Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wiw
x
LJN:
x
AD8414
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 01/1106 ABW
Datum uitspraak: 21 december 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; arbeidsverplichtingen; werkweigering; Wiw-dienstbetrekking; gesubsidieerde baan; recidive
Essentie: Terechte oplegging maatregel van 100% gedurende (wegens recidive) twee maanden, omdat betrokkene passende arbeid (Wiw-dienstbetrekking) niet heeft aanvaard.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Leeuwarden 01/1106 ABW




U I T S P R A A K




ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sneek, verweerder,
gemachtigde: drs. E.S. Acda, werkzaam in dienst van de gemeente Sneek.




I. Procesverloop


Bij besluit van 28 november 2001 (verzonden op 4 december 2001) heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan met betrekking tot de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 5 december 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 21 december 2001. Verzoeker is niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.




II. Motivering


Op grond van artikel 8:81 Awb kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een maatregel opgelegd, eruit bestaande dat zijn bijstandsuitkering met ingang van 1 december 2001 gedurende twee maanden met 100% wordt gekort. De reden hiervoor is dat verzoeker volgens verweerder een voorziening op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw) zou hebben geweigerd.

Door verzoeker is hiertegen aangevoerd dat dit besluit zijn herintreding op de arbeidsmarkt nog verder bemoeilijkt, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Hij vindt de korting van 100% voorts onterecht omdat hij herhaaldelijk en aantoonbaar (door middel van sollicitaties) zijn medewerking heeft verleend aan de Wiw. Verzoeker vraagt de president het besluit te schorsen teneinde onherstelbare financiŽle gevolgen te voorkomen.

Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Nadat de gesprekken tussen verzoeker en de heer [X] van het [naam] Ziekenhuis niet tot een plaatsing op de technische dienst aldaar hadden geleid als gevolg van de ongemotiveerde opstelling van verzoeker, is aan verzoeker op 18 september 2001 telefonisch een werkplek als conciŽrge bij het [school] te [woonplaats] aangeboden. Afgesproken is dat verzoeker zelf contact zou opnemen met de heer [Y] van deze instelling. Zoals uit verschillende notities van na die datum blijkt, is verzoeker deze afspraak niet nagekomen, ondanks een drietal schriftelijke aansporingen. Op 16 oktober 2001 is de conclusie getrokken dat verzoeker er "waarschijnlijk geen zin in heeft". Vervolgens is het bestreden besluit genomen.

Naar het voorlopig oordeel van de president blijkt uit het voorgaande voldoende duidelijk dat aan verzoeker een concreet werkaanbod is gedaan. Nu verzoeker daar niet op ingegaan is, is sprake van een schending van de op hem rustende verplichting beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wiw, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen (artikel 113, eerste lid, onderdeel f, Abw). Op grond van artikel 14, eerste lid, Abw weigeren burgemeester en wethouders in dat geval de bijstand geheel of gedeeltelijk. Een dergelijke maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert (artikel 14, tweede lid, Abw).

In het op artikel 14, vijfde lid, Abw gebaseerde Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) is in artikel 3, onderdeel 4, bepaald dat als een gedraging van de vierde categorie onder meer geldt het niet aanvaarden van passende arbeid. Naar het oordeel van de president heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat die situatie zich hier voordoet. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel d, Maatregelenbesluit weigeren burgemeester en wethouders in zo'n geval de bijstand voor 100% gedurende ťťn maand.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, Maatregelenbesluit wordt de periode van weigering van de bijstand verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. In dit verband is van belang dat aan verzoeker bij beschikking van 17 januari 2001 een maatregel van 5% korting gedurende ťťn maand is opgelegd wegens een gedraging van de eerste categorie (verwijtbaar niet ingeschreven hebben gestaan bij het arbeidsbureau).

Toepassing van artikel 5, tweede lid, Maatregelenbesluit leidt tot een verdubbeling van de periode van de weigering tot twee maanden. Het moet er kennelijk voor worden gehouden dat de regelgever een systeem in het leven heeft willen roepen waarbij een gedraging van de lichtste categorie - zoals ook in het onderhavige geval - tot gevolg heeft dat de sanctie op een in de twaalf maanden daaropvolgende gedraging uit een zwaardere categorie dubbel bestraft wordt. De president constateert echter wel de ongerijmdheid dat de tekst van artikel 5, tweede lid, Maatregelenbesluit verhindert dat een verdubbeling van de sanctie wordt toegepast indien de eerste sanctie het gevolg was van een gedraging van een zwaardere categorie dan de daaropvolgende. Overigens is de president van oordeel dat een weigering van 100% gedurende twee maanden, gezien de opstelling van verzoeker jegens de pogingen hem te doen reÔntegreren in het arbeidsproces, evenredig is met de ernst van de gedraging, terwijl van omstandigheden die tot een matiging zouden nopen niet is gebleken.

De president komt dan ook tot de slotsom dat het bezwaarschrift van verzoeker naar alle waarschijnlijkheid ongegrond zal worden verklaard, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De president ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.




III. Beslissing


De president:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001, in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh            w.g. D.J. Keur




Schriftelijke uitspraak verzonden op: 24 januari 2002.




Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD9031
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/00778 ABW
Datum uitspraak: 20 december 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 24, 82, 83, 92 en 93 Abw (= 48, 58, 58, 61 en 61 Wwb) / 3:40 en 3:41 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; verkoop echtelijke woning; overbedeling; leenbijstand; geldlening; vastlegging voorwaarden; verplichtingen; terugvordering
Essentie: Onterechte terugvordering leenbijstand wegens te verwachten gelden uit boedelscheiding en overwaarde van de echtelijke woning, omdat de precieze voorwaarden, zoals de wijze van terugbetaling, waaronder de leenbijstand wordt verstrekt niet zijn vastgelegd (in het toekenningsbesluit). Eerst indien niet aan deze, alsnog vast te leggen verplichtingen wordt voldaan, dient tot terugvordering te worden overgegaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/00778 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 17 augustus 2000 heeft verweerster eiseres medegedeeld dat de aan eiseres over de periode van 1 juni 1999 tot en met 31 december 1999 verstrekte uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (verder: Abw) wordt teruggevorderd tot een bedrag van É10.004,02.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief ingekomen op 15 september 2000 bezwaar gemaakt. Eiseres is op 21 november 2000 gehoord.

Bij besluit van 12 januari 2001 heeft verweerster het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij ongedateerde brief, binnengekomen bij de rechtbank op 28 februari 2001, beroep ingesteld.

Het beroep is op 4 december 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer J.C. de Haas.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. P. Siemerink.




II. Motivering


In geschil is of verweerster het besluit van 12 januari 2001 op goede gronden heeft genomen.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de sociale dienst heeft nagelaten haar te vertellen dat haar partner zolang de scheiding niet was uitgesproken onderhoudsplichtig was jegens zijn gezin. Eiseres heeft gesteld dat de gemeente Den Haag de aan haar verleende bijstand gedeeltelijk op haar (ex-)echtgenoot had moeten verhalen onder toepassing van de artikelen 92 en 93 Abw. Doordat eiseres niet van die op haar ex-echtgenoot rustende onderhoudsplicht op de hoogte was en omdat al haar rekeningen waren geblokkeerd, heeft zij ingestemd met het verlenen van bijstand in de vorm van een lening. Eiseres heeft gesteld uit het aan haar wegens overbedeling toekomende bedrag leningen aan de sociale dienst Rijswijk, haar broer en haar zus te hebben terugbetaald. Eiseres is niet in staat tot terugbetaling van het teruggevorderde bedrag.

Verweerster is tot de in geding zijnde terugvordering overgegaan op grond van artikel 82, aanhef en onder a, Abw. Daartoe heeft verweerster overwogen dat de bijstandsuitkering op grond van artikel 24 Abw is verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat er nog gelden te verwachten waren uit de boedelscheiding en uit de overwaarde van de echtelijke woning. Gesteld is dat op 10 december 1999 een bedrag van É63.958,50 aan eiseres is uitgekeerd wegens overbedeling. Rekening houdend met de terugbetaalde schuld aan de gemeente Rijswijk is geconcludeerd dat eiseres in staat moet zijn de netto verstrekte bijstand over de periode 1 juni 1999 tot 1 januari 2000 ter hoogte van É10.004,02 terug te betalen. Het feitelijk bestaan van overige door eiseres beweerdelijk gemaakte schulden is niet, dan wel onvoldoende door haar aannemelijk gemaakt. Bovendien is geen sprake van daadwerkelijke aflossingsverplichtingen. Het feit dat geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van verhaal van bijstand op de onderhoudplichtige ontslaat eiseres niet van haar verplichting tot terugbetaling van de aan haar verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening. De verwachting dat eiseres op korte termijn over voldoende middelen zou gaan beschikken om over de betreffende periode zelf in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, garandeerde in voldoende mate de terugbetaling van deze kosten van bijstand. Een verhaalsprocedure garandeert geen terugbetaling. Gelet op de verwachte korte duur van de uitkering werd het niet opportuun geacht hiernaast de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige te verhalen. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is volgens verweerster niet gebleken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 24, aanhef en onder a, Abw bepaalt dat bijstand eveneens kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Artikel 82, aanhef en onder a, Abw bepaalt dat de kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Volgens artikel 83, eerste lid, Abw worden kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening ingevolge deze paragraaf van de belanghebbende teruggevorderd, indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Ingevolge artikel 93, aanhef en onder a respectievelijk b, Abw worden kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verhaald op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt respectievelijk op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt.

