Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AD9662
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2955 NABW en 99/2956 NABW
Datum uitspraak: 8 januari 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13, 14, 66 en 68 (oud) Abw (= 18, 18, 53a en Ė Wwb) / 4:5 en 8:72 Awb
Trefwoorden: inlichtingenverplichting; akte van scheiding en deling; bank- en giroafschriften ex-echtgenoot; niet behandelen aanvraag; aanspraak op vermogen na echtscheiding; onderbedeling; maatregel
Essentie: Terecht buiten behandeling laten bijstandsaanvraag, omdat niet de verlangde bewijsstukken (akte van scheiding en deling en bank- en giroafschriften ex-echtgenoot) zijn overgelegd, terwijl betrokkene er redelijkerwijs de beschikking over had kunnen krijgen en anders deze in rechte had moeten opeisen. Terechte oplegging maatregel 10% gedurende 1,5 jaar wegens verwijtbare onderbedeling (te lage taxatie echtelijke woning).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2955 NABW en 99/2956 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Namens appellante heeft mr. M.A.M. Becking, thans advocaat te Arnhem, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 19 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 november 2001, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. Motivering



Met betrekking tot het geding nr. 99/2955 NABW

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden, waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.

Appellante is in 1979 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [A] (hierna: [A]). In verband met echtscheiding heeft appellante op 6 maart 1996 de echtelijke woning verlaten.

Appellante heeft op 13 maart 1996 gedaagde onder meer verzocht haar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te kennen. Uit het naar aanleiding van die aanvraag opgemaakte rapport van 26 april 1996 blijkt dat gedaagde appellante verzocht heeft nadere gegevens te verstrekken omtrent het vermogen dat zij en [A] samen hebben en dat appellante te kennen heeft gegeven dat zij niet over die gegevens beschikt. Bij besluit van 25 april 1996 heeft gedaagde de aanvraag van 13 maart 1996 buiten behandeling gelaten. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij vonnis in 1996 is tussen appellante en [A] de echtscheiding uitgesproken, welk vonnis op 26 juni 1996 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op 12 juli 1996 is de akte tot scheiding en verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van appellante en [A] verleden.

Ondertussen had appellante op 20 juni 1996 zich wederom tot gedaagde gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Abw.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft gedaagde bij brief van 21 juni 1996 aan appellante onder meer meegedeeld dat zij nadere gegevens moest verstrekken met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen van haar en [A], zoals de bank- en giroafschriften van [A] van de afgelopen drie maanden alsmede alle gegevens waaruit de boedelscheiding blijkt. Appellante is in de gelegenheid gesteld die ontbrekende gegevens over te leggen op een volgende afspraak op 10 juli 1996. Nadat appellante tijdens die afspraak niet alle gevraagde gegevens had overgelegd, heeft gedaagde bij brief van 8 augustus 1996 zijn verzoek tot overlegging van vorenvermelde bescheiden herhaald. Tevens heeft gedaagde appellante meegedeeld dat, indien de gevraagde gegevens niet op 22 augustus 1996 in bezit zijn, haar aanvraag op grond van artikel 68, vierde lid, (oud) van de Abw buiten behandeling wordt gelaten.

Bij besluit van 27 augustus 1996 heeft gedaagde de aanvraag van appellante van 20 juni 1996 met toepassing van artikel 68, vierde lid, (oud) van de Abw buiten behandeling gelaten. Gedaagde heeft daartoe het volgende overwogen:
"Uit de brief van uw advocaat hebben wij begrepen dat u niet over de opgevraagde gegevens kunt beschikken. Daarnaast wordt in de brief d.d. 31 juli 1996 aangegeven dat de definitieve akte van scheiding en deling reeds gepasseerd is, waardoor u geen rechten meer kan doen gelden.
Bij beschikking van 25 april 1996, verzonden 5 juni 1996, is een eerdere aanvraag in verband met onvoldoende informatie buiten behandeling gesteld. Terwijl u op de hoogte was gebracht welke relevante informatie ter bepaling van het recht op bijstand verstrekt diende te worden, heeft u bij de aanvraag van 20 juni 1996 wederom niet alle informatie verstrekt. Er blijken geen gegronde redenen aanwezig waarom u niet over deze informatie zou kunnen beschikken; u had de opgevraagde informatie alvorens akkoord te gaan met de definitieve verdeling kunnen bedingen."

