Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD4723
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/246
Datum uitspraak: 28 augustus 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 34, 35 en 38 Abw (= 26, 27 en 30 Wwb)
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; opvanghuis; opvangtehuis; woonstede; woning; geen woonkosten; gemeentelijke verordening
Essentie: Onterechte verlaging van de bijstandsnorm wegens woningdeling zijnde tijdelijk verblijf in een opvanghuis, omdat geen sprake is van een woonstede aangezien de bewoners niet vrijelijk kunnen beschikken over de woning. Vanwege het ontbreken van een woning is in strijd met de gemeentelijke Bijstandsverordening beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 01/246




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.




1. Procesverloop


Bij besluit van 22 november 2000 heeft verweerder eisers met ingang van 9 november 2000 bijstand toegekend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud, berekend naar de norm voor een gezin, onder verlaging van die norm met 10% van het nettominimumloon.
Verweerder heeft tevens bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.

Tegen de verlaging hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 21 maart 2001 heeft verweerder dat bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 15 augustus 2001 behandeld ter zitting. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. Vermeer.




2. Overwegingen


Ingevolge artikel 34 van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) kunnen burgemeester en wethouders voor gehuwden de bijstanduitkering verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge artikel 35 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders de bijstandsnorm lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Abw stelt het gemeentebestuur bij verordening vast voor welke categorien de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria die verhoging of verlaging wordt bepaald.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorien van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend van de gemeente Vlissingen (hierna: Bijstandsverordening) wordt, voor zover hier van belang, de bijstandsnorm lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Eisers, partners, hadden ten tijde van belang geen woonruimte in de gemeente Vlissingen en waren aangewezen op de nachtopvang van het X, een opvangcentrum in die gemeente.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hadden omdat zij gebruik maakten van de nachtopvang van X en daardoor hun kosten van bestaan konden delen.

Eisers betwisten dat zij lagere kosten van bestaan hadden. Voor de nachtopvang bij X moesten zij ieder 10,- per nacht betalen. Overdag zwierven ze op straat en waren dan voor eten en drinken aangewezen op duurdere horecatarieven. Eisers zijn van mening dat hun leven duurder is dan het leven in een reguliere huishouding, ook nu zij geen huur en nutsvoorzieningen hoeven te betalen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder heeft artikel 4 van de Bijstandsverordening aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat artikel ziet blijkens de toelichting op de omstandigheid dat betrokkenen een woning hebben, waarbij zij die woning met anderen delen. Dat levert financile voordelen op, omdat de gezamenlijke woonlasten dan lager zijn. Ter zitting is namens verweerder betoogd dat X moet worden gezien als een woning, waarbij de bewoners kosten delen.

De rechtbank deelt dat standpunt niet. Naar haar oordeel is slechts sprake van een (deel van een) woning indien de bewoner aldaar zijn woonstede heeft. Dat wil zeggen dat de bewoner, binnen de grenzen van het recht, vrijelijk kan beschikken over de woonruimte. Hij moet kunnen komen en gaan naar believen, bezoek kunnen uitnodigen, de woonruimte kunnen verfraaien qua inrichting, kortom een eigen woonsfeer kunnen scheppen en eigen woonregels kunnen stellen. Van dat alles is in X geen sprake. Eisers gebruikten de voorziening slechts voor de nacht, waarbij zij gescheiden moesten slapen, eiser op de mannenzaal en eiseres op de vrouwenzaal. Zij kregen voorts een ontbijt en de gelegenheid zich te douchen. Eisers moesten zich houden aan de huisregels van X. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat X kan worden gezien als de woonstede van eisers waar zij met zekere autonomie konden verblijven. Bovendien kon van een min of meer bestendig verblijf ook geen sprake zijn gelet op de opvangfunctie van X. Overigens wordt het begrip woning in de Bijstandsverordening niet gedefinieerd anders dan dat in artikel 1, eerste lid, onderdel a, van de Bijstandsverordening en de toelichting onder een woning tevens een woonwagen en een woonschip wordt verstaan.

De rechtbank heeft nog gezien op artikel 5 van de Bijstandsverordening, waarin onder meer wordt bepaald dat de bijstandsnorm of toeslag lager wordt vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden. De toelichting op dit artikel vermeldt: "Indien betrokkene geen woning heeft, is de verordening niet van toepassing en dient afstemming middels artikel 13 Abw plaats te vinden". De rechtbank leidt uit de aangehaalde artikelen en de toelichting in hun onderlinge samenhang af dat de Bijstandsverordening niet voorziet in de mogelijkheid van een verlaging van de bijstandsnorm in die gevallen waarin betrokkenen geen woning hebben. Dat eisers geen vaste lasten zoals huur en kosten van nutsvoorzieningen hadden, maakt dat niet anders. Die omstandigheid kwam niet voort uit het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van die kosten door woonruimte te delen, maar juist uit de tegenovergestelde situatie, te weten het ontbreken van woonruimte.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte artikel 4 van de Bijstandsverordening toegepast, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd dient te worden.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van 1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van 60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op 1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Vlissingen aan de griffier.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2001 door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD4937
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R01/092HR
Datum uitspraak: 7 december 2001
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 93 en 95 Abw (= 61 en Wwb)
Trefwoorden: verhaal; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; alimentatie; draagkracht; hertrouwen; bijdrage levensonderhoud; Hoge Raad
Essentie: Terecht verhaal van kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige ex-echtgenoot wegens aanwezige draagkracht, omdat betrokkene niet heeft aangetoond dat hij in de periode in geding heeft bijgedragen in het levensonderhoud van zijn nieuwe echtgenote, die toen nog in Suriname verbleef.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden R01/092HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[de man], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.G. Cantarella,