Vaststaat dat eiseres bij besluit van 11 juni 1999 met ingang van 1 juni 1999 bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening, omdat nog gelden te verwachten waren uit boedelscheiding en overwaarde van een woning. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij zich dit besluit niet kan herinneren en dat zij niet heeft begrepen dat het een geldlening betrof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet op geloofwaardige wijze de ontvangst van genoemd besluit betwist. In haar beroepschrift heeft zij immers aangegeven wel op de hoogte te zijn van de geldlening. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet tot terugvordering heeft kunnen besluiten omdat het toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb op juiste wijze aan eiseres zou zijn bekendgemaakt en derhalve, gelet op artikel 3:40 van de Awb, niet in werking zou zijn getreden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Abw zich in dit geval verzet tegen terugvordering van de aan eiseres verleende bijstand in de vorm van een geldlening krachtens het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van die wet, zoals verweerder heeft besloten.
Hiertoe wordt overwogen dat in deze vorm van bijstandverlening besloten ligt dat een belanghebbende zoals eiseres verplicht is tot terugbetaling van de betaalde leenbijstand en dat, mede uit een oogpunt van de jegens de belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid en rechtszekerheid, in beginsel van het ter zake van de toekenning van de bijstand bevoegde bestuursorgaan mag worden verlangd dat in het toekenningsbesluit duidelijkheid wordt verschaft over de precieze condities waaronder de leenbijstand wordt verstrekt, waarvan voorwaarden met betrekking tot de wijze van terugbetaling van de geldlening een onmisbaar bestanddeel vormen. Artikel 83, eerste lid, van de Abw is de aangewezen wettelijke grondslag voor terugvordering van de leenbijstand indien belanghebbende de uit deze bijstand voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
In dit kader stelt de rechtbank vast dat verweerster in het toekenningsbesluit van 11 juni 1999 niet heeft aangegeven op welke wijze eiseres haar geldlening diende af te lossen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerster heeft mogen afzien van het vermelden van de voorwaarden in die beslissing. Daarbij is in aanmerking genomen dat verweerster geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiseres langs andere weg opheldering is verschaft over met betrekking tot de wijze van terugbetaling op haar rustende verplichtingen.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerster bedoelde verplichtingen voor eiseres alsnog moet concretiseren en vastleggen, waarna eiseres in staat moet worden gesteld aan deze verplichtingen te voldoen. Eerst indien eiseres die verplichtingen niet nakomt, dient verweerster op grond van de dwingende bepaling van artikel 83, eerste lid, Abw over te gaan tot terugvordering van de aan haar toegekende leenbijstand.

Uit het vorenstaande volgt verder dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in de artikelen 92 en 93 Abw bedoelde verhaalsverplichtingen gelden voor de gemeente. Aan die bepalingen kan een belanghebbende zoals eiseres, aan wie leenbijstand is toegekend, geen recht ontlenen om aan de uit de haar toegekende leenbijstand voortvloeiende terugbetalingsverplichting te ontkomen.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




III. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerster op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten É60,-, vergoedt.

Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. M.S.E. Hage.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD9298
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/2556 ABW
Datum uitspraak: 6 augustus 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; afwijzing bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; TBV 1999/23; Turken
Essentie: Terechte afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander aangezien zijn aanvraag om toelating tot Nederland dateert van na inwerkingtreding van de Koppelingswet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/2556 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerder,



ten aanzien van het besluit van 16 mei 2001 van de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, waarbij door verweerster op verzoekers aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet afwijzend is beslist.




1. Zitting


Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 augustus 2001. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door M.I.E. Rhuggenaath.




2. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Uitvoeringsorganisatie GUO aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 28 februari 2001 is beŽindigd.

Op 2 mei 2001 heeft verzoeker zich bij verweerster gemeld voor een bijstandsuitkering. Deze aanvraag werd op 16 mei 2001 op schrift gesteld en tevens bij besluit van gelijke datum afgewezen op grond van artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw alsmede het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz aangezien verzoeker geen Nederlander is en niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden op grond van de Abw. Bij brief van 17 juli 2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen genoemd afwijzingsbesluit en tevens bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De president dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 16 mei 2001, naar voorlopig oordeel, bij heroverweging in bezwaar in stand zal blijven.

De president overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Verzoeker heeft aangevoerd het bestreden besluit voor het eerst op 17 juli 2001 te hebben ontvangen na uitreiking door verweerder op diens wijkkantoor X waar verzoeker zich meldde. Gelet op deze bekendmaking meent verzoeker op 17 juli 2001 tijdig bezwaar te hebben gemaakt.

De president gaat er vooralsnog van uit, gelet op de door verzoeker aangevoerde gronden, dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Hierbij stelt de president vast dat verweerster geen middelen heeft aangewend om aan te tonen dat het bestreden besluit daadwerkelijk op 16 mei 2001 is verzonden.

De president overweegt ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om bijstand als volgt.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

Verzoeker, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij wel rechtmatig in Nederland verblijft aangezien hij de beslissing op bezwaar naar aanleiding van de afwijzing op de aanvraag tot toelating in Nederland op grond van TBV 1999/23 [TBV: Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire, red.] in Nederland mag afwachten. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij ten tijde van de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 rechtmatig in Nederland verbleef en weigering van bijstand in zijn situatie disproportioneel is. Verzoeker beroept zich hierbij op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en de hiermee in verband staande uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001 met nummer 99/2382. Tevens is verzoeker van oordeel dat hij recht op bijstand heeft op grond van artikel 11, onderdeel a, van het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (EVSMB), dit ondanks de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2001 met procedurenummer 00/11800. Volgens verzoeker is hierbij van de zijde van de rechtbank sprake van een misslag.

