Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD7103
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3109 NABW
Datum uitspraak: 27 november 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 en 40 Abw (= 35 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten curatele; curator; bijzondere omstandigheden; noodzakelijke kosten
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatele, omdat die kosten, nota bene door de gemeente en vervolgens de rechtbank aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3109 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Roermond op 4 mei 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 oktober 2001. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. A.M.C.C. Verblackt, advocaat te Venlo, en bij zijn curator drs. A.E. Leijssen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Brouns, werkzaam bij de gemeente Roermond.




II. Motivering


De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaande aanneemt.

Appellant heeft van 21 mei 1998 tot 14 september 1998 in de gemeente Roermond een uitkering ontvangen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 10% van het nettominimumloon.
Appellant is per 20 december 1996 onder curatele gesteld, waarbij drs. Leijssen voornoemd tot curator is benoemd.
Namens appellant heeft de curator op 2 juni 1998 bij gedaagde een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de kosten van curatele over het tweede kwartaal van 1998 ad 352,50.

Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 19 juni 1998 afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 1998 heeft gedaagde het namens appellant tegen het besluit van 19 juni 1998 gemaakte bezwaar als ongegrond afgewezen. Daarbij heeft gedaagde aanvaard dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, maar zich op het standpunt gesteld dat deze kosten, gelet op de zogenoemde beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv, red.] door appellant uit het eigen inkomen kunnen worden voldaan.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat drs. Leijssen namens appellant tegen het besluit van 4 augustus 1998 heeft ingesteld ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep niet met het oordeel van de rechtbank kunnen verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 1:386, eerste lid, van het BW [Burgerlijk Wetboek, red.] wordt de beloning van de curator geregeld, in welk kader de kantonrechter de bevoegdheid toekomt om de beloning anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. Blijkens de eerst ter zitting namens appellant overgelegde beschikking van 28 november 2000 heeft de kantonrechter te Boxmeer de vergoeding die aan drs. Leijssen over onder meer het jaar 1998 toekomt, vastgesteld op 1350,88.

De Raad volgt het standpunt van gedaagde in het besluit van 4 augustus 1998 dat in het onderhavige geding sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Abw.

De Raad onderschrijft echter niet het standpunt van gedaagde dat de kosten van curatele uit het eigen inkomen van appellant kunnen worden voldaan op gronden ontleend aan artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, van de Rv, regelende de vaststelling van de beslagvrije voet. Daartoe overweegt de Raad dat met de vaststelling dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als hier bedoeld gegeven is dat appellant in beginsel aanspraak kan maken op bijzondere bijstand in de onderhavige kosten. Bij de vervolgens uit te voeren middelentoets is bepalend of sprake is van draagkracht als bedoeld in de artikelen 39 en 40 van de Abw in het vermogen of het inkomen.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw dient gedaagde voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw - voor zover hier van belang - in beschouwing te nemen het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw.
Door bij de verlening van bijzondere bijstand rekening te houden met een deel van het inkomen op bijstandsniveau heeft gedaagde in strijd met de wet gehandeld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 4 augustus 1998 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt.
Gedaagde dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellant, gericht tegen het besluit van 19 juni 1998, te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op 1420,- in eerste aanleg en op 1420,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot 2840,-, te betalen door de gemeente Roermond aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Roermond aan appellant het gestorte recht van 55,- in beroep en 170,- in hoger beroep (in totaal 225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2001.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD7123
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1454 NABW
Datum uitspraak: 20 november 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6, 19, 24 en 39 Abw (= 5, 48, 48 en 35 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; overbruggingsuitkering; geldlening; algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; algemene bijstand; bijstand om niet; terugvordering; onjuiste overboeking
Essentie: Onterechte verlening van bijstand in de vorm van bijzondere bijstand (geldlening) voor kosten van een overbruggingsuitkering, omdat sprake is van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarvoor algemene bijstand om niet dient te worden verstrekt. De overbruggingsuitkering kan bij een daarover nog te nemen besluit worden teruggevorderd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1454 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. C.M.D. Over de Vest, advocaat te Rotterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 9 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2001, waar voor appellante is verschenen mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, en waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


Uit de gedingstukken blijkt, voor zover in hoger beroep van belang, onder meer het volgende.

Appellante ontving sedert 1 maart 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij verzocht op 10 mei 1996 gedaagde haar uitkering te storten op een rekening van haar dochter in verband met negatief saldo op haar eigen girorekening. Haar uitkering over de maand juni 1996 werd ondanks dit verzoek op 24 mei 1996 naar de girorekening van appellante overgemaakt.

Appellante verzocht op 30 mei 1996 gedaagde om een overbruggingsuitkering om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.
Gedaagde heeft bij besluit van 9 augustus 1996 een bedrag van 1397,60 aan appellante toegekend voor de algemene kosten van het bestaan, in de vorm van een geldlening; aan de toegekende bijstand werd de verplichting verbonden dat deze besteed zou worden voor het doel waarvoor het is bestemd.

Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 24 juni 1997 ongegrond verklaard. Volgens gedaagde is terecht besloten de overbruggingsuitkering in de vorm van een geldlening te verstrekken.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 24 juni 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde terecht de bijstand verleend als leenbijstand.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen dit oordeel gekeerd. Naar haar mening is ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat het verstrekte bedrag ad 1397,60 bijzondere bijstand betreft. Het gaat hier om algemene bijstand en gedaagde was volgens haar gehouden deze bijstand om niet te verstrekken.

De Raad stelt eerst vast dat de in dit geding te beantwoorden vragen zowel de aard als de vorm van de verstrekte bijstand betreffen.

De Raad volgt gedaagde en de rechtbank niet in de opvatting dat het aan appellante bij besluit van 9 augustus 1996 toegekende bedrag bijzondere bijstand betreft. De bijstand was immers bestemd ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van het gezin van appellante. Dit betekent dat deze bijstand als algemene bijstand in de zin van artikel 6, aanhef en onder a, van de Abw moet worden beschouwd en dat artikel 39 van de Abw in dit geding niet relevant is.

De vraag of de bijstand om niet had moeten worden verstrekt beantwoordt de Raad met appellante bevestigend. Het in hoofdstuk III van de Abw opgenomen artikel 19 geeft als hoofdregel dat de bijstand om niet wordt verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald. De overige bepalingen in die wet bieden in dit geval geen grondslag om ten aanzien van appellante van die hoofdregel af te wijken. De Raad tekent daarbij aan dat tussen partijen in confesso is dat aan geen van de voorwaarden, genoemd in de onderdelen a tot en met d van artikel 24, is voldaan en dat hij geen aanknopingspunten ziet om hierover anders te oordelen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.
Het bestreden besluit komt, voor zover dat is aangevochten, wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de verstrekte bijstand om niet wordt verleend.

Ter voorlichting van appellante merkt de Raad nog op dat het vorenstaande niet inhoudt dat gedaagde van terugvordering van de verstrekte overbruggingsuitkering zou moeten afzien. De regels voor eventuele terugvordering van de verstrekte bijstand zijn opgenomen in hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Abw. Het is nu eerst aan gedaagde om daarover een definitief besluit te nemen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 1420,- in beroep en op 1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de vorm van de aan appellante toegekende bijstand;
bepaalt dat de aan appellante toegekende bijstand ad 1397,60 om niet wordt verleend;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam het door appellante gestorte recht van 55,- in beroep en 170,- in hoger beroep (totaal 225,-) aan haar te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD7128
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/10 NABW en 99/28 NABW
Datum uitspraak: 6 november 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 Abw (= 3 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; beindiging bijstand; wooneenheden in barak; voorwaarden zelfstandige woning; hoofdverblijf; motivering
Essentie: Onterechte aanmerking als gezamenlijke huishouding en beindiging bijstand, omdat de afzonderlijke wooneenheden in de barak zodanig zijn ingedeeld dat sprake is van zelfstandige woningen waarin betrokkenen ieder hun eigen hoofdverblijf hebben. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkenen een zodanig gebruik van hun woningen maken dat zij de facto samenwonen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/10 NABW en 99/28 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

1. [appelante A], wonende te [woonplaats B], appellante,
2. [appellant C], wonende te [woonplaats B], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Op bij aanvullende beroepschriften aangegeven gronden hebben mr. P. Hanenberg en mr. C.M.D. Over de Vest, beiden advocaat te Rotterdam, namens appellante respectievelijk appellant hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Rotterdam op 30 november 1998 onder de nummers Abw 97/2331 en Abw 97/2585 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van appellant is hierop bij brief van 14 november 2000 gereageerd.

De gedingen zijn, gevoegd met de gedingen tussen partijen genummerd 99/7 NABW en 99/29 NABW, behandeld ter zitting van 25 september 2001, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. Hanenberg voornoemd en appellant is verschenen met bijstand van mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende, voor de beoordeling van deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante en appellant wonen en werken beiden als zelfstandig kunstenaar respectievelijk muzikant op het terrein van het voormalige [X] in [Y]. Dit complex is eigendom van de gemeente Rotterdam. Appellanten betalen in verband met hun woon- en werkruimten, welke zijn gesitueerd in de voormalige zogeheten [Z], aan de vereniging tot [W] een vast bedrag per maand. Appellante bewoont met haar in 1979 geboren zoon [D] een woonruimte in de [Z], terwijl appellant met zijn in 1986 geboren dochter [E], van wie appellante de biologische moeder is, een andere ruimte in dezelfde barak bewoont. Zowel appellante als appellant ontvingen laatstelijk een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een in 1996 ingesteld onderzoek heeft gedaagde bij twee afzonderlijke besluiten van 21 november 1996 de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 januari 1997 gewijzigd in een uitkering naar de norm voor gehuwden en de uitkering van appellant per dezelfde datum beindigd. Op 20 december 1996 heeft gedaagde besloten de in voormelde besluiten genoemde ingangsdatum nader vast te stellen op 1 april 1997; van dit besluit is uitsluitend aan appellante mededeling gedaan.
Bij besluiten van 22 april 1997 heeft gedaagde de namens appellante en appellant tegen de besluiten van 21 november 1996 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de namens appellante en appellant tegen de besluiten van 22 april 1997 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellante en appellant op 1 april 1997 een gezamenlijke huishouding voerden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de woonruimten van appellante en appellant als n woning moeten worden beschouwd, zodat sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning.

