Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / BW / Awb
x
LJN:
x
AD7718
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2388 NABW
Datum uitspraak: 20 november 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 18a Bln, 3 en 55 ABW (= 39, 78 (oud) en 106 Abw) (= 35, en 55 Wwb) / 6:106 en 6:119 BW / 6:20, 8:72 en 8:73 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; studiekosten; reiskosten; los materiaal; terugbetaling bij voortijdige afbreking studie; vordering wettelijke rente; indirecte kosten; immaterile schade
Essentie: Onterecht opgelegde voorwaarde tot terugbetaling van bijzondere bijstand voor studiekosten indien de studie voortijdig wordt afgebroken, omdat aldus een grond tot terugvordering buiten de daartoe in de wet voorziene gevallen in het leven wordt geroepen. Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor aanschafkosten van los materiaal (pennen, schriften e.d.), omdat geen bewijsstukken ter zake zijn overgelegd. Toewijzing van renteschade wegens te late besluitvorming; afwijzing van indirecte en immaterile schade.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2388 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sas van Gent [zie gemeente Terneuzen, red.], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Middelburg op 24 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Bij brief van 3 augustus 1999 heeft appellant zijn hoger beroep nader toegelicht.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Daarop heeft appellant bij brief van 12 oktober 1999 gereageerd. Bij brieven van 10 juli 2000 en 12 december 2000 heeft hij zich nogmaals tot de Raad gewend. Nadien heeft appellant de Raad desgevraagd nog een nader stuk doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 oktober 2001, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.C.W. Kusters en R. Dierickx, beiden werkzaam bij de gemeente Sas van Gent.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende feiten en omstandigheden.

Appellant neemt vanaf september 1995 deel aan het Project Intensieve Begeleiding Langdurig Werklozen (PIBLW). Na een advies van de begeleidingscommissie PIBLW heeft hij van gedaagde toestemming gekregen om in september 1996 met behoud van zijn bijstandsuitkering de opleiding [naam] te gaan volgen. Blijkens een intakeformulier heeft hij zich op 7 februari 1997 tot gedaagde gewend met een verzoek om bijzondere bijstand voor de aan zijn opleiding verbonden kosten. Hierop is door gedaagde geen besluit genomen.
Bij brief van 20 mei 1997 heeft appellant onder meer bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken rond de afhandeling van zijn verzoek om vergoeding van de kosten van het eerste studiejaar en verzocht zijn daartoe strekkende aanvraag in behandeling te nemen. Gedaagde heeft de brief van 20 mei 1997 als een aanvraag in behandeling genomen en deze aanvraag bij besluit van 23 juli 1997 afgewezen op de grond dat een positief advies van het arbeidsbureau in de vorm van een noodzakelijkheidsverklaring ontbreekt. Bij brief van 28 augustus 1997 heeft appellant zowel bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de aanvraag als tegen het gedurende lange tijd uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om bijstand, als gevolg waarvan hij stelt schade te hebben geleden.

Bij besluit van 2 september 1997 heeft gedaagde het besluit van 23 juli 1997 in zoverre herzien dat appellant alsnog tot een bedrag van
1986,25 bijzondere bijstand wordt toegekend voor de aan het eerste studiejaar verbonden kosten. Deze toekenning houdt verband met het feit dat het arbeidsbureau alsnog een noodzakelijkheidsverklaring heeft afgegeven voor de opleiding van appellant en de kosten van het tweede jaar op grond van de Kaderregeling scholing heeft vergoed. Aan de bijstandverlening is de voorwaarde verbonden dat appellant de verstrekte bijstand terugbetaalt indien hij de opleiding voortijdig beindigt. Voor de kosten van los materiaal zoals schriften, mappen en pennen is geen bijstand verstrekt omdat appellant hiervan geen enkel betaalbewijs heeft overgelegd. De aanschafkosten van een tweedehands computer ad 1000,- zijn niet voor vergoeding in aanmerking gebracht omdat een computer niet strikt noodzakelijk wordt geacht voor de opleiding.

Tegen het besluit van 2 september 1997 heeft appellant eveneens een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft hij onder meer aangegeven in plaats van vergoeding van de aanschafkosten van een computer in aanmerking te willen komen voor vergoeding van de kosten van een schrijfmachine.

Bij besluit van 11 november 1997 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard. Met betrekking tot de bezwaren van appellant tegen het uitblijven van een reactie op zijn eerdere bezwaarschrift van 28 augustus 1997 is overwogen dat dit bezwaarschrift niet in behandeling is genomen vanwege het ten voordele van appellant herziene besluit om alsnog bijzondere bijstand voor de opleidingskosten toe te kennen.

De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 11 november 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft tevens zijn in eerste aanleg gedane verzoek herhaald om gedaagde met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de door hem vanwege het uitblijven van een besluit geleden schade, onder verwijzing naar zijn eerdere kostenopgave.

De Raad overweegt het volgende.

De onderhavige aanvraag ziet op de kosten die appellant heeft gemaakt in verband met het volgen van het eerste studiejaar (1996/1997) van de opleiding [naam]. De bij besluit van 2 september 1997 toegekende bijzondere bijstand betreft zowel eenmalige, aan het begin van het studiejaar 1996/1997 gemaakte kosten als kosten welke gedurende het gehele jaar worden gemaakt, zoals reiskosten. Hieruit volgt dat de vraag of gedaagde aan de verleende bijstand terecht de voorwaarde heeft verbonden dat appellant deze in geval van voortijdige beindiging van zijn studie terugbetaalt, wat betreft de tot 1 december 1996 gemaakte studiekosten dient te worden beantwoord aan de hand van de bepalingen van de ABW en wat betreft de nadien gemaakte kosten aan de hand van de bepalingen van de Abw.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de ABW kunnen naast voorwaarden welke strekken tot inschakeling in de arbeid slechts voorwaarden worden verbonden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand, dan wel strekken tot zijn vermindering of beindiging.
Ingevolge artikel 106 van de Abw, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beindiging.