tegen

de gemeente Den Haag, zetelende te Den Haag, verweerster in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 14 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te Den Haag ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - aan de Gemeente verschuldigd is:
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van 293,89 per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten behoeve van [het] minderjarige [kind 1] voortduurt;
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van 293,89 per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten behoeve van [het] minderjarige [kind 2] voortduurt;
- met ingang van 1 januari 1999 een verhaalsbijdrage van 293,89 per maand, zolang de bijstandverlening aan de vrouw mede ten behoeve van [het] minderjarige [kind 3] voortduurt.

Nadat de man dit verzoek had bestreden, heeft de Gemeente haar verzoek gewijzigd. Zij heeft verzocht de onderhoudsbijdrage over de periode 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999 op 496,78 per maand vast te stellen en vanaf 20 oktober 1999 op nihil.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 november 2000 bepaald dat de man ter zake van verhaal van kosten van bijstand van 14 april 1999 tot 20 oktober 1999 aan de Gemeente dient te betalen 496,78 per maand en dat de man de inmiddels ontstane achterstand dient te voldoen door betaling van 293,89 per maand.
Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Den Haag. De Gemeente heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 6 juni 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking voor zover aan haar oordeel onderworpen vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaald dat de man aan de Gemeente moet voldoen ter zake van - ten behoeve van de vrouw en de minderjarigen - gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van 400,- per maand met ingang van 1 januari 1999 en tot 1 juli 1999 en een bedrag van 496,78 per maand met ingang van 1 juli 1999 en tot 20 oktober 1999. Het meer of anders verzochte heeft het Hof afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.




3. Beoordeling van het middel


De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO [Wet op de rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 december 2001.




CONCLUSIE


R01/092HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 12 oktober 2001

Conclusie inzake:
[de man]
tegen
de gemeente Den Haag

In deze bijstandsverhaalszaak gaat het om de draagkracht van de man.




1. De feiten en het procesverloop


1.1. Verzoeker tot cassatie, hierna: de man, is van 5 januari 1980 tot 22 mei 1990 gehuwd geweest met [...], hierna: de vrouw. Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren. Niet bij het echtscheidingsvonnis noch bij latere beschikking is ten laste van de man alimentatie voor de vrouw of kinderalimentatie vastgesteld.

1.2. De gemeente verleent bijstand aan de vrouw, sedert 10 augustus 1989 naar de norm voor een alleenstaande ouder. De gemeente wenst de kosten van de bijstand aan de vrouw te verhalen op de man. Omdat de man volgens de gemeente onvoldoende informatie verstrekte, heeft de gemeente de verhaalsbijdrage aanvankelijk ambtshalve berekend op 881,67 per maand (293,89 per kind). In een op 14 september 1999 ingediend verzoekschrift heeft de gemeente aan de rechtbank te Den Haag verzocht te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 1999 aan de gemeente een maandelijkse bijdrage verschuldigd is tot dit bedrag.

1.3. De man heeft gesteld over onvoldoende draagkracht te beschikken. Hij heeft onder meer aangevoerd dat hij op 14 april 1999 in Suriname is gehuwd met [betrokkene A], met wie hij - naar de vaststelling van het hof: sedert 20 oktober 1999 - samenwoont. Naar aanleiding van dit verweer heeft de gemeente een herberekening gemaakt en haar verzoek gewijzigd in die zin dat de verschuldigde bijdrage zal worden vastgesteld op 496,78 per maand voor het tijdvak van 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999 en op nihil voor het tijdvak vanaf 20 oktober 1999. De rechtbank heeft in een beschikking van 14 november 2000 bepaald dat de man over het tijdvak van 14 april 1999 tot 20 oktober 1999 aan de gemeente een verhaalsbijdrage van 496,78 per maand dient te betalen.

1.4. De man is tegen de toewijzing in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof. Als grief heeft hij onder meer aangevoerd dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht de gezinsnorm had dienen toe te passen vanaf 14 april 1999 (de huwelijksdatum) en niet pas vanaf 20 oktober 1999. De gemeente heeft incidenteel geappelleerd voor zover de rechtbank het inleidend verzoek niet heeft toegewezen over het tijdvak van 1 januari 1999 tot 14 april 1999.

1.5. Bij beschikking van 6 juni 2001 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en de verhaalsbijdrage voor het tijdvak van 1 januari 1999 tot 1 juli 1999 vastgesteld op 400,- per maand en voor het tijdvak van 1 juli 1999 tot 20 oktober 1999 op 496,78 per maand.

