Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD5366
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R01/091HR
Datum uitspraak: 11 januari 2002
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 5a, 59a en 64 ABW (= 3, 84 en 95 Abw) (= 3, 59 en – Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; hoofdelijke aansprakelijkheid; onderhoudsplichtige; ondertekening verklaring; intrekking verklaring; bewijslastverdeling; motivering; betalingsregeling; Hoge Raad
Essentie: Onterechte terugvordering van de bijstandsgerechtigde en de hoofdelijk aansprakelijke onderhoudsplichtige wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding, omdat de rechtbank, nu zij dit tot een belangrijk onderdeel van haar bewijsconstructie heeft gemaakt, ten onrechte heeft aangenomen dat de (later ingetrokken) verklaringen van de bijstandsgerechtigde door haar zijn ondertekend. De rechtbank heeft verzuimd een betalingsregeling vast te stellen en is ten onrechte uitgegaan van onderzoek door de sociale recherche in plaats van een ambtenaar van de sociale dienst. Het geding wordt verwezen naar het hof.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden R01/091HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoekster 1] en [verzoeker 2], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

tegen

de gemeente Groningen, gevestigd te Groningen, verweerster in cassatie,
advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 31 januari 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ingekomen verzoekschrift en een op 31 januari 1997 gedateerd aanvullend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en in een procedure tegen verzoekers tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verzoekster 1] en [verzoeker 2] - verzocht:
1. het bedrag dat door [verzoekster 1] aan de Gemeente verschuldigd is vast te stellen op ƒ47.510,41 en
2. het bedrag dat door [verzoeker 2] aan de Gemeente verschuldigd is vast te stellen op ƒ31.215,36.

[Verzoekster 1] en [verzoeker 2] hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 3 augustus 1999 het verzoek toegewezen en bepaald dat de totaalsom van het terug te vorderen bedrag terstond kan worden ingevorderd.
Tegen deze beschikking hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.
Bij tussenbeschikking van 14 maart 2000 heeft de Rechtbank [verzoekster 1] en [verzoeker 2] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 22 mei 2001 de beschikking van de Kantonrechter van 3 augustus 1999 bekrachtigd.
De beschikkingen van de Rechtbank van 14 maart 2000 en 22 mei 2001 zijn aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen beide beschikkingen van de Rechtbank hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen en ten aanzien van onderdeel 8 geconcludeerd tot referte.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking d.d. 22 mei 2001, tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De advocaat van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] heeft bij brief van 15 november 2001 op die conclusie gereageerd.




3. Beoordeling van het middel


3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i). De Gemeente heeft een bijstandsuitkering verstrekt aan [verzoekster 1] naar de norm van een eenoudergezin.
(ii). Naar aanleiding van binnengekomen tips heeft de Gemeente in september 1993 een onderzoek laten instellen naar een mogelijke gemeenschappelijke huishouding van [verzoekster 1] met [verzoeker 2] in het bijstandstijdvak.
(iii). Bij brief van 30 november 1993 heeft de Gemeente [verzoekster 1] in kennis gesteld van het besluit tot terugvordering van de kosten van bijstand over het tijdvak van 27 juli 1991 tot en met 17 september 1993.
(iv). Bij brief van diezelfde datum heeft de Gemeente [verzoeker 2] op grond van artikel 59a ABW hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de kosten van bijstand voor zover deze betrekking hebben op het tijdvak van 1 augustus 1992 tot en met 17 september 1993.

3.2. Tegen het onder 1 vermelde verzoek van de Gemeente hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] aangevoerd dat in het bijstandstijdvak geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
De Kantonrechter heeft het verzoek van de Gemeente toegewezen.
Op het hoger beroep van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] heeft de Rechtbank hen in haar tussenbeschikking, overeenkomstig hun aanbod, toegelaten te bewijzen dat in de litigieuze periode tussen hen geen sprake is geweest van een samenwoning als bedoeld in de ABW.
In haar eindbeschikking heeft de Rechtbank gedeelten van de verklaringen van de zeven gehoorde getuigen zakelijk weergegeven (rov. 3-9 [rechtsoverweging 3-9, red.]). Voorts heeft zij enige overwegingen gewijd aan de in het kader van een onderzoek door de sociale recherche gevoerde gesprekken door de sociale rechercheur H.J.P. van Wijk met [verzoekster 1] op 1 en 22 september 1993 (rov. 10 en 11). In dat verband heeft de Rechtbank tevens geoordeeld dat "[i]n het algemeen van de juistheid van een tegenover een bijzonder opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring [mag] worden uitgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of achteraf ontkennen van het verklaarde ondergeschikte betekenis kan worden toegekend. In dit geval dient", aldus de Rechtbank, "doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de in onderlinge samenhang beschouwde door [verzoekster 1] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. (...). Daarnaast hebben de door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] als partij-getuige afgelegde verklaringen slechts een beperkte bewijskracht en sluiten de verklaringen van de hiervoor onder 5 tot en met 8 genoemde getuigen een duurzaam samenleven van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] niet uit." In rov. 12 is de Rechtbank "[g]elet op hetgeen hiervoor is overwogen, alle feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband in aanmerking nemende, met name de ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen van [verzoekster 1]" tot de slotsom gekomen dat voldoende is komen vast te staan dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] in de periode van 1 februari 1992 tot 17 september 1993 duurzaam en gezamenlijk een huishouding hebben gevoerd in de zin van de ABW.
De Rechtbank heeft vervolgens de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3. Onderdeel 1 klaagt dat de Rechtbank door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] toe te laten tot bewijslevering de in artikel 177 Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.] neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling heeft geschonden, althans haar beslissing op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.
Het onderdeel faalt. Naar blijkt uit haar eindbeschikking komt de gedachtegang van de Rechtbank op het volgende neer. Zij heeft het oordeel van de Kantonrechter onderschreven dat de Gemeente het bewijs heeft geleverd van haar stelling dat [verzoekster 1] met [verzoeker 2] in de periode van 1 februari 1992 tot 17 september 1993 duurzaam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Zij is tot dit oordeel gekomen op grond van "met name de ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen van [verzoekster 1]". Zij heeft door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] overeenkomstig hun uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod toe te laten tot bewijslevering dus niet de bewijslast op hen gelegd, maar hen in feite de gelegenheid gegeven om tegenbewijs te leveren.

3.4. Onderdeel 2 klaagt terecht dat, in het licht van het geen uit de gedingstukken blijkt omtrent het in deze zaak gedane onderzoek, onbegrijpelijk is dat de Rechtbank in de rov. 10, 11 en 12 van haar eindbeschikking ervan is uitgegaan dat de op 1 en 22 september 1993 door [verzoekster 1] afgelegde verklaringen zijn gedaan in het kader van een onderzoek van de sociale recherche en dat deze zijn vastgelegd door een sociaal rechercheur, onderscheidenlijk bijzonder opsporingsambtenaar.

3.5. Onderdeel 3 klaagt terecht dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank in de rov. 11 en 12 van haar eindbeschikking heeft aangenomen dat [verzoekster 1] haar daar genoemde verklaringen heeft ondertekend. Immers, de Gemeente heeft erkend (zie de conclusie na enquête van de Gemeente, volgvel 6) dat die verklaringen niet zijn ondertekend. Reeds uit de omstandigheid dat de Rechtbank, naar blijkt uit de rov. 11 en 12 [van, red.] haar eindbeschikking, bij haar waardering van het bewijsmateriaal groot gewicht heeft gehecht aan de (door haar veronderstelde) ondertekening van die verklaringen, blijkt dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] belang hebben bij voormelde klacht.

3.6. De gegrondbevinding van onderdeel 3 brengt mee dat de onderdelen 4-7 geen behandeling behoeven.

3.7. Bij memorie na enquête onder 25 hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] de Rechtbank subsidiair verzocht om op grond van artikel 64 ABW een betalingsregeling vast te stellen. De Rechtbank had niet, naar onderdeel 8 terecht betoogt, gelijk zij gedaan heeft, zonder enige motivering voorbij mogen gaan aan dit verzoek.




4. Beslissing


De Hoge Raad:

verwerpt het beroep tegen de tussenbeschikking van de Rechtbank te Groningen van 14 maart 2000;
vernietigt de beschikking van die Rechtbank van 22 mei 2001;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M Aaftink en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 januari 2002.




CONCLUSIE


R01/091HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 2 november 2001

Conclusie inzake:
[verzoekster 1] en [verzoeker 2]
tegen
de gemeente Groningen

In deze zaak over terugvordering van bijstand valt het cassatiemiddel de bewijslastverdeling en de motivering van de bewijsbeslissing aan.




1. De feiten en het procesverloop


1.1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan (1). Verweerster in cassatie, de gemeente, heeft een bijstandsuitkering verstrekt aan verzoekster tot cassatie sub 1 (hierna te noemen: de vrouw) naar de norm voor een eenoudergezin. Naar aanleiding van binnengekomen tips heeft de gemeente in september 1993 een onderzoek laten instellen naar een mogelijke gemeenschappelijke huishouding van de vrouw met de huidige verzoeker tot cassatie sub 2 (hierna: de man) in het bijstandstijdvak. Bij brief van 30 november 1993 heeft de gemeente de vrouw in kennis gesteld van het besluit tot terugvordering van de kosten van bijstand over het tijdvak van 27 juli 1991 tot en met 17 september 1993. Bij brief van diezelfde datum heeft de gemeente de man op grond van artikel 59a ABW (oud) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de kosten van bijstand voor zover deze betrekking hadden op het tijdvak van 1 augustus 1992 (2) tot en met 17 september 1993.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift d.d. 31 januari 1997 heeft de gemeente aan de kantonrechter te Groningen verzocht het bedrag dat de vrouw aan de gemeente dient te voldoen vast te stellen op ƒ47.510,41. Dit bedrag bestaat voor het overgrote deel, ƒ45.810,41, uit de brutokosten van bijstand over het tijdvak van 1 februari 1992(3) tot en met 17 september 1993. Daarnaast vordert de gemeente een overbruggingsuitkering ad ƒ200,- terug, welke de gemeente op 12 december 1995 aan de vrouw heeft verstrekt, en een renteloze geldlening ad ƒ1500,-, welke de gemeente op 27 juli 1990 aan de vrouw heeft verstrekt. De gemeente heeft bij hetzelfde rekest aan de kantonrechter verzocht het bedrag dat de man op grond van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid aan de gemeente dient te voldoen, vast te stellen op ƒ31.215,36.