Gedaagde heeft de onderhavige bijzondere bijstand in de vorm van bijstand om niet verleend. Dit betekent dat appellant deze bijstand niet behoeft terug te betalen, tenzij zich n van de in hoofdstuk IV van de ABW respectievelijk hoofdstuk VI, paragraaf 2, van de Abw opgesomde terugvorderingsgronden voordoet. Ingevolge artikel 55, vierde lid, van de ABW en artikel 78, vierde lid, (oud) van de Abw vindt buiten de gevallen aangegeven in deze paragraaf geen terugvordering plaats. De in geding zijnde voorwaarde verplicht appellant de bijstand terug te betalen indien zich een onzekere gebeurtenis voordoet, te weten het voortijdig afbreken van de studie. De voorwaarde strekt er aldus toe een grond tot terugvordering buiten de daartoe in de wet voorziene gevallen in het leven te roepen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 55, vierde lid, (oud) van de ABW respectievelijk artikel 78, vierde lid, (oud) van de Abw.

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bijzondere bijstand overweegt de Raad dat de kosten van aanschaf van los materiaal en van een schrijfmachine beide eenmalige, aan het begin van het studiejaar te maken kosten zijn, zodat de vraag of hierin terecht geen bijzondere bijstand is verstrekt aan de hand van de ABW en de daarop rustende bepalingen dient te worden beoordeeld. De Raad is met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat de aanschafkosten van los materiaal niet voor bijstandverlening in aanmerking komen, omdat appellant in gebreke is gebleven om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat hij ter zake kosten heeft gemaakt. Voorts is ook naar het oordeel van de Raad niet komen vast te staan dat appellant ten behoeve van de door hem gevolgde opleiding zelf over een schrijfmachine dient te beschikken, zodat ook de aanschafkosten van een schrijfmachine niet kunnen worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 18a van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln).

Op grond van het vorenstaande komt het bestreden besluit wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de aan de verlening van bijzondere bijstand in de studiekosten verbonden voorwaarde is gehandhaafd. Ook de aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven. De Raad acht het aangewezen om het besluit van 2 september 1997, voor zover het die voorwaarde aangaat, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te vernietigen.

De Raad overweegt voorts dat appellant in het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 23 juli 1997 tevens bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn, volgens hem reeds in 1996 gedane verzoeken om bijzondere bijstand voor studiekosten. Hoewel op grond van de gedingstukken aannemelijk is dat appellant reeds vanaf 1996 pogingen in het werk heeft gesteld om bij het PIBLW informatie en uitsluitsel te verkrijgen over de mogelijkheden om een vergoeding te verkrijgen voor de aan het eerste studiejaar verbonden kosten, is naar het oordeel van de Raad niet komen vast te staan dat appellant toen reeds uitdrukkelijk aan gedaagde heeft verzocht om hem in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand in de studiekosten. De Raad merkt het verzoek om bijzondere bijstand dat appellant op 7 februari 1997 heeft gedaan wel als een aanvraag om bijstand aan en stelt voorts vast dat appellant in zijn brieven van 20 mei 1997 en 28 augustus 1997 bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat gedaagde hierop niet tijdig heeft beslist. Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde bij het besluit op bezwaar van 11 november 1997 ten onrechte nagelaten om op dit onderdeel van het bezwaarschrift van 28 augustus 1997 een beslissing te nemen.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het besluit van 11 november 1997 tevens voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag van 7 februari 1997. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar van appellant in zoverre onder toepassing van artikel 6:20, zesde lid, van de Awb gegrond te verklaren. De aangevallen uitspraak dient in zoverre eveneens te worden vernietigd.

Met betrekking tot het verzoek om gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade overweegt de Raad het volgende.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, staat achteraf bezien vast dat de kosten verbonden aan de studie van appellant tot een bedrag van
1986,25 als noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 18a van het Bln moeten worden aangemerkt en voor bijstandverlening in aanmerking komen.
Nu voorts sprake is van een gegrond beroep tegen niet beslissen door gedaagde op zijn bezwaar tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn aanvraag van 7 februari 1997, is er aanleiding om het verzoek van appellant de als gevolg van die late besluitvorming ontstane schade te vergoeden toe te wijzen.
De door appellant gevorderde schade bestaat uit het nadeel dat hij heeft geleden doordat gedaagde niet tijdig een positief besluit heeft genomen op zijn aanvraag om bijzondere bijstand. Het verzoek ziet derhalve op vergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient bij het beoordelen van de vraag of termen aanwezig zijn voor een veroordeling tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid, van de Awb zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarvan uitgaande moet worden vastgesteld dat artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek de omvang en de duur van de schadevergoedingsverplichting wegens vertraging in de voldoening van een geldsom normeert. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens de vertraging van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. En en ander brengt mee dat er in dit geval geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde betaling van de bijzondere bijstand volgens appellant voortgevloeide schadeposten, zoals de kosten van huurachterstand, telefoonkosten, leningen en schrijfmateriaal.