Het namens appellante tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 7 februari 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 7 februari 1997 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat zij al het mogelijke heeft gedaan om gedaagde zo volledig mogelijk te informeren.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van artikel 67, eerste lid, van de Abw stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

Burgemeester en wethouders stellen ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Abw binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag vast of recht op bijstand bestaat.
Ingevolge het derde lid (oud) van artikel 68 wordt de termijn voor het nemen van een besluit opgeschort met ingang van de dag waarop burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 68, vierde lid, (oud) van de Abw bepaalt dat indien de belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen.
Laatstgenoemde bepaling dient - zoals de Raad onder meer heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 18 maart 1997 (gepubliceerd in USZ 97/143) - in samenhang te worden gelezen met afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en paragraaf 2 van hoofdstuk V van de Abw.

De Raad is van oordeel dat van de door appellante over te leggen bewijsstukken in elk geval de bank- en giroafschriften van [A] over de laatste drie maanden vůůr 20 juni 1996 en de definitieve akte van scheiding en deling nodig waren om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de omvang van de tussen appellante en [A] bestaand hebbende gemeenschap en, voor het geval de instemming van appellante met de verdeling voldoende grond zou blijken te bieden voor toepassing van artikel 14 van de Abw, om de hoogte van de te treffen maatregel met inachtneming van het derde lid van dat artikel daarop af te kunnen stemmen. Gedaagde was dan ook gerechtigd om die gegevens van appellante te verlangen om een goede beoordeling van haar aanvraag mogelijk te maken.

Vaststaat dat appellante niet deze bescheiden heeft overgelegd binnen de door gedaagde geboden hersteltermijn. Niet is gesteld of gebleken dat de geboden hersteltermijn ontoereikend was teneinde kopieŽn van de gevraagde giro- of bankafschriften bij de bank van [A] te kunnen verkrijgen.

Naar het oordeel van de Raad is er evenmin grond om te oordelen dat appellante niet redelijkerwijs over die kopieŽn de beschikking had kunnen krijgen. Reeds in april 1996 en nogmaals bij brief van 21 juni 1996 is haar om die kopieŽn verzocht. Indien [A] tegenover haar weigerachtig zou zijn gebleven om kopieŽn van zijn giro- of bankafschriften te verstrekken, had zij juridische stappen kunnen, en - bezien vanuit een oogpunt van toepassing van de Abw - in dit geval ook moeten ondernemen. In dit verband wijst de Raad er nog op dat ingevolge artikel 3:189, tweede lid, in verbinding met het eerste lid van de artikelen 3:190 en 3:194 van het Burgerlijk Wetboek een deelgenoot in een gemeenschap als de onderhavige niet kan beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, zonder toestemming van de andere deelgenoot en voorts kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving.
Hetgeen van de zijde van appellante op dit punt is aangevoerd, heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De Raad concludeert op grond van het vorenstaande dat gedaagde terecht heeft besloten de aanvraag van appellante van 20 juni 1996 niet te behandelen.

Er zijn in dit geding geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.



Met betrekking tot het geding nr. 99/2956 NABW

Op 5 februari 1997 heeft appellante gedaagde andermaal verzocht haar ter voorziening in algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en voor de kosten van orthomanuele therapie bijstand toe te kennen.

Bij besluit van 26 februari 1997 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt voor zover haar geen algemene bijstand is toegekend.

Bij het bestreden besluit van 18 juni 1997 heeft gedaagde het ingediende bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Gedaagde heeft alsnog aan appellante met ingang van 5 februari 1997 een uitkering ingevolge de Abw toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder, doch daarop op grond van artikel 13 van de Abw bij wijze van maatregel een verlaging toegepast van 10% gedurende 1,5 jaar. Gedaagde heeft daartoe overwogen dat appellante blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door bij de scheiding en verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in te stemmen met een overbedeling van [A], waardoor zij eerder op bijstand is aangewezen geraakt.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 18 juni 1997 ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat er geen sprake is van overbedeling van [A]. Voorts heeft zij betwist dat haar in deze een verwijt kan worden gemaakt.

De Raad merkt op dat gedaagde ten onrechte de bij wijze van maatregel toegepaste verlaging heeft gebaseerd op artikel 13 van de Abw. Het besluit van 18 juni 1997 berust derhalve op een onjuiste wettelijke grondslag en komt wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

De vraag of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten, beantwoordt de Raad op grond van het volgende bevestigend.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, (oud) van de Abw stemmen burgemeester en wethouders indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, het recht op en de hoogte van de bijstand daarop af. Evenals gedaagde en de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat in het geval van appellante van tekortschietend besef in genoemde zin sprake is.