1.3. De vrouw en de man hebben gezamenlijk verweer gevoerd. Zij geven toe dat zij sedert 21 oktober 1996 samenwonen en dat zij voordien een relatie hadden, maar zij hebben bestreden dat in het bijstandstijdvak reeds sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De terugvordering van de bedragen van ƒ200,- en ƒ1500,- is niet bestreden.

1.4. Bij beschikking van 3 augustus 1999 heeft de kantonrechter het verzoek van de gemeente geheel toegewezen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de vrouw aan de gemeente geen mededeling heeft gedaan van haar duurzame gemeenschappelijke huishouding met de man in dit tijdvak. De kantonrechter heeft geconstateerd dat evenmin is bestreden dat de gemeente, indien de vrouw die mededeling wél zou hebben gedaan, geen bijstand aan de vrouw zou hebben verstrekt omdat de man in het desbetreffende tijdvak over voldoende inkomsten beschikte om het gezin te kunnen onderhouden (rov. 3 Ktr.). De kantonrechter heeft voorts bewezen geacht dat in de bewuste periode sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding. De kantonrechter heeft dit oordeel hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen die de vrouw op 1 en 22 september 1993 tegenover ambtenaren van de gemeente heeft afgelegd. Weliswaar is de vrouw later op die verklaringen teruggekomen, maar de kantonrechter was van oordeel dat de eerdere, bekennende verklaringen "aanmerkelijk meer geloof verdienen dan de latere ontkenning op onderdelen" (rov. 7 Ktr.).

1.5. De vrouw en de man hebben hoger beroep ingesteld. Bij tussenbeschikking van 14 maart 2000 heeft de rechtbank te Groningen hen, overeenkomstig hun aanbod, toegelaten te bewijzen dat in de litigieuze periode tussen hen geen sprake is geweest van een samenwoning als bedoeld in de ABW.

1.6. Na verhoor van getuigen hebben de man en de vrouw op 17 oktober 2000 een memorie na enquête genomen. Aan het slot van die memorie (alinea 25) hebben zij subsidiair, voor het geval ook de rechtbank de vordering toewijst, verzocht een betalingsregeling in termijnen vast te stellen op de voet van artikel 64 ABW. De gemeente heeft daarop gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 22 mei 2001 geoordeeld dat voldoende is komen vaststaan dat de vrouw met de man in de periode van 1 februari 1992 tot en met 17 september 1993 duurzaam een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de zin van de ABW. De rechtbank heeft de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd.

1.7. De vrouw en de man hebben - tijdig (4) - cassatieberoep ingesteld tegen beide beschikkingen van de rechtbank. De gemeente heeft geconcludeerd tot referte voor wat betreft onderdeel 8 en voor het overige tot verwerping van het cassatieberoep.




2. Bespreking van het cassatiemiddel


2.1. Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank door de vrouw en de man toe te laten tot bewijslevering de in artikel 177 Rv neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling heeft geschonden, althans haar beslissing op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens het middel lag het op de weg van de gemeente te bewijzen dat de vrouw en de man in het desbetreffende tijdvak een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.

2.2. De bijstand, waarom het in dit geding gaat, is verleend toen de Algemene Bijstandswet van 1963 nog gold. Artikel 5a ABW (oud) bepaalde, voor zover thans van belang:
"1. De bijstand aan niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, wordt vastgesteld op een overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 5 [dat wil zeggen: als gezinsbijstand, noot A-G] tenzij het betreft bloedverwanten in de eerste of tweede graad. Daarbij wordt rekening gehouden met de middelen van deze personen tezamen.
2. Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het eerste lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien."

In de rechtspraak wordt benadrukt dat de beoordeling of in een bepaald geval is voldaan aan het tweede lid van artikel 5a ABW geschiedt door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn. Financiële verstrengeling - de term is afkomstig uit de parlementaire geschiedenis - kan daarop wijzen. Bij het ontbreken daarvan kan de rechter niettemin, op grond van andere feiten en omstandigheden, aannemen dat de betrokkenen beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 22 december 1995, NJ 1996, 331).

2.3. Voor wat betreft de bewijslastverdeling werd in de parlementaire geschiedenis van de artikelen 5a en 59a ABW ervan uitgegaan dat het in beginsel op de weg van de gemeente ligt om aannemelijk te maken dat er sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (5). De rechtspraak vertoont eenzelfde lijn. Nadat in HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 m.nt. EAA (rov. 3.3), reeds maatstaven waren geformuleerd voor de stelplicht en bewijslastverdeling bij terugvordering wegens het verschaffen van onjuiste of onvolledige inlichtingen (6) - het ging daar om verzwegen inkomsten uit arbeid - heeft de Hoge Raad zich op 27 september 1991, NJ 1991, 787, ook uitgesproken over een geval waar de terugvordering werd gebaseerd op een verzwegen duurzame huishouding. In het desbetreffende geval stond niet de gezamenlijke huisvesting, maar wel de gestelde wederzijdse verzorgingsrelatie ter discussie. De Hoge Raad overwoog daaromtrent:
"Het is in beginsel aan de gemeente om aannemelijk te maken dat aan deze voorwaarde is voldaan, maar mede in het licht van het bepaalde in het tweede lid van artikel 30 kan van W worden gevergd dat hij ter staving van zijn verweer dat hier slechts van kostgangerschap sprake is, voldoende feitelijke gegevens verstrekt om de gemeente voor haar bewijslevering aanknopingspunten te verschaffen. (...)
De rechter naar wie het geding wordt verwezen, zal zich voorts de vraag moeten stellen of niet reeds zoveel, van de zijde van de gemeente aangevoerde omstandigheden omtrent de financiële verstrengeling tussen W en mevrouw B zijn komen vast te staan dat voorshands - behoudens door W te leveren tegenbewijs - redelijkerwijs mag worden aangenomen dat tussen betrokkenen een wederzijdse verzorgingsrelatie bestaat" (7).

2.4. De tussenbeschikking in de onderhavige zaak bevat uitsluitend een weergave van de wederzijdse standpunten. De rechtbank heeft zich in de tussenbeschikking niet uitgesproken over de vraag of de vrouw en de man aan hun stelplicht hebben voldaan (in de zin van NJ 1991, 787) noch overwogen dat reeds zóveel van de zijde van de gemeente aangevoerde omstandigheden vaststaan dat voorshands, behoudens door de vrouw en de man te leveren tegenbewijs, mag worden aangenomen dat tussen de betrokkenen een wederzijdse verzorgingsrelatie heeft bestaan. Het kan zijn dat de rechtbank zich de beslissing over de bewijslastverdeling heeft willen voorbehouden tot de eindbeschikking; de schriftelijke toelichting van de zijde van de gemeente zinspeelt daarop. Een dergelijke aanpak was in dit geval mogelijk omdat de vrouw en de man hun bewijsaanbod hadden gedaan zonder het gebruikelijke voorbehoud (dat het bewijsaanbod alleen geldt indien op hen de bewijslast rust). De rechtbank kon hen gelegenheid geven het bewijsaanbod gestand te doen alvorens zich uit te spreken over de bewijslastverdeling of over het bewijsrisico. Hoe dan ook, in de eindbeschikking heeft de rechtbank het één en ander weer rechtgetrokken. In de eindbeschikking werd immers niet overwogen dat de vordering toewijsbaar is omdat de vrouw en de man niet hebben kunnen bewijzen dat in de litigieuze periode tussen hen geen sprake is geweest van een samenwoning als bedoeld in de ABW. In dát geval zou het bewijsrisico inderdaad ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, bij de vrouw en de man zijn gelegd. De redenering van de rechtbank is een andere. Blijkens rov. 12 heeft de rechtbank positief vastgesteld dat de vrouw met de man in de periode van 1 februari 1992 tot 17 september 1993 duurzaam een gezamenlijke huishouding in de zin van de ABW heeft gevoerd. Dit oordeel is gegrond op een waardering van de feiten en omstandigheden, waarbij de rechtbank - evenals de kantonrechter - met name gewicht heeft toegekend aan de verklaringen die de vrouw zelf ten overstaan van een ambtenaar van de sociale dienst had afgelegd. In de opvatting van de rechtbank, zoals deze blijkt uit de eindbeschikking, heeft de gemeente reeds in eerste aanleg schriftelijk bewijs van haar stelling geleverd (door het overleggen van het verslag van de verklaringen van de vrouw) en hebben de vrouw en de man in appel in feite gelegenheid gekregen om tegenbewijs te leveren. Zó beschouwd, faalt onderdeel 1.

2.5. Onderdeel 2 richt een motiveringsklacht tegen de vermelding in rov. 10, 11 en 12 van de eindbeschikking dat de verklaringen van de vrouw, waarop het bewijs hoofdzakelijk berust, zijn afgelegd ten overstaan van een opsporingsambtenaar (sociaal rechercheur); in werkelijkheid zou het gaan om een bijzonder onderzoeksambtenaar van de sociale dienst. De gedingstukken, in het bijzonder de desbetreffende rapportage (8), bieden inderdaad geen steun aan de veronderstelling dat de rapporterende functionaris de status van rechercheur en opsporingsambtenaar heeft. Ook de gemeente pretendeert dat niet. Niettemin is niet onbegrijpelijk waar de rechtbank dit vandaan haalt: bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in appel (9) werd namens appellanten gesproken over het onderzoek van "de sociale recherche" en over "de sociaal rechercheur Van Wijk". Voor een onderzoek van feitelijke aard is in cassatie geen gelegenheid; de motiveringsklacht faalt.