Gelet op artikel 68, eerste lid, van de Abw had gedaagde binnen acht weken moeten beslissen op de op 7 februari 1997 ontvangen aanvraag. Die termijn eindigt derhalve op 3 april 1997. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de wettelijke rente over het toegekende bedrag groot
1986,25 is verschuldigd vanaf 1 mei 1997, zijnde de eerste dag na de maand in welke op die aanvraag had moeten zijn beslist. Bij de berekening van de wettelijke rente dient te worden uitgegaan van het brutobedrag dat aan appellant als bijzondere bijstand had moeten worden betaald. De aldus te berekenen rente zal alsnog moeten worden voldaan tot aan de dag der algehele voldoening, zijnde de dag waarop ter uitvoering van het besluit van 2 september 1997 het bedrag van 1986,25 aan appellant is uitbetaald.

Het verzoek om toewijzing van immaterile schade acht de Raad niet voor toewijzing vatbaar. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag sprake zou zijn van als een aantasting van de persoon van appellant als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van schade kan ontlenen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op
25,- wegens de aan het bijwonen van de zitting van de rechtbank verbonden reiskosten. De overige door appellant opgegeven proceskosten komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de hoogte van de verstrekte bijzondere bijstand;
verklaart het inleidend beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen het niet beslissen op het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag, alsmede voor zover dit is gericht tegen de aan de verlening van bijzondere bijstand verbonden voorwaarde;
vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
verklaart het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag gegrond;
vernietigt het primaire besluit van 2 september 1997 voor zover daarbij de voorwaarde tot terugbetaling van de verstrekte bijzondere bijstand is verbonden;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot
25,-, te betalen door de gemeente Sas van Gent;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb toe zoals hiervoor in rubriek II is aangegeven;
wijst het meer of anders gevorderde af;
gelast de gemeente Sas van Gent aan appellant het gestorte griffierecht van
55,- in beroep en 170,- in hoger beroep (totaal 225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD7844
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 99/1128 NABW
Datum uitspraak: 21 december 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 65 Abw (= 11 en 17 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: legitimatiebewijs; identiteitsbewijs; identificatieplicht; W-document; D-document; vreemdeling; asielzoeker; bijstand met terugwerkende kracht; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand met terugwerkende kracht wegens het niet hebben van een legitimatiebewijs in de zin van de Abw, omdat het hebben van zulk een legitimatiebewijs geen constitutief vereiste is voor het verkrijgen van bijstand; i.c. kon met het W-document de identiteit van betrokken vreemdeling voldoende worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank Leeuwarden 99/1128 NABW




U I T S P R A A K




ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het geding tussen:


[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. D. van der Wal, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tytsjerksteradiel, verweerder,
gemachtigde: L.D. Overbosch en J. Zuidema, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.




1. Procesverloop


Bij brief van 1 november 1999 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 26 oktober 2001. Eiser en verweerder zijn bij gemachtigde verschenen.




2. Motivering


Eiser, van Iraanse afkomst en geboren op [geboortedatum], heeft op 17 mei 1999 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Abw met het verzoek de uitkering per 14 mei 1999 in te laten gaan.

Bij brief van 22 juni 1999 heeft verweerder (voor zover hier van belang) besloten eiser ingaande 14 mei 1999 een bijstandsuitkering toe te kennen. In verband met werkaanvaarding heeft verweerder eisers bijstandsuitkering per 7 juni 1999 beindigd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder (voor zover hier van belang) het tegen het besluit van 22 juni 1999 gerichte bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe onder meer overwogen dat als uitgangspunt moet gelden dat geen bijstand wordt verleend over een periode welke voorafgaat aan de aanvraagdatum, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Verweerder heeft dan ook eisers grief dat de bijstand alsnog eerder dan 14 mei 1999 moet ingaan, verworpen.

Namens eiser is in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd dat eiser zich niet kan verenigen met de ingangsdatum van 14 mei 1999. Hij is van mening dat de bijstandsuitkering per 22 maart 1999 moet worden toegekend. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij per 22 maart 1999 rechtmatig in Nederland verblijft. De datum van de verstrekking van een legitimatiebewijs is volgens eiser geen vereiste voor het recht op bijstand.

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 7, eerste lid, Abw bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
Artikel 7, tweede lid, Abw bepaalt voorts dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
Artikel 65, vierde lid, Abw bepaalt dat de belanghebbende verplicht is aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
In artikel 65, vijfde lid, Abw is bepaald dat burgemeester en wethouders bij de uitvoering van deze wet ten aanzien van een belanghebbende op wie de verplichting, bedoeld in het vierde lid, rust de identiteit vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en de aard en het nummer daarvan opnemen in de administratie.
In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Wet op de identificatieplicht is bepaald dat als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
In artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, zoals deze luidde ten tijde in geding, is onder meer bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de documenten worden aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
Uit artikel 54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit, zoals dit luidde ten tijde in geding, blijkt ten slotte dat als document in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet voor vreemdelingen aan wie het is toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, wordt aangewezen een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekt document waaruit blijkt dat dit verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland is toegestaan.

Blijkens vaste jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode welke voorafgaat aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, met name indien de betrokkene ter zake van de - verlate - aanvraag redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. De rechtbank verwijst onder meer naar de uitspraak van de CRvB van 30 juli 1996, gepubliceerd in JABW 1996/215.

Tussen partijen staat vast dat eiser sedert 22 maart 1999 rechtmatig in Nederland verblijft, omdat de Staatssecretaris van Justitie eiser bij brief van die datum (overigens met ingang van 10 juni 1998) alsnog een vergunning tot verblijf voor de duur van n jaar in Nederland heeft verleend. Voorts is namens eiser onweersproken aangevoerd dat hem pas op 14 mei 1999 het zogenaamde D-document, het identiteitsbewijs dat hoort bij de vergunning tot verblijf, is uitgereikt, hoewel dit document de datum 19 april 1999 draagt.