Uit de eerder vermelde, op 12 juli 1996 verleden akte van scheiding en deling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap blijkt immers dat aan [A] de toenmalige echtelijke woning is toegedeeld voor een waarde van
É140.000,- (Ä|63.529,23) en dat deze waarde in onderling overleg is vastgesteld. Van de zijde van appellante is meegedeeld dat deze waardebepaling steunde op de taxatiewaarde in het kader van de onroerendezaakbelasting (OZB) met als peildatum 1 januari 1991. Gelet op het tijdstip van ontbinding (medio 1996) en de algemene waardeontwikkeling van woningen in Nederland sedert 1991 had appellante redelijkerwijs kunnen begrijpen dat dit uitgangspunt voor de waardebepaling van de toenmalige echtelijke woning bij de scheiding en verdeling niet reŽel was. Dit blijkt ook uit het feit dat de waardebepaling van laatstbedoelde woning voor de OZB per de volgende peildatum, 1 januari 1995, is gesteld op É186.000,- (Ä|84.403,12). Rekening houdend met enig achterstallig onderhoud heeft gedaagde vervolgens de waarde van de toenmalige echtelijke woning ten tijde in geding vastgesteld op É180.000,- (Ä|81.680,44). Naar de mening van gedaagde is [A] op deze wijze overbedeeld met É20.000,- (Ä|9075,60).

De Raad
heeft geen aanleiding gezien om dit door gedaagde geschatte bedrag als onjuist te beschouwen. De mogelijk nog resterende onzekerheid omtrent het exacte bedrag van de overbedeling kan niet ten voordele van appellante strekken, aangezien zij die onzekerheid zelf in het leven heeft geroepen.

De Raad
neemt tevens in aanmerking dat appellante in 1996 slechts over een (tijdelijke) werkloosheidsuitkering beschikte. Dat leverde haar een inkomen op dat aanzienlijk lager was dan het normbedrag voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder. In dat licht bezien had van appellante mogen worden verwacht dat zij bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap haar rechtmatige aandeel zou hebben gevorderd teneinde zo lang mogelijk zelf te kunnen voorzien in haar bestaanskosten. Hetgeen van de zijde van appellante op dit punt naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. In aanmerking genomen de overige middelen van appellante en de toepasselijke vermogensgrens is appellante, doordat zij tot een bedrag van É20.000,- (Ä|9075,60) is onderbedeeld, eerder op bijstand aangewezen geraakt.

Gelet op het vorenstaande diende gedaagde het recht op en de hoogte van de door appellante gevraagde bijstand op het gebleken tekortschietend besef af te stemmen.

Ingevolge artikel 14, derde lid, (oud) van de Abw worden de omvang en duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende, is de Raad
van oordeel dat gedaagde de bestreden verlaging van de bijstandsuitkering van appellante heeft kunnen vaststellen op 10% gedurende 1,5 jaar zonder in strijd te komen met enige regel van geschreven of ongeschreven recht. Hem is niet gebleken dat de ernst van het feit, de omstandigheden van appellante of de mate van verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven de opgelegde maatregel te mitigeren.

De Raad
acht, ten slotte, in dit geding termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op Ä|644,- in beroep en op Ä|322,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 18 juni 1997 ongegrond is verklaard;
verklaart het beroep tegen dat besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot Ä|966,-, te betalen door de gemeente Wijchen aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Wijchen aan appellante het gestorte recht tot een bedrag van
É225,- (Ä|102,10) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE0154
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 01/1587 NABW
Datum uitspraak: 17 januari 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65 en 69 Abw (= 17 en 54 Wwb)
Trefwoorden: hoofdverblijf; adres; schending inlichtingenverplichting; beŽindiging bijstand; hersteltermijn; incassokosten; acute financiŽle noodsituatie; voorschotten
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand, omdat betrokkene niet woont op het opgegeven adres en hij weigerde zijn werkelijke verblijfplaats mede te delen; een hersteltermijn behoefde niet te worden geboden. Dreigende incassokosten leiden niet tot een acute financiŽle noodsituatie en bovendien is een nieuwe bijstandsaanvraag ingediend waarbij voorschotten zijn verstrekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 01/1587 NABW




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 14 december 2001, waarbij - voor zover hier van belang - het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 december 2001 is beŽindigd.




2. Procesverloop


Namens verzoeker heeft mr. C. Lucassen bij brieven van 19 december 2001 bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 januari 2002, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder werd vertegenwoordigd door mr. T. Hummelman-van Maaren.




3. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de verstrekking van de bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande per 1 december 2001 voor de duur van de bezwaarprocedure wordt voortgezet.