1.6. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld (1). De gemeente heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2. Bespreking van het cassatiemiddel


2.1. Het middel is gericht tegen rov. 6 [rechtsoverweging 6, red.], waarin het hof voor de berekening van de draagkracht de man als alleenstaande heeft aangemerkt in de periode van 1 januari 1999 tot 20 oktober 1999. Volgens het hof heeft de man niet aangetoond dat hij in dat tijdvak heeft bijgedragen in het levensonderhoud van zijn nieuwe echtgenote, [betrokkene A], die toen nog in Suriname verbleef. Wel heeft het hof rekening gehouden met de kosten van het vliegticket van de vrouw, welke door de man zijn betaald; deze kosten spelen in cassatie geen rol. Het middel valt uiteen in twee klachten: (i) de klacht dat het hof alleen al op grond van het feit dat de man op 14 april 1999 met [betrokkene A] in het huwelijk is getreden vanaf genoemde datum de gezinsnorm had dienen toe te passen; (ii) de klacht dat het hof er rekening mee had moeten houden dat het voor de man praktisch onmogelijk is aan te tonen dat hij zijn vrouw in Suriname financieel ondersteunde en dat het hof, om die reden, de bewijslast niet bij de man had mogen leggen.

2.2. De eerste klacht faalt reeds omdat het middel niet aangeeft welke geschreven of ongeschreven rechtsregel door het hof zou zijn geschonden. Het middel voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 426a, tweede lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]. Mogelijk heeft de steller van het middel voor ogen gehad dat de man sedert zijn huwelijksdatum een onderhoudsverplichting jegens zijn nieuwe echtgenote heeft. Indien op dit nieuwe huwelijk Nederlands recht van toepassing is - daaromtrent is niets gesteld - zou kunnen worden gewezen op artikel 1:81 BW [Burgerlijk Wetboek, red.]. Het bestaan van zo'n verplichting betekent echter niet dat de rechter in de verhaalsprocedure niet zou mogen letten op de werkelijke draagkracht van de man. Artikel 95 Abw bepaalt dat bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag rekening wordt gehouden met de maatstaven die gelden en met de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over, kort gezegd, de onderhoudsverplichting na echtscheiding. En van deze maatstaven houdt in dat de rechter rekening houdt met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon (artikel 1:397 BW). Bij de vaststelling van de draagkracht dient weer rekening te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de onderhoudsplichtige komen (2). Met uitgaven die feitelijk niet ten laste van de man zijn gekomen (hetzij omdat hij zijn onderhoudsplicht jegens zijn nieuwe echtgenote heeft verzaakt, hetzij omdat zijn nieuwe echtgenote in Suriname in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en daarom geen behoefte had aan ondersteuning), behoefde het hof geen rekening te houden. Het hof was niet verplicht bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man de gezinsnorm toe te passen op grond van het enkele feit dat de man gehuwd is. In dit verband zij opgemerkt dat de Trema-normen voor zover zij onderscheid maken in alleenstaanden, eenoudergezinnen en echtparen, zijn ontleend aan de bijstandswetgeving en dat om die reden de indeling in deze drie categorien niet uitsluitend afhankelijk is van de formele status: gehuwd of ongehuwd.

2.3. Ook de tweede klacht faalt. Het middel bestrijdt niet dat het in beginsel op de weg van de man lag om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij zijn nieuwe echtgenote in Suriname ondersteunde. In feitelijke instanties heeft de man niet aangevoerd dat het voor hem (te) moeilijk zou zijn te bewijzen dat hij in het tijdvak tussen 14 april en 20 oktober 1999 geheel of gedeeltelijk in het levensonderhoud van zijn in Suriname verblijvende echtgenote heeft voorzien. Op een niet-aangevoerd argument behoefde het hof uiteraard niet in te gaan. Het cassatiemiddel poogt dit te repareren door alsnog te stellen dat van algemene bekendheid is dat het nagenoeg onmogelijk is op reguliere wijze vanuit Nederland naar Suriname geld over te maken. Voor een dergelijke stellingname is het nu te laat. Bovendien zij opgemerkt dat, ook al zou die stelling juist zijn, daaruit nog niet kan worden afgeleid dat en waarom de man, indien hij de vrouw financieel heeft ondersteund anders dan door overmaking van geld langs de reguliere weg, niet in staat geacht mag worden om aan te tonen dat en tot welk bedrag deze ondersteuning heeft plaatsgevonden.

2.4. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,




1. In deze zaak doet zich geen probleem van overgangsrecht voor. Het inleidend verzoekschrift dateert van na 1 januari 1996 (vgl. HR 19 november 1999, NJ 2000, 84).
2. Vaste rechtspraak, o.m.: HR 3 juli 1995, NJ 1996, 86 m.nt. JdB; Asser-de Boer, 1998, nr. 624.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD4971
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/11407 ABW
Datum uitspraak: 23 juli 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= Wwb) / 4:81 en 4:82 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld; aflossing ineens 50% restsom; afkoopsom; vaste gedragslijn; discretionaire bevoegdheid
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld na aflossing ineens van 50% van de restsom, omdat daarbij de vaste gedragslijn is toegepast om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/11407 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, verweerder.