In de eerste plaats kan de rechtbank meegaan in eisers argument dat het hebben van een legitimatiebewijs geen constitutief vereiste is voor het verkrijgen van bijstand. Dat laat echter onverlet dat burgemeester en wethouders op grond van artikel 65, vierde lid, Abw wel van een aanvrager kunnen verlangen dat hij zich door middel van een legitimatiebewijs identificeert.

Op 31 maart 1999 beschikte eiser niet over een geldig legitimatiebewijs, aangezien hem op 22 maart 1999 slechts een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd was verleend. Het was hem dus niet toegestaan om voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven, zodat hij niet beschikte over een document als bedoeld in artikel 54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit.

Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de huidige redactie van artikel 65, vierde lid, Abw (Kamerstukken I 1996-1997, 24 772, nr. 101b) blijkt echter dat daar waar de aanvragers niet over een geldig legitimatiebewijs beschikken, de gemeente, al dan niet door middel van onderzoek, zal moeten vaststellen of de identiteit van de betrokkene voldoende kan worden vastgesteld. Ook de Commissie voor de Bezwaar- en Beroepschriften van verweerders gemeente heeft in haar advies op deze onderzoeksplicht van verweerder gewezen.

Gebleken is voorts dat eiser zich al op 31 maart 1999, dus na de ontvangst van de brief van 22 maart 1999, bij verweerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Hij is toen, zo begrijpt de rechtbank, weggestuurd omdat hij nog niet in het bezit zou zijn van een geldig identiteitsbewijs.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat eisers identiteit en verblijfsstatus op 31 maart 1999 niet voldoende konden worden vastgesteld. Immers, op die datum had eiser al de beschikking over de brief van 22 maart 1999 waaruit bleek dat hij inmiddels een verblijfstitel had en rechtmatig in Nederland verbleef; voorts had hij tot dan in Nederland verbleven in het kader van een zogenaamd zelfzorgarrangement, een regeling voor asielzoekers; hij had als legitimatiebewijs het daarbij behorende zogenaamde W-document. Dit zijn allemaal gegevens die verweerder gemakkelijk had kunnen controleren bij de Immigratie en Naturalisatiedienst, de vreemdelingenpolitie en/of het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Met andere woorden, op die manier hadden eisers identiteit en verblijfsstatus kunnen worden vastgesteld. Ter zitting is namens verweerder ook aangegeven dat zo'n verificatie geen probleem zou zijn geweest. Voorts kan eiser niet worden tegengeworpen dat eerst op 14 april 1999, meer dan drie weken na het verstrekken van de verblijfstitel, voor hem een D-document is aangemaakt, dat hem bovendien eerst n maand later is uitgereikt.

De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser redelijkerwijs ten aanzien van zijn te laat, eerst op 14 mei 1999, gedane aanvraag niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. In eisers geval doet zich de door de CRvB bedoelde uitzondering voor op de regel dat geen bijstand wordt verleend over een periode welke voorafgaat aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Verweerder had moeten beoordelen of eiser met ingang 31 maart 1999, de dag waarop eiser zich voor het eerst bij de gemeente heeft gemeld, recht had op bijstand. De rechtbank ziet daarbij niet over het hoofd dat eiser in zijn op 17 mei 1999 ingediende aanvraag zelf k vraagt om uitkering ingaande 14 mei 1999; zij acht het echter niet onaannemelijk dat deze datum is ingegeven door de veronderstelling van eiser dat hij eerst bijstand kon krijgen met ingang van de datum waarop hij over het D-document beschikte.

Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden voorbereid en genomen en met het in artikel 7:12, eerste lid, Awb neergelegde beginsel dat een besluit op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering. Het beroep van eiser zal gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal, voor zover in beroep aangevochten, wegens strijd met bovengenoemde Awb-artikelen worden vernietigd en verweerder zal in zoverre een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74 Awb dient verweerders gemeente het door eiser gestorte griffierecht ad
60,- te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser
1420,- (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt 710,-, gewicht van de zaak: gemiddeld) ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst verweerders gemeente aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Al het vorenstaande heeft geleid tot de volgende beslissing.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover in beroep aangevochten;
- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
- bepaalt dat verweerders gemeente het door eiser gestorte griffierecht ad
60,- aan hem vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad
1420, aan eiser te betalen door verweerders gemeente.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mrs. K. Post en A.G.J.M. van Montfort, rechters, en door genoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001, in tegenwoordigheid van G. Timmermans als griffier.

w.g. G. Timmermans            w.g. P.G. Wijtsma




Afschrift verzonden op: 21 december 2001.




Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD8171
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/79
Datum uitspraak: 28 juni 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42 en 82 Abw (= 31 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vermogen; auto; terugvordering; eigendom; gebruik; tenaamstelling; kentekenregistratie
Essentie: Onterechte terugvordering bijstand wegens oververmogen gebonden in een auto, omdat alle kosten van de auto, die weliswaar op naam van (geestelijk instabiele) betrokkene staat, zijn betaald door haar vader (die zelf geen rijbewijs heeft en door anderen moet worden gereden) en zij de auto slechts met toestemming van haar vader af en toe mag gebruiken, zodat zij in redelijkheid niet geacht kan worden over de auto te kunnen beschikken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 01/79




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostburg [zie gemeente Sluis, red], verweerder.




1. Procesverloop


Bij besluit van 14 november 1997 heeft verweerder de aan eiseres toegekende uitkering op grond van de Algemene bijstandswet herzien en een bedrag van
10.476,38 van eiseres teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij brief van 11 december 1997.

