestreden besluit (maatregel van 20% gedurende twee maanden) op het oordeel dat de gemeente ernstig te kort is geschoten in haar plicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden, omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld de nog ontbrekende stukken in te zenden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/3140 NABW, 01/3141 NABW, 01/3191 NABW-VV en 01/3192 NABW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verzoeker,

en

[gedaagde A] en [gedaagde B], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 1 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Bij hetzelfde geschrift is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagden is een aantal stukken ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 juli 2001, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, terwijl voor gedaagden is verschenen hun gemachtigde mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Uit de gedingstukken blijkt, voor zover hier van belang, het volgende.

Bij besluit van 3 mei 1999 heeft verzoeker aan gedaagden, die een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van gehuwden ontvingen, met ingang van 1 mei 1999 een maatregel opgelegd van 20% gedurende twee maanden wegens het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Het betrof hier een tweede recidivemaatregel.
Bij het bestreden besluit van 9 november 1999 heeft verzoeker de bezwaren van gedaagden tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak - voor zover in hoger beroep van belang - heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het primaire besluit van 3 mei 1999 herroepen alsook beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. De vernietiging van het bestreden besluit rust op het oordeel dat verzoeker ernstig te kort is geschoten in zijn plicht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden, waarna toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb.

In hoger beroep betoogt verzoeker dat hij aan de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting heeft voldaan nu in beroep de stukken, welke direct betrekking hebben op het bestreden besluit, ingezonden zijn en hij voorts aan een verzoek van de rechtbank van 7 februari 2001 om toezending van nog een drietal stukken gehoor heeft gegeven. Voorts stelt verzoeker dat hij door de rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld om de in de aangevallen uitspraak nader aangegeven ontbrekende stukken in te zenden, zodat sprake is van een onjuiste toepassing van artikel 8:31 van de Awb.

Naar aanleiding hiervan overweegt de president het volgende.

Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb bepaalt dat binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank inzendt.

De president onderkent dat, mede gezien de stukken die verzoeker in hoger beroep heeft ingezonden, bezwaarlijk volgehouden kan worden dat verzoeker in beroep alle op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft overgelegd. Hij stelt vast dat verzoeker heeft volstaan met het inzenden van de stukken die naar zijn inzicht essentieel zijn voor het beoordelen van het bestreden besluit in rechte. Dit strookt naar het oordeel van de president niet met tekst en strekking van het bepaalde in artikel 8:42, eerste lid, in verbinding met artikel 8:29 van de Awb.

De grief van verzoeker dat de rechtbank hem in de gelegenheid had moeten stellen om de nog ontbrekende stukken in te zenden, treft evenwel doel.
De president overweegt hiertoe in het voetspoor van 's Raads uitspraak van 30 juli 1999, onder andere gepubliceerd in RSV 1999/286, dat in artikel 8:31 van de Awb een bevoegdheid van de rechtbank is neergelegd die niet zonder onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden en zonder evenredige belangenafweging kan worden uitgeoefend. Dit betekent dat de rechtbank alvorens gevolgtrekkingen te maken als in dat artikel bedoeld, de desbetreffende partij in de gelegenheid dient te stellen ontbrekende stukken in te zenden, dan wel aan te geven waarom bepaalde stukken niet zijn ingezonden. Aangezien de rechtbank in casu verzoeker niet in de gelegenheid heeft gesteld de nog ontbrekende stukken in te zenden, heeft zij een onjuiste toepassing gegeven aan de haar in artikel 8:31 van de Awb gegeven bevoegdheid.

Dit leidt de president tot de conclusie dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte het bestreden besluit reeds met toepassing van artikel 8:31 van de Awb heeft vernietigd. Die uitspraak komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De zaak zal met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet voor nader onderzoek worden teruggewezen naar de rechtbank.

Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door gedaagden gemaakte proceskosten overweegt de president dat de rechtbank - afhankelijk van de uitkomst van het bij haar voort te zetten geding - die kosten in een eventuele proceskostenveroordeling dient te betrekken. Deze kosten worden begroot op 710,- voor verleende rechtsbijstand.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de zaak nummer 99/10595 NABW;
wijst de zaak met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 9 november 1999 ter verdere behandeling terug naar de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
bepaalt dat de griffier het door verzoeker gestorte griffierecht van 675,- terugbetaalt aan de gemeente Eindhoven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD3998
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R00/060HR
Datum uitspraak: 7 december 2001
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 57, 61 (oud) en 64 (oud) ABW (= 81, en Abw) (= 17, en Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; vaststelling aflossingsbedrag; fraude; bevoegdheid commissie; delegatie; Hoge Raad
Essentie: Terecht heeft de rechtbank geen maandaflossingsbedrag van een terugvorderingsschuld wegens bijstandsfraude vastgesteld, omdat het hier slechts een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft en er bovendien door partijen niet is verzocht om een dergelijke vaststelling. Het terugvorderingbesluit is bevoegdelijk genomen, omdat de wet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid dat de gemeenteraad een bevoegdheid welke normaliter toekomt aan B&W overdraagt aan een gemeentelijke commissie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden
R00/060HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,

tegen

de gemeente Den Haag, zetelende te Den Haag, verweerster in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 6 december 1994 ter griffie van het kantongerecht te Den Haag ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat:
1. de Gemeente een bedrag van 88.443,18 kan terugvorderen van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en van [betrokkene A];
2. de Gemeente maandelijks een bedrag van 500,- kan invorderen van [verzoeker] en een bedrag van 500,- van [betrokkene A], waarbij de n zal zijn gekweten voor de bedragen die door de ander op de gezamenlijke schuld afgelost zijn, totdat genoemd bedrag zal zijn voldaan;
3. beslag gelegd kan worden onder derden die gelden verschuldigd zijn of worden aan [verzoeker] en [betrokkene A] indien zij niet overgaan tot vrijwillige aflossing;
4. bij uitblijven van geregeld betalingen het saldo van de vordering terstond en ineens opeisbaar zal zijn.