2.6. Onderdeel 3 voegt hieraan toe de klacht dat onbegrijpelijk is waarop de rechtbank haar oordeel baseert dat de vrouw de verklaringen tegenover de sociale dienst, waarop het bewijs hoofdzakelijk is gebaseerd, heeft ondertekend. Bij memorie na enquete (punt 16) heeft de vrouw als argument naar voren gebracht dat zij de verklaring niet heeft ondertekend. In reactie daarop heeft de gemeente (d.d. 28 november 2000, blz. 6) erkend dat de verklaring niet door de vrouw is ondertekend. In de s.t. in cassatie spreekt de gemeente deze klacht niet tegen. De gemeente betoogt echter dat de vrouw en de man bij de klacht geen belang hebben omdat, kort gezegd, ook aan een niet door de betrokkene ondertekende verklaring bewijs kan worden ontleend en omdat het bewijsoordeel van de rechtbank niet uitsluitend op deze verklaring berust. Dit laatste is in algemene zin juist. De cassatierechter ziet zich evenwel voor de moeilijkheid geplaatst dat de rechtbank de veronderstelde ondertekening tot een belangrijk onderdeel van haar bewijsconstructie heeft gemaakt. De rechtbank overwoog in rov. 11:
"In het algemeen mag van de juistheid van een tegenover een bijzonder opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of achteraf ontkennen van het verklaarde ondergeschikte betekenis kan worden toegekend. In dit geval dient naar het oordeel van de rechtbank doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de in onderlinge samenhang beschouwde door [de vrouw] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen."

en in rov. 12:
"(...) in aanmerking nemende, met name de ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen van [verzoekster 1], (...)" (10)

De verzoekers tot cassatie hebben derhalve belang bij deze klacht. Een gegrondbevinding van deze klacht leidt tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking. Weliswaar berust het bewijs niet uitsluitend op de desbetreffende verklaring, maar dit neemt niet weg dat uit de redengeving van de rechtbank niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat de rechtbank tot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen indien zij tot uitgangspunt zou hebben genomen dat de vrouw de desbetreffende verklaring niet heeft ondertekend.

2.7. De onderdelen 4, 5 en 6 behoeven in geval van gegrondbevinding van onderdeel 3 geen bespreking meer. Volledigheidshalve ga ik kort erop in. Onderdeel 4 stelt dat onbegrijpelijk is op welke grond de rechtbank (mede) uit de eerste verklaring van de vrouw (die van 1 september 1993) heeft afgeleid dat de vrouw en de man in het bijstandstijdvak hebben samengewoond. In haar eerste verklaring heeft de vrouw immers gezegd dat de man bij zijn moeder woonachtig was. M.i. is dit oordeel niet onbegrijpelijk. De vrouw heeft in haar tweede verklaring erkend dat zij de voorgaande twee jaren met de man heeft samengewoond; in zoverre kwam zij terug op haar eerdere verklaring dat de man bij zijn moeder woonde. De rechtbank bedoelt kennelijk dat de overige details die de vrouw in haar eerste verklaring heeft genoemd door de tweede verklaring in een nieuw daglicht zijn komen te staan en dat beide verklaringen tezamen bewijs van de duurzame gemeenschappelijke huishouding opleveren.

2.8. Onderdeel 5 klaagt dat het oordeel in rov. 11, inhoudende dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom aan haar (ontkennende) verklaring als getuige bij de rechtbank méér gewicht moet worden toegekend dan aan haar (bekennende) verklaring ten overstaan van de sociale dienst, onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de vijf in het onderdeel aangeduide stellingen. M.i. gaat de klacht niet op. Het argument van de vrouw (dat zij zich onder druk gezet voelde en dat haar verklaring, in het bijzonder haar tweede verklaring d.d. 22 september 1993, daardoor niet strookt met de werkelijkheid) is door de rechtbank in rov. 11 uitdrukkelijk gewogen, maar te licht bevonden. Wat de rechtbank daarbij voor ogen had, blijkt onder meer uit de samenvatting van de getuigenverklaringen in rov. 3 (de verklaring van de man), rov. 4 (de verklaring van de vrouw) en rov. 6, terwijl de rechtbank in rov. 10 bovendien aandacht heeft besteed aan de wijze waarop het gesprek op 22 september 1993 is verlopen. Het beroep van de vrouw op haar overspannenheid in die periode is de rechtbank niet ontgaan: het wordt genoemd op blz. 2 van de tussenbeschikking. Door haar motivering heeft de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de argumenten onder (i) tot en met (iv) haar niet tot een ander oordeel hebben gebracht. Het argument onder (v), dat de vrouw en de man kort na het verhoor aan de gemeente zouden hebben laten weten (11) dat de verklaring van de vrouw op onderdelen onjuist was, lijkt mij niet een essentiële stelling waarop de rechtbank afzonderlijk had behoren te responderen.

2.9. Onderdeel 6 wordt gepresenteerd in de vorm van een motiveringsklacht, maar richt zich in feite tegen een waardering van de feiten, welke is voorbehouden aan de rechtbank die in hoogste instantie over de feiten oordeelt. Ook in aanmerking genomen de punten (i) tot en met (iv) kan de redengeving van de rechtbank de beslissing dragen en behoefde zij geen aanvulling om begrijpelijk te zijn. De maatstaf aan de hand waarvan beoordeeld moet worden of er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, kwam hierboven in alinea 2.2 aan de orde.

2.10. Onderdeel 7 klaagt over de beslissing dat het appellanten niet werd toegestaan (12) te reageren op de verklaring van de ambtenaar Van Wijk van de sociale dienst, welke als bijlage was gevoegd bij de memorie na enquête van de gemeente d.d. 28 november 2000. Het onderdeel beroept zich op de regel van hoor en wederhoor. Zoals de gemeente in haar s.t. opmerkt, missen de vrouw en de man ieder belang bij deze klacht omdat uit niets blijkt dat de rechtbank bij haar beslissing van dit stuk gebruik heeft gemaakt (13).

2.11. Onderdeel 8 verwijt de rechtbank geen enkele aandacht te hebben besteed aan het subsidiaire verzoek bij memorie na enquête (zie alinea 1.6 hierboven). De klacht is gegrond (14). De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek niet behandeld.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking d.d. 22 mei 2001, tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,




1. De bestreden beschikkingen bevatten geen opgave van vaststaande feiten.
2. De datum van 1 augustus 1992 houdt kennelijk verband met de inwerkingtreding van artikel 59a ABW zoals gewijzigd bij Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193.
3. De datum van 1 februari 1992 houdt verband met de wettelijke vervaltermijn.
4. Binnen twee maanden. Het inleidend verzoekschrift is na 1 januari 1996 ingediend.
5. Losbl. Sociale Voorzieningen, ABW Verhaal, deel IV, aant. 3 op artikel 59a ABW (oud). MvA, Kamerstukken II 1988-1989, 20 598, nr. 6, blz. 31-32.
6. Zie ook: HR 19 oktober 1990, NJ 1991, 607 m.nt. HJS; HR 22 november 1991, NJ 1992, 135; HR 6 december 1991, NJ 1992, 152; HR 5 juni 1992, NJ 1992, 528.
7. Zie ook: HR 27 november 1992, NJ 1993, 569 m.nt. HJS; HR 23 oktober 1998, NJ 1998, 900.
8. De rapportage is overgelegd als prod. 8 bij het appelverzoekschrift en bij brief van de gemeente. Een verklaring van de desbetreffende functionaris bevindt zich als prod. 8 bij de brief van de gemeente aan de rechtbank d.d. 28 november 2000.
9. Pleitaantekeningen d.d. 1 februari 2000 nrs. 4, 6 en 12; in gelijke zin de memorie na enquete namens appellanten nr. 20.
10. Cursivering telkens van mij, A-G.
11. Impliciet, in het bezwaarschrift tegen de stopzetting van de ABW-uitkering.
12. In het dossier van verzoekers tot cassatie bevindt zich een brief d.d. 21 december 2000 van de griffier van de rechtbank aan hun procureur waarmee een concept-akte, inhoudende een reactie op de verklaring van Van Wijk, werd geweigerd.
13. HR 24 maart 2000, NJ 2000, 355, rov. 3.5.
14. Vgl. HR 7 april 2000, NJ 2000, 498 m.nt. JBMV onder nr. 499.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD5479
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/443 VV
Datum uitspraak: 20 september 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 en 11 Abw (= 13 en 16 Wwb) / 6:6 en 8:21 Awb
Trefwoorden: minderjarige; jonger dan 18 jaar; weigering bijstand; zeer dringende redenen; medeondertekening ouder; herstel verzuim; vertegenwoordiging handelingsonbekwame
Essentie: Terechte weigering bijstand wegens wettelijke uitsluiting van het recht op bijstand, omdat betrokkene jonger is dan 18 jaar en er geen sprake is van een acute noodsituatie (onder meer dankzij financiële ondersteuning door de vader van de aanstaande baby en de moeder van betrokkene). Een 17-jarige wordt handelingsbekwaam geacht om in rechte te staan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Middelburg Awb 01/443 VV




U I T S P R A A K




op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening) inzake:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde: mr. M.A. Faas, advocaat te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg [zie gemeente Sluis, red.], verweerder.




1. Procesverloop


Verzoekster, die geboren is op 4 januari 1984, heeft op 11 juni 2001 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor de kosten van levensonderhoud.

Bij besluit van 19 juli 2001 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft zij de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 15 augustus 2001 behandeld ter zitting. Verzoekster is niet verschenen. Namens haar is het woord gevoerd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde M.A.C. Laros.




2. Overwegingen


Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover daarbij de toetsing door de president meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De president overweegt allereerst het volgende.

Ter zitting heeft verweerder gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar verzoek om voorlopige voorziening omdat zij minderjarig is en niet beschikt over een machtiging van één van haar ouders om een gerechtelijke procedure te beginnen.

De president deelt dit standpunt niet. Ingevolge artikel 8:21, eerste lid juncto het tweede lid, van de Awb kunnen natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte op te treden (waaronder minderjarigen), zelf in het geding optreden indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Naar haar oordeel moet verzoekster gezien haar zeventienjarige leeftijd daartoe in staat worden geacht. Daarbij merkt de president op dat de Abw niet uitsluit dat aan een zeventienjarige zoals verzoekster een uitkering op grond van die wet wordt verstrekt. De president is van oordeel dat verzoekster dan ook in verband met het bestreden besluit zelfstandig een voorlopige voorziening kan vragen.