Bij besluit van 21 december 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in die zin dat het terug te vorderen bedrag wordt gewijzigd van
10.476,38 in 10.000,- en voor het overige het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het geschil is op 11 juni 2001 behandeld ter zitting. Namens eiseres is hierbij verschenen haar gemachtigde mr. H.M. den Hollander, advocaat te Oostburg, en de heer [broer], broer van eiseres. Namens verweerder is niemand verschenen.




2. Overwegingen


Artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt dat kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen, als bedoeld in artikel 42 e.v. van de Abw, beschikt of kan beschikken.

Op grond van artikel 42 van de Abw worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

Eiseres ontvangt sinds 1 juli 1995 een Abw-uitkering. Zij woont met haar vader in de ouderlijke woning. In het door haar ondertekende hercontrolerapport van 12 oktober 1997 heeft eiseres bij de rubriek Bezittingen een auto met een waarde van
10.000,- ingevuld.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres in het bezit is van deze auto, omdat het kentekenbewijs op haar naam staat. Door niet eerder dan op 12 oktober 1997 melding te maken van de auto heeft eiseres vanaf het moment van tenaamstelling op 3 mei 1996, ten onrechte bijstand genoten ter hoogte van het bedrag van
10.000,-, zodat dit bedrag teruggevorderd dient te worden. Verweerder stelt dat de gehele waarde van de auto bij de vermogensberekening betrokken dient te worden, aangezien de waarde de drempel van 5000,- overschrijdt. Voor de vaststelling van de waarde van de auto is verweerder uitgegaan van de door eiseres opgegeven waarde omdat zij volgens verweerder het hercontroleformulier naar waarheid en uit eigen beweging heeft ondertekend.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de auto het eigendom is van haar vader en dat de auto door haar slechts gebruikt mag worden. Daarnaast had verweerder zich bij de vaststelling van de waarde van de auto niet alleen mogen baseren op de mededeling van eiseres in het hercontrolerapport, maar had hij uit moeten gaan van de rele restwaarde. Volgens eiseres ligt deze waarde onder de door verweerder gehanteerde norm van
5000,-. Ten slotte is eiseres van mening dat verweerder drie jaar na de indiening van het bezwaarschrift niet meer tot terugvordering over kan gaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Van terugvordering ingevolge de artikelen 42 en 82 van de Abw kan eerst sprake zijn indien eiseres geacht kon worden redelijkerwijs over de auto te kunnen beschikken.

Volgens vaste jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep is bij het gegeven dat een kenteken op naam van een betrokkene staat de veronderstelling gerechtvaardigd dat de auto een bestanddeel vormt van het vermogen van die betrokkene waarover hij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. Het is aan de betrokkene hiertegen toereikend tegenbewijs te leveren.

Vaststaat dat het kenteken van de auto sinds 3 mei 1996 op naam van eiseres staat en dat eiseres in de periode na de kentekenregistratie van de auto gebruik heeft gemaakt. Naar de overige feiten en omstandigheden met betrekking tot de auto heeft verweerder geen nader onderzoek ingesteld, terwijl daar naar het oordeel van de rechtbank wel aanleiding toe was. Het was verweerder immers bekend dat eiseres psychisch niet stabiel is en dat haar inmiddels met ingang van 8 december 1997 met terugwerkende kracht een AAW-uitkering is toegekend. In zoverre kan van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit niet worden gesproken.