Gebleken is dat verzoeker op 17 december 2001 opnieuw een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat hem in verband daarmee reeds driemaal voorschotten zijn verstrekt tot een bedrag van totaal Ä|356,-. Verzoeker heeft verklaard onderdak te hebben, waarvoor hij geen huur is verschuldigd. Ter zitting zijn brieven van een tweetal schuldeisers - Zilveren Kruis ter zake van ziekenfondspremie over een periode voorafgaand aan 1 september 2001 en een tandarts ter zake van tandheelkundige verrichtingen - overgelegd waarin deze hebben aangekondigd tot incasso te zullen overgaan en de kosten daarvan aan verzoeker in rekening te zullen brengen.

Gezien het voorgaande en mede gelet op hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht, kan niet worden gezegd dat verzoeker in een acute financiŽle noodsituatie is komen te verkeren. Voor het aannemen van zodanige situatie is niet voldoende dat verzoeker over enige tijd zal worden geconfronteerd met incassokosten.

Onder deze omstandigheden is er slechts plaats voor het treffen van een voorziening als gevraagd indien het besluit tot beŽindiging van de uitkering per 1 december 2001 evident onjuist is te achten.

Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de sociale recherche waarin is geconstateerd dat verzoeker niet woont op het adres dat hij destijds bij de aanvraag om uitkering had opgegeven en waarop hij ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Op 26 november 2001 heeft verzoeker dit tegenover de sociaal rechercheur erkend en tevens geweigerd te zeggen op welke adres hij doorgaans verblijft. Verweerder heeft de uitkering beŽindigd op grond van het standpunt dat verzoeker aldus zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Namens verzoeker is aangevoerd dat verweerder het recht op bijstand met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) had dienen op te schorten en verzoeker een termijn had moeten geven voor herstel van het verzuim om informatie over zijn verblijfplaats te verstrekken.

Er is grond voor twijfel omtrent de vraag of de regeling van artikel 69, eerste lid, van de Abw in een geval als het onderhavige - waarin eerst een onjuist woonadres is opgegeven en vervolgens wordt geweigerd om de werkelijke verblijfplaats mede te delen - toepassing dient te vinden. Daarom kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit evident onjuist is omdat verweerder heeft nagelaten toepassing te geven aan de opschortingsregeling.

Ook overigens is er vooralsnog onvoldoende grond voor het oordeel dat de beŽindiging van de uitkering per 1 december 2001 evident onjuist is. Weliswaar heeft verzoeker bij zijn nieuwe aanvraag om uitkering wel mededeling gedaan van zijn huidige woonadres en heeft hij ter zitting verklaard dat hij daar vanaf november 2001 woont, maar dit is op zichzelf nog niet voldoende om thans aan te nemen dat verzoeker per 1 december 2001 wel recht heeft op een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

Het verzoek om een voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen.
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




4. Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE0165
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/5273 NABW
Datum uitspraak: 29 januari 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65 en 69 Abw (= 3, 17 en 54 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; schending inlichtingenverplichting; beŽindiging bijstand; gezamenlijk hoofdverblijf; erkenning kind; eigen toegang; onderhuurder; onweerlegbaar rechtsvermoeden; EVRM; equality of arms
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige, omdat met name het gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, het ontbreken van een eigen toegang zonder daarbij vertrekken te hoeven passeren waarover anderen als huurder of eigenaar zeggenschap hebben en de (verzwegen) erkenning door betrokkene van het kind van zijn "verhuurster" een onweerlegbaar rechtsvermoeden opleveren van gezamenlijke huishouding, zonder dat daarbij het beginsel van equality of arms uit het EVRM is geschonden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/5273 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 25 augustus 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 december 2001, waar voor appellant is verschenen mr. Van der Waarde, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. T. Franssen, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.