Nadat de Kantonrechter bij tussenbeschikking van 31 januari 1995 een mondelinge behandeling had gelast, hebben [betrokkene A] en [verzoeker] het verzoek afzonderlijk bestreden. De Kantonrechter heeft bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente van [verzoeker] kan terugvorderen een bedrag van 42.442,42 en het anders of meer gevorderde afgewezen.
Tegen deze beschikkingen heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Den Haag.
Bij beschikking van 13 maart 2000 heeft de Rechtbank de bestreden beschikkingen bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.




3. Beoordeling van de middelen


3.1. Het gaat in deze zaak om de terugvordering in rechte door de Gemeente van kosten van bijstand, verleend aan [verzoeker] over de periode 1 januari 1989 tot 1 juli 1991. Naar aanleiding van het daartoe strekkende verzoek van de Gemeente heeft de Kantonrechter bij beschikking van 9 januari 1996 bepaald dat de Gemeente een bedrag van 42.442,41 kan terugvorderen van [verzoeker]. De Rechtbank heeft deze beschikking bekrachtigd.

3.2. Het eerste middel stelt aan de orde de vraag of de Commissie Sociale Zekerheid van de Gemeente bevoegd was tot het nemen van het aan het door de Gemeente op 6 december 1994 ingediende verzoekschrift ten grondslag liggende besluit tot terugvordering in rechte. Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer onder 2.1 tot en met 2.5.

3.3.1. Het tweede middel bevat in onderdeel 5.3 de klacht dat de Rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 64 (oud) ABW door geen bedrag vast te stellen dat geregeld (maandelijks) door [verzoeker] aan de Gemeente zou moeten worden betaald, althans dat de door de Rechtbank gegeven motivering onbegrijpelijk is.

3.3.2. Artikel 64, eerste lid, (oud) ABW, dat ingevolge artikel X van de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift nog gold, luidde:
"Indien het verhaal gemaakte kosten betreft, stelt de Kantonrechter het bedrag vast dat, tot een aangegeven totaalsom, geregeld aan het verhalend lichaam zal worden voldaan. Hij kan een bedrag vaststellen dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ingevorderd".

3.3.3. De Rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep van [verzoeker] op artikel 64 (oud) ABW in rov. 3.10 [rechtsoverweging 3.10, red.] overwogen, voor zover voor de beoordeling van het onderdeel van belang, dat zij niet beschikt "over voldoende en actuele gegevens met betrekking tot de financile situatie van [verzoeker], zodat aan de Gemeente kan worden overgelaten een maandelijks bedrag tot terugvordering vast te stellen".

3.3.4. De Rechtbank heeft aldus in zoverre toepassing gegeven aan artikel 64, eerste lid, (oud) ABW dat zij de vraag onder ogen heeft gezien of een bedrag kon worden vastgesteld dat [verzoeker] maandelijks aan de Gemeente zou dienen te betalen, doch heeft geoordeeld dat die vraag bij gebreke van voldoende gegevens ontkennend moet worden beantwoord. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van artikel 64, eerste lid, (oud) ABW en is noch onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.

3.3.5. Uit het voorafgaande volgt dat het middel (de onderdelen 5.1 en 5.2 bevatten geen klachten) niet tot cassatie kan leiden.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.




CONCLUSIE


R00/060HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 7 september 2001

Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de gemeente Den Haag

In deze zaak gaat het om terugvordering van bijstand op voet van de oude ABW: is het besluit tot terugvordering in rechte door een daartoe bevoegde instantie genomen?




1. De feiten en het procesverloop


1.1. Bij verzoekschrift, ter griffie van het kantonrechter ingekomen op 6 december 1994, heeft verweerster in cassatie (hierna: de gemeente) zich gewend tot de kantonrechter te Den Haag. De gemeente verzocht vast te stellen dat zij een bedrag van 88.443,18 kan terugvorderen van [verzoeker] (thans verzoeker tot cassatie, hierna aangeduid als: betrokkene) en diens toenmalige echtgenote. Aan het verzoek heeft de gemeente ten grondslag gelegd dat aan betrokkene bijstand is verstrekt, onder meer over het tijdvak van 1 januari 1988 tot 1 juli 1991, en dat betrokkene door hem in dat tijdvak genoten inkomsten voor de gemeente heeft verzwegen. De gemeente vordert de bijstand terug op grond van artikel 57, aanhef en onder a en/of d, van de Algemene Bijstandswet (de ABW van 1963).

1.2. De kantonrechter heeft bij tussenbeschikking van 31 januari 1995 een mondelinge behandeling gelast. Bij gelegenheid van die behandeling heeft het echtpaar verweer gevoerd. Van de zijde van betrokkene is primair aangevoerd dat de gemeente in het verzoek niet-ontvankelijk is bij gebreke van een geldig terugvorderingsbesluit. Subsidiair heeft betrokkene betoogd dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de bijstand terug te betalen.