Uit de gedingstukken en het ter zitting verhandelde is het volgende gebleken. Uit de aankoopnota en reparatiefacturen die eiseres heeft overgelegd, volgt dat de auto aan de vader van eiseres is geleverd, dat hij de aankoopprijs van de auto heeft betaald en dat hij de facturen voor onderhoud aan de auto betaalt. Daarnaast heeft de broer van eiseres ter zitting toegelicht dat zijn vader eveneens de wegenbelasting en de verzekeringspremie betaalt. Het kentekenbewijs, de wegenbelasting en de verzekering zijn slechts op naam van eiseres gezet omdat zijn vader geen rijbewijs heeft. Men was niet op de hoogte van de mogelijkheid om met een ander identiteitsbewijs dan het rijbewijs het kenteken op zijn naam te laten registreren. De vader wil regelmatig met de auto vervoerd worden naar bijvoorbeeld familie of de bejaardensoos en eiseres mag de auto zelf pas gebruiken nadat zij toestemming van haar vader heeft gekregen. Het is ten slotte ondenkbaar dat eiseres de auto van haar vader zou kunnen verkopen. Verweerder heeft dit alles niet weersproken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiseres de auto slechts af en toe mag gebruiken en dat zij in redelijkheid niet geacht kan worden hierover te kunnen beschikken. Verweerder heeft dan ook niet op goede gronden kunnen beslissen dat de auto tot het vermogen van eiseres behoort.
Het bestreden besluit moet derhalve worden vernietigd wegens strijd met de wet. Aan een beoordeling van de overige grieven komt de rechtbank dan ook niet meer toe.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de gemeente Oostburg aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van
60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op
1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Oostburg aan eiseres/de griffier.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2001 door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. W.J. de Veld, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / BW
x
LJN:
x
AD8232
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 01/507 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 27 november 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 1:386 BW
Trefwoorden: bijzondere bijstand; meerkosten curatorschap; bewindvoering; curatele
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor meerkosten van curatorschap, omdat behoort te worden uitgegaan van het bedrag waarvoor de kantonrechter de curator heeft gemachtigd om bij betrokkene in rekening te brengen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 01/507 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door A.G. Kieftenbeld, professioneel curator te Gouda,
gemachtigde: mr. H. Dammingh, advocaat te Utrecht,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Losser, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 6 maart 2001, verzonden op 15 mei 2001.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Bij schrijven van 7 februari 2000 heeft de heer A.G. Kieftenbeld (hierna te noemen: de curator) zich, in de hoedanigheid van curator van eiseres, tot verweerder gewend met het verzoek eiseres over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 bijzondere bijstand toe te kennen in de kosten van curatorschap van
4942,63.
Op 23 maart 2000 heeft de kantonrechter te Gouda de curator gemachtigd om aan eiseres voor zijn werkzaamheden in 1999 een bedrag van
4942,63 in rekening te brengen.
Bij besluit van 18 augustus 2000 heeft verweerder besloten deze aanvraag voor bijzondere bijstand gedeeltelijk toe te kennen, namelijk voor een bedrag van
1353,20. Bij het vaststellen van dit bedrag heeft verweerder aansluiting gezocht bij de uitspraak van Rechtbank Arnhem d.d. 8 februari 2000, alsmede de aanbevelingen van de kantonrechters van 7 juni 1999.
Bij schrijven van 12 september 2000 is namens eiseres en haar curator tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 14 november 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 6 maart 2001 heeft verweerder op de daarin vervatte gronden de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiseres en haar curator ingediende beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 25 juli 2001 de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken overgelegd, alsmede een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 30 oktober 2001, waar de curator in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van Rijk, kantoorgenote van mr. H. Dammingh, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.J.M. Bolscher.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van 6 maart 2001, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 18 augustus 2000 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 1:386, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn - voor zover hier van belang - op het bewind van de curator de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator - de ouder daaronder begrepen - als beloning toe vijf ten honderd van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de ondercuratelegestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit overwogen dat niet in geschil is dat de kosten van curatorschap behoren tot de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 39 van de Abw. Het geschil spitst zich volgens verweerder toe op de vraag of hij op goede gronden de hoogte van de bijzondere bijstand over 1999 op
1353,20 heeft vastgesteld.
In verband hiermee heeft verweerder overwogen dat de
Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 25 april 2000 (JABW 2000/108) [LJN ZB8765, red.] heeft geoordeeld dat kosten welke naar aard en strekking onlosmakelijk verbonden zijn aan ingesteld mentorschap in beginsel noodzakelijke kosten van het bestaan zijn die als zodanig tot het verlenen van bijzondere bijstand aanleiding kunnen geven. Daarbij heeft de CRvB volgens verweerder aangestipt dat burgemeester en wethouders een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen of in het betrokken geval aanspraak op bijzondere bijstand bestaat. Uit dat laatste leidt verweerder af dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft bij de uitvoering van de Abw en dientengevolge bevoegd is om de hoogte van de bijzondere bijstand - in afwijking van het bedrag van 4942,63, dat eiseres naar aanleiding van de machtiging van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000 verschuldigd is aan de curator - op een ander bedrag vast te stellen. Bij het vaststellen van de hoogte van dat bedrag is naar verweerders mening op goede gronden aansluiting gezocht bij de uitspraak van Rechtbank Arnhem van 8 februari 2000 (JABW 2000/86) [LJN AA5397, red.], alsmede bij de aanbevelingen van de kantonrechters van 7 juni 1999. Volgens verweerder treedt hij hiermee geenszins in de afwegingen van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000.

Eiseres is, kort gezegd, van mening dat verweerder ten onrechte afwijkt van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda de curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen.

Eiseres is van mening dat verweerder deze machtiging van de kantonrechter als uitgangspunt dient te nemen bij de toekenning van de bijzondere bijstand. Het staat verweerder volgens eiseres niet vrij in de afwegingen van de kantonrechter te treden. In verband hiermee verwijst eiseres naar de uitspraak van Rechtbank Haarlem van 9 maart 2001, nr. NABW H V66 G14 K1.
Volgens eiseres interpreteert verweerder de hierboven vermelde uitspraak van de CRvB van 25 april 2000 voor wat betreft de eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de Abw op een onjuiste wijze. Volgens eiseres is de juiste interpretatie van deze uitspraak dat de eigen verantwoordelijkheid van verweerder ter zake ziet op de omstandigheid dat de uiteindelijke toekenning van bijzondere bijstand nog afhankelijk is van de draagkrachtberekening.

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat niet in geschil is dat de kosten in verband met ondercuratelestelling gerekend kunnen worden tot de noodzakelijke bestaanskosten, waarvoor in beginsel bijstand kan worden verleend.
In geschil is met name de vraag of verweerder ter uitvoering van de Abw met betrekking tot de hoogte van die kosten in beginsel behoort uit te gaan van de hierboven vermelde beschikking van de kantonrechter te Gouda van 23 maart 2000 of dat hij met betrekking tot die kosten een eigen afweging kan maken. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of verweerder er terecht van uitgegaan is dat de noodzakelijke kosten van curatorschap voor eiseres 1353,20 bedragen.
Op grond van het hiervoor aangehaalde artikel 1:386, eerste lid, BW komt de kantonrechter de bevoegdheid toe om de beloning van de curator anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. In dat kader heeft de kantonrechter op 23 maart 2000 de curator gemachtigd om voor zijn werkzaamheden ingevolge het curatorschap ten behoeve van eiseres een bedrag van
4942,63 bij haar in rekening te brengen. Daarbij heeft de kantonrechter beoordeeld en vastgesteld dat de ingediende declaratie in een redelijke verhouding stond tot de verrichte activiteiten in verband met het uitoefenen van het curatorschap ten behoeve van eiseres. Het betreft hier een rechterlijke beschikking met formele rechtskracht. Derhalve is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat verweerder ook voor wat betreft de hoogte van de hier bedoelde kosten in beginsel behoort uit te gaan van het oordeel van de kantonrechter. Voor een nadere beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank hier geen plaats.
Daarbij heeft verweerder wel eigen verantwoordelijkheden met betrekking tot de aanspraak op bijzondere bijstand.
Gelet op het vorenstaande wijkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de toekenning van de bijzondere bijstand ten onrechte af van het bedrag waarvoor de kantonrechter te Gouda de curator heeft gemachtigd om bij eiseres in rekening te brengen. Het beroep is derhalve gegrond.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde kosten van rechtsbijstand ad 1420,- en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad 63,-.