Ontstaan en loop van het geding


Bij beschikking van 15 oktober 1998 heeft de kantonrechter te Delft bepaald dat eiser aan verweerder een bedrag van 99.478,29 dient te betalen in verband met ten onrechte genoten uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW).

Bij beschikking van 31 januari 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag in hoger beroep de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

Op 25 april 2000 heeft eiser aan verweerder verzocht om, na betaling van een bedrag van 21.575,00 ineens, in aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de bijstandsschuld.

Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 juni 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaren door de Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 28 augustus 2000.

Bij besluit van 20 september 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 oktober 2000, nader aangevuld bij brief van 17 november 2000, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 17 november 2000 de onderliggende stukken opgestuurd en bij brief van 19 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is, gevoegd met het beroep van [betrokkene] (AWB 00/11550 ABW) [LJN AD3472, red.], op 13 juni 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Samama.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.J. Ross.




Motivering


De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 20 september 2000 in rechte stand kan houden.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, samengevat, overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van een deel van de uitstaande vordering, aangezien de schuld van eiser het gevolg is van fraude. Verweerder volgt reeds langdurig de beleidsregel dat bij fraudeschulden geen medewerking wordt verleend aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. De inwerkingtreding van artikel 78c van de Abw per 1 augustus 1998 heeft geen aanleiding gevormd hierin verandering te brengen, ook al worden fraudeschulden in deze bepaling niet uitgezonderd. Gelet op de tekst van artikel 78c van de Abw alsmede de parlementaire behandeling is verweerder niet gehouden zijn beleid ter zake te wijzigen. Voor zover gezegd moet worden dat er in casu geen sprake is van een beleidsregel, is er in ieder geval een bestendige gedragslijn, welke gedragslijn in dit besluit adequaat is gemotiveerd.

Eiser is, samengevat, van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen aangezien verweerder bij de inwerkingtreding van de Wet herziening debiteurenbeleid [Wet terugvordering en verhaal in verband met herziening van het debiteurenbeleid, red.] met betrekking tot artikel 78c van de Abw geen werkelijk beleid heeft gemaakt en enkel heeft vastgesteld dat het bestaande beleid niet gewijzigd hoefde te worden. Eiser is van mening dat verweerder zich ten onrechte beroept op algemene beleidsuitgangspunten en hiermee voorbij is gegaan aan de omstandigheden van het individuele geval.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om kwijtschelding betrekking heeft op het restant van de vordering, welke vordering verweerder op grond van de beschikking van de rechtbank van 31 januari 2000 op eiser heeft. Tevens stelt de rechtbank vast dat naast eiser [partner] eveneens aansprakelijk is voor genoemde vordering en dat eiser en [partner] een gezamenlijk aanbod hebben gedaan tot betaling van een bedrag ineens dat neerkomt op de helft van de openstaande vordering om zodoende in aanmerking te komen voor kwijtschelding van het restant van de vordering.

Ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 78 van de Abw, van terugvordering of van verdere terugvordering afzien indien de belanghebbende een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.

Deze bepaling is op 1 augustus 1998 bij inwerkingtreding van de Wet herziening debiteurenbeleid (Wet van 9 april 1998, Stb. 1998, 278) ingevoerd. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel in het kader van de Wet herziening debiteurenbeleid door de wetgever slechts wijziging is gebracht in de terugvorderingsbepalingen van de (nieuwe) Abw, een redelijke uitleg van de ter zake geldende wettelijke bepalingen meebrengt dat ten aanzien van besluiten als het onderhavige, waar het gaat om de tenuitvoerlegging van een onder de (oude) ABW tot stand gekomen terugvorderingsbesluit, het (nieuwe) Abw-recht van toepassing is. Artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw is hier derhalve van toepassing.

Verweerder komt bij de toepassing van artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw een discretionaire bevoegdheid toe. Ingevolge artikel 4:81, eerste lid, van de Awb kan verweerder ten aanzien van deze bevoegdheid beleidsregels vaststellen. Ingevolge artikel 4:82 van de Awb kan ter motivering van een besluit slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel. Indien een vaste gedragslijn niet in een beleidsregel is neergelegd, moet een besluit conform zo'n vaste gedragslijn steeds opnieuw worden gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder inzake zijn bevoegdheid ingevolge artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw geen beleidsregels heeft vastgesteld. De beleidsregel, zoals in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op 17 december 1998 bij Raadsbesluit 980537 is vastgesteld, kan hier niet als beleidsregel gelden, nu bedoeld raadsbesluit enkel ziet op de bevoegdheid die de gemeente toekomt in het kader van de uitvoering van de WSNP.
Dit neemt niet weg dat wel sprake is van een vaste gedragslijn van verweerder om bij fraudeschulden geen medewerking te verlenen aan kwijtscheldings- of afkoopregelingen. Deze gedragslijn is in het bestreden besluit uiteengezet en ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat uitgangspunt van deze gedragslijn is de opvatting van verweerder dat fraude niet mag lonen.