De president stelt vast dat verzoeker niet beschikt over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000. Verzoeker kan derhalve niet gelijkgesteld worden met een Nederlander op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw.

Voorts stelt de president vast dat het gestelde onder artikel 7, derde lid, van de Abw voor verzoeker niet van toepassing is aangezien hij nooit beschikte over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000.

Artikel 26 van het IVBPR bepaalt dat allen gelijk zijn voor de wet en dat zij zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet. De wet verbiedt discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. De
Centrale Raad van Beroep stelt in eerder genoemde uitspraak van 26 juni 2001 vast dat in de Koppelingswet een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR, nu aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend die aan Nederlanders zonder die voorwaarden worden toegekend. De Raad acht voor dit onderscheid op zich een toereikende rechtvaardiging aanwezig, mede gelet op de doelstelling van de Koppelingswet (geen aanspraak op uitkering bij wederrechtelijk verblijf in Nederland en voorkomen van schijnlegaliteit), dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid. Deze rechtvaardiging geldt, volgens de Raad, ook voor de categorie vreemdelingen aan wie toestemming is verleend om in afwachting van een beslissing op hun aanvraag om een verblijfsstatus of in het kader van procedure daarover (voorlopig) in Nederland blijven. Volgens de Raad gaat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw in ieder geval ten volle op voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.

De president stelt vast dat verzoeker eerst op 2 mei 2001 de bijstandsuitkering heeft aangevraagd, waarvan de aanspraak daarop thans onderwerp is van het geschil. Verzoeker behoort derhalve niet tot de categorie vreemdelingen die ten tijde van de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 een bijstandsuitkering ontving op grond van artikel 12 (oud) van de Abw. Voorts stelt de president vast dat verzoeker is uitgeprocedeerd ten aanzien van zijn verzoek om toelating van 4 december 1996 en dat hij thans een procedure voert op basis van een tweede verzoek om toelating dat dateert van 21 mei 1999 en dat tevens wordt behandeld als een verzoek om toelating op grond van het TBV 1999/23. Nu verzoeker zijn rechtmatig verblijf, inhoudende een gedoogstatus op grond waarvan verzoeker Nederland niet uitgezet kan worden, ontleent aan een aanvraag om toelating tot Nederland die dateert van 21 mei 1999 en derhalve van na invoering van de Koppelingswet, kan de situatie van verzoeker niet gelijkgesteld worden met de situatie van de vreemdeling zoals bedoeld in eerder genoemde uitspraak van de Raad. Verzoeker kan derhalve geen aanspraak op bijstand ontlenen aan artikel 26 van het IVBPR.

De president is voorts van oordeel dat het beroep dat verzoeker doet op artikel 11 van het EVSMB faalt, aangezien de gedoogstatus van verzoeker niet op ťťn lijn gesteld kan worden met een "permit or such other permission" zoals genoemd in artikel 11 van het EVSMB. De president verwijst voor de wettelijke bepalingen en de motivering naar de door beide partijen aangehaalde uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2001 aangezien deze uitspraak bij beide partijen bekend is.
De president ziet niet in dat deze uitspraak van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. De president gaat er hierbij van uit dat de rechtbank in eerder genoemde uitspraak blijkbaar van oordeel was dat, ondanks de schijnbare onduidelijkheid in het EVSMB doordat in artikel 11 geen verwijzing naar bijlage III staat, in artikel 12 wel een verwijzing naar bijlage III staat, terwijl boven bijlage III staat dat het een uitwerking van artikel 11 is, de bijlage III, naast wellicht ook op artikel 12, in ieder geval ook betrekking heeft op artikel 11 van het verdrag. Dit oordeel van de rechtbank ligt thans voor in hoger beroep bij de
Centrale Raad van Beroep. Gelet op het bovenstaande komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.




3. Beslissing


De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee als fungerend president en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD9356
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/11800 ABW
Datum uitspraak: 26 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; afwijzing bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; EVSMB; TBV 1999/23; Turken
Essentie: Terechte afwijzing bijstand, omdat betrokken vreemdeling niet beschikte over een (tijdelijke) verblijfs- of vestigingsvergunning en aldus niet rechtmatig verblijf hield in de zin van het EVSMB, zodat hij niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van Abw c.a. Bij Circulaire van de Minister van SZW van 17 februari 2000 is bepaald dat voor alle nieuwe bijstandsaanvragen de Koppelingswet onverkort van toepassing is en dat lopende uitkeringen vůůr 1 mei 2000, met toepassing van een redelijke uitlooptermijn van vier weken, dienen te worden beŽindigd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/11800 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 7 maart 2000 heeft verweerster op de aanvraag van eiser van 3 februari 2000 om bijstand in de noodzakelijke kosten van het bestaan ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) afwijzend beslist op de grond dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft zoals bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw waardoor eiser niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 maart 2000 een bezwaarschrift bij verweerster ingediend.