1.3. De kantonrechter heeft de behandeling aangehouden, waarna de gemeente documenten heeft overgelegd en het tegen de echtgenote gerichte verzoek heeft ingetrokken. De gemeente heeft het verzoek voor zover tegen betrokkene gericht verminderd tot 42.442,41, terstond voor het geheel opeisbaar doch onder aantekening dat de gemeente eerst tot invordering zal overgaan na opheffing van een door de Belastingdienst ten laste van betrokkene gelegd loonbeslag. Bij beschikking van 9 januari 1996 heeft de kantonrechter het verminderde verzoek toegewezen en bepaald dat de gemeente 42.442,41 van betrokkene kan terugvorderen.

1.4. Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Den Haag. Bij beschikking van 13 maart 2000 heeft de rechtbank de beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd.

1.5. Bij verzoekschrift, ingekomen op 8 mei 2000 - mitsdien tijdig (1) -, heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld. De gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen. De sedertdien verstreken tijd is gebruikt voor vergeefse pogingen om het dossier gecompleteerd te krijgen (2).




2. Bespreking van de cassatiemiddelen


2.1. Middel 1 heeft betrekking op de verwerping van grief I waarin betrokkene had betoogd dat het besluit tot terugvordering niet door een bevoegde instantie is genomen. De klacht vereist enige toelichting. Artikel 61 van de vroegere ABW bepaalde dat besluiten ter zake van verhaal in rechte worden genomen door burgemeester en wethouders (B&W). Deze bepaling had, naar mag worden aangenomen, ten doel de besluitvorming omtrent verhaal op een politiek niveau te tillen (3). De kantonrechter toetst in de (toenmalige) verhaalsprocedure het besluit aan de wet en, zo nodig, aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (4). Toen ingaande 1 augustus 1992 de verhaalsbepalingen in de ABW werden gewijzigd door de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, is een overgangsbepaling getroffen in artikel X van die wet. Het eerste lid daarvan hield in:
"De artikelen 61 tot en met 66 en 71 van de Algemene Bijstandswet, zoals die artikelen luidden vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van toepassing op de terugvordering in rechte van kosten van bijstand (...). Tot dat tijdstip treden de artikelen 61 tot en met 61c, 61d, derde lid, 61e en 84f, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet, zoals die artikelen komen te luiden ingevolge deze wet, niet in werking".

Artikel 61 (oud) ABW is op grond van deze overgangsbepaling van belang gebleven voor de terugvordering van bijstand tussen 1 augustus 1992 en 1 januari 1996 (op welke laatste datum de nieuwe Abw in werking trad).

2.2. In feitelijke aanleg is namens betrokkene het verweer gevoerd dat een besluit van B&W tot terugvordering als bedoeld in artikel 61 (oud) ABW ontbreekt. De gemeente heeft gesteld dat de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag in haar vergadering van 11 november 1994 heeft besloten tot terugvordering. Betrokkene heeft hiertegen ingebracht dat de Commissie daartoe niet bevoegd was. De gemeente heeft in reactie op die stelling gewezen op een besluit van de gemeenteraad van Den Haag d.d. 7 april 1994 (Verordening Commissie Sociale Zekerheid), waarin aan deze commissie onder meer worden toegekend de bevoegdheden van B&W ingevolge de ABW tot het nemen van besluiten ter zake van terugvordering en verhaal in rechte (zulks voor zover deze laatste bevoegdheid niet reeds door B&W aan ambtenaren van de Dienst SZW is gemandateerd, hetgeen volgens de rechtbank, rov. 3.7, hier niet het geval is). De rechtbank heeft hieruit afgeleid dat de Commissie Sociale Zekerheid het besluit tot terugvordering namens B&W heeft genomen. Het middel komt met een rechtsklacht tegen dit oordeel op. In het middel wordt aangevoerd dat de besluitvorming omtrent de terugvordering exclusief berust bij B&W en niet in handen van de gemeenteraad ligt. Omdat de gemeenteraad zelf geen bevoegdheid heeft, kan hij niet de Commissie Sociale Zekerheid bevoegd maken (5). Subsidiair verbindt het middel hieraan een motiveringsklacht.

2.3. In de oorspronkelijke versie van de vroegere ABW kwam in artikel 72 een regel voor welke inhield dat de gemeenteraad een College voor de verlening van bijstand kan instellen waaraan bevoegdheden van B&W ingevolge de ABW worden toegekend (6). De raad regelt volgens die bepaling de samenstelling van dit College en de uitoefening van deze bevoegdheden. Blijkens de parlementaire geschiedenis liep die regel vooruit op een te verwachten wijziging van de toenmalige Gemeentewet (7). Na die wijziging (het toenmalige artikel 61 Gemw) werd artikel 72 ABW weer geschrapt (8). In artikel 61 Gemw (oud) werd in het algemeen bepaald dat de gemeenteraad commissies kan instellen (onder meer) met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. De raad regelt de bevoegdheid en de samenstelling van die commissies. Artikel 63 Gemw (oud) bepaalde dat de raad aan een commissie als bedoeld in artikel 61 Gemw (oud) bevoegdheden van de raad en van burgemeester en wethouders kan toekennen. De in artikel 63 Gemw (oud) genoemde uitzonderingen zijn in dit geding niet aan de orde. Om de eigen verantwoordelijkheid van B&W niet helemaal uit te hollen, bepaalde artikel 63, tweede lid, Gemw (oud) dat bevoegdheden van burgemeester en wethouders slechts aan zo'n commissie kunnen worden toegekend op voorstel van B&W zelf. In de op 1 januari 1994 in werking getreden nieuwe Gemeentewet (9) werd deze delegatiemogelijkheid geregeld in de artikelen 82 e.v. De gemeenteraad kan commissies instellen en regelt onder meer de taken, de bevoegdheden en de samenstelling daarvan (artikel 82 Gemw). Artikel 165 Gemw bepaalde op 11 november 1994 (datum omstreden besluit) dat de raad op voorstel van B&W aan een commissie als bedoeld in artikel 82 Gemw bevoegdheden van het college van B&W kan toekennen (10). Artikel 84 Gemw bepaalt wat door de raad nader dient te worden geregeld ten aanzien van een commissie, waaraan bevoegdheden van het college van B&W worden toegekend c.q. overgedragen (11).