In hoger beroep is dit oordeel namens appellanten gemotiveerd bestreden.

De Raad is tot een ander oordeel dan de rechtbank gekomen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, (oud) van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, (oud) van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in elk geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de n door de ander.

Gelet op het feit dat appellante en appellant de biologische ouders zijn van [E], is voor de beantwoording van de vraag of zij ten tijde als hier van belang een gezamenlijke huishouding voerden van doorslaggevende betekenis of zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Daartoe dient naar het oordeel van de Raad eerst te worden vastgesteld of de door appellante en appellant bewoonde woonruimten tezamen als n woning dan wel als twee afzonderlijke woningen moeten worden beschouwd.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 3 van de Abw blijkt met betrekking tot het criterium van het hoofdverblijf hebben in dezelfde woning het volgende. Voor het begrip "woning" is gekozen, omdat dit aansluit bij de (destijds vigerende) Wet individuele huursubsidie en voor gemeenten ook in het kader van de uitvoering van de Algemene bijstandswet een duidelijk en hanteerbaar begrip is. In de uitvoering van de Wet individuele huursubsidie wordt onder een woning verstaan een zelfstandige woning, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 87).

Ter zake blijkt uit de gedingstukken dat de woonruimten van appellante en appellant ten tijde als hier van belang ieder beschikten over een eigen ingang, een woonkamer, twee slaapkamers, keuken, badkamer en toilet, en over een eigen gasvoorziening en verwarming. De gang in de woonruimte van appellante en de als keuken ingerichte gang in de woonruimte van appellant waren van elkaar gescheiden door tussendeuren, welke wel voorzien waren van een slot, maar niet steeds op slot waren. Appellante en appellant maakten beiden gebruik van de gezamenlijke telefoonaansluiting in de [Z]. Samen met de andere bewoners van die barak beschikten zij over n wateraansluiting, waarvan de kosten naar rato onder de bewoners werden verdeeld, en n elektriciteitsvoorziening, waarvan de gebruikskosten werden berekend aan de hand van door de bewoners zelf geplaatste meters.

Op grond van vorenstaande gegevens is de Raad van oordeel dat de woonruimten van appellanten elk voldoen aan de voorwaarden om als een zelfstandige woning als bedoeld in de Abw te kunnen worden aangemerkt. De Raad merkt hierbij op dat de telefoonaansluiting geen wezenlijke woonfunctie betreft en dat de omstandigheid dat sprake is van gemeenschappelijke nutsvoorzieningen als water en elektriciteit niet doorslaggevend is. Voorts vormt de aanwezigheid van verbindingsdeuren tussen beide wooneenheden op zichzelf onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de woonruimten van appellanten als n woning moeten worden gezien.

De Raad overweegt vervolgens dat het hebben van verschillende woonruimten op zichzelf aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning niet in de weg hoeft te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts n van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Voor de Raad is op grond van de bevindingen van het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek, waaronder een op 4 maart 1997 afgelegd huisbezoek, onvoldoende aannemelijk geworden dat appellante en appellant een zodanig gebruik van hun woningen maakten dat zij de facto samenwoonden.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende oordeel dat appellante en appellant op 1 april 1997 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden op onvoldoende feitelijke grondslag berust.

De bestreden besluiten dienen daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden zowel voor appellante als voor appellant begroot op 1420,- in beroep en op 1420,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart de inleidende beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;
bepaalt dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante en appellant in beroep en in hoger beroep tot - ieder - een bedrag van 2840,-, te betalen door de gemeente Rotterdam aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Rotterdam aan appellante en appellant het gestorte griffierecht van - ieder - 55,- in beroep en 160,- in hoger beroep (in totaal 215,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.            




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AD7519
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Assen
Zaaknummer: 01/289 ABW
Datum uitspraak: 7 december 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= Wwb) / XVI Wet BMT / 1:3 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld; afkoopsom; bevoegde rechter
Essentie: Terechte afwijzing (overeenkomstig gemeentelijke beleidsregel) verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld, omdat slechts een zeer gering bedrag is afgelost, niet gedurende vijf jaar achtereen aan de betalingsverplichtingen is voldaan en over vijf jaar wel betalingscapaciteit aanwezig zal zijn. De verlangde afkoopsom van de schuld kan niet worden weggestreept tegen het feit dat langdurig is afgezien van (achteraf niet toetsbaar) recht op aanvullende bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Assen 01/289 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder.