Beslist wordt derhalve als volgt.




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op 1483,-, door verweerder te betalen aan eiseres;
- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad 60,- vergoedt.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2001 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD8380
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/5157 NABW-VV
Datum uitspraak: 13 december 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= Wwb) / 8:81 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; kwijtschelding; fraudeschuld; niet nakomen aflossingsverplichtingen; vereenvoudigd derdenbeslag
Essentie: Terechte afwijzing (overeenkomstig gemeentelijke beleidsregel) verzoek om kwijtschelding van een restantfraudeschuld, omdat de aflossingsverplichtingen niet stipt zijn nagekomen, waardoor derdenbeslag moest worden gelegd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/5157 NABW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Namens verzoeker is bij brief van 21 september 2001 hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 10 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak nummer 00/3776 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. In dezelfde brief is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De gronden voor het hoger beroep en die voor het verzoek om een voorlopige voorziening zijn aangevuld bij brief van 18 oktober 2001.

Verzoeker en GAK Nederland BV hebben desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Namens gedaagde heeft mr. Ph. Burgers, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Amsterdam-West, een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 4 december 2001, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Burgers, voornoemd.




II. Motivering



Met betrekking tot de ontvankelijkheid

Uit de gedingstukken blijkt dat de aangevallen uitspraak is verzonden op 16 augustus 2001. De in rubriek I genoemde brief van 21 september 2001 is ter griffie van de Raad ontvangen op 25 september daaropvolgend. Dit geschrift is tijdig ingediend namens verzoeker en ondertekend door de chef Beroep van de Concernafdeling Juridische Zaken van de sociale dienst van de gemeente Amsterdam. Daarin is tevens een besluit van verzoeker tot het instellen van hoger beroep en tot schorsing van de aangevallen uitspraak in het vooruitzicht gesteld. Dit besluit is op voorstel van de wethouder Sociale Zaken door verzoeker genomen op 5 oktober 2001.

De president ziet in dit hem bij brief van 18 oktober 2001 toegezonden besluit van verzoeker aanleiding om de proceshandelingen tot het instellen van hoger beroep en tot het vragen van een voorlopige voorziening op nader aan te voeren gronden aan verzoeker toe te rekenen, aangezien op grond van dat besluit ervan uitgegaan moet worden dat voormelde chef met instemming van het college van burgemeester en wethouders is opgetreden toen zij deze handelingen namens verzoeker verrichtte. Daarmee is de termijn voor het instellen van het hoger beroep gesauveerd.
Anders dan namens gedaagde is betoogd, is er naar het oordeel van de president geen grond om aan te nemen dat zowel het hoger beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard op grond van de omstandigheid dat dit al aangekondigde besluit na het verstrijken van de termijn is genomen en in het geding is gebracht. Ook overigens ziet de president geen gronden die aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening in de weg staan.



Met betrekking tot het verzoek

Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende.

Gedaagde ontving een bijstandsuitkering van verzoeker gedurende de periode van 9 december 1980 tot 1 juni 1992. In verband met door gedaagde verzwegen inkomsten uit arbeid besloot verzoeker tot terugvordering van aan gedaagde verleende bijstand over te gaan. Het totale bedrag van de terug te vorderen bijstand bedroeg
19.276,86. In een brief van 28 augustus 1992 werd het met ingang van 1 september 1992 maandelijks af te lossen bedrag vastgesteld op 200,-; voorts werd aan gedaagde bericht:
"Gelet op het tijdsverloop sinds het ontstaan van deze vordering, zal ik ter stuiting van de verjaring de rechter vragen zich een oordeel te vormen over uw betalingsverplichtingen. U kunt dus een oproep voor de rechtszitting verwachten.
Overigens heeft de uitspraak van de rechter, indien u stipt uw (toekomstige) betalingsverplichting nakomt, geen directe consequenties voor u.
Mocht met u geen regeling in der minne kunnen worden getroffen, dan zal ik deze vordering (ook) ter beoordeling aan de rechter voorleggen om uw betaalverplichting in rechte af te kunnen dwingen."
De kantonrechter te Amsterdam stelde bij beschikking van 15 december 1992 vast dat de gemeente terstond een bedrag van
19.276,82 (saldo per 1 december 1992) ten laste van gedaagde kon invorderen ter zake van gemaakte kosten van bijstand. Gedaagde bleef in gebreke te betalen ook nadat verzoeker het maandelijks door hem af te lossen bedrag ingaande 1 januari 1993 had verlaagd tot 150,- en hem bij brief van 5 februari 1993 had gewezen op de mogelijkheid van beslag op loon of uitkering bij het niet stipt nakomen van zijn betaalverplichting.
Verzoeker heeft vervolgens vereenvoudigd derdenbeslag gelegd ingaande 1 juli 1993 ten laste van gedaagde. Vanaf juli 1993 heeft de gemeente door middel van dit beslag maandelijks een bedrag van
150,- ontvangen. Dit bedrag wordt ingehouden op de arbeidsongeschiktheidsuitkering die gedaagde ontvangt.