Verweerder heeft verder gesteld dat niet gebleken is dat verzoekster voor het indienen van het bezwaarschrift de toestemming van één van haar ouders had. Daarnaast was haar aanvraag om bijstand niet medeondertekend door één van haar ouders.

De president merkt hierover op dat uit de nota van 18 juli 2001 van verweerder blijkt dat de moeder van verzoekster de aanvraag om bijstand heeft ingediend en deze ook heeft toegelicht bij verweerder. Naar voorlopig oordeel van de president valt uit deze feiten genoegzaam af te leiden dat de wettelijke vertegenwoordiger heeft ingestemd met de aanvraag van verzoekster.
Ten aanzien van het bezwaarschrift van verzoekster stelt de president vast dat verweerder verzoekster niet de gelegenheid heeft geboden om op de voet van artikel 6:6 van de Awb het gesignaleerde verzuim te herstellen. Naar voorlopig oordeel van de president kan verweerder deze gelegenheid alsnog bieden. Daarnaast is de president voorshands van oordeel dat in het geval verzoekster de bedoelde toestemming niet zou krijgen, gelet op het hierboven overwogene, verzoekster ook in staat mag worden geacht zelfstandig bezwaar te kunnen maken tegen het bestreden besluit.

Op grond hiervan verwacht de president niet dat het bezwaarschrift van verzoekster niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

De president overweegt verder als volgt.

Uit de gedingstukken blijkt dat verzoekster in mei 2001 de woning van haar moeder in [woonplaats moeder] (gemeente Sluis-Aardenburg [zie gemeente Sluis, red.]) heeft verlaten en een huurwoning heeft betrokken in [woonplaats] (gemeente Oostburg [zie gemeente Sluis, red.]), omdat haar moeder niet kon voorzien in de huisvesting van verzoekster en haar aanstaande baby. In het huis van haar moeder wonen nog drie andere kinderen. In juni 2001 is verzoekster bevallen van een dochter.

Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit verzoeksters aanvraag om bijstand afgewezen omdat verzoekster gezien haar leeftijd geen rechthebbende is op bijstand. Daarbij heeft verweerder overwogen dat ook geen sprake is van omstandigheden als bedoeld in artikel 11 van de Abw. Ten slotte heeft verweerder gesteld dat verzoekster een beroep kan doen op toereikende voorliggende voorzieningen.

In artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de Abw is bepaald dat geen recht op bijstand heeft degene die jonger is dan 18 jaar.

In artikel 11 van de Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand kunnen verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan hiervan slechts sprake zijn in geval van een acute noodsituatie, te weten een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben en dat deze situatie op geen enkele andere wijze te verhelpen is dan door het verlenen van bijstand.

De president stelt vast dat verzoekster ten tijde van het bestreden besluit de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, zodat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat verzoekster geen rechthebbende is op bijstand.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader van verzoeksters baby voorlopig bereid is de huur van verzoeksters woning te betalen en ook bereid is in het onderhoud van het kind bij te dragen. Verder is gebleken dat de moeder van verzoekster kosten voor de verzorging van verzoeksters kind voor haar rekening heeft genomen. Daartoe heeft laatstgenoemde ook een aanvraag om aanvullende bijstand bij de gemeente Sluis-Aardenburg [zie gemeente Sluis, red.] ingediend.

Gelet op deze omstandigheden is de president voorlopig van oordeel dat geen sprake is van een acute noodsituatie als hierboven omschreven. Daarbij komt naar voorlopig oordeel van de president ook dat verzoekster min of meer de keus heeft gemaakt om zelfstandig te gaan wonen omdat dit beter zou zijn in haar situatie, zoals gemachtigde van verzoekster ter zitting heeft gesteld. Uit verzoeksters bezwaarschrift blijkt dat verzoekster er daarbij van uit is gegaan dat zij in aanmerking zou komen voor bijstand. De president is daarom voorshands van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen besluiten dat verzoekster op grond van het bepaalde in artikel 11 van de Abw niet in aanmerking komt voor bijstand.

De president overweegt ten slotte dat naar haar voorlopig oordeel in de situatie van verzoekster geen sprake is van een situatie waaronder een beroep gedaan kan worden op de Wet op de jeugdhulpverlening. In dit opzicht is het bestreden besluit niet juist gemotiveerd. De president is van oordeel dat dit motiveringsgebrek in de bezwaarprocedure hersteld zal kunnen worden.

De president verwacht dat het bestreden besluit dan ook stand zal kunnen houden in de bezwaarprocedure. Zij ziet daarom geen aanleiding tot het treffen van een voorziening.




3. Uitspraak


De president van de arrondissementsrechtbank te Middelburg:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2001 door mr. R.C.M. Reinarz als president, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.

De griffier,            De president,




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD5912
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 00/124 NABW
Datum uitspraak: 19 november 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 69 en 81 Abw) (= 3, 54 en 58 Wwb) / 7:12 en 8:73 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; beëindiging bijstand; terugvordering; intrekking verklaring; motivering; rechtsbijstandskosten bezwaar
Essentie: Onterechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding, omdat de tegenover de sociale recherche afgelegde (en later ingetrokken) verklaringen van betrokkenen geen stand kunnen houden nu uit een veelheid van feiten en omstandigheden blijkt dat die verklaringen niet de waarheid bevatten. Vergoeding van rechtsbijstandskosten in de bezwaarfase wordt afgewezen, daar geen sprake is van tegen beter weten in onrechtmatig genomen primaire besluiten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Leeuwarden 00/124 NABW




U I T S P R A A K




ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het geding tussen:

[eiser] en [eiseres], beiden wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. R.A. Schütz, advocaat te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Skarsterlân, verweerder,
gemachtigde: S.A. Kuipers, werkzaam bij verweerders gemeente.




1. Procesverloop


Bij twee afzonderlijke brieven van 10 januari 2000, verzonden op 14 januari 2000, heeft verweerder eisers mededeling gedaan van besluiten op bezwaar strekkende tot de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze besluiten hebben eisers op 25 februari 2000 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 3 oktober 2001. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.




2. Motivering


[Naam eiser] (hierna te noemen eiser), geboren op 23 augustus 1954, ontvangt sedert 1 februari 1996 een bijstandsuitkering van verweerders gemeente. Op 6 februari 1998 is deze uitkering beëindigd in verband met werkaanvaarding. Sedert 1 april 1998 is eiser wederom een bijstandsuitkering gaan ontvangen.

In verband met een vermoeden van uitkeringsfraude (gezamenlijke huishouding) heeft de sociale recherche van de gemeente Skarsterlân een onderzoek ingesteld. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de sociale recherche geconcludeerd dat eiser sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voert met [naam eiseres] (hierna te noemen eiseres). Eiseres heeft in de periode van 8 december 1997 tot 1 april 1998 een bijstandsuitkering van verweerders gemeente ontvangen.

Bij besluit van 13 januari 1999 heeft verweerder de uitkering van eiser per 3 augustus 1998 beëindigd. Tevens heeft verweerder deze uitkering met ingang van 1 januari 1997 herzien. Voorts heeft verweerder de ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot 3 augustus 1998 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van eveneens 13 januari 1999 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar recht op uitkering over de periode van 8 december 1997 tot 1 april 1998 wordt herzien, omdat zij gedurende deze periode samenwoonde met eiser. In dit besluit heeft verweerder ook aangegeven dat tot terugvordering wordt overgegaan van bijstand die ten onrechte aan haar is verstrekt over de periode van 1 januari 1997 tot 3 augustus 1998.

Tegen voornoemde besluiten hebben eisers bezwaar aangetekend. Partijen hebben op 15 december 1999 hun standpunten mondeling toegelicht ten overstaan van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Skarsterlân (hierna: de commissie). Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaarschriften van eisers, overeenkomstig een advies van de commissie, ongegrond verklaard.

Eisers hebben aangevoerd dat hun ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen niet de waarheid bevatten. Zij hebben onder de druk van het verhoor zaken bevestigd die niet waar waren. Uit de in een later stadium afgelegde verklaringen en de verklaringen van getuigen komt naar het oordeel van eisers duidelijk en overtuigend naar voren dat de bij de sociale recherche opgenomen verklaringen niet de waarheid kunnen zijn. Tevens hebben zij verwezen naar schriftelijke bewijsstukken, zoals verbruikscijfers van gas, water en elektra, alsmede telefoonrekeningen van de aansluiting op het adres van eiseres. Eisers zijn van oordeel dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn genomen, nu uit de overgelegde bewijsstukken op overtuigende wijze blijkt dat de verklaringen van eisers bij de sociale recherche niet waar kunnen zijn, terwijl deze verklaringen de enige bewijsstukken zijn. Eisers zijn inmiddels wél gaan samenwonen.

Verweerder heeft aangevoerd dat de verklaringen die eisers in een later stadium hebben afgelegd en de verklaringen van de getuigen geen wijziging in de situatie brengen. Ditzelfde geldt voor de schriftelijke bewijzen met betrekking tot de vaste lasten. Verweerder kent doorslaggevende betekenis toe aan de in eerste instantie door eisers afgelegde verklaringen.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of de bestreden besluiten terecht en op goede gronden zijn genomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, Abw is er sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting baseert verweerder zijn standpunt dat eisers in de in geding zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de zin van
artikel 3, derde lid, Abw voornamelijk op de door hen afgelegde en door hen ondertekende verklaringen. Aan het feit dat eisers op deze verklaringen zijn teruggekomen, hecht verweerder geen waarde. Ditzelfde geldt voor de verklaringen die door anderen ten gunste van eisers zijn afgelegd.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag, indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, niettemin in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een politiefunctionaris en/of een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring, tenzij gebleken is dat de eerste verklaring niet in vrijheid is afgelegd.