1. Procesverloop


Bij brief van 20 maart 2001 is namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 februari 2001. Bij dit besluit is het bezwaarschrift van eiser gericht tegen het besluit van 15 november 2000, waarbij eisers verzoek om kwijtschelding van een op de Algemene Bijstandswet berustende schuld is afgewezen, ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij brief van 17 april 2001 de gedingstukken, alsmede een verweerschrift ingezonden.

Bij brief van 29 oktober 2001 is het standpunt van eiser nader onderbouwd.

Partijen hebben afschriften van de gedingstukken ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.R.P. Ossentjuk, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Emmen. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar mr. P. Bethlehem.




2. Motivering



Feiten en omstandigheden

In verband met ten onrechte ontvangen bijstand over de periode oktober 1986 tot januari 1988 en de periode juni 1989 tot en met 1991 heeft verweerder een vordering op eiser ten bedrage van 27.021,94. Deze bedragen zijn door rechterlijke tussenkomst (een beschikking van de kantonrechter van 23 oktober 1991 en een appelbeschikking van de rechtbank van 30 augustus 1995) vastgesteld.

Eiser heeft herhaaldelijk verzocht om kwijtschelding van deze schuld. Verweerder heeft deze verzoeken steeds afgewezen.

Bij brief van 20 september 2000 is namens eiser opnieuw verzocht om kwijtschelding van de vordering die verweerder op eiser heeft. Daarbij is aangegeven dat sprake is van een nieuw feit, aangezien thans de vijfjaarstermijn van artikel 78c van de Algemene bijstandswet (Abw) is verstreken.

Bij besluit van 15 november 2000 heeft verweerder aangegeven dat er geen aanleiding is de vordering kwijt te schelden, aangezien niet zonder meer duidelijk is dat hij in de toekomst geen mogelijkheden voor aflossing heeft. Verweerder heeft verder aangegeven bereid te zijn tot afkoop van de vordering met 50% tegen finale kwijting voor het restant.

Tegen dit besluit is namens eiser op 22 december 2000 bezwaar gemaakt. Op 15 januari 2001 is eiser in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. Van deze mogelijkheid heeft zijn gemachtigde namens hem gebruik gemaakt. Op 23 januari 2001 is namens eiser desgevraagd een verklaring omtrent inkomen en vermogen ingezonden.

Bij het bestreden besluit van 8 februari 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat per individueel geval een afweging kan worden gemaakt omtrent de vraag of van terugvordering wordt afgezien. Verweerder meent dat terecht is besloten niet van terugvordering af te zien nu het aannemelijk is dat eiser op enig moment een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm zal ontvangen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat eiser 60 jaar is en hij, als hij 65 jaar wordt, recht heeft op een uitkering ingevolge de AOW. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat eiser nog bijna niets heeft afgelost.



Standpunten partijen

Eiser stelt dat verweerder bij de beoordeling van de vraag of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding moet uitgaan van de uitgangspunten van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (WSNP). Daarmee verhoudt zich volgens eiser niet dat gekeken wordt of er kans is dat er in de toekomst wel een terugbetalingsmogelijkheid bestaat. Eiser wijst erop dat de vordering dateert van meer dan tien jaar geleden en dat eiser in die tien jaar nooit een deel van de vordering heeft afgelost en het inkomen van eiser ook niet zodanig is geweest dat de gemeente beslag kon laten leggen. Eiser vraagt zich af waarop verweerder het oordeel baseert omtrent zijn aflossingsmogelijkheden voor de toekomst. Verder stelt eiser dat het voorstel van de gemeente om tot kwijtschelding over te gaan indien 50% van de vordering betaald zou worden geen reel voorstel is nu eiser een netto-inkomen heeft van 1700,- per maand en om die reden geen bedrag van 13.500,- bij elkaar kan krijgen. Eiser stelt verder dat verweerder voor wat betreft de toepassing van artikel 78c van de Abw een ad-hoc-beleid voert en dat het beleid dat wel is vastgelegd niet strookt met artikel 78c van de Abw. Eiser stelt voorts dat verweerder hem aanrekent dat hij geen aanvullende bijstand heeft gevraagd. Als hij een dergelijke aanvraag wel had ingediend, zou verweerder hierop beslag hebben gelegd. De vordering zou dan mogelijk boekhoudkundig zijn afgeboekt, maar feitelijk zou verweerder geen cent meer ontvangen dan nu het geval is.