Bij besluit van 29 september 2000 heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard - slechts - in zoverre dat verweerster aan eiser over de periode 3 februari 2000 tot 25 mei 2000 alsnog een uitkering ingevolge de Abw heeft toegekend. Verweerster heeft de bijstandsuitkering per 25 mei 2000 geweigerd op de grond zoals vermeld in het primaire besluit van 7 maart 2000.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 november 2000, ingekomen bij de rechtbank op 20 november 2000, beroep ingesteld. Daarnaast heeft eiser bij brief van 17 november 2000 een verzoek om voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken bij brief van 29 november 2000 overgelegd.

Het verzoek om voorlopige voorziening is door de fungerend president van deze rechtbank bij uitspraak van 10 januari 2001 afgewezen (procedurenummer AWB 00/11793 ABW).

Het beroep is op 6 februari 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.M.M. Brouwer alsmede door een tolk S. Yelteking. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerenbeek.




II. Motivering


Vaststaat en niet in geschil is dat verzoeker geen aanspraak op bijstand kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de Abw, aangezien hij geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat verzoeker niet behoort tot de personenkring, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.

De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of eiser per 25 mei 2000 wel recht op een bijstandsuitkering heeft krachtens wettelijke bepalingen dan wel vanwege verdragsrechtelijke verplichtingen op grond van het EVSMB als gevolg waarvan gelijkstelling met een Nederlander aan de orde is.

Met het oog op deze beoordeling zijn de navolgende wettelijke voorschriften en verdragsbepalingen van belang.

Artikel 1b, aanhef en onder 1 en 3, van de Vw:
"Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
(...)
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;"

Artikel 1 van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB):
"Ieder der Verdragsluitende Partijen verbindt zich te waarborgen dat onderdanen van de andere Verdragsluitende Partijen die zich rechtmatig ophouden in enig deel van haar grondgebied waarop dit verdrag van toepassing is en niet beschikken over voldoende middelen, gelijkelijk en onder dezelfde voorwaarden als haar eigen onderdanen recht kunnen doen gelden op sociale en medische bijstand (hierna aangeduid als "bijstand"), zoals deze is geregeld door de geldende wetgeving in dat deel van haar grondgebied. "

Artikel 11 van het EVSMB:
"(a) Het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen wordt als rechtmatig in de zin van dit verdrag beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land. Verzuim om een dergelijke vergunning te doen verlengen, brengt voor de betrokken persoon geen verval van het recht op bijstand teweeg indien het verzuim uitsluitend aan zijn achteloosheid te wijten is.
(b) Rechtmatig verblijf wordt onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend."

Vaststaat en niet in geschil is dat eiser ten tijde hier van belang rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Dit omdat hij op 25 mei 2000 in afwachting was van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 28 februari 1999 gericht tegen een afwijzing van zijn verzoek van 17 december 1998 om een verblijfsvergunning en van een beslissing op een aanvraag om toelating tot Nederland op grond van het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 1999/23. Hij mocht de beslissing in Nederland afwachten en mocht in afwachting daarvan niet uitgezet worden.

Eiser stelt dat verweerster ten onrechte weigert hem ook op en na 25 mei 2000 een bijstandsuitkering te verstrekken aangezien hij toen rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw en hij gelet op dit rechtmatig verblijf en het feit dat hij Turks onderdaan is op grond van het EVSMB gelijk gesteld dient te worden met een Nederlander en zodoende recht heeft op een uitkering ingevolge de Abw. Eiser beroept zich hierbij op artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB. Eiser is van mening dat gezien zijn rechtmatig verblijf hier te lande op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw er sprake is van een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB. Verweerster heeft, samengevat, aan de beŽindiging van de bijstandsuitkering per 25 mei 2000 het volgende ten grondslag gelegd.
Ten tijde van de aanvraag om bijstand van eiser, op 3 februari 2000, was de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van 6 november 1998 van kracht, waarin uitvoering werd gegeven aan een vonnis van 7 oktober 1998 van de president van de rechtbank te Den Haag in een tegen de Staat der Nederlanden aangespannen kort geding. In deze circulaire werd aangegeven dat onderdanen van verdragspartijen van het EVSMB voor de bijstandverlening dienen te worden gelijkgesteld met Nederlanders indien zij rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Op basis hiervan heeft verweerster aan eiser een bijstandsuitkering toegekend met ingang van datum aanvraag, zijnde 3 februari 2000.

De Circulaire van 6 november 1998 werd door de Minister van SZW bij Circulaire van 17 februari 2000 ingetrokken na de uitspraak in hoger beroep van het vonnis van 7 oktober 1998 door het Gerechtshof te Den Haag van 20 januari 2000 waarin het Gerechtshof oordeelde dat het enkele feit dat een vreemdeling niet kan worden uitgezet en zijn verblijf wordt gedoogd, nog niet betekent dat hij voor de Abw op grond van het EVSMB gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander. Voorts oordeelde het Gerechtshof dat de door de Staat aangevoerde rechtvaardigingsgrond, te weten het realiseren van een effectief en restrictief vreemdelingenbeleid, voorshands als een objectief te rechtvaardigen doelstelling moet worden gekwalificeerd.