Onder dagtekening 1 december 1999 heeft verzoeker mededeling gedaan van zijn besluit om niet van verdere terugvordering af te zien. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is ongegrond verklaard bij besluit van 9 juni 2000 op grond van in hoofdzaak de volgende overwegingen:
"Het invorderingsbeleid van de gemeente op grond van artikel 78c Abw is vastgelegd in de nota Verantwoord afschrijven, gepubliceerd op 23 april 1999 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 212). Voor zover hier van belang worden de volgende criteria van afschrijving gehanteerd. Tot afschrijving wordt overgegaan, indien:
- er geen sprake is van vermogenstoeval;
- de debiteur drie of vijf jaar lang volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan;
- de inning niet geschiedt door middel van beslag;
- er geen sprake is van recidive.

Blijkens punt 5.3 Instructies van de sociale dienst ten aanzien van het gemeentelijke beleid is beslag geen absolute uitsluitingsgrond voor toepassing van artikel 78c, eerste lid, Abw. Indien de debiteur het initiatief heeft genomen met een verzoek tot beslaglegging, teneinde er zeker van te zijn dat maandelijks correct wordt betaald, moet de zaak worden beoordeeld als zou er geen beslag liggen en moet de debiteur zijn betaalverplichting zelf nakomen.

Op grond van het beleid inzake artikel 78c Abw is doorslaggevend dat er in casu feitelijk beslag is gelegd. Volgens het beleid kan slechts indien u geen enkel verwijt voor het toepassen van beslagmaatregelen kan worden gemaakt, een uitzondering worden gemaakt. Wij menen dat wij de juistheid en rechtsgeldigheid van het beslag op grond van het onderhavige besluit niet diepgaand behoren te beoordelen. Wel kunnen wij ambtshalve beoordelen of de beslaglegging evident onterecht was. U stelt dat u pas wist dat er geen beslag was gelegd, toen u de onderhavige bestreden beschikking ontving en derhalve nu pas het beslag kunt aanvechten en dat aan u derhalve geen verwijt kan worden gemaakt van het beslag. Wij menen dat de beschikking van 5 februari 1993 en de acceptgiro die in ieder geval in juni 1993 is verzonden, aan het juiste adres zijn verzonden, zoals dit was geregistreerd in het bevolkingsregister en bij de sociale dienst. Door de beschikking van 5 februari 1993 wist u, dan wel had u behoren te weten, dat het overleg met de advocaat was afgerond, dat de betalingsverplichting van
150,- vaststond en dat u hieraan diende te voldoen. Het is onbestreden dat er een betalingsachterstand was van vier termijnen, voordat beslag werd gelegd. Afgezien van de vraag of dit een wettelijke vereiste was bij de beslaglegging in juni 1993 is vr het beslag een schikkingsvoorstel gedaan. Het overleg over de hoogte van de maandelijkse betaling is naar ons oordeel een overleg over een minnelijke schikking."

De rechtbank heeft het besluit van 9 juni 2000 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker niet overeenkomstig zijn eigen beleid gehandeld en kan het gelegde beslag niet aan gedaagde worden tegengeworpen bij de beantwoording van de vraag of gedaagde voor kwijtschelding in aanmerking komt.

Namens verzoeker is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De president overweegt het volgende.

Artikel 78c, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in n keer aflost.

Op grond van de thans beschikbare gegevens gaat de president ervan uit dat verzoeker ten tijde hier van belang gedurende vijf jaar volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting van
150,- per maand had voldaan. Dit betekent dat verzoeker op grond van artikel 78c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw in dit geval bevoegd was om van verdere terugvordering af te zien.

Het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet overeenkomstig zijn ter zake geformuleerde beleid heeft gehandeld met als consequentie dat het gelegde beslag aan gedaagde niet kan worden tegengeworpen, acht de president niet juist.
Dat oordeel ziet eraan voorbij dat het uitgangspunt van verzoekers beleid is om in geval van betaling door middel van beslag niet tot kwijtschelding van (restant)vorderingen over te gaan. De in de zogeheten werkvoorschriften van verzoeker geformuleerde uitzondering op dat uitgangspunt voor de situatie dat blijkt "dat niet in voldoende mate is getracht tot een minnelijke schikking te komen" leest de president in samenhang met de uitleg van dat beleid zoals deze in het bestreden besluit is weergegeven. In dat licht bezien kan naar het oordeel van de president bezwaarlijk worden aangenomen dat gedaagde het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag niet kan worden verweten en ook niet worden aangenomen dat in het geval van gedaagde met succes een beroep op deze uitzondering zou kunnen worden gedaan.
De hoogte van de maandelijkse aflossingsverplichting van gedaagde alsook de mogelijke gevolgen van niet-stipte nakoming van die verplichting - waaronder die van beslag - zijn immers duidelijk gemarkeerd in de aan gedaagde verzonden brief van 5 februari 1993; vervolgens is op 9 juni 1993 in gedaagdes dossier genoteerd "er is geen rooie cent afgelost op VI 82400 ondanks bemiddeling door advocaat".
Het gestelde niet ontvangen van acceptgiro's en aanmaningen door gedaagde maakt dit niet anders; voor zover daarvan al in het eerste halfjaar van 1993 sprake is geweest, had het na de ontvangst van de brief van 5 februari 1993 op de weg van gedaagde gelegen om hierover contact op te nemen met verzoekers sociale dienst en het vanaf 1 januari 1993 maandelijks verschuldigde bedrag eventueel op andere wijze te voldoen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de president tot het oordeel gekomen dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in het bodemgeschil geen stand zal houden. De gevraagde voorlopige voorziening komt voor toewijzing in aanmerking en de werking van de aangevallen uitspraak zal worden opgeschort totdat de Raad heeft beslist op het hoger beroep.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De president van de
Centrale Raad van Beroep:

schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 augustus 2001, reg. nr. 00/3776 NABW.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x