Verweerder stelt dat artikel 78c van de Abw niet meebrengt dat een vordering moet worden kwijtgescholden indien aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan. Uitgangspunt blijft dat iemand zoveel mogelijk van een schuld terugbetaalt. Dat eiser een inkomen beneden de beslagvrije voet heeft, is, zo stelt verweerder, zijn vrije keuze nu eiser geen uitkering ingevolge de Abw heeft aangevraagd. Mogelijk heeft eiser een vermogen dat hoger is dan het vrij te laten bescheiden vermogen en in dat geval wordt, aldus verweerder, een schuld niet kwijtgescholden. Verweerder stelt verder dat inmiddels wel een beleid is vastgesteld met betrekking tot het kwijtschelden van vorderingen en dat het aanbod dat aan eiser is gedaan gelet daarop erg soepel is. Verweerder geeft aan dat de onderhavige vordering het gevolg is van fraude door eiser en dat hij van die schuld slechts zeer weinig (ongeveer 1800,-) heeft afgelost en dat er geen enkele reden is het nog openstaande bedrag van ruim 27.000,- kwijt te schelden.



Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schulden door de civiele rechter (kantonrechter respectievelijk rechtbank in hoger beroep) zijn vastgesteld. Dit werpt de vraag op of de rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter in eerste aanleg) bij uitsluiting bevoegd ter zake van besluiten tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. En en ander was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die datum in werking getreden Algemene bijstandswet (Abw).
Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderingsbesluiten is vervallen.

In de Wet BMT is het volgende overgangsrecht vastgesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot - onder meer - terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit dit artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op verleende bijstand over een periode die ligt vr 1 juli 1997 in materile zin beoordeeld moeten worden aan de hand van het vr 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijvoorbeeld CRvB 27 juli 1999, JABW 1999/132).

In het tweede lid van artikel XVI van de Wet BMT is onder meer bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening die vr de datum van de inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt het oude recht blijft gelden. Dit artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december 2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd is.

Artikel 78c van de Abw, dat over de bevoegdheid tot kwijtschelding handelt, is op 1 augustus 1998 zonder enig overgangsrecht in werking getreden.

Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar (bij het bestuursorgaan) en beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).

Een besluit omtrent kwijtschelding van een op een publiekrechtelijke regeling berustende vordering dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Immers, kwijtschelding brengt een wijziging in de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en de betrokken burger met zich mee.

Ten aanzien van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde beslissing omtrent kwijtschelding kan derhalve worden vastgesteld dat, ongeacht of daarop artikel 78c van de Abw van toepassing is, het een besluit in de zin van de Awb is.

In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT moet worden uitgelegd.

Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden ten aanzien van in die bepaling wordt bedoeld "al hetgeen betrekking heeft op", dat wil zeggen niet alleen het besluit tot terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele rechter, die bevoegd was te oordelen over het "primaire" terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn genomen.

Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten aanzien van" uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden "ten aanzien van" in artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT op laatstgenoemde, restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.
In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT slechts die besluiten vallen die vr de inwerkingtreding van de Wet BMT zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vr de datum van inwerkingtreding van de Wet BMT bekendgemaakt terugvorderingsbesluit, maar op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet BMT zijn bekendgemaakt.

Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 15 november 2000, is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het onderhavige geval ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT het "oude" materiele recht van toepassing is. Artikel 78c van de Abw is echter eerst op 1 augustus 1998 in werking getreden. Derhalve rijst de vraag of de bepaling van artikel 78c als materieel recht kan worden aangemerkt. In het onderhavige geval kan het antwoord op deze vraag echter in het midden blijven, omdat verweerder, zoals ter zitting is gebleken, ook voor oude vorderingen als vaste gedragslijn toepassing geeft aan artikel 78c van de Abw.

Artikel 78c van de Abw bepaalt het volgende:
"-1. In afwijking van artikel 78 kunnen burgemeester en wethouders besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.
-2. De in het eerste lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.
-4. Bij ministerile regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.

Verweerder heeft in het kader van deze regeling, ten aanzien van zogenoemde fraudeschulden, waarvan in het onderhavige geval sprake is, in een beleidsregel vastgelegd dat iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding wanneer hij 120 maanden volgens de afspraak heeft afgelost op een vordering. Bovendien kan, wanneer 60 maanden op een fraudeschuld is afgelost, het restant van het nog openstaande bedrag afgekocht worden door een bedrag ter hoogte van 50% van de restantschuld te betalen.

De rechtbank acht deze door verweerder gehanteerde beleidsregel niet onredelijk of anderszins strijdig met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en evenmin in strijd met de in artikel 87c [artikel 78c, red.] van de Abw vastgelegde kwijtscheldingsregeling.

In het onderhavige geval staat vast dat eiser slechts een zeer gering bedrag heeft afgelost en niet gedurende vijf jaar achtereen aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Voorts heeft verweerder terecht geconstateerd dat aangenomen mag worden dat eiser bij het bereiken van zijn 65-ste verjaardag (eiser is geboren op 23 maart 1940) wel aflossingscapaciteit heeft.