2.4. De wet voorziet dus uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat de gemeenteraad een bevoegdheid welke normaliter toekomt aan het college van B&W toekent (c.q. overdraagt) aan een gemeentelijke commissie zoals de Commissie Sociale Zekerheid. Ten overvloede zij vermeld dat in het bestuursrecht de vraag is gerezen of op deze manier ook de bevoegdheid op bezwaarschriften te beslissen door een gemeenteraad kan worden overgedragen aan een commissie; dat zou bezwaarlijk te rijmen zijn met de Algemene wet bestuursrecht. Die vraag is in de jurisprudentie ontkennend beantwoord, toevallig ten aanzien van dezelfde Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag (12).

2.5. De veronderstelling van het middel dat de Haagse gemeenteraad niet een bevoegdheid van het college van B&W zou kunnen overdragen aan de Commissie Sociale Zekerheid gaat dus niet op. Overigens heeft de rechtbank rov. 3.7 niet geheel correct geformuleerd: de Commissie Sociale Zekerheid beslist ten aanzien van de terugvordering niet namens B&W, maar uit hoofde van de aan deze Commissie toegekende bevoegdheid. Het resultaat is evenwel hetzelfde. De beslissing van de rechtbank behoefde geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn. Middel I faalt.

2.6. Middel II betreft een ander onderwerp. Artikel 64, eerste lid, (oud) ABW bepaalde het volgende:
"Indien het verhaal gemaakte kosten betreft, stelt de kantonrechter het bedrag vast dat, tot een aangegeven totaalsom, geregeld aan het verhalend lichaam zal worden voldaan. Hij kan een bedrag vaststellen dat terstond door het verhalend lichaam kan worden ingevorderd.

Aldus gegeven beschikkingen betreffende periodieke betalingen kunnen in geval van gewijzigde omstandigheden door de kantonrechter worden gewijzigd (zie artikel 65 (oud) ABW). De tekst van artikel 64 (oud) ABW dateert nog uit de tijd waarin de ABW slechts n vorm van verhaal kende. Sedert 1 augustus 1992 wordt onderscheiden tussen terugvordering van de kosten van bijstand (op de betrokkene zelf) en verhaal daarvan (op een derde, doorgaans de alimentatieplichtige). Bij verhaal op een derde kan de vraag aan de orde komen of, en zo ja, tot welk bedrag de aangesproken derde alimentatieplichtig is jegens de bijstandsontvanger. De Trema-normen kunnen bij de beantwoording van de laatste vraag een rol spelen. Bij een terugvordering van de betrokkene zelf is de rechter niet bevoegd het terug te betalen bedrag te matigen wegens het ontbreken van draagkracht van de debiteur. Hoogstens kan de rechter het terugvorderingsbesluit van de gemeente toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ook voor zover het betreft de hoogte van het terug te vorderen bedrag. Nu over dit vraagstuk reeds eerder door de Hoge Raad is beslist, moge ik volstaan met vermelding van de vindplaatsen (13).

2.7. Voor zover in het middel de klacht gelezen mag worden dat de rechtbank in rov. 3.10 ten onrechte meent dat artikel 64 (oud) ABW op de onderhavige terugvordering niet van toepassing is, lijkt de klacht mij gegrond. Op grond van de hierboven in alinea 2.1 genoemde overgangsbepaling blijft artikel 64 (oud) ABW op de onderhavige terugvordering van toepassing. Niettemin behoeft de klacht niet tot cassatie te leiden. Subonderdeel 5.1 gaat namelijk uit van de veronderstelling dat de rechter verplicht is het door betrokkene terug te betalen bedrag vast te stellen in (maandelijkse) termijnen. Die veronderstelling is niet juist. Artikel 64 (oud) ABW gaat weliswaar uit van het vaststellen van een bedrag in termijnen, maar voorziet daarnaast in de mogelijkheid een bedrag te bepalen dat terstond door de gemeente kan worden teruggevorderd. Ten aanzien van het gebruik van deze mogelijkheid heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid. Anders dan in de zaak NJ 1992, 109, is hier geen sprake van een situatie waarin zowel de gemeente als de betrokkene om een bedrag in termijnen vroegen. De gemeente heeft aanvankelijk gevraagd om een bedrag in termijnen vast te stellen, maar heeft dit verzoek later gewijzigd in een verzoek om een bedrag ineens.