II. Motivering


Bij besluit van 9 juni 1999 heeft gedaagde het bezwaarschrift ongegrond verklaard dat namens appellant was ingediend tegen het besluit van 8 oktober 1998 tot beŽindiging van de eerder naar de norm voor een alleenstaande aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 september 1998.
De in dat bezwaarschrift genoemde bezwaren waren in hoofdzaak gericht tegen de door gedaagde aangenomen gezamenlijke huishouding van appellant en [C] (hierna: [C]) met toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Volgens de gemachtigde van appellant was niet voldaan aan de voorwaarde van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning en ook niet aan de tweede voorwaarde voor een gezamenlijke huishouding; dit laatste in verband met het volgende: "CliŽnt heeft de dochter van mevrouw [C] erkend, doch dit houdt wel een vermoeden in dat er sprake is van elkaar over en weer verzorgen, doch tegen dit vermoeden moet altijd tegenbewijs mogelijk zijn. CliŽnt is van mening dat hij kan bewijzen dan wel aannemelijk kan maken dat er in het geval van hem en mevrouw [C] geen sprake van het over en weer verzorgen is."
Gedaagde heeft deze bezwaren verworpen, omdat beiden op hetzelfde adres woonden en omdat uit onderzoeksbevindingen tijdens een huisbezoek en uit informatie verkregen van de eigenaar van de woning onder meer was gebleken dat er geen sprake was van een eigen toegang. Indien zich een situatie zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Abw voordoet, is er, aldus gedaagde, sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 9 juni 1999 ingediende beroepschrift heeft gedaagde er in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift onder meer op gewezen dat een eigen toegang inhoudt dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij de huurder of eigenaar zijn. Voorts is in dat verweerschrift onder meer opgemerkt:
"De Raad van State heeft in 1993 bezwaar gemaakt tegen het systeem van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, maar in een viertal situaties is het gehandhaafd omdat in die gevallen geen redelijke twijfel kan bestaan over de benoeming van een gezamenlijke huishouding. Uit de kamerstukken I 1994/95 p.26-1096 [Handelingen I 1994-1995, 26, blz. 1096, red.] blijkt dat de Minister van SZW in de Eerste Kamer het volgende heeft gezegd:
"De Raad van State heeft erop gewezen dat bekeken moet worden hoe ťťn en ander in de praktijk gaat werken, waarbij het de vraag is of er wel voldoende gelegenheid is voor degene die zich in zijn recht aangetast voelt om over een laatste rechtsmiddel te beschikken en dat via de rechterlijke weg tot uitdrukking te brengen. Daar heeft de heer Van de Zandhulp een vraag over gesteld. Hij zei dat hetgeen geregeld wordt via het individualiseringsbeginsel in artikel 13, vierde lid, uitsluitend betrekking heeft op een bevoegdheid van B&W en dat het geen rechtsmiddel is. Ik wijs hem erop dat, als B&W eenmaal tot een afwijzende beschikking zouden komen, het vervolgens aan betrokkenen vrijstaat bij de rechter bezwaar aan te tekenen tegen de afwijzende beschikking [bezwaar te maken bij B&W en vervolgens beroep in te stellen bij de rechter, red.]. Dat is, het zij toegegeven, een wat gecompliceerde weg, maar het is niet uitgesloten dat alsnog via de rechter de redelijkheid kan worden getoetst van de toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden, zoals in de wet opgenomen".
Ons inziens had het op de weg van appellant gelegen om aan te tonen dat het onredelijk is om onweerlegbaar rechtsvermoeden toe te passen."

De rechtbank heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is in die uitspraak onder meer het volgende overwogen:
"De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of er sprake is van het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Abw.
In dit verband hebben verweerders blijkens de gedingstukken en overeenkomstig de bedoelingen van de wetgever (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, nr. 18, p. 87 [Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 87, red.]) aansluiting gezocht bij hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet individuele huursubsidie (hierna te noemen: de WIH). In de uitvoering van de WIH wordt onder een woning een zelfstandige woning verstaan, dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet en met andere woningen worden gedeeld.
Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen en dergelijke te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn.
De rechtbank is met verweerders van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiser en mevrouw [C] hun hoofdverblijf niet in dezelfde woning hebben. Eiser heeft niet aannemelijk weten te maken, gelet op de indeling van de woning en de hem ten dienste staande faciliteiten, dat hij over zelfstandige woonruimte beschikt, te meer nu noch uit de gemeentelijke basisadministratie noch uit de daaromtrent afgelegde en onvoldoende weersproken verklaring van de eigenaar van de woning een aanknopingspunt is te vinden voor een andere conclusie.
Gelet op het vorenstaande alsmede gelet op het feit dat eiser het kind van mevrouw [C] heeft erkend, kan geen andere conclusie worden getrokken op grond van artikel 3, vierde lid, van de Abw, dan dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Met betrekking tot eisers grief dat het onweerlegbare rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, van de Abw in strijd is met artikel 6 van het EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.], is de rechtbank van oordeel dat deze niet kan slagen.
De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het EVRM verbiedt in beginsel geen feitelijke of wettelijke rechtsvermoedens. Verdragstaten moeten daarbij wel redelijke grenzen in acht nemen, zodat met de betrokken belangen rekening wordt gehouden en de rechten van de verdediging in stand blijven. In de onderhavige zaak betreft het niet een vervolging wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, doch het vaststellen van de burgerlijke rechten en verplichtingen van eiser in het kader van het geldend maken van een aanspraak op een uitkering ingevolge de Abw, zodat in casu artikel 6, eerste lid, van het EVRM van toepassing is. Uit artikel 3, vierde lid, van de Abw volgt slechts dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden in het geval voldaan wordt aan ťťn van de onder a tot en met d genoemde situaties en de belanghebbenden tevens hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Het vermoeden moet derhalve gedragen worden door twee objectief vast te stellen feiten. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat met het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden de grenzen van het redelijke worden overschreden, noch dat anderszins sprake is van strijdigheid met het EVRM."