Naar het oordeel van de rechtbank laat artikel 78c van de Abw ruimte voor het voeren van een zodanige vaste gedragslijn. Deze gedragslijn kan niet als kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar worden beschouwd. Dit geldt te minder nu, zoals ook uit de parlementaire geschiedenis van de Wet herziening debiteurenbeleid blijkt, de wetgever met deze wet geen wijziging heeft beoogd ten aanzien van het uitgangspunt dat ten onrechte verleende uitkeringen moeten worden teruggevorderd (Kamerstukken II 1997-1998, 25 661, nr. 3, blz. 4). Het gegeven dat artikel 78c van de Abw blijkens de parlementaire geschiedenis ook toepassing kan vinden op fraudeschulden (t.a.p., blz. 5) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had dienen af te wijken door eisers verzoek in te willigen, is de rechtbank niet gebleken. De ter zitting door eiser aangevoerde omstandigheid dat er nooit sprake is geweest van samenwonen en de verleende bijstand ten onrechte is teruggevorderd, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. De rechtbank heeft bij eerder genoemde beschikking van 31 januari 2000 in hoger beroep immers definitief in andere zin geoordeeld. De overige door eiser aangevoerde omstandigheden dat zijn familie bereid is financieel bij te dragen aan de aflossing van deze schuld, dit de enige grote schuld is die hij heeft en dat deze schuld zwaar op hem drukt aangezien hij de zorg heeft voor een aantal kinderen, zijn evenmin aan te merken als bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van zijn vaste gedragslijn had moeten afwijken.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan n van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




Beslissing



De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. S.C. Stuldreher, J.W. Sentrop en E.J.M. Heijs en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw / Awb
x
LJN:
x
AD5014
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: 00/8238 ABW
Datum uitspraak: 22 augustus 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 9, 11 en 113 Abw (= 11, 13, 16 en 9 Wwb) / 1 Gw / 8:72 Awb
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; weigering bijstand; ontheffing arbeidsverplichtingen; alleenstaande ouder met kind jonger dan vijf jaar; jonger dan 57,5 jaar; discriminatieverbod; gelijkheidsbeginsel; territorialiteitsbeginsel
Essentie: Onterechte weigering van bijstand wegens verblijf in het buitenland langer dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken), omdat betrokkene vanwege haar tweejarige kind nog geruime tijd ontheven zal zijn van de arbeidsverplichtingen en zij derhalve dient te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers, wie het is toegestaan dertien weken in het buitenland te verblijven. Er zijn i.c. geen objectieve en redelijke gronden voor het onderscheid naar leeftijd. Overigens bestaat in iedere situatie waarbij de gebruikelijke vakantieduur wordt overschreden, dus ook in geval van ziekte, geen recht op bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage 00/8238 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 14 juni 2000, kenmerk 00/012189.




2. Zitting


Datum: 3 juli 2001.
Verschenen is verweerder, bij gemachtigde J.R. Frederici.
Eiseres is niet verschenen.




3. Feiten


Eiseres, geboren op [...] 1964, ontving sedert 1 februari 1999 van verweerder een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op een bij verweerder op 13 augustus 1999 ingekomen formulier "opgave vakantie" heeft zij verweerder meegedeeld van 26 september 1999 tot en met 23 oktober 1999 op vakantie naar het buitenland te zullen gaan.

Bij besluit van 18 oktober 1999 heeft verweerder eiseresses recht op uitkering met ingang van 1 september 1999 opgeschort, op grond dat zij niet aan haar informatieverplichting had voldaan.
Bij besluit van 1 november 1999 heeft verweerder eiseresses recht op uitkering met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken, op grond dat zij niet binnen de haar bij het besluit van 18 oktober 1999 gestelde termijn alsnog aan haar informatieverplichting had voldaan. Onder vervallenverklaring van dit besluit in zoverre heeft verweerder de ingangsdatum van de intrekking bij besluit van 2 november 1999 gesteld op 1 september 1999.

Verweerder heeft bij besluit van 24 januari 2000 aan eiseres met ingang van 1 september 1999 een uitkering ingevolge de Abw toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder.
Bij dit besluit heeft verweerder eiseres vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen.

Bij voormeld besluit heeft verweerder eiseres voorts meegedeeld dat zij voor de periode van 23 oktober 1999 tot 2 december 1999 is uitgesloten van het recht op bijstand, omdat zij gedurende die periode langer dan de gebruikelijke vakantieduur in het buitenland verbleef. De rechtbank merkt het besluit van 24 januari 2000 voor wat het onderhavige beroep betreft in zoverre als primair besluit aan.

Bij brief van 29 maart 2000 heeft eiseres tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend.
Het bezwaarschrift is ter hoorzitting van 28 april door en namens eiseres toegelicht ten overstaan van verweerders Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften Kamer II.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met overname van het door voornoemde Commissie uitgebrachte advies het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 20 juli 2000 een beroepschrift op nader aan te voeren gronden ingediend.
De gronden van het beroep zijn op 29 augustus 2000 ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingediend.