De Minister van SZW deelde in zijn Circulaire van 17 februari 2000 voorts mee dat voor alle nieuwe bijstandsaanvragen de Koppelingswet onverkort van toepassing is en dat lopende uitkeringen vůůr 1 mei 2000, met toepassing van een redelijke uitlooptermijn van vier weken, dienden te worden beŽindigd. Op grond van deze circulaire heeft verweerster de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 25 mei 2000 beŽindigd.

Met betrekking tot de vraag of "rechtmatig verblijf" in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw op ťťn lijn kan worden gesteld met een "permit or such permission" zoals genoemd in artikel 11 van het EVSMB, overweegt de rechtbank als volgt.

Het EVSMB is tot stand gekomen op 11 december 1953. Publicatie van de originele Engelse en Franse tekst vond plaats in Tractatenblad (Trb.) 1954, 100. De Nederlandse tekst werd gepubliceerd in Trb. 1954, 200. Uit de publicatie in Trb. 1955, 116, blijkt dat de Staten-Generaal van Nederland op 6 juni 1955 haar goedkeuring aan het verdrag verleende.

Het verdrag heeft als doel een grotere eenheid tussen de leden van de Raad van Europa tot stand te brengen, in bijzonder om hun sociale vooruitgang te bevorderen. Het verdrag bevestigt het beginsel van gelijkheid van behandeling van de verdragsonderdanen ten aanzien van de socialezekerheidswetgeving. Het verdrag kent twee grondbeginselen. Namelijk een discriminatieverbod naar nationaliteit als gevolg waarvan verdragsonderdanen in het gastland bij rechtmatig verblijf toegang tot sociale en medische bijstand hebben conform de eigen onderdanen (artikel 1 en 11); daarnaast geldt als grondbeginsel dat verdragsonderdanen niet gerepatrieerd mogen worden op grond van het feit dat zij bijstand genieten (artikel 6, onderdeel a). Dit laatste geldt echter alleen in het geval zij al langer dan vijf jaar onafgebroken in Nederland wonen. In het geval men 55 jaar of ouder is, geldt een termijn van tien jaar (artikel 7). Bij een verblijf korter dan vijf dan wel tien jaar kan dus wel gerepatrieerd worden in het geval men bijstand geniet.

Bij het verdrag is een bijlage III gevoegd. Deze bijlage heeft als titel "Lijst van bewijsstukken, erkend als bewijs voor verblijf en bedoeld in artikel 11 van het verdrag". Uit de publicatie van deze bijlage in Trb. 1991, 82, blijkt dat voor Nederland in deze bijlage de volgende bewijsstukken zijn opgenomen:
Netherlands:
a. Temporary residence permit.
b. Residence card issued to nationals of EEC member States.
c. Permanent residence permit.
d. Residence permit issued indefinitely ex article 10, para 2, of the
Aliens Act.

De residence permit ex article 10, para 2, of the Aliens Act die onder d wordt genoemd, betreft de destijds in artikel 47 van het Vreemdelingenbesluit geregelde verblijfvergunning voor onbepaalde tijd voor leden van het gezin van Nederlanders en van houders van een vestigingsvergunning.

Bijlage III is voor wat betreft Nederland sinds 1991 niet gewijzigd.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bepaling van hetgeen onder verblijfs- of andere soortgelijke vergunning (in de originele tekst "a permit or such other permission") moet worden verstaan, afgegaan moet worden op de bewijsstukken die hiertoe voor Nederland in bijlage III van het EVSMB zijn opgenomen.

Onder de Vreemdelingenwet, zoals die luidde ten tijde van de opstelling van bijlage III in 1991, waren dat - naast onderdanen van de EEG-lidstaten - de vreemdelingen aan wie het ingevolge artikel 9 en 10 van de Vw was toegestaan tijdelijk of voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven.
Er is geen reden om op grond van de Vreemdelingenwet 1994 aan bijlage III een ruimere betekenis toe te kennen nu de artikelen 9 en 10 van de Vw daarin in hoofdzaak ongewijzigd zijn teruggekomen.

Met de zogenaamde Koppelingswet is per 1 juli 1998 artikel 1b in de Vreemdelingenwet ingevoegd. Gezien de doelstelling van de Koppelingswet en het uitdrukkelijk door de regering naar voren gebrachte standpunt dat een beperking van de kring van vreemdelingen met aanspraak op bijstand tot de vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw niet in strijd is met het EVSMB, kan niet worden aangenomen dat hiermee een verruiming van het bepaalde in bijlage III van het verdrag wordt beoogd.