In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant de juistheid van deze overwegingen bestreden en voorts gesteld dat het appellant redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat een erkenning van een kind van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op bijstand en bestreden dat hem valt te verwijten dat hij gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt.

De Raad, zich beperkend tot de in hoger beroep aangevoerde grieven, overweegt het volgende.

De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat appellant en [C] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, reeds omdat de woonruimte van appellant geen eigen toegang had in de zin zoals deze in de wetsgeschiedenis van artikel 3 van de Abw is verduidelijkt (Kamerstukken II 1993-1994, 22 545, nr. 18, blz. 87). Uit de gedingstukken komt immers genoegzaam naar voren dat appellant zijn woonvertrekken niet kon bereiken zonder trappen en gangen te hoeven passeren waarover [C] als verhuurster zeggenschap had.
De Raad acht voorts nog van belang dat appellant een kamer gebruikte op de tweede verdieping waar ook [C] haar woonvertrekken had en somtijds ook de badkamer en de keuken in het woongedeelte van [C] gebruikte.

De tweede opgeworpen grief stelt de vraag aan de orde of het in artikel 3, vierde lid, van de Abw bepaalde in overeenstemming is met de beginselen van een eerlijk proces, meer in het bijzonder met de uit artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeiende eis van "equality of arms".

Uit de ontstaansgeschiedenis van de betreffende bepaling komt naar voren dat de wetgever artikel 3, vierde (voorheen: derde) lid, van de Abw heeft ingevoerd om in een viertal situaties, waarin overduidelijk sprake is van een gezamenlijke huishouding, zonder nadere bewijsvoering - en zonder de mogelijkheid van tegenbewijs - ervan uit te kunnen gaan dat betrokkenen een gezamenlijke huishouding voeren. Het feitelijk bestaan van minstens ťťn van deze situaties plus het feitelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning brengen mee dat de betrokken personen voor de toepassing van de Abw en de daarop berustende bepalingen materieelrechtelijk gezien als deel uitmakend van een gezin in de zin van artikel 4, onderdeel c, ten eerste of ten tweede, van die wet worden beschouwd.
Meergenoemd artikel 3, vierde lid, belet belanghebbenden niet om zowel het feitelijk bestaan van (ťťn van) de vier daarin omschreven situaties als het daadwerkelijk hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning te betwisten, daarvoor relevante argumenten aan te dragen en bewijzen ter onderbouwing daarvan aan de rechter te presenteren.
Die betwisting, de aangedragen argumenten en dat bewijsmateriaal kunnen vervolgens zowel in beroep als in hoger beroep volledig worden getoetst.
Uit de wetsgeschiedenis komt verder naar voren dat een eerdere registratie als partner bij een andere instantie voor betwisting vatbaar is en tot het buiten toepassing laten van die bepaling kan leiden indien de betrokkene aannemelijk kan maken dat er sprake is van een foutieve registratie.
Blijkt het geleverde bewijsmateriaal voor ťťn en ander ten gedinge niet toereikend te zijn, dan betekent dat niet meer en niet minder dan dat de belanghebbende in die omstandigheden niet desondanks met vrucht kan stellen dat hij voor de toepassing van de Abw als alleenstaande of alleenstaande ouder moet worden beschouwd.

Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is vastgesteld, vermag de Raad daarin niet een belemmering te zien die onverenigbaar zou zijn met de uit voormelde verdragsbepaling voortvloeiende eis van "equality of arms".
De Raad merkt verder nog op dat in het kader van de Abw het mede als gehuwd aanmerken van ongehuwden die geacht worden met een ander een gezamenlijke huishouding te voeren niet geheel uitsluit dat er situaties kunnen zijn waarin aanleiding bestaat om hieraan voorbij te zien en het recht op en de hoogte van de bijstand afwijkend vast te stellen indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is. Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavige geval niet gebleken.