2.8. De subonderdelen 5.2 en 5.3 zijn primair gebaseerd op de veronderstelling dat de Trema-normen (mede) bepalend zijn voor het door de rechter vast te stellen bedrag. Die veronderstelling moet een vergissing zijn: het gaat hier niet om verhaal van de kosten van bijstand op een alimentatieplichtige derde, waarbij gekeken moet worden naar de vraag in hoeverre de alimentatieplicht strekt, maar om een terugvordering ten laste van de betrokkene zelf. Voor zover in subonderdeel 5.3 subsidiair wordt aangevoerd dat de rechtbank - die in rov. 3.10 overwoog dat zij niet beschikt over voldoende en actuele gegevens met betrekking tot de financile situatie van betrokkene - met de in eerste aanleg overgelegde bescheiden wl over voldoende actuele gegevens beschikte, voldoet het middel niet aan de in artikel 426a, tweede lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.] gestelde eisen. Ten overvloede zij aangetekend dat het antwoord op de vraag of de in eerste aanleg aangereikte gegevens nu wel of niet voldoende waren om een betaling in termijnen vast te stellen, berust op een waardering welke is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Ook middel II leidt derhalve niet tot cassatie.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,




1. Nu het inleidend verzoekschrift is ingediend vr 1 januari 1996, geldt een cassatietermijn van acht weken, aanvangend de dag na die van verzending van het afschrift van de beschikking. Zie laatstelijk: HR 24 maart 2000, NJ 2000, 314.
2. Met name ontbreken de processen-verbaal van de mondelinge behandeling bij kantonrechter en rechtbank (zie daarover de aantekeningen in het griffiedossier).
3. Aldus plv. P-G Mok in zijn conclusie voor HR 16 juni 2000, NJ 2000, 490.
4. Vaste rechtspraak; zie o.m. HR 4 februari 1994, NJ 1994, 364. Een afzonderlijk besluit tot intrekking van de eerder toegekende uitkering werd naar het toen geldende recht niet vereist: HR 18 april 1997, NJ 1997, 499.
5. De verwijzing in het middel naar artikel 29a ABW lijkt mij onjuist, omdat in het tweede lid onder meer worden uitgezonderd besluiten ter zake van verhaal in rechte.
6. Niet te verwarren met de gemeentelijke Commissie van advies, zoals geregeld in artikel 75 ABW.
7. S&J editie 6 (1966), blz. 134.
8. Wet van 10 september 1970, Stb. 1970, 447, onderdeel O.
9. Wet van 14 februari 1992, Stb. 1992, 96.
10. De Gemeentewet is door de Wet van 6 november 1997, Stb. 1997, 510, per 1 januari 1998 aangepast aan de gewijzigde Algemene wet bestuursrecht. In plaats van over "toekennen" spreekt het artikel nu over "overdragen".
11. Zie ook: A.H.M. Dlle en D.J. Elzinga, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht (1999), blz. 343-345; E. Brederveld, Gemeenterecht (1998) blz. 71 e.v.
12. CRvB 25 maart 1997, AB 1997, 182 m.nt. HB, zulks in navolging van ABRvS 6 januari 1997, AB 1997, 86 m.nt. FM.
13. HR 31 mei 1991, NJ 1992, 108, en HR 31 mei 1991, NJ 1992, 109, m.nt. JBMV.

 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD4029
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R01/046HR
Datum uitspraak: 30 november 2001
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 55 en 61c ABW (= 78 en 77 Abw (= 58 en 46 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; terugvordering; afzien van terugvordering; dringende redenen; noodsituatie; discretionaire bevoegdheid; beslagvrije voet; Hoge Raad
Essentie: Terechte terugvordering bijstand wegens inkomsten uit AOW-uitkering en abusievelijk ten onrechte betaalde bijstand, omdat de discretionaire bevoegdheid tot afzien van terugvordering wegens dringende redenen niet dient te worden uitgeoefend nu er geen relatie is aangetoond tussen het ontstane minimuminkomen en de reeds bestaande, ernstige ziektes van betrokkenen. Niets is aangevoerd of gebleken omtrent een noodsituatie waarin betrokkenen door de terugvordering terecht zouden kunnen komen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden R01/046HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[de vrouw] en [de man], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,

tegen

de gemeente Groningen, zetelende te Groningen, verweerster in cassatie,
niet verschenen.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 16 juli 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht:
- het bedrag dat door de verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de vrouw en de man - aan de Gemeente zal worden betaald vast te stellen op 16.578,39, met dien verstande dat de n betalende de ander zal zijn bevrijd;
- vast te stellen dat door de Gemeente de totaalsom van het terug te vorderen bedrag, verminderd met wat daarop inmiddels is betaald, terstond kan worden ingevorderd;
- n en ander uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut.

De vrouw en de man hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 26 mei 2000 het verzoek toegewezen.
Tegen deze beschikking hebben de vrouw en de man hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.
Bij beschikking van 23 januari 2001 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van de Rechtbank hebben de vrouw en de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.




3. Beoordeling van het middel


De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO [Wet op de rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 november 2001.




CONCLUSIE


R01/046HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 14 september 2001

Conclusie inzake:
[verzoekster] en
[verzoeker]
tegen
de gemeente Groningen

In deze zaak, tot terugvordering van bijstand, gaat het om de uitoefening door burgemeester en wethouders van hun bevoegdheid van terugvordering af te zien.