Voorts ziet de rechtbank ook in het gebruik van de zinsnede "or such other permission" geen grond voor een ruimere uitleg van artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB. Zij baseert dit oordeel mede op het feit dat in het kader van de behandeling van het verdrag in de Eerste en Tweede Kamer bij de toelichting op de artikelen 11 tot 14 van het EVSMB hierover enkel is opgemerkt dat deze artikelen handelen over het verblijf, in hoeverre dit als rechtmatig moet worden beschouwd, hoe de duur hiervan kan worden berekend en hoe gerekend kan worden bij onderbreking hiervan. (Handelingen I 1954-1955, no. 161, en Handelingen II 1954-1955, 3952, no. 1.) Daarin heeft de rechtbank derhalve geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat Nederland een ruimere uitleg van het begrip rechtmatig verblijf ex artikel 11 van het EVSMB voor ogen heeft gestaan dan uit bijlage III naar voren komt. Uit de toelichting op de artikelen 11 tot 14 van het EVSMB in onderdeel 9 van het Explanatory Memorandum, waar is vermeld dat deze "self-explanatory" zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid dat het begrip rechtmatig verblijf als bedoeld in die artikelen niet aan de hand van de in de bijlage III genoemde bewijsstukken mag worden afgebakend.

Aangezien eiser niet beschikte over een (tijdelijke) verblijfs- of vestigingsvergunning, als bedoeld in artikel 9 en 10 van de Vw, kan niet gesteld worden dat eiser ten tijde hier in geding rechtmatig verblijf hield in de zin van het EVSMB. Eiser komt derhalve op grond van dit verdrag niet voor gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking. Verweerster heeft derhalve op goede gronden de bijstand per 25 mei 2000 geweigerd.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij kennis heeft genomen van de aanwijzingen dat in het verleden aan het EVSMB een ruimere toepassing zou zijn gegeven. Het Gerechtshof heeft in zijn uitspraak van 20 januari 2000 (gepubliceerd in JABW 2000/40) geoordeeld dat de Staat, ook als zij in het verleden heeft gemeend dat de onderhavige vreemdelingen (al dan niet op basis van het EVSMB) aanspraak op bijstand konden maken tot een ander inzicht kan komen. De rechtbank oordeelt daarover niet anders en voegt hieraan toe dat blijkens het bovenstaande het gewijzigde beleid van de Staat niet tot gevolg heeft dat daarmee de aanspraak op bijstand voor vreemdelingen zodanig beperkt wordt dat sprake is van strijd met de verplichtingen op grond van het EVSMB.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.




III. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. T.M.A. Claessens, C.J. Waterbolk en S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AD9473
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1376 NABW
Datum uitspraak: 29 januari 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 20 en 54 Abw (= 34 en 34 Wwb)
Trefwoorden: vermogen; verzekeringsuitkering; bedrijfsbrand; oververmogen; beŽindiging bijstand
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens ontvangen vermogen uit verzekeringsuitkering in verband met het afbranden van de shoarmazaak van betrokkene, omdat hij gemaakte schulden niet aannemelijk heeft kunnen maken en er geen sprake is van benadeling ten opzichte van eigenwoningbezitters.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1376 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Den Haag, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 3 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 12 november 2001 desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. Motivering


Appellant heeft van april 1993 tot eind 1994 samen met een compagnon een shoarmazaak geŽxploiteerd. Nadat deze in november 1994 was afgebrand, is appellant een bijstandsuitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 april 1997 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Op grond van de bevindingen van een in september 1997 gestart onderzoek naar de uitkering van verzekeringsgelden tot een bedrag van
É124.225,- aan appellant en zijn partner heeft gedaagde - na de uitkering eerst te hebben stopgezet - bij besluit van 1 december 1997 de uitkering van appellant met ingang van 1 september 1997 beŽindigd.

Bij besluit van 21 april 1998 heeft gedaagde het besluit van 1 december 1997 na gemaakt bezwaar gehandhaafd. Zowel het primaire besluit als het besluit van 21 april 1998 berusten op de grond dat het vermogen van appellant op 1 september 1997 het vrij te laten vermogen van
É19.000,- overtreft, zodat hij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 21 april 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft gedaagde terecht geconcludeerd dat het in aanmerking te nemen vermogen van appellant per september 1997 het vrij te laten vermogen overschreed, nu vaststaat dat hij zijn deel van de verzekeringsgelden heeft ontvangen en gegevens ontbreken welke aannemelijk doen zijn dat tegenover dat vermogen schulden stonden.

Namens appellant is het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Naast de reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte grieven is aangevoerd dat sprake is van een ongerechtvaardigd verschil in behandeling van eigenaars/bewoners van een eigen woning met overwaarde ten opzichte van personen als appellant die over vermogen in een andere vorm beschikken. Eigenaars/bewoners van een eigen woning worden bevoordeeld, doordat voor hen een aanvullende vrijstelling van vermogen geldt.

Voor de Raad is op grond van de ter zake beschikbare gegevens genoegzaam komen vast te staan dat appellant in augustus 1997 de helft heeft ontvangen van de op de rekening van zijn compagnon overgemaakte verzekeringsuitkering in verband met de brand in de shoarmazaak, en als gevolg daarvan op 1 september 1997 beschikte over een bedrag dat de voor hem ingevolge artikel 54 van de Abw geldende vermogensgrens aanzienlijk te boven gaat.