De rechtbank is, met inachtneming van dit algemeen geformuleerde standpunt van de CRvB, tot de conclusie gekomen dat verweerder eisers in de onderhavige situatie niet kan houden aan hun in eerste instantie afgelegde verklaringen.

Het is de rechtbank uiteraard niet ontgaan dat eisers in die eerste verklaringen allebei hebben toegegeven dat zij in de in geding zijnde periode hebben samengewoond en dat hun verklaringen elkaar bevestigen. Evenwel zijn eisers, al dan niet bij monde van hun gemachtigde en al dan niet onder ede ten overstaan van de rechter-commissaris dan wel ten overstaan van het Gerechtshof te Leeuwarden, met klem en uitvoerig gemotiveerd teruggekomen op hun eerdere verklaringen.

Voorts hebben getuigen zodanige verklaringen afgelegd dat bij de rechtbank gerede twijfel is ontstaan aan de juistheid van de eerste verklaringen van eisers. Zo verklaart [getuige 1], hoofd keuken van verpleeghuis [naam verpleeghuis], waar eiseres ten tijde in geding werkte, tegenover de rechter-commissaris dat hij haar regelmatig en op wisselende tijdstippen thuis moest bellen om te vragen of ze de volgende dag kon komen werken. Al die keren heeft hij contact met haar gekregen. Ook [getuige 2] heeft daar verklaard dat zij eiseres altijd thuis, en nooit bij eiser, belde.

Voorts is de rechtbank, gelet op de namens eisers overgelegde gegevens, van oordeel dat het energieverbruik in de woning van eiseres over de in geding zijnde periode normaal aandoet. Datzelfde geldt voor het gebruik van de telefoon van eiseres. Deze stond, zo is wel aannemelijk geworden, niet doorgeschakeld naar eisers huis. De suggestie van de commissie dat eiseres de verwarming en elektrische apparatuur mogelijk heeft laten aanstaan om een normaal gebruik van haar woning voor te wenden, wijst de rechtbank als vergezocht van de hand.

Ook acht de rechtbank het, gelet op de verklaringen van eisers dochter en van eerder genoemde [getuige 2], niet onaannemelijk dat het huis van eiseres er netjes verzorgd uitzag en dat er een cavia was, hetgeen dus suggereert dat het huis niet onbewoond was. Dat er bij controle niemand was, hoeft geen verwondering te wekken, aangezien eiseres werkzaam was in het bovengenoemde verpleeghuis. Verder is niet gebleken dat de sociaal rechercheurs regelmatig en over een langere periode observaties hebben verricht bij hetzij het huis van eiser, hetzij het huis van eiseres om vast te stellen hoe vaak eiseres werkelijk bij eiser verbleef.

Voorts is het de rechtbank opgevallen dat de advocaat-generaal ten overstaan van het Hof blijkens het desbetreffende proces-verbaal heeft aangegeven dat de verklaring van eisers dochter ter zitting van het Hof wel eens aan een bewezenverklaring in de weg zou kunnen staan. Juist in deze verklaring gaat deze dochter nader in op de redenen waarom eiser aanvankelijk heeft toegegeven met eiseres samen te wonen, hetgeen erop zou kunnen duiden dat in elk geval eiser zijn eerdere verklaring niet geheel in vrijheid heeft afgelegd.

Ten slotte acht de rechtbank het niet zonder belang dat het Hof eiser heeft vrijgesproken van bijstandsfraude en dat ook de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, gelet op deze vrijspraak, kennelijk zonder meer op zijn besluitvorming ten aanzien van eiser in het kader van de Huursubsidiewet is teruggekomen. Dit laatste klemt te meer nu de Minister op dezelfde gronden als verweerder ten aanzien van de Abw-uitkering heeft gebezigd, de huursubsidie over de in geding zijnde perioden heeft herzien en teruggevorderd.

Mede gelet op alle ondersteunende verklaringen en nader ingebrachte gegevens acht de rechtbank de verklaringen van eisers waarin zij zijn teruggekomen op hun aanvankelijke verklaringen niet ongeloofwaardig. Mocht er nog enige twijfel bestaan aan de geloofwaardigheid van het standpunt van eisers, zoals zij dat in de onderhavige procedure innemen, dan is de rechtbank van oordeel dat deze twijfel ten gunste van eisers moet strekken.

Alles overziend is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat eisers in de in geding zijnde periode hebben samengewoond in de zin van artikel 3, derde lid, Abw. De bestreden besluiten berusten dus niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten zullen wegens strijd met artikel 3 Abw worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.

In het beroepschrift is namens eisers verzocht om veroordeling van verweerder ex artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de proceskosten van eisers en tot veroordeling van de gemeente Skarsterlân ex artikel 8:73 Awb tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in het kader van de bezwaarschriftprocedure.

Met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2000 (JB 2000/136) en van de CRvB van 21 november 2000 (USZ 2001/39) overweegt de rechtbank dat de in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder geval als hiervoor bedoeld. Met name heeft de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat de primaire besluitvorming dermate ernstige gebreken vertoonde dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan tegen beter weten in onrechtmatige primaire besluiten heeft genomen. De rechtbank zal het verzoek ex artikel 8:73 Awb dan ook afwijzen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74 Awb dient de gemeente Skarsterlân het gestorte griffierecht van ƒ60,- aan eisers te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eisers ƒ1420,- (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt ƒ710,-, gewicht van de zaak: gemiddeld), ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de gemeente Skarsterlân aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten op bezwaar moet nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
- wijst het verzoek ex artikel 8:73 Awb om veroordeling van de gemeente Skarsterlân in de kosten van de bezwaarschriftprocedure af;
- bepaalt dat de gemeente Skarsterlân het door eisers gestorte griffierecht ad ƒ60,- aan eisers vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van ƒ1420,-, aan eisers te vergoeden door de gemeente Skarsterlân.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 19 november 2001, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier.

w.g. R.J. van der Veen            w.g. P.G. Wijtsma




Afschrift verzonden op: 20 november 2001.




Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD6622
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: C00/090HR
Datum uitspraak: 1 februari 2002
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beëindiging bijstand; Koppelingswet; EVSMB; geen gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Turken; Hoge Raad
Essentie: Terechte beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat vreemdelingen die nimmer over een verblijfstitel hebben beschikt buiten de bescherming van het EVSMB vallen, ook al wordt hun verblijf gedoogd zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden C00/090HR




A R R E S T




in de zaak van:

1. [eiser 1], wonende te [woonplaats],
2. de Stichting Ondersteuningskomitee Illegale Arbeiders, gevestigd te Den Haag,
eisers tot cassatie, tevens verweerders in cassatie in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. T.E. van Dijk,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid), gevestigd te Den Haag, verweerder in cassatie, tevens eiser tot cassatie in het voorwaardelijk incidenteel beroep,
advocaat: mr. H.A. Groen.




1. Het geding in feitelijke instanties


Eiser tot cassatie sub 1 - verder te noemen: [eiser 1] -, eiser tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de Stichting - en nog vier andere stichtingen die in cassatie geen partij meer zijn, hebben bij exploit van 8 september 1998 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Den Haag en gevorderd bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, primair de Staat te bevelen alle uitvoeringsinstanties die de Algemene bijstandswet uitvoeren te berichten dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, [van de Vreemdelingenwet, red.] rechtmatig in Nederland verblijven voor de toepassing van de Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld worden met Nederlanders, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als de President in goede justitie zal vermenen te behoren.
De Staat heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis in kort geding van 7 oktober 1998 de Staat bevolen alle uitvoeringsinstanties die de Algemene bijstandswet uitvoeren te berichten omtrent de in dit vonnis gegeven beslissing, te weten dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een onherroepelijke beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verblijven en die tevens onderdaan zijn van de verdragsstaten van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand, voor de toepassing van de Abw, Ioaw en Ioaz worden gelijkgesteld met Nederlanders.
Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Den Haag.
[eiser 1] en de Stichting heeft incidenteel beroep ingesteld.
Bij arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw recht doende de vordering afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen het arrest van het Hof hebben de Stichting en [eiser 1] beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het principaal beroep.
De advocaat van de Stichting en [eiser 1] hebben bij brief van 29 november 2001 op die conclusie gereageerd.




3. Beoordeling van het middel in het principale beroep


3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i). Op grond van de op 1 juli 1998 in werking getreden Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen tot koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland, Stb. 1998, 203) is in de Vreemdelingenwet (oud) onder meer artikel 1b ingevoegd. Voor zover hier van belang luidt dit artikel:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating (...);
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
(...)."

(ii). In de Algemene bijstandswet (Abw) is op grond van de Koppelingswet onder meer artikel 7 gewijzigd. Voor zover hier van belang, is dit artikel komen te luiden:
"-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd (...) totdat op die aanvraag (...) is beslist."

(iii). Ingevolge artikel 7, derde lid, Abw is bij AMvB het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz tot stand gekomen (Stb, 1998, 308) (verder: Besluit gelijkstelling). Voor zover hier van belang, luidt artikel 1 van dit besluit:
"-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. (...).
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag (...) is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijk beslissing achterwege dient te blijven."

(iv). Het op 11 december 1953 te Parijs tot stand gekomen Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1954, 100) (verder EVSMB of het verdrag) bepaalt in artikel 1:
"Each of the Contracting Parties undertakes to ensure that nationals of the other Contracting Parties who are lawfully present in any part of its territory to which this Convention applies, and who are without sufficient resources, shall be entitled equally with its own nationals and on the same conditions to social and medical assistance (hereafter referred to as "assistance") provided by the legislation in force from time to time in that part of its territory".

(v). Voorts bepaalt artikel 11 van dit verdrag, voor zover hier van belang:
"a. Residence by an alien in the territory of any of the Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning of this Convention so long as there is in force in his case a permit or such other permission as is required by the laws and regulations of the country concerned to reside therein. (...).
b. Lawful residence shall become unlawful from the date of any deportation order made out against the person concerned, unless a stay of executions is granted."