1. De feiten en het procesverloop


1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten als omschreven in rov. 3 onder a tot en met g [rov.: rechtsoverweging, red.] van de bestreden beschikking. Kort samengevat ontvangen verzoekers in cassatie (hierna: de vrouw en de man) sedert 1 januari 1996 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. De gemeente heeft in verband met inkomsten uit het AOW-pensioen van de man respectievelijk van de vrouw de bijstandsuitkering herzien en twee bedragen, groot 1046,92 respectievelijk 344,45 netto, teruggevorderd. Daarnaast heeft de gemeente in januari 1997, tengevolge van een abusievelijk uitgevoerde herberekening van de uitkering over de tweede helft van 1996, onverschuldigd een nettobedrag van in totaal 12.671,95 aan de vrouw en de man, dan wel ten behoeve van hen, betaald.

1.2. Bij verzoekschrift, ingekomen op 16 juli 1997, heeft de gemeente aan de kantonrechter te Groningen verzocht het bedrag dat door de vrouw en de man aan de gemeente is verschuldigd vast te stellen op 16.578,39, met dien verstande dat wanneer n van hen betaalt, de ander zal zijn bevrijd. Voorts heeft zij verzocht te bepalen dat het bedrag in n keer kan worden teruggevorderd (1).

1.3. De vrouw en de man hebben verweer gevoerd. In cassatie is van dat verweer slechts nog van belang dat zij een beroep hebben gedaan op artikel 78, derde lid, Abw. In dat artikellid wordt de bevoegdheid geregeld van burgemeester en wethouders om van terugvordering af te zien. Het verweerschrift geeft als reden waarom van deze bevoegdheid gebruik zou moeten worden gemaakt uitsluitend op dat beiden ernstig ziek zijn. Uit de bijgevoegde verklaring van de huisarts kan worden opgemaakt dat de man lijdende is aan keel- en tongkanker en dat de vrouw een hartpatinte is met astmatische bronchitis.

1.4. De kantonrechter te Groningen heeft bij beschikking van 26 mei 2000 het verzoek van de gemeente toegewezen. De kantonrechter overwoog dat de vordering niet langer wordt betwist behoudens het beroep op artikel 78, derde lid, Abw. Wat dit laatste betreft, was niet gebleken van zodanige omstandigheden dat de gemeente gehouden is van terugvordering af te zien. Dit geldt te meer nu de gemeente in dit opzicht een discretionaire bevoegdheid heeft.

1.5. De vrouw en de man hebben hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Groningen. In grief I hebben zij betwist dat de kantonrechter slechts marginaal zou kunnen toetsen. Als dringende reden voor toepassing van artikel 78, derde lid, Abw hebben zij het volgende aangevoerd: "Beide betrokkenen zijn ernstig ziek en beschikken slechts over een minimuminkomen namelijk een aanvullende bijstandsuitkering op niet-volledige AOW-uitkering". Voor wat betreft het abusievelijk door de gemeente overgemaakte bedrag hebben zij gesteld dat zij niet tot terugbetaling in staat zijn omdat zij het geld hebben uitgegeven; toen zij dit bedrag van hun rekening opnamen wisten zij niet en konden zij niet weten dat het geld op de rekening afkomstig was van de gemeente.

1.6. De rechtbank heeft op 23 januari 2001 de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. De rechtbank heeft overwogen dat, behoudens het feit dat de vrouw en de man ziek zijn, niets is aangevoerd of gebleken omtrent een noodsituatie waarin appellanten door de terugvordering terecht zouden kunnen komen. Nu ook in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden aannemelijk waren geworden - in het bijzonder is van enig causaal verband tussen de terugvordering en het verergeren van het ziektebeeld niet gebleken - deelde de rechtbank het oordeel dat er geen dringende reden is die maakt dat B&W in redelijkheid niet hadden kunnen doen afzien van gebruik van hun bevoegdheid ingevolge artikel 78, derde lid, Abw. Dat de vrouw en de man moeten rondkomen van een minimuminkomen levert voor de rechtbank evenmin een dringende reden op: bij de tenuitvoerlegging wordt voldoende bescherming geboden door de beslagvrije voet.

1.7. De vrouw en de man hebben tijdig (2) cassatieberoep ingesteld. De gemeente, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.




2. Bespreking van het cassatiemiddel


2.1. Het enige middel van cassatie is gericht tegen rov. 7, waarin het beroep van de vrouw en de man op artikel 78, derde lid, Abw wordt verworpen. Eerst een kort overzicht van de geschiedenis van deze bepaling. Onder de vroegere Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, artikel 58 (oud) e.v.) kon de gemeente de kosten van bijstand in bepaalde gevallen verhalen op de betrokkene zelf; van een verplichting tot verhaal was nog geen sprake. De nieuwe regeling voor terugvordering en verhaal (Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, tot herziening van de ABW) introduceerde een onderscheid tussen terugvordering en verhaal. Zij verplichtte de gemeente in bepaalde gevallen tot terugvordering (artikel 55 ABW). En van die gevallen was artikel 57, onderdeel e, ABW: indien de bijstand tot een te hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en de betrokkene dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen. Omdat terugvordering in individuele gevallen op bezwaren kon stuiten, bepaalde artikel 55, derde lid, ABW:
"Indien gelet op de omstandigheden van persoon en gezin daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden afgezien".