Na de terechtzitting heeft de rechtbank nog kennis genomen van verweerders mededeling per faxbericht d.d. 3 juli 2001, houdende antwoord op de ter zitting gerezen vraag naar de leeftijd van kinderen van eiseres. Uit die mededeling blijkt dat eiseres een kind heeft, genaamd X, dat geboren is op [...] 1998.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Aan de orde is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit de uitsluiting van eiseres van het recht op bijstand over de periode van 23 oktober 1999 tot 2 december 1999 terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd.

Daarbij staat het volgende voorop.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, Abw is bepaald dat geen recht op bijstand heeft degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt in het buitenland.
Omtrent hetgeen onder de gebruikelijke vakantieduur wordt verstaan, kan ingevolge het derde lid van artikel 9 Abw de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) regels stellen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Besluit van de minister van 13 maart 1998, Stcrt. 1998, 51, in werking getreden op 1 april 1998) geldt dat onder gebruikelijke vakantieduur voor belanghebbenden zoals eiseres, die jonger zijn dan 57,5 jaar, een periode van vier weken per kalenderjaar wordt verstaan.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.
Uit bovenweergegeven wettelijke bepalingen en de jurisprudentie wordt allereerst afgeleid dat eiseresses bijstandsuitkering gelet op het territorialiteitsbeginsel in geen geval kon worden voortgezet na het verstrijken van de voor eiseres gebruikelijke vakantieduur, te weten vier weken. Daarbij is volgens verweerder niet van belang welke de reden van het verblijf in het buitenland is en met name niet of de betrokkene al dan niet wegens vakantie in het buitenland verblijft. Verweerder wijst er voorts op dat zijn dienst bij de uitvoering van de Abw ook strak de hand houdt aan het territorialiteitsbeginsel.
Verweerder overweegt voorts dat er een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond is voor het in de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw opgenomen leeftijdsonderscheid, gelet op de sterke roep daartoe vanuit de samenleving. Omdat genoemde regeling geen ruimte biedt voor extensieve interpretatie, is verweerder onder verwijzing naar jurisprudentie van oordeel dat eiseres aan het gegeven dat zij van de arbeidsverplichtingen is vrijgesteld geen aanspraak ontleent op toepassing van de gebruikelijke vakantieduur die geldt voor 57,5-jarigen en ouderen.
Ten slotte overweegt verweerder dat er geen sprake is van een zeer dringende reden die ruimte biedt om eiseres met toepassing van artikel 11 Abw over de periode van 23 oktober 1999 tot 2 december 1999 toch bijstand toe te kennen.

In beroep heeft eiseres het volgende aangevoerd.
Zij stelt voorop dat zij op vakantie in Calcutta verblijvende ziek is geworden en dat zij verweerder daarvan onder overlegging van medische bewijsstukken op de hoogte heeft gebracht. Op grond hiervan is het haar niet aan te rekenen dat haar verblijf in het buitenland langer dan vier weken heeft geduurd.
Artikel 9 Abw, uitgelegd conform de tekst daarvan, betekent volgens eiseres dat slechts iemand die langer dan vier weken in het buitenland op vakantie is geen recht meer heeft op Abw-uitkering. Eiseres wijst erop dat haar langer verblijf niets met vakantie van doen had, integendeel: zij was gedwongen ter plekke te blijven.
Eiseres acht de uitleg die verweerder aan de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw geeft discriminatoir naar leeftijd en sekse. Naar de mening van eiseres dient deze op de sollicitatieplicht en niet op het territorialiteitsbeginsel toegesneden regeling, voor zover de gebruikelijke vakantieduur voor ouderen op dertien weken wordt bepaald, ook op haar te worden toegepast, nu zij, vanwege het feit dat zij een kind heeft dat jonger is dan vijf jaar, evenmin als die ouderen sollicitatieplicht heeft.
Ten slotte meent eiseres dat zij zich, ingeval zij toch onder de uitsluiting van artikel 9 Abw zou vallen, met recht kan beroepen op artikel 11 Abw.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gezien de tekst van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, Abw is het voortduren van het recht op bijstand beperkt tot de gebruikelijke vakantieduur in iedere situatie die kan worden aangemerkt als verblijf houden buiten Nederland. Eiseresses betoog dat zij met ingang van 23 oktober 1999 voor een bijstandsuitkering in aanmerking bleef komen omdat er toen geen sprake (meer) was van vakantie treft gelet daarop geen doel.
Het in artikel 7, eerste lid, Abw uitgedrukte territorialiteitsbeginsel laat volgens vaste rechtspraak de voortzetting van een bijstandsuitkering tijdens een verblijf in het buitenland gedurende een langere periode dan de toepasselijke gebruikelijke vakantieduur niet toe, waarbij niet relevant is om welke reden betrokkene (langer) in het buitenland verblijft en evenmin of diens aanwezigheid in het buitenland noodzakelijk is. Gelet daarop faalt ook eiseresses betoog dat zij met ingang van 23 oktober 1999 voor een bijstandsuitkering in aanmerking bleef komen omdat zij inmiddels noodgedwongen in het buitenland verbleef.

Daarmee spitst het onderhavige geschil zich toe op de vraag of verweerder al dan niet een naar leeftijd en/of sekse discriminatoire uitleg aan de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw heeft gegeven.