(vi). Zowel Nederland als Turkije is partij bij het EVSMB.
(vii). [Eiser 1] bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling rechtmatig in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud), maar is niet gelijkgesteld met een Nederlander ingevolge het Besluit gelijkstelling. Bij besluit van 30 juni 1998 is daarom zijn bijstandsuitkering per 1 augustus 1998 beëindigd als gevolg van de Koppelingswet. Bij uitspraak van 12 augustus 1998 van de President van de Rechtbank te Den Haag (sector Bestuursrecht) is op verzoek van [eiser 1] een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat het besluit van 30 juni 1998 wordt geschorst onder bepaling dat aan hem een bijstandsuitkering wordt verstrekt met ingang van 1 augustus 1998 tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift.
(viii). De Stichting is een organisatie die zich blijkens haar statuten inzet voor de belangen van vreemdelingen die niet beschikken over een vergunning tot verblijf.

3.2. [Eiser 1] en de Stichting hebben aan hun onder 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd, kort weergegeven en voor zover in cassatie van belang, dat de uitsluiting van bijstandverlening aan vreemdelingen zoals [eiser 1], die op grond van het bepaalde in artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in Nederland verblijven en onderdanen zijn van één van de verdragsstaten van het EVSMB, in strijd is met de artikel 1 en 11 van dit verdrag, welke bepalingen verplichten tot sociale en medische bijstand aan vreemdelingen die rechtmatig op Nederlands grondgebied verblijven en die onderdanen zijn van een van de verdragsstaten.
De President heeft geoordeeld dat de uitsluiting van deze vreemdelingen van bijstandverlening als gevolg van de inwerkingtreding van de Koppelingswet onmiskenbaar strijdig is met het EVSMB. Hij heeft de vordering van [eiser 1] en de Stichting (en de vier andere stichtingen die in cassatie geen partij meer zijn) toegewezen voor zover het vreemdelingen betreft die onderdanen zijn van één van de verdragsstaten van het EVSMB.
Het Hof heeft de vordering alsnog afgewezen.

3.3.1. Het middel keert zich tegen de gegrondbevinding door het Hof in zijn rov. 7-9 [rechtsoverweging 7-9, red.] van grief 2 van de Staat, waarin de Staat het hiervoor in 3.2 vermelde oordeel van de President als onjuist heeft bestreden.

3.3.2. Het Hof heeft - in het principale cassatieberoep onbestreden - geoordeeld dat aan het EVSMB rechtstreekse werking toekomt. Doelstelling van dit verdrag is het tot stand brengen van gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en onderdanen van andere verdragsstaten bij de toepassing van de wetgeving inzake sociale en medische bijstand (zie de preambule van het verdrag). Om deze doelstelling te bereiken, is in artikel 1 een discriminatieverbod naar nationaliteit neergelegd. Dit discriminatieverbod is beperkt tot onderdanen van een verdragsstaat die rechtmatig op het grondgebied van een andere verdragsstaat verblijven en die niet beschikken over voldoende middelen. Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het verdrag wordt het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een verdragsstaat als rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwd "zolang te zijnen aanzien een verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land".
Met betrekking tot vreemdelingen zoals [eiser 1], die nimmer over een verblijfsvergunning hebben beschikt, maar alleen het land niet behoeven te verlaten zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist, bepaalt het verdrag en in het bijzonder artikel 11 niets.
De omstandigheid dat hun verblijf in Nederland ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt niet mee dat dit verblijf ook als rechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van de artikel 1 en 11 van het verdrag. Daartoe is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van het verdrag, vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning. De omstandigheid dat zijn verblijf ingevolge bovengenoemde bepaling uit de Vreemdelingenwet als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt niet de conclusie dat de vreemdeling over zulk een vergunning zou beschikken. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt.
Op dit één en ander stuit het middel geheel af.

3.4. Nu het middel in het principale beroep faalt, behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep geen behandeling.




4. Beslissing


De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser 1] en de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op €|286,88 aan verschotten en €|1365,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein 1 februari 2002.




CONCLUSIE


Rolnr. C00/090HR
Mr. L. Strikwerda
Zt. 16 november 2001

Conclusie inzake:
1. [eiser 1]
2. Stichting Ondersteuningskommitee Illegale Arbeiders
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)




Edelhoogachtbaar College,

1. Dit cassatiegeding betreft de vraag of de zogenaamde Koppelingswet op een bepaald punt in strijd is met het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand.

2. Het gaat om het volgende.
(i). Op grond van de op 1 juli 1998 in werking getreden Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland, Stb. 1998, 203) is in de Vreemdelingenwet (oud) onder meer artikel 1b ingevoegd. Voor zover hier van belang luidt dit artikel:

"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating (...);
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
(...)."

(ii). In de Algemene bijstandswet (Abw) is op grond van de Koppelingswet onder meer
artikel 7 gewijzigd. Voor zover hier van belang, is dit artikel komen te luiden:

"-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd (...) totdat op die aanvraag (...) is beslist."

(iii). Ingevolge
artikel 7, derde lid, Abw is bij AMvB het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz tot stand gekomen (Stb. 1998, 308), hierna: Besluit gelijkstelling. Voor zover hier van belang, luidt artikel 1 van dit besluit:

"-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. (...).
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag (...) is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven."

(iv). Het op 11 december 1953 te Parijs tot stand gekomen Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (Trb. 1954, 100), hierna EVSMB, bepaalt in artikel 1:

"Each of the Contracting Parties undertakes to ensure that nationals of the other Contracting Parties who are lawfully present in any part of its territory to which this Convention applies, and who are without sufficient resources, shall be entitled equally with its own nationals and on the same conditions to social and medical assistance (hereafter referred to as "assistance") provided by the legislation in force from time to time in that part of its territory".

Voorts bepaalt artikel 11 van dit verdrag, voor zover hier van belang:

"a. Residence by an alien in the territory of any of the Contracting Parties shall be considered lawful within the meaning of this Convention so long as there is in force in his case a permit or such other permission as is required by the laws and regulations of the country concerned to reside therein. (...).
b. Lawful residence shall become unlawful from the date of any deportation order made out against the person concerned, unless a stay of execution is granted."

Zowel Nederland als Turkije is partij bij het EVSMB.

4. Terzijde merkt ik op dat de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000, Stb. 2001, 144) het zogenaamde koppelingsbeginsel ongemoeid heeft gelaten. Zie artikel 8 Vreemdelingenwet 2000 in verbinding met artikel 7 van de aangepaste Abw en artikel 1 van het aangepaste Besluit gelijkstelling van 3 april 2001, Stb. 2001, 183.

5. Eiser tot cassatie sub 1, hierna: [eiser 1], bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling rechtmatig in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud), doch is niet gelijkgesteld met een Nederlander ingevolge het Besluit gelijkstelling. Bij besluit van 30 juni 1998 is daarom zijn bijstandsuitkering per 1 juni 1998 beëindigd als gevolg van de Koppelingswet. Bij uitspraak van 12 augustus 1998 van de bestuursrechter te Den Haag is op verzoek van [eiser 1] een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat hangende de bezwaarprocedure tegen beëindiging van de bijstandsuitkering aan hem bijstand wordt verleend.

6. Eiseres tot cassatie sub 2, hierna: de Stichting, is een organisatie die zich blijkens haar statuten of feitelijke werkzaamheden inzet voor de belangen van vreemdelingen.

7. Bij exploit van 8 september 1998 hebben [eiser 1] en de Stichting (en nog vier andere stichtingen die thans in cassatie geen partij meer zijn) thans verweerder in cassatie, hierna: de Staat, in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Den Haag en gevorderd dat de President de Staat zal bevelen alle uitvoeringsinstanties die de Abw uitvoeren te berichten dat vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in Nederland verblijven voor de toepassing van de Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld worden met Nederlanders.

8. [Eiser] c.s. hebben daartoe gesteld - kort weergegeven en voor zover thans in cassatie nog van belang - dat de uitsluiting van bijstandverlening aan vreemdelingen zoals [eiser 1], die in de zin van de Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in Nederland verblijven en onderdaan zijn van één van de verdragsstaten van het EVSMB, in strijd is met artikel 1 en artikel 11 van dit verdrag. Uit het EVSMB volgt dat aanspraken op sociale en medische bijstand kunnen worden ontleend aan "rechtmatig verblijf", welk begrip per verdragsstaat wordt ingevuld. Er wordt gesproken van verblijfsvergunning "or such other permission". Deze tweede mogelijkheid behelst dus per definitie niet een verblijfsvergunning, maar een andere vorm van instemming met iemands verblijf. Vreemdelingen, zoals [eiser 1], die vallen onder de categorie van artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud), hebben zo'n andere vorm van instemming en verblijven rechtmatig in Nederland in de zin van de Vreemdelingenwet (oud). Zij zijn daarbij in het bezit van een document waaruit dit blijkt. Deze categorie vreemdelingen verblijft dan ook rechtmatig in Nederland als omschreven in artikel 11 EVSMB en heeft op grond van artikel 1 EVSMB recht op sociale en medische bijstand, aldus [eiser] c.s.

9. De Staat heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Hij heeft daartoe aangevoerd - kort weergegeven en voor zover thans in cassatie nog van belang - dat de Koppelingswet op het bedoelde punt niet in strijd is met het EVSMB. De bepalingen van dit verdrag hebben geen rechtstreekse werking. Daarom heeft uitwerking plaatsgevonden in de Koppelingswet en het Besluit gelijkstelling, met welke regelingen volledig is voldaan aan de uit de EVSMB voortvloeiende verplichtingen. Het is aan de betrokken verdragsstaten overgelaten bij wetten en regelingen invulling te geven aan het begrip "rechtmatig verblijf", aldus de Staat.