In de memorie van toelichting werd deze bepaling als volgt toegelicht:
"Gezien de omstandigheden van de betrokkene en zijn gezin kunnen er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie zou kunnen hebben, dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen. De hier bedoelde dringende redenen kunnen moeilijk nader worden aangeduid. Steeds zal van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van de betrokkene moeten worden beoordeeld en een beslissing moeten worden genomen. De bevoegdheid voor de gemeenten om dit artikellid toe te passen, geldt ook uitsluitend voor individuele gevallen. Zij is niet bedoeld om in het algemeen of categoriaal van terugvordering af te zien, bijvoorbeeld ten aanzien van bepaalde soorten gevallen of groepen van personen." (3)

Op de vraag vanuit de Tweede Kamer of ook niet-financile omstandigheden mogen worden meegewogen, antwoordde de minister dat bij "dringende redenen" niet primair of uitsluitend is gedacht aan financile redenen. De redactie laat ruimte voor het meewegen van zowel financile als niet-financile omstandigheden. Het is niet de bedoeling dat slechts van dringende redenen kan worden gesproken indien als gevolg van de terugvordering de draagkracht onder het minimumbehoefteniveau daalt. Hoewel de specifieke financile omstandigheden in het individuele geval tot dringende redenen in de zin van de wet kunnen leiden, dient niet uit het oog te worden verloren dat voor het merendeel van de terugvorderingsgevallen de algemene regel van artikel 61c van het wetsvoorstel [het minimum overeenkomstig de beslagvrije voet, noot A-G] reeds voldoende bescherming biedt (4).

2.2. Bij de totstandkoming van de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199) is een letterlijk gelijkluidende bepaling voorgesteld als
artikel 84, derde lid, en na vernummering terechtgekomen in artikel 78, derde lid. De memorie van toelichting bij deze bepaling vormt slechts een herhaling van de hierboven geciteerde toelichting op artikel 55, derde lid, ABW. Andermaal werd benadrukt dat steeds van geval tot geval aan de hand van alle omstandigheden de situatie van de betrokkene moet worden beoordeeld (5).

2.3. Met ingang van 1 juli 1997 - dus nadat de onderhavige besluiten tot terugvordering waren genomen en bekendgemaakt - heeft de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248) voor een groot aantal socialezekerheidswetten, waaronder de Algemene bijstandswet, een gelijkluidende regeling getroffen. In dat verband is de tekst van artikel 78, derde lid, Abw komen te luiden:
"Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien".

Uit de memorie van toelichting blijkt dat met het laten vallen van de verwijzing naar de "omstandigheden van persoon en gezin" in de tekst van de Abw-bepaling slechts een harmonisatie van wetgeving en niet een inhoudelijke wijziging is beoogd (6). De argumenten die aan de nieuwe eenvormige regeling ten grondslag liggen, zijn inhoudelijk gelijk aan de beweegredenen die aan de invoering van artikel 55, derde lid, ABW ten grondslag hebben gelegen. Uit de memorie van toelichting op de Wet BMT c.a. citeer ik nog:
"Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn wil een afwijking van het algemene principe [van de verplichting tot terugvordering, noot A-G] gerechtvaardigd zijn. Daarbij dient het uiteraard om incidentele gevallen te gaan, gebaseerd op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden; van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Voor de goede orde zij vermeld dat de toepassing van dringende redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur." en
"Wat betreft de financile omstandigheden dient nog te worden bedacht dat in het algemeen reeds voldoende bescherming wordt geboden door de toepasselijke beslagvrije voet (...)". (7)

In het kader van diezelfde harmonisatie is in artikel 78a een bepaling in de Abw opgenomen die B&W uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt op verzoek van de belanghebbende gedeeltelijk van terugvordering af te zien in bepaalde gevallen waaronder, kort gezegd, liquiditeitsproblemen en het treffen van een regeling van de debiteur met de schuldeisers. Later zijn daaraan nog artikel 78b en artikel 78c Abw toegevoegd.

2.4. In het onderhavige geval stond geen bestuursrechtelijke beroepsmogelijkheid open tegen de besluiten van B&W tot terugvordering. Derhalve was het de taak van de rechtbank het besluit van B&W tot terugvordering te toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Nu in dit geding geen beroep is gedaan op enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, hebben kantonrechter en rechtbank terecht zich de vraag gesteld of B&W in redelijkheid hebben kunnen komen tot het besluit geen gebruik te maken van hun bevoegdheid ingevolge
artikel 78, derde lid, Abw.

2.5. De onderdelen 2.2.7 en 2.3 van het middel, welke als eerste worden besproken, klagen dat de rechtbank zich ten onrechte heeft beperkt tot een toetsing van de beslissing van de kantonrechter in plaats van, zoals door grief I werd verlangd, het besluit van B&W tot terugvordering aan artikel 78, derde lid, Abw te toetsen. Als hoofdregel geldt dat de rechter in hoger beroep, binnen het door de grieven getrokken kader, zelfstandig dient te oordelen over het voorgelegde terugvorderingsverzoek en het daartegen gevoerde verweer. Uit rov. 7 blijkt m.i. niet anders dan dat de rechtbank zich naar behoren van deze taak heeft gekweten. Dat de rechtbank ter motivering van haar beslissing naar de overwegingen van de kantonrechter verwijst, betekent dat de rechtbank dat oordeel onderschrijft. Het onderschrijven impliceert dat de rechtbank zich zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de toewijsbaarheid van het terugvorderingsverzoek.