Daarbij staat voorop dat in artikel 1 van de Grondwet is bepaald dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld en dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, niet is toegestaan.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in de door verweerder aan de regeling gegeven uitleg sprake is van verboden rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie naar sekse.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van verboden discriminatie naar leeftijd overweegt de rechtbank als volgt.

In haar uitspraak van 13 januari 2000 (JABW 2000/43 [LJN AA5111, red.]) heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht samengevat overwogen dat in de op grond van artikel 113, vierde lid, Abw in het leven geroepen Regeling vrijstelling verplichtingen Abw is bepaald dat van de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, Abw zijn vrijgesteld de belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar alsmede dat dit onderscheid naar leeftijd ten aanzien van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling in de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is gehandhaafd.
In die uitspraak is voorts overwogen dat het doel van (het leeftijdsonderscheid in - zo begrijpt de rechtbank) de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar of ouder zijn en op grond van deze leeftijd zijn ontheven van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling een langere vakantieperiode in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wl moeten voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.


De rechtbank onderschrijft deze overwegingen en komt mede in het licht daarvan tot het volgende oordeel.

Vaststaat dat eiseres jonger is dan 57,5 jaar en vrijgesteld is van de arbeidsverplichtingen in verband met de zorg voor een op 31 augustus 1998 geboren kind.

Op grond van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw geldt voor eiseres op grond van haar leeftijd evenwel een gebruikelijke vakantieduur van vier weken per kalenderjaar, terwijl voor belanghebbenden van 57,5 jaar of ouder op grond die regeling een gebruikelijke vakantieduur geldt van dertien weken per kalenderjaar.
In de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw wordt derhalve een onderscheid gemaakt naar leeftijd, zijnde discriminatie "op welke grond dan ook" als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.
Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan is het maken van onderscheid naar leeftijd evenwel geoorloofd.

Naar het oordeel van de rechtbank verkeert een bijstandsgerechtigde moeder die op grond van de zorg voor haar kind van jonger dan vijf jaar is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen voor de toepassing van de
Abw in dezelfde omstandigheden als een bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder die op grond van zijn leeftijd is ontheven van de verplichtingen van artikel 113 Abw. Dat kan anders zijn ingeval op korte termijn valt te verwachten dat het kind de leeftijd van vijf jaar zal bereiken en van de bijstandsgerechtigde met het oog daarop mag worden verwacht dat deze zich op de volledige herleving van de arbeidsverplichtingen zal voorbereiden, maar daarvan is in het geval van eiseres geen sprake, nu haar kind ten tijde van belang nog geen twee jaar oud was.

Het belang van doelmatige controle en het territorialiteitsbeginsel, ten aanzien waarvan uit de toelichting op de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw kan worden afgeleid dat deze in het geval van een van de arbeidsverplichtingen vrijgestelde bijstandsgerechtigde van ten minste 57,5 jaar bij een verblijf in het buitenland van niet meer dan dertien weken niet in het geding werden geacht, zijn naar het oordeel van de rechtbank in het geval van een bijstandsgerechtigde die omwille van de leeftijd van haar kind nog geruime tijd aanspraak heeft op vrijstelling van de arbeidsverplichtingen redelijkerwijs evenmin in het geding te achten.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het uit de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw voortvloeiende onderscheid naar leeftijd door verweerder ten aanzien van eiseres bij gebreke van objectieve en redelijke gronden voor dat onderscheid niet zonder in strijd te komen met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet kon worden gemaakt.

Nu het bestreden besluit op dit onderscheid berust, is het beroep gegrond en dient dat besluit te worden vernietigd.
De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, Awb opdragen binnen zes weken na het onherroepelijk worden van dit besluit met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 710,-.
Aangezien ten behoeve van eiseres ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.




6. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast dat de gemeente Delft als rechtspersoon aan eiseres het door deze betaalde griffierecht, zijnde 60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten ad 710,-, onder aanwijzing van de gemeente Delft als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.




7. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. R.M. Bouritius en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de griffier.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden:

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD5103
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/750 NABW
Datum uitspraak: 16 oktober 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 70, 107 en 113 Abw (= , 9 en 9 Wwb) / 1:3, 4:5, 4:6, 6:2, 8:1 en 8:74 Awb
Trefwoorden: arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; afwijzing verzoek ontheffing; eerder besluit; feitelijke handeling; zelfstandig rechtsgevolg; niet tijdig genomen besluit op bezwaar; vergoeding griffierecht
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen het geschrift waarbij het verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen - onder verwijzing naar een eerder besluit waarbij die ontheffing reeds is verleend - wordt afgewezen, omdat dat geschrift geen appellabel besluit is aangezien het geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. Voorts is de opgelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een trajectplan, gelet op de ontheffing, niet rechtmatig. Het betaalde griffierecht voor het beroep tegen een niet tijdig genomen besluit op bezwaar dient wel te worden vergoed, omdat terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig te achten besluit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/750 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellante heeft op in beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Maastricht op 22 januari 1999 ten aanzien van partijen gewezen uitspraak, genummerd 97/2087 NABW en 97/2603 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Hierna heeft appellante zich nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend.