Verweerder heeft derhalve in overeenstemming met artikel 78c van de Abw en zijn beleidsregel het verzoek om kwijtschelding afgewezen.

Vervolgens dient nog de vraag beantwoord te worden of in het onderhavige geval sprake is geweest van zodanig zwaarwegende bijzondere omstandigheden dat verweerder desondanks gehouden was om kwijtschelding te verlenen.
In dat verband is namens eiser aangevoerd dat hij jarenlang een inkomen onder het voor hem relevante sociaal minimum heeft genoten, maar niettemin heeft afgezien van het aanvragen van aanvullende bijstandsuitkering. Het voordeel dat verweerder daarvan heeft gehad, komt aldus eiser ongeveer overeen met het bedrag van de restschuld.
De rechtbank stelt in dit verband voorop dat eiser geen recht heeft gehad op aanvullende bijstand, omdat hij geen aanvullende bijstand heeft aangevraagd. Juridisch gezien kan er derhalve geen sprake zijn van "het tegen elkaar wegstrepen" van schulden. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat bepaald niet vaststaat dat eiser recht had op aanvullende bijstand en dat thans eigenlijk niet meer goed is vast te stellen of, en zo ja, in hoeverre eiser recht zou hebben gehad op aanvullende bijstand indien hij dat tijdig zou hebben aangevraagd.

Om die reden kan niet geoordeeld worden dat er sprake is van zodanig zwaarwegende bijzondere omstandigheden dat verweerder gehouden was om kwijtschelding te verlenen.

Ook hetgeen overigens namens eiser is aangevoerd, kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden, zodat het beroep van eiser niet kan slagen.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden, en uitgesproken in het openbaar op door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tob, griffier.

Mr. L.M. Tob            Mr. J.H. de Wildt




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002 te 3500 DA Utrecht, binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AD7523
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Assen
Zaaknummer: 01/566 ABW
Datum uitspraak: 7 december 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 87 Abw (= 60 Wwb) / XVI Wet BMT / 1:3 Awb
Trefwoorden: terugvordering; hoogte aflossingsbedrag; aflossingscapaciteit; fraudeschuld; verbod van reformatio in peius; bevoegde rechter; feitelijke handeling; rechtsgevolg
Essentie: Juiste vaststelling maandaflossingsbedrag van een fraudeschuld (en eigenlijk veel te laag, maar betrokkene mag door de procedure niet in een nadeliger positie komen), omdat vanwege inkomsten uit arbeid meer aflossingscapaciteit aanwezig is. De mededeling omtrent de hoogte van de restantschuld is geen appellabel besluit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Assen 01/566 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, verweerder.




I. Procesverloop


Bij brief van 9 juni 2001 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 mei 2001, verzonden op 6 juni 2001. Verweerder heeft dit bezwaarschrift bij brief van 15 juni 2001 aan de rechtbank toegezonden teneinde deze brief als beroepschrift in behandeling te nemen.

Verweerder heeft op 4 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Eiser heeft bij brief van 4 september 2001 zijn standpunt nader toegelicht.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 november 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [echtgenote]. Verweerder heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door zijn ambtenaar H.L. van Scheepen.




II. Motivering



Feiten en omstandigheden

Bij beschikking van 16 september 1991 heeft de kantonrechter vastgesteld dat ter zake van gemaakte kosten van bijstand een bedrag van 41.373,55 ten laste van eiser en diens toenmalige echtgenote kan worden ingevorderd.

De maandelijks aflossing van deze schuld werd verrekend met de aan eiser toegekende bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op 18 oktober 2000 is de bijstandsuitkering beindigd.

Bij brief van 8 november 2000 is eiser meegedeeld dat de restantschuld wegens ten onrechte ontvangen bijstand 16.334,56 bedraagt en is hem verzocht dit bedrag te betalen. Daarbij is aangegeven dat een betalingsregeling kan worden getroffen indien betaling ineens niet mogelijk is.

Naar aanleiding van het door eiser ingevulde inlichtingenformulier en na nadere informatie te hebben ingewonnen bij de werkgever van eiser, is bij besluit van 21 november 2000 het aflossingsbedrag met ingang van 1 december 2000 vastgesteld op 325,- per maand.

Bij brief van 11 december 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van het aflossingsbedrag en het inwinnen buiten zijn medeweten van informatie bij zijn werkgever. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat zijn toenmalige echtgenote en niet hij veroordeeld is tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen bijstand.