10. Bij vonnis van 7 oktober 1998 heeft de President de vordering van [eiser] c.s. toegewezen met deze restrictie dat de vreemdeling onderdaan is van één van de verdragsstaten van het EVSMB. Daartoe overwoog de President onder meer dat de bewoordingen van artikel 11 EVSMB, namelijk verblijfsvergunning "or such other permission", zich niet anders laten uitleggen dan dat een verblijfsvergunning niet per se wordt vereist en dat het voor handen hebben van een ander van het bevoegd gezag afkomstig document waaruit blijkt dat uitzetting achterwege dient te blijven al voldoende is (rov. 3.8). De uitsluiting van vreemdelingen die in afwachting zijn van een onherroepelijke beslissing op een aanvraag om toelating en die op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) rechtmatig in Nederland verblijven, van bijstandverlening als gevolg van de inwerkingtreding van de Koppelingswet is daarom volgens de President onmiskenbaar strijdig met het EVSMB. Dit verdrag geeft immers rechtstreeks aanspraken op bijstand aan onderdanen van verdragsstaten die ingevolge de regelgeving van een andere verdragsstaat rechtmatig aldaar verblijven, aldus de President (rov. 3.9).

11. De Staat is van het vonnis van de President in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Den Haag. Als grieven voerde de Staat onder meer aan dat de President een onjuiste beslissing heeft genomen op het verweer van de Staat dat de bepalingen van het EVSMB waarop [eiser] c.s. zich beroepen geen rechtstreekse werking hebben (grief 1) en dat de President het begrip "verblijf" in het EVSMB verkeerd heeft uitgelegd en daardoor ten onrechte heeft geoordeeld dat de Koppelingswet strijdig is met dat verdrag (grief 2).

12. Bij zijn arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof grief 1 verworpen. Naar het oordeel van het Hof is het samenstel van bepalingen van artikel 1 en 11 EVSMB dusdanig duidelijk en concreet en van dien aard dat het in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht kan functioneren. Ook uit het Explanatory Memorandum bij het verdrag valt naar het oordeel van het Hof op te maken dat de verdragsopstellers ervan uitgingen dat personen met een rechtstreeks beroep op de bepalingen van het verdrag om bijstand kunnen vragen (rov. 6). Volgens het Hof gaat het in deze procedure dan ook niet om de vraag of de in artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) bedoelde vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van de nationale wet, zoals [eiser] c.s. voorstaan, maar of zij rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van het verdrag. Aangezien ingevolge artikel 1 juncto artikel 11 van het EVSMB een vreemdeling voor wie "a permit or such other permission" van kracht is gelijke rechten op bijstand doen gelden als Nederlanders komt het erop neer wat moet worden verstaan onder "such other permission", aldus het Hof (rov. 7). Voor het Hof is niet zonneklaar dat het enkele feit dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd - zelfs indien daarvan blijkt uit bescheiden - betekent dat hij een soortgelijke vergunning heeft als de "permit" vereist voor het verblijf op het grondgebied (rov. 9). Volgens het Hof kan dan ook niet worden gezegd dat het beleid van de Minister (en van de gemeentelijke overheden) waarin aan de onderhavige "gedoogde" vreemdelingen geen recht op bijstand wordt toegekend apert in strijd is met het EVSMB. Grief 2 slaagt derhalve naar het oordeel van het Hof (rov. 10). Bij gevolg heeft het Hof het bestreden vonnis van de President vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van [eiser] c.s. afgewezen.

13. [Eiser] c.s. zijn tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. De Staat heeft het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Voorts heeft de Staat van zijn kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld onder aanvoering van één middel.




Het principaal beroep


14. Het in het principaal beroep voorgestelde middel keert zich in twee onderdelen tegen het oordeel van het Hof dat het enkele feit dat een vreemdeling uit een EVSMB-verdragsstaat niet kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd niet betekent dat hij aanspraak heeft op bijstandverlening onder het EVSMB.

15. Doelstelling van het EVSMB is het tot stand brengen van gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en onderdanen van anderen verdragsstaten bij de toepassing van de wetgeving inzake sociale en medische bijstand. Zie de preambule van het verdrag. Om deze doelstelling te bereiken, geldt onder het verdrag een discriminatieverbod naar nationaliteit. Dit grondbeginsel is neergelegd in artikel 1 van het verdrag: de verdragsstaten zijn verplicht onderdanen van de andere verdragsstaten die rechtmatig op hun grondgebied verblijven en die niet beschikken over voldoende middelen, op gelijke voet te behandelen als eigen onderdanen bij de toekenning van sociale en medische bijstand.

16. Een beperking ligt besloten in het vereiste van rechtmatigheid van het verblijf. De vraag of sprake is van rechtmatig verblijf wordt niet verdragsautonoom beslist. Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het verdrag wordt het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een verdragsstaat als rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwd "zolang te zijnen aanzien een verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land". In beginsel is de vraag of sprake is van rechtmatig verblijf dus overgelaten aan de wetgeving van de betrokken verdragsstaat, met dien verstande dat slechts sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van het verdrag indien op grond van de wetgeving van de betrokken verdragsstaat aan de vreemdeling "een verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning" is verleend. In bijlage III bij het verdrag wordt vermeld welke stukken volgens het nationale recht van de verdragsstaten gelden als bewijs van verblijf als bedoeld in artikel 11. Wat Nederland betreft gelden als zodanige bewijsstukken (Annex III, List of declarations recognized as affording proof of residence, referred to in Article 11 of the Convention, d.d. 03/10/01):

"a. Temporary residence permit.
b. Residence card issued to nationals of EEC member States.
c. Permanent residence permit.
d. Residence permit issued indefinitely ex Article 10, para 2, of the Aliens Act."

17. In artikel 11, onderdeel b, voegt het verdrag een verdragsautonoom element toe aan het begrip "rechtmatig verblijf": rechtmatig verblijf wordt eerst onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering van dat bevel wordt verleend. Vreemdelingen wier verblijf niet langer wordt gedekt door een verblijfstitel, maar ten aanzien van wie nog geen uitvoering wordt gegeven aan een bevel tot verwijdering, vallen dus rechtstreeks onder het verdrag, ook al bestempelt het vreemdelingenrecht van de betrokken verdragsstaat hun verblijf als onrechtmatig. Met betrekking tot vreemdelingen die nimmer over een verblijfsvergunning hebben beschikt en wier verblijf gedoogd wordt zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist, bepaalt artikel 11, onderdeel b, niets. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag de verdragstaten ten aanzien van deze categorie van vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt.

18. Anders dan bijvoorbeeld de Duitse rechtspraak, maar in overeenstemming met bijvoorbeeld de Britse rechtspraak, gaf de Nederlandse rechtspraak op het EVSMB blijk van een ruimhartige opstelling en werd ook ten aanzien van de laatstbedoelde categorie vreemdelingen een plicht tot bijstandverlening aangenomen. Zie daarover G.J. Vonk, De coördinatie van bestaansminimumuitkeringen in de Europese Gemeenschap, 1991, blz. 211-214, met rechtspraakgegevens. De Koppelingswet en het in verband daarmee tot stand gekomen Besluit gelijkstelling breekt deze ontwikkeling in de Nederlandse rechtspraak af door vreemdelingen die niet over een verblijfsvergunning hebben beschikt van bijstandverlening uit te sluiten, ook al mogen zij in afwachting van een beslissing op hun aanvraag om toelating niet worden verwijderd. De vraag is of deze uitsluiting in strijd komt met het EVSMB.

19. Blijkens de parlementaire geschiedenis meent de wetgever van niet. In de memorie van toelichting [bij de Abw (nieuw), red.] (Kamerstukken II 1994-1995, 24 233, nr. 3, blz. 47) wordt als uitgangspunt uitgesproken:

"Verplichtingen die uit hoofde van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties op Nederland rusten, zullen uiteraard worden nageleefd. Om die reden voorziet het nieuwe derde lid van artikel 7 van de nieuwe Abw in de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen."

Die nadere regels hebben een plaats gekregen in het Besluit gelijkstelling. Op schriftelijke vragen naar de verhouding tussen deze regels en het EVSMB wordt geantwoord (Kamerstukken II 1997-1998, 24 233, nr. 51, blz. 3 en 4):

"Het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand verplicht de ratificerende staten ertoe om elkaars onderdanen sociale en medische bijstand te verschaffen, doch zulks alleen voor zover deze onderdanen rechtmatig hoofdverblijf in een verdragsstaat genieten en zolang deze niet voor uitzetting in aanmerking worden gebracht. Onder rechtmatig verblijf dient in dit verband te worden verstaan: in bezit van een verblijfsvergunning of ander vergelijkbaar document. (...). Aan deze verdragsverplichtingen wordt voldaan, aangezien de Nederlandse wetgeving, ook na inwerkingtreding van de Koppelingswet, erin voorziet dat in ieder geval aan vreemdelingen die over een verblijfsvergunning beschikken de nodige opvang en andere bijstand wordt verstrekt (...). Het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand is niet van toepassing op een vreemdeling die niet over een verblijfsvergunning beschikt en die daarover ook niet eerder heeft beschikt."

Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer komt het punt opnieuw aan de orde. In de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 1997-1998, 24 233, nr. 149, blz. 2 en 3) wordt opgemerkt:

"De leden van de fractie van de PvdA zijn voorts ingegaan op de verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de ratificatie van het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (hierna: Europees verdrag). Zij stelden de vraag of de regering van oordeel is dat zij met deze regeling volledig aan haar verdragsverplichtingen heeft voldaan. Inderdaad zijn wij van mening dat Nederland met het wetsvoorstel en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur volledig aan de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen zal voldoen."

Toegespitst op de uitleg van artikel 11 EVSMB wordt opgemerkt:

"dat krachtens artikel 11, onderdeel a, van het Europees verdrag verblijf ("residence") van een vreemdeling als rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwd wordt, zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is.
Rechtmatig verblijf wordt krachtens artikel 11, onderdeel b, van het Europees verdrag onrechtmatig op het ogenblik dat een last tot uitzetting tegen de betrokken persoon wordt uitgevaardigd. Uit het samenstel van deze bepalingen blijkt dat verblijf in een land voorafgaande aan het tijdstip waarop een verblijfsvergunning wordt verleend niet als rechtmatig verblijf in de zin van het Europees verdrag wordt beschouwd. Het Europees verdrag kent uitsluitend rechten toe aan vreemdelingen wier verblijf rechtmatig is in de zin van het verdrag."