Appellant heeft gesteld dat hij bij de start van de shoarmazaak schulden heeft moeten maken bij familie en vrienden en deze schulden nog moest aflossen van de door hem ontvangen verzekeringsgelden. Naar het oordeel van de Raad is appellant er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij destijds daadwerkelijk geld heeft geleend, zodat het feitelijk bestaan van de gestelde schulden niet is aangetoond. De Raad kan voorts aan de verklaringen van derden over de door appellant gestelde schulden en de door appellant overgelegde schuldbekentenissen en kwitanties niet die betekenis toekennen welke appellant daaraan toegekend wenst te zien.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het vermogen waarover appellant op 1 september 1997 kon beschikken in de weg stond aan voortzetting van zijn bijstandsuitkering.

Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief van appellant overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij de opvatting van gedaagde in zijn verweerschrift dat appellant in strijd met de regels van goede procesorde handelt door deze grief pas nu aan de orde te stellen, niet onderschrijft. De Raad is van oordeel dat wanneer een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de Raad en de gedaagde partij in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren, geen geschreven of ongeschreven rechtsregel aan beoordeling van die grief in de weg staat. Niet gebleken is dat appellant met het aanvoeren van deze grief buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de orde te stellen.

Appellant heeft terecht gesignaleerd dat sprake is van een onderscheid in behandeling tussen belanghebbenden met vermogen in de vorm van een eigen, door henzelf bewoonde woning en belanghebbenden die over vermogen in een andere vorm beschikken en net als hij een woning huren. Artikel 20, derde lid, van de Abw voorziet immers in een verruimde vrijlating van vermogen van een belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde eigen woning. Ingevolge deze bepaling, zoals deze ten tijde hier van belang luidde, blijft van het vermogen als hier bedoeld buiten beschouwing
É15.000,- alsmede de helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste É60.000,-.

De verruiming van de vrijlating van in de eigen woning gebonden vermogen is met ingang van 1 januari 1983 ingevoerd door invoeging per 1 januari 1983 van artikel 8a in het tot 1 januari 1996 gevigeerd hebbende Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln). Uit de wetsgeschiedenis van deze wijziging van het Bln blijkt met betrekking tot de rechtsgrond van deze verruimde vrijlating onder meer het volgende:
"Sinds medio 1980 is langdurige werkloosheid in Nederland toegenomen. Daardoor worden op grotere schaal dan voorheen werklozen geconfronteerd met de middelentoets van de ABW. De middelentoets houdt in dat de aanspraak op bijstand alleen aanwezig is voor zover niet met eigen inkomen en/of vermogen in het bestaan kan worden voorzien. Is vermogen vastgelegd in een eigen woning, dan betekent dit dat, onder vrijlating van het zogenaamde bescheiden vermogen, waarvan de bedragen zijn vastgesteld in artikel 8 Bln, dit vermogen voor de bestaansvoorziening dient te worden ingezet. Onder bepaalde voorwaarden is er dan de mogelijkheid tot bijstandverlening in de vorm van een geldlening onder beding van hypotheek.
Met name de toepassing van de vermogenstoets op het eigen huis is maatschappelijk in discussie gekomen. Uit de vele reacties vanuit verschillende maatschappelijke geledingen valt op te maken dat blijkbaar in het rechtsgevoel van velen leeft dat het niet gerechtvaardigd is het vermogensbezit, dat het eigen huis vertegenwoordigt, uiteindelijk vrijwel totaal aan te tasten. In het regeerakkoord is dan ook vastgelegd dat zal worden bezien of in de bijstandsregelingen met betrekking tot vrijlating van eigen vermogen meer rekening kan worden gehouden met het eigenwoningbezit, mits de budgettaire consequenties daarvan aanvaardbaar zijn.
Onder handhaving van het beginsel van de ABW dat rekening moet worden gehouden met de eigen middelen acht het kabinet thans een zekere verruiming van de vrijlating aanvaardbaar boven het in alle gevallen geldende bedrag van het bescheiden vermogen, indien vermogen is vastgelegd in de eigen woning.
De argumenten daarvoor zijn dat de overheid het eigenwoningbezit bevordert en dat de betrokkenen door eigen financiŽle inspanning voor hun huisvesting hebben gezorgd, terwijl veel huurders aanspraak kunnen maken op individuele huursubsidie. Op deze gronden is een speciale beoordeling van het vermogen in het eigen huis gerechtvaardigd voor degenen die voor hun levensonderhoud van de bijstand afhankelijk worden. Het verschil in rechten dat hierdoor ontstaat ten opzichte van degenen met vermogensbezit in andere vorm en met cliŽnten die alleen voor bepaalde kosten bijstand nodig hebben, mag echter niet te groot worden. Ook de budgettaire mogelijkheden maken het nodig dat de verruiming binnen aanvaardbare grenzen blijft."
Eenzelfde gedachtegang ligt ten grondslag aan artikel 20, derde lid, van de Abw (zie Kamerstukken II 1993-1994, nr. 19, blz. 6).

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat voor de door appellant gesignaleerde ongelijke behandeling gezien de doelstelling van deze extra vrijlatingsfaciliteit voor bewoners van een eigen woning een voldoende rechtvaardiging bestaat en dat deze verruimde vermogensvrijlating ook een geschikt middel is om dit doel te verwezenlijken. Dit betekent dat de grief van appellant geen doel treft.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x