Nadat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaar ten overstaan van de Commissie van advies voor de bezwaarschriften sociale zaken (verder: de Commissie) toe te lichten, van welke mogelijkheid hij gebruik heeft gemaakt, heeft de Commissie verweerder op 4 april 2001 geadviseerd het bezwaar, voor zover gericht tegen de vaststelling van het aflossingsbedrag, gegrond te verklaren en voor het overige ongegrond te verklaren. De Commissie heeft aangegeven dat verweerder normaliter uitgaat van het gemiddelde inkomen over een periode van drie maanden en meent om die reden dat het aflossingsbedrag ten onrechte is vastgesteld op grond van enkele informatie via de werkgever.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 19 april 2001 aan eiser verzocht opnieuw een inlichtingenformulier in te vullen, te ondertekenen en te voorzien van bewijsstukken, waaronder de laatste drie loonstrookjes van eiser en diens echtgenote. Eiser heeft aan dit verzoek voldaan.

Bij het bestreden besluit van 18 mei 2001, verzonden 6 juni 2001, heeft verweerder het advies van de Commissie overgenomen en het aflossingsbedrag opnieuw berekend en vastgesteld op 612,28. Omdat eiser door de bezwaarprocedure niet in een nadeliger positie mag komen, is het bedrag dat eiser met ingang van 1 juni 2001 maandelijks moet aflossen op 325,- gesteld. Aangegeven is voorts dat de restantschuld 26.153,81 bedraagt.



Standpunten partijen

Eiser stelt dat hij maandelijks geen bedrag van 325,- kan betalen. Indien hij dit bedrag dient af te lossen, belandt hij onder het sociaal minimum. Eiser stel voorts dat de hoogte van de schuld veel lager is dan het bedrag van 26.153,28 dat in het bestreden besluit wordt vermeld. Volgens eiser is de berekening van het aflossingsbedrag onjuist en hij wijst er hierbij op dat verweerder, anders dan ten overstaan van de Commissie is aangegeven, de vakantietoeslag in de berekening heeft meegenomen, dat de huursubsidie, waarvan het exacte bedrag per 1 juli nog moet worden vastgesteld, ten onrechte bij het inkomen is opgeteld en dat geld van zijn echtgenote met wie hij niet in gemeenschap van goederen is getrouwd ten onrechte in aanmerking is genomen.

Verweerder stelt dat tegen de mededeling van de hoogte van de restantschuld geen bezwaar en beroep openstaat. Dat in het bestreden besluit een ander bedrag wordt genoemd dan in eerdere berichtgevingen is het gevolg van het feit dat in die eerdere berichtgevingen ten onrechte een administratieve splitsing is gemaakt: eiser en zijn voormalige echtgenote zijn ieder voor zich hoofdelijk aansprakelijk voor het totale bedrag. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de berekening onjuist is, merkt verweerder op dat er bij de nieuwe berekening, die niet meer op basis van summiere gegevens heeft plaatsgevonden, geen aanleiding meer was om de vakantietoeslag buiten de berekening te laten, dat de huursubsidie niet in de berekening is meegenomen en dat de algemene heffingskorting is toegepast nu eiser desgevraagd geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in gemeenschap van goederen getrouwd is.



Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de hier in geding zijnde schuld door de civiele rechter (kantonrechter) is vastgesteld. Dit werpt de vraag op of de rechtbank, als bestuursrechter, wel bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Tot 1 juli 1997 was de civiele rechter (de kantonrechter in eerste aanleg) bij uitsluiting bevoegd ter zake van besluiten tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. En en ander was vastgelegd in artikel 65 (oud) van de tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 88 van de op die datum in werking getreden Algemene bijstandswet (Abw).
Op 1 juli 1997 is ten aanzien van de Abw de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) in werking getreden, waarbij de exclusieve bevoegdheid van de civiele rechter ten aanzien van terugvorderingsbesluiten is vervallen.

In de Wet BMT is het volgende overgangsrecht vastgesteld.

Ingevolge het bepaalde in artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT wordt in de bevoegdheid van gemeenten tot - onder meer - terugvordering en verrekening van hetgeen vr die datum onverschuldigd is betaald geen wijziging gebracht. Uit dit artikellid volgt dat terugvorderingsbesluiten die betrekking hebben op verleende bijstand over een periode die ligt vr 1 juli 1997 in materile zin beoordeeld moeten worden aan de hand van het vr 1 juli 1997 vigerende recht (zie bijvoorbeeld CRvB 27 juli 1999, JABW 1999/132).

In het tweede lid van artikel XVI van de Wet BMT is onder meer bepaald dat ten aanzien van besluiten tot terugvordering of verrekening die vr de datum van de inwerkingtreding van deze wet zijn bekendgemaakt het oude recht blijft gelden. Dit artikellid ziet op de bepalingen die de procedure regelen (zie punt 2.3 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 22 december 2000, NJ 2001, 58), zoals bepalingen omtrent welke rechter bevoegd is.

Ten slotte is van belang dat sedert 1 januari 1994 ingevolge de Algemene wet bestuursrecht bezwaar (bij het bestuursorgaan) en beroep (bij de bestuursrechter) openstaat tegen besluiten in de zin van die wet, tenzij daar bij of krachtens wet een uitzondering op is gemaakt (zoals ten aanzien van terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand tot 1 juli 1997 in artikel 65 van de ABW respectievelijk artikel 88 van de Abw).