De laatste te bespreken grief acht de Raad voldoende weerlegd met hetgeen gedaagde daaromtrent in het verweerschrift in hoger beroep heeft opgemerkt. De Raad volstaat hier dan ook met op te merken dat een bijstandsontvanger als appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de aanwezigheid van een eigen, in dezelfde woning wonend kind van invloed kan zijn op het recht op bijstand. De op inlichtingenformulieren steeds terugkerende vraag naar het hebben van ťťn of meer inwonende kinderen onderstreept dit. Het verwijt van gedaagde dat appellant na de geboorte van zijn dochter deze vraag onjuist heeft beantwoord en geen informatie heeft verstrekt over de middelen van [C] is dan ook terecht gemaakt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw / Awb
x
LJN:
x
AE0174
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 1/633 NABW Z
Datum uitspraak: 10 januari 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 1 Gw / 8:73 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten wasmachine en koelkast; gemeentelijke beleidsregel duurzame gebruiksgoederen; gelijkheidsbeginsel; renteschadevergoeding
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van een wasmachine en koelkast, omdat betrokkene ten onrechte niet tot de doelgroepen van de gemeentelijke beleidsregel wordt gerekend nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke en objectieve gronden berust.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht AWB 1/633 NABW Z




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder.



Datum bestreden besluit: 11 april 2001.
Kenmerk: 42944427.
Behandeling ter zitting: 29 november 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 april 2001 heeft verweerder aan eiseres mededeling gedaan van een besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw), waarbij haar bezwaarschrift ongegrond is verklaard.

Bij schrijven van 15 mei 2001 is namens eiseres door mr. L. Bovenkamp, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Maastricht, ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld tegen dit besluit.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 29 november 2001, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Bovenkamp voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J.W. Bruijnzeels, ambtenaar der gemeente.




II. Overwegingen



a. De feiten

Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met - voor zover in dezen van belang - een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van de aanschaf van een wasmachine en van een ijskast.

Bij besluit van 4 januari 2001 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Hiertegen is door eiseres een bezwaarschrift ingediend. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift tijdens de op 27 maart 2001 gehouden hoorzitting nader toe te lichten.



b. Het bestreden besluit

In zijn beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Met een verwijzing naar de artikelen 6, 7 en 39 van de Abw heeft verweerder hieraan ten grondslag gelegd dat:
- de aanschaf, vervanging of reparatie van duurzame gebruiksgoederen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoort, welke kosten dienen te worden voldaan via reservering vooraf dan wel aflossing op een geldlening achteraf;
- eiseres niet voldoet aan het door verweerder vastgestelde beleid, conform welk beleid bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt verleend aan de minima die gedurende minimaal drie jaar de zorg voor minderjarige kinderen hebben en aan personen van 65 jaar of ouder zijn die gedurende drie jaar een minimaal inkomen hebben; de ratio achter dit beleid is dat de betreffende belanghebbenden geacht wordt geen reserverings- dan wel aflossingsruimte te hebben;
- niet gebleken is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 39 van de Abw.



c.  Het beroep

Namens eiseres zij de navolgende gronden van het beroep aangevoerd:
- het besluit is in strijd met de artikelen 3:4 en 3:46 van de Awb, omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat eiseres niet eerder voor deze kosten bijstand heeft aangevraagd als gevolg van onvoldoende voorlichting als bedoeld in artikel 119 van de Abw;
- in het geval van eiseres zijn de bijzondere omstandigheden gelegen in het feit dat zij sedert 1981 in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert en gedurende die periode de zorg voor vier kinderen heeft gehad; als gevolg hiervan heeft zij geen reserveringsruimte gehad; daarnaast wordt eiseres geconfronteerd met hoge huurlasten en energiekosten;
- eiseres verkeert in een vergelijkbare situatie met de doelgroepen als bedoeld in het door verweerder gevoerde beleid; nu eiseres zonder redelijke en objectieve gronden ongelijk wordt behandeld zijn deze beleidsregels in strijd met het bepaalde in artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).



d.  De rechtsvraag

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden de aanvraag om vergoeding van aanschafkosten voor een wasmachine en een koelkast heeft afgewezen. Deze vraag spitst zich toe op het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel.



e.  De beoordeling

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel is discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook niet toegestaan.
Gelijk de rechtbank ook in haar eerdere uitspraak van 13 januari 2000, JABW 2000/43, welke uitspraak aan verweerder als destijds verwerende partij bekend is, heeft overwogen, moet discriminatie op grond van leeftijd worden aangemerkt als discriminatie "op welke grond ook" als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. De rechtbank heeft in de betreffende uitspraak echter tevens overwogen dat niet ieder onderscheid naar leeftijd discriminatie oplevert in de zin van deze bepaling. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd.

Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Op grond van artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II van de Abw de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand heeft voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

In het gemeentelijk beleid met betrekking tot duurzame gebruiksgoederen is bepaald dat aan meerjarige minima met de zorg voor kinderen om de drie jaar bijzondere bijstand om niet kan worden verstrekt indien men reeds meer dan drie jaren een minimaal inkomen heeft. Hetzelfde geldt voor personen van 65 jaar of ouder die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben. Tot duurzame gebruiksgoederen worden door verweerder ook koelkasten en wasmachines gerekend. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat onder minimaal inkomen een inkomen ter hoogte van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag wordt bedoeld.

Met dit beleid maakt verweerder een onderscheid naar leeftijd ten aanzien van de voorwaarden met betrekking tot de aanspraken op bijzondere bijstand in de kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen door vast te stellen dat personen van 65 jaar of ouder die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben [...?, red.].

Niet in geschil is dat eiseres jonger is dan 65 jaar en langer dan drie jaar een minimaal inkomen heeft. Eiseres verkeert derhalve in een gelijke situatie als een persoon van 65 jaar of ouder die gedurende ten minste drie jaar een minimaal inkomen heeft en een aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand heeft ingediend in de kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.

In het licht van de onderhavige procedure stelt de rechtbank voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het licht van het doel van de hiervoor geformuleerde beleidsregel voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.
Zoals door verweerder ook ter zitting is bevestigd, is het doel van de onderhavige beleidsregel een vereenvoudigde afdoening van aanvragen om toekenning van bijzondere bijstand aan bepaalde groepen bijstandsgerechtigden. Het feit dat de belanghebbende reeds sedert minimaal drie jaar een minimaal inkomen heeft, leidt ertoe dat de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw zijn gegeven. Indien tevens sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan, waartoe verweerder de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen als een koelkast en een wasmachine rekent, dan is het recht op bijzondere bijstand gegeven.

Ten opzichte van de belanghebbende die 65 jaar of ouder en bijstandsgerechtigd is, verkeert eiseres als bijstandsgerechtigde alleenstaande op twee punten in een andere positie:
- aan eiseres komt een andere bijstandsnorm toe dan de bijstandsgerechtigde oudere en
- aan eiseres zijn de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw opgelegd, terwijl deze verplichtingen niet aan de oudere bijstandsgerechtigde worden opgelegd.
Ten aanzien van het eerste aspect merkt de rechtbank op dat zowel de op eiseres toepasselijke bijstandsnorm als de op de oudere bijstandsgerechtigde toepasselijke norm binnen de grenzen van het door verweerder gehanteerde begrip "minimaal inkomen" blijven.
Ten aanzien van het tweede aspect merkt de rechtbank op dat eiseres weliswaar door middel van betaalde arbeid een hoger inkomen zou kunnen verwerven en daardoor geen aanspraak op bijstand zou behoeven te maken, doch dat dit gegeven slechts ziet op een mogelijke toekomstige situatie en de actuele behoefte aan bijstand onverlet laat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte eiseres niet tot de doelgroepen van de hiervoor genoemde beleidsregel heeft gerekend nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke en objectieve gronden berust.

Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor gegrond worden gehouden en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op deze gegrondverklaring behoeft hetgeen overigens namens eiseres is aangevoerd geen bespreking.



f.  Verzoek schadevergoeding, griffierecht en proceskosten

Ter zake de namens eiseres gevorderde veroordeling van verweerder tot schadevergoeding merkt de rechtbank op dat haar niet is gebleken dat eiseres inmiddels tot aanschaf van de koelkast en de wasmachine is overgegaan. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld dat eiseres renteverlies heeft geleden. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende gronden om thans reeds tot de namens eiseres gevorderde veroordeling over te gaan.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb acht de rechtbank verweerder gehouden het door eiseres ter zake van haar beroep betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen twee punten toe voor de indiening van het beroepschrift (1,0) en het verschijnen ter zitting (1,0) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Met inachtneming van het bovenstaande en op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:73, 8:74 en 8:75 van de Awb komt de rechtbank tot de onder III geformuleerde beslissing.




III. Beslissing


De Rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres;
3. wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure ten bedrage van Ä|644,37 (
É1420,-), te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht, en bepaalt voorts dat de gemeente Maastricht het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van Ä|27,23 (É60,-) aan haar vergoedt.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. F.A.G.M. Vluggen            w.g. C. Schrammen




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 22 januari 2002.




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x