2.6. Ook onderdeel 2.2 (onderdeel 2.1 bevat geen klacht) mist feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat de rechtbank ten onrechte de eis stelt van een noodsituatie (in de woorden van de rechtbank: "een levensbedreigende of een psychische noodtoestand"). Het middel voert in de subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 aan dat de "dringende redenen" in artikel 78, derde lid, Abw niet beperkt zijn tot noodsituaties. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de formulering van artikel 78, derde lid, Abw noch de parlementaire geschiedenis van deze bepaling aan de "dringende redenen" de eis stelt dat een levensbedreigende toestand of een psychische noodsituatie aanwezig is. De bepaling van artikel 78, derde lid, laat B&W immers ruimte voor een afweging van alle relevante omstandigheden in het individuele geval. In rov. 7 kan ik echter niet lezen dat de rechtbank de opvatting zou zijn toegedaan dat uitsluitend in een noodsituatie (zoals een levensbedreigende toestand of psychische noodtoestand) van "dringende redenen" kan worden gesproken. De rechtbank zag zich geplaatst voor de moeilijkheid dat de vrouw en de man niet mr hadden aangevoerd dan het enkele feit van hun ziekte; zij beschouwen reeds de ziekte op zich als voldoende voor het aannemen van een dringende reden. De rechtbank heeft hen duidelijk willen maken dat hun ziekte - hoe ernstig op zich ook - niet in de weg behoeft te staan aan het terugbetalen van de ten onrechte ontvangen bijstand. De rechtbank heeft de "noodsituatie" slechts aangehaald als een voorbeeld van een geval waarin de rechtbank - zelfs uitgaande van een marginale toetsing van het besluit van B&W - mogelijk nog wel een dringende reden aanwezig zou hebben geacht.

2.7. De rechtbank heeft geen dringende reden aanwezig geacht. Anders dan subonderdeel 2.2.3 meent, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voorstelbaar is dat ziekte, door het wegvallen van inkomsten uit arbeid en/of door toegenomen lasten zoals de kosten van geneeskundige behandeling en verpleging, de bijstandsontvanger voor zodanige problemen stelt dat een terugbetaling onmogelijk of onevenredig bezwaarlijk wordt. Over weggevallen inkomsten of hogere lasten is in feitelijke aanleg niets gesteld.

2.8. Hetzelfde geldt voor subonderdeel 2.2.4. De rechtbank heeft het oorzakelijk verband tussen de terugvordering en een verergering van het ziektebeeld niet genoemd als een vereiste waaraan voldaan moet zijn om een beroep op artikel 78, derde lid, Abw te kunnen doen, maar als een voorbeeld van een situatie waarin wl een dringende reden aanwezig zou kunnen zijn. De klacht faalt bij gebreke van feitelijke grondslag.

2.9. De subonderdelen 2.2.5 en 2.2.6 zijn gericht tegen de overweging:
"Het feit dat appellanten van een minimuminkomen moeten zien rond te komen, is op zich evenmin een dringende reden die ertoe moet leiden dat van terugvordering wordt afgezien. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat appellanten bij de incasso voldoende bescherming wordt geboden door de beslagvrije voet".

Naar de beslagvrije voet werd reeds verwezen in de parlementaire geschiedenis van deze bepaling. Met de beslagvrije voet wordt gedoeld op artikel 77, derde lid, Abw: beslag op algemene bijstand is slechts geldig voor zover de betrokkene blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. In de huidige tekst van de Abw (
artikel 87, tweede lid, juncto artikel 14f, tiende lid) staat dat B&W bij de tenuitvoerlegging van een terugvorderingsbesluit het inkomen tot het niveau van de beslagvrije voet dienen te respecteren. De aangevallen overweging is de reactie van de rechtbank op de (hierboven in 1.5 geciteerde) stelling van de vrouw en de man. Nu zij in feitelijke aanleg niet mr hebben aangevoerd dan de enkele mededeling dat zij moeten rondkomen van een minimuminkomen, mocht de rechtbank met deze motivering volstaan.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,




1. De besluiten tot terugvordering zijn bekendgemaakt telkens vr 1 juli 1997, zodat de gemeente terecht heeft gekozen voor een terugvorderingsprocedure bij de kantonrechter (zie de overgangsbepaling in artikel XVI, tweede lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248, alsmede HR 22 december 2000, NJ 2001, 58, en HR 22 december 2000, NJ 2001, 66). Het bedrag van 16.578,39 is het brutobedrag inclusief loonbelasting en premies (artikel 90 Abw). De terugvorderingsgrond en de berekening van het teruggevorderde bedrag zijn in deze procedure geen voorwerp van debat geweest.
2. Nu het inleidend verzoekschrift is ingekomen na 1 januari 1996, bedraagt de cassatietermijn twee maanden: HR 19 november 1999, NJ 2000, 84; A-G Bakels voor HR 9 juni 2000, NJ 2000, 456; vgl. HR 20 februari 1998, NJ 1999, 561 m.nt. HJS; HR 12 juni 1998, NJ 1998, 643.
3. Kamerstukken II 1987-1988, 20 598, nr. 3, blz. 12.
4. Kamerstukken II 1988-1989, 20 598, nr. 6, blz. 1-2; zie ook de losbl. ABW Verhaal, aant. 3 op artikel 55 ABW (tijdvak 1992-1995).
5. Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 170.
6. Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 75.
7. Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 68; zie ook de losbl. ABW Verhaal, aant. 4 en 5 op
artikel 78 Abw.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x