20. Het standpunt van de wetgever lijkt mij juist. Ten aanzien van onderdanen van andere verdragsstaten die niet eerder over een verblijfsvergunning hebben beschikt, bestaat ingevolge het verdrag geen rechtsplicht tot bijstandverlening, ook niet indien hun verblijf wordt gedoogd hangende de procedure waarin op hun verzoek tot toelating wordt beslist. De enkele omstandigheid dat hun verblijf in Nederland door artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt niet mee dat Nederland op grond van het verdrag verplicht is tot bijstandverlening. Dat is eerst het geval indien hun verblijf (ook) in de zin van het verdrag als rechtmatig moet worden aangemerkt, waartoe vereist is dat ten aanzien van de vreemdeling een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning, tot bewijs waarvan de in bijlage III bij het verdrag genoemde documenten dienen, van kracht is. Anders P.E. Minderhout, Migrantenrecht 1994, blz. 185, die zijn opvatting voornamelijk baseert op de rechtspraak onder het oude recht.

21. Ik keer terug naar het middel. Onderdeel I komt op tegen het oordeel van het Hof, in rov. 7, dat het in deze procedure niet gaat om de vraag of de onderhavige vreemdelingen rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van de nationale wet, maar of zij rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van het verdrag. Volgens het onderdeel heeft het Hof miskend dat - kort gezegd - het verdrag ten aanzien van de vraag of het verblijf van de vreemdeling als rechtmatig moet worden aangemerkt, refereert aan het nationale vreemdelingenrecht van de betrokken verdragsstaat, zodat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het Nederlandse vreemdelingenrecht niet irrelevant is voor de vraag of een vreemdeling uit een verdragsland een beroep kan doen op het EVSMB.

22. Het onderdeel faalt m.i. Weliswaar laat het verdrag de vraag of sprake is van rechtmatig verblijf in beginsel over aan de wetgeving van de betrokken verdragsstaat, maar in artikel 11 van het verdrag wordt dit begrip nader bepaald, doordat het verblijf van de vreemdeling slechts als rechtmatig in de zin van het verdrag wordt aangemerkt indien op grond van de nationale wetgeving van de betrokken verdragsstaat aan de vreemdeling "een verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning" is verleend. Ik verwijs naar hetgeen is opgemerkt onder 16. De enkele omstandigheid dat het verblijf door de nationale wetgeving van de betrokken verdragsstaat als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt niet mee dat die verdragsstaat op grond van het verdrag verplicht is tot bijstandverlening. Vereist is dat dat verblijf berust op een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning. 's Hofs oordeel is dus juist.

23. Onderdeel II van het middel is gericht tegen het oordeel van het Hof, in rov. 9, dat het enkele feit dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd - zelfs indien daarvan blijkt uit bescheiden - niet betekent dat hij een soortgelijke vergunning heeft als de "permit" vereist voor het verblijf op het grondgebied. Het onderdeel betoogt dat uit de strekking van het EVSMB volgt dat bijstand verleend dient te worden aan alle onderdanen van de verdragsstaten die op grond van de wet of schorsende werking niet uitzetbaar zijn.

24. Ook dit onderdeel kan m.i. niet tot cassatie leiden. Het verliest uit het oog dat het verdrag verblijf slechts als rechtmatig in de zin van het verdrag beschouwt indien ten aanzien van de vreemdeling een verblijfsvergunning of andere soortgelijke vergunning van kracht is. Vreemdelingen die nimmer over een verblijfstitel hebben beschikt, vallen buiten de bescherming van het verdrag, ook al wordt hun verblijf gedoogd zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist. Artikel 11, onderdeel b, brengt hierin geen verandering. De bepaling heeft niet betrekking op deze categorie vreemdelingen, doch slechts op vreemdelingen die over een verblijfstitel hebben beschikt. Ik verwijs naar hetgeen is opgemerkt onder 16 en 17.

25. Het principaal cassatieberoep is derhalve naar mijn oordeel tevergeefs ingesteld.




Het incidenteel beroep


26. Als het principaal beroep niet kan leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen bespreking.




Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD6630
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R01/086HR
Datum uitspraak: 18 januari 2002
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30 en 57 ABW (= 65 en 81 Abw) (= 17 en 58 Wwb)
Trefwoorden: middelen; terugvordering; schending inlichtingenverplichting; Hoge Raad
Essentie: Verwerping cassatieberoep, omdat dat beroep eerder in cassatie heeft gediend. Terechte terugvordering van bijstand wegens in aanmerking te nemen middelen, waarbij niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting. Betrokkene heeft niet kunnen aantonen dat, waren de inlichtingen wel verstrekt, hij wel recht zou hebben gehad op bijstand. Er is geen sprake geweest van berechting met overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en betrokkene is niet door de duur van de procedure benadeeld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden R01/086HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,

tegen

de gemeente Roosendaal, gevestigd te Roosendaal, verweerster in cassatie,
niet verschenen.




1. Het geding tot dusver


Voor het verloop van het geding tot dusver tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 24 november 2000, rek. nr. R99/106HR. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad vernietigd de beschikking van de Rechtbank te Breda van 6 april 1999 en het geding verwezen naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Na memoriewisseling door partijen heeft de Rechtbank te Breda bij beschikking van 11 mei 2001 de beschikkingen van de Kantonrechter te Bergen op Zoom van 27 mei 1997 en 14 juli 1998, gewezen onder rep. nrs. 586/94 en 90/95, bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.




3. Beoordeling van de middelen


De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO [Wet op de rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 januari 2002.




CONCLUSIE


Rek.nr. R01/086HR
Mr. L. Strikwerda
Parket, 23 november 2001

Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de
gemeente Roosendaal




Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, waarin thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, op grond van de (oude) ABW verhaal zoekt op thans verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], voor aan deze verleende bijstand, heeft eerder in cassatie gediend; zie HR 24 november 2000, rek.nr. R99/106HR, n.g.

2. Het gaat om het volgende.
(i). Bij twee afzonderlijke verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het Kantongerecht te Bergen op Zoom op respectievelijk 14 juli 1994 en 19 juni 1995, heeft de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van respectievelijk
ƒ3118,19 en ƒ59.057,19 teruggevorderd van [verzoeker] (en diens - inmiddels gewezen - echtgenote). Het betreft bijstand verleend over de perioden van respectievelijk 1 oktober 1990 tot en met 1 augustus 1991 en 1 oktober 1991 tot en met 8 november 1993. De Gemeente stelde dat de kosten van bijstand zijn verleend op grond van door de betrokkene verstrekte onjuiste en onvolledige inlichtingen.
(ii). Na verweer van [verzoeker] heeft de Kantonrechter, na een tussenbeschikking van 27 mei 1997, bij eindbeschikking van 14 juli 1998 in beide zaken het verzoek van de Gemeente toegewezen.
(iii). [Verzoeker] is van beide beschikkingen in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank te Breda. Bij beschikking van 6 april 1999 verklaarde de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk is zijn beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.
(iv). Deze beschikking is op het cassatieberoep van [verzoeker] bij de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 24 november 2000 vernietigd. De Hoge Raad wees het geding terug naar de Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
(v). Na verwijzing heeft de Rechtbank bij beschikking van 11 mei 2001 [verzoeker] alsnog ontvankelijk geoordeeld in zijn hoger beroep en de beroepen beschikkingen van de Kantonrechter bekrachtigd.

3. [Verzoeker] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig; zie
artikel 66 (oud) ABW juncto artikel 426, tweede en derde lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]) in cassatie gekomen met twee middelen. De Gemeente heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

4. Middel I klaagt dat de Rechtbank, door verhaal van het totale bedrag aan verstrekte bijstand toe te staan, heeft miskend dat bij terugvordering van bijstand als uitgangspunt heeft te gelden dat zulks slechts mogelijk is bij bijstand die niet verleend zou zijn indien de door betrokkene verstrekte inlichtingen juist en volledig zouden zijn geweest.

5. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de laatste alinea van rov.
3.13 [rechtsoverweging 3.13, red.] heeft de Rechtbank het door het middel bedoelde uitgangspunt in aanmerking genomen. De Rechtbank overweegt daar immers dat de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] de noodzakelijkerwijs door hem te verstrekken inlichtingen niet heeft verstrekt en dat, waren die inlichtingen wel verstrekt, geen recht bestond op bijstandverlening, althans dat een dergelijk recht niet kan worden vastgesteld bij gebreke van voormelde inlichtingen. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat het vervolgens aan [verzoeker] was om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat, indien hij bedoelde informatie wel had verstrekt, niettemin recht bestond op bijstandverlening, doch dat dergelijke feiten door [verzoeker] niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn gesteld. Dit oordeel strookt met het door het middel bedoelde uitgangspunt en geeft, in de uitwerking die de Rechtbank daaraan heeft gegeven ten aanzien van de stelplicht en het bewijsrisico, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie onder meer HR 25 september 1992, NJ 1992, 749; HR 9 oktober 1992, NJ 1992, 770; HR 9 juni 2000, NJ 2000, 456.

6. Middel II keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank, in
rov. 3.18, dat geen sprake is geweest van berechting met overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en dat [verzoeker] door de duur van de procedure niet is benadeeld.

7. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Ook indien juist zou zijn dat, toen de Rechtbank haar thans bestreden beschikking gaf, de redelijke termijn als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, EVRM was verstreken, zou de Rechtbank op grond daarvan niet tot een andere, voor [verzoeker] gunstiger beslissing hebben mogen komen dan die welke, naar het oordeel van de Rechtbank, uit het nationale recht voortvloeit. Vgl. HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA. Zie voorts de conclusie van A-G Franx onder 18-20 voor HR 7 februari 1986, NJ 1987, 791 nt. EEA en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 1996, blz. 236-239. Waar het middel de lange duur van de procedure met name toeschrijft aan gedragingen van de rechterlijke autoriteiten die over de zaak hebben geoordeeld, is er reeds daarom geen grond om de lange duur van de procedure in rekening bij de Gemeente te brengen door, zoals het middel kennelijk wil, de vorderingen van de Gemeente te matigen. Vgl. de conclusie van A-G Asser onder 2.6 voor HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x