Het geding is - gevoegd met de gedingen tussen partijen genummerd 99/753 NABW en 99/5104 NABW - behandeld ter zitting van 20 februari 2001. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de gedingen genummerd 99/753 NABW en 99/5104 NABW is afzonderlijk uitspraak gedaan.

Omdat het onderzoek in de onderhavige zaak niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek in deze zaak heropend.

Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 september 2001, waar partijen niet zijn verschenen.




II. Motivering


Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde bij besluit van 20 augustus 1996 appellantes uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers met ingang van 1 september 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw); in dit besluit was onder andere ook opgenomen dat voor appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw betreffende (kort gezegd) scholing en sollicitatie gelden. Bij besluit van 12 november 1996 heeft gedaagde evenwel ter kennis van appellante gebracht dat zij met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw (vooralsnog) wordt ontheven van de in artikel 113 van de Abw genoemde verplichtingen.
Appellante heeft bij brief van 26 maart 1997 aan gedaagde verzocht haar van de scholings- en sollicitatieverplichtingen te ontheffen. Gedaagde heeft bij beslissing van 2 december 1997 dat verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar zijn besluit van 12 november 1996. Intussen had appellante bij brief van 5 juni 1997 bij gedaagde bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek van 26 maart 1997. Vervolgens heeft zij bij brief van 25 augustus 1997 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van gedaagde op haar bezwaarschrift van 5 juni 1997 (het geding nummer 97/2087 NABW). Nadat de beslissing van 2 december 1997 bij de rechtbank was ontvangen, heeft appellante de rechtbank desgevraagd, bij brief van 12 december 1996, meegedeeld dat zij het met de inhoud ervan niet eens is (het geding nummer 97/2603 NABW).

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 5 juni 1997 niet-ontvankelijk verklaard en zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van 2 december 1997. De rechtbank heeft geen termen aanwezig geacht te bepalen dat aan appellante het door haar (in het geding 97/2087) betaalde griffierecht dient te worden vergoed.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat zij onbevoegd is van het beroep tegen de beslissing van 2 december 1997 kennis te nemen, omdat naar haar oordeel die beslissing niet een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, tengevolge waarvan op grond van artikel 8:1 van de Awb ter zake van dat geschrift geen beroep bij de rechtbank mogelijk is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het door appellante op 26 maart 1997 ingediende verzoek betrekking had op een vrijstelling die gedaagde haar bij het besluit van 12 november 1996 al had verleend, zodat het geschrift van 2 december 1997 geen zelfstandig rechtsgevolg heeft.
De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak in zoverre als juist. Hieraan voegt de Raad toe dat onder de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, waarvan appellante ontheffing is verleend, gezien artikel 70, derde lid, van de Abw niet mede valt te begrijpen de in het besluit van 12 november 1996 wel aan appellante opgelegde voorwaarde medewerking te verlenen aan het totstandkomen van een in haar geval voorgenomen trajectplan. Derhalve had het verzoek van appellante bij brief van 26 maart 1997 om vrijstelling van de scholings- en sollicitatieverplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw en bijgevolg het geschrift van 2 december 1997 op die voorwaarde geen betrekking.

Voorts acht de Raad de in het dictum van de aangevallen uitspraak neergelegde niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van appellante, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 5 juni 1997, eveneens juist. De Raad is van oordeel dat met het verschijnen van het geschrift van 2 december 1997, waarmee gedaagde het oogmerk had op het verzoek van appellante van 26 maart 1997 te beslissen, aan het hier besproken beroep van appellante geheel werd tegemoet gekomen. De Raad kan zich echter niet vinden in de beslissing van de rechtbank aan de gemeente Nuth niet op te dragen aan appellante het in het geding nummer 97/2087 NABW betaalde griffierecht ad 55,- te vergoeden. Hiertoe neemt de Raad in aanmerking dat gedaagde ten tijde van het instellen van dit beroep nog niet op het bezwaar van 5 juni 1997 had beslist en, gezien de stukken, de hiervoor geldende beslistermijn had overschreden. Dit betekent dat appellante terecht is opgekomen tegen een op zichzelf onrechtmatig te achten besluit. De Raad ziet daarom aanleiding de gemeente Nuth met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te veroordelen tot het vergoeden van griffierecht aan appellante.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd in zoverre daarin is beslist over de vergoeding van griffierecht.

De Raad ziet, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 70,- aan reiskosten. Hierbij tekent de Raad aan dat de rechtbank in haar uitspraak van 22 januari 1999, die in het geding nummer 99/753 NABW aan de orde was, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten van appellante in de vorm van reiskosten ad 21,63, zijnde de kosten van het bijwonen van de zitting van de rechtbank op 26 november 1998, op welke zitting ook het onderhavige geding in eerste aanleg is behandeld.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak in het geding nummer 97/2087 NABW, voor zover daarbij is beslist over de vergoeding van griffierecht;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot 70,-, te betalen door de gemeente Nuth;
gelast de gemeente Nuth aan appellante het in beroep (in het geding nummer 97/2087 NABW) gestorte recht van 55,- en van 160,- in hoger beroep (totaal 215,-) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. Ch. de Vrey als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2001.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x