Een besluit omtrent de wijze van terugvordering van een op een publiekrechtelijke regeling berustende schuld dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
Awb. Immers, de vaststelling van de wijze van terugvordering bepaalt (mede) de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding tussen het bestuursorgaan en de betrokken burger. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 1990, AB 1990, 473.

In het onderhavige geval is de rechtbank derhalve als bestuursrechter bevoegd, tenzij uit enige wettelijke bepaling het tegendeel blijkt. In dit verband is cruciaal hoe de bepaling van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT
moet worden uitgelegd.

Enerzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten aanzien van" in die bepaling wordt bedoeld "al hetgeen betrekking heeft op", dat wil zeggen niet alleen het besluit tot terug- en eventueel invordering, maar ook alle besluiten die daarin een wijziging aanbrengen. In dat geval zou de civiele rechter, die bevoegd was te oordelen over het "primaire" terugvorderingsbesluit, ook ten aanzien van de vervolgbesluiten bevoegd zijn, ongeacht het tijdstip waarop die besluiten zijn genomen.

Anderzijds zou kunnen worden geoordeeld dat met de woorden "ten aanzien van" uitsluitend die besluiten zelf worden bedoeld en niet besluiten die op enigerlei wijze daarop voortbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat de woorden "ten aanzien van" in artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT op laatstgenoemde, restrictieve wijze, uitgelegd dienen te worden.
In het bestuursrecht geldt immers de op de Awb berustende hoofdregel dat ten aanzien van besluiten in de zin van die wet de bestuursrechter bevoegd is. Artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT betreft een uitzondering op die hoofdregel. Noch in die bepaling zelf, noch in geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling zijn concrete aanwijzingen aan te treffen voor een ruime uitleg van die bepaling. Derhalve dient de hoofdregel te gelden nu artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT daarop geen expliciete uitzondering maakt. Dit betekent dat onder de werkingssfeer van artikel XVI, tweede lid, van de Wet BMT slechts die besluiten vallen die vr de inwerkingtreding van de Wet BMT zijn bekendgemaakt. Onder die werkingssfeer vallen niet besluiten die weliswaar voortbouwen dan wel teruggrijpen op een vr de datum van inwerkingtreding van de Wet BMT bekendgemaakt terugvorderingsbesluit, maar op of na de datum van inwerkingtreding van de Wet BMT zijn bekendgemaakt.

Nu het primaire besluit bekend is gemaakt op 21 november 2000, is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het onderhavige geschil.

Ten aanzien van hetgeen partijen verdeeld houdt, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de hoogte van eisers schuld in dit geding niet aan de orde kan komen. Het noemen van het bedrag van de restantschuld is een mededeling van feitelijke aard, welke niet op enig rechtsgevolg is gericht, zodat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Daarnaast handelt het primaire besluit niet over de restantschuld, zodat ook om die reden de hoogte van de schuld niet aan de orde kan komen in dit geding.

De rechtbank dient derhalve uitsluitend de vraag te beantwoorden of verweerders besluit om het aflossingsbedrag van de schuld op een bedrag van 325,- per maand vast te stellen de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ter zitting van de rechtbank is vastgesteld dat de berekening van eisers aflossingscapaciteit, zoals neergelegd in een bijlage bij het bestreden besluit, juist is, met dien verstande dat het inkomen te hoog is vastgesteld en dat de beslagvrije voet dient te worden verminderd met het bedrag waarmee het inkomen te hoog is vastgesteld, zodat het eindresultaat hetzelfde blijft. De wijziging van inkomen en beslagvrije voet volgt uit, hangende het beroep bij de rechtbank door eiser verstrekte, informatie over het gehuwd zijn buiten gemeenschap van goederen.

Blijkens de berekening van verweerder was eisers aflossingscapaciteit, gebaseerd op zijn inkomen in de maanden december 2000 en januari en februari 2001, 612,28 per maand. Voorts blijkt uit ter zitting door eiser ter inzage gegeven loonstroken dat eisers inkomen - en derhalve ook zijn aflossingscapaciteit - in de maanden maart tot en met mei 2001 op ongeveer hetzelfde niveau is gebleven.
Hieruit volgt dat verweerder het aflossingsbedrag op een veel lager bedrag heeft vastgesteld dan eisers aflossingscapaciteit.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid het aflossingsbedrag op 325,- heeft kunnen vaststellen.

Hetgeen overigens door eiser is aangevoerd kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden.

Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mrs. A.T. de Kwaasteniet en G.H. Morsink, leden, en uitgesproken in het openbaar op door mr. J.H. de Wildt, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Tob, griffier.

Mr. L.M. Tob            Mr. J.H. de Wildt




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002 te 3500 DA Utrecht, binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x