Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE0294
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/137 ABW
Datum uitspraak: 20 februari 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; IVBPR; EVSMB; Turken
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu hij eerst na inwerkingtreding van de Koppelingswet een verblijfsvergunning heeft aangevraagd; aan het IVBPR en EVSMB kan geen recht op bijstand worden ontleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/137 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 15 juni 1999 heeft verweerster aan eiser, een vreemdeling met de Turkse nationaliteit, met ingang van 15 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerster eisers bijstandsuitkering met ingang van 25 mei 2000 beŽindigd, omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw en ingevolge het derde lid op grond van nadere regelgeving niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.

Eiser heeft bij brief van 25 mei 2000 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 19 juli 2000 heeft de president verweersters besluit van 27 april 2000 geschorst en bepaald dat verweerster eiser met ingang van 25 mei 2000 een bijstandsuitkering toekent berekend naar de voor eiser geldende norm.

Eiser is door de afdeling bezwaar en beroep op 21 september 2000 omtrent zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 17 november 2000, verzonden 30 november 2000, heeft verweerster eisers bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 april 2000 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 7 november 2001 ter zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek hervat en eiser in de gelegenheid gesteld om de rechtbank nader te informeren over de hem bekend zijnde gegevens waarop zijn stelling is gebaseerd dat binnen afzienbare tijd een nieuw explanatory memorandum bij het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) zal worden vastgesteld en dat de inhoud daarvan steun zal bieden aan eisers opvatting over de uitleg van artikel 11 van het EVSMB.

Bij brief van 19 november 2001 heeft eiser nadere informatie overgelegd.

Op 24 januari 2002 heeft een nadere zitting plaatsgevonden en is de zaak hervat in de stand waarin zij zich bevond. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.




II. Motivering


In geschil is of verweerster met het besluit van 17 november 2000 het besluit van 27 april 2000 op goede gronden heeft gehandhaafd.

Vaststaat en niet in geschil is dat eiser geen aanspraak op bijstand kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de Abw, aangezien hij geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot de personenkring bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Abw, in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.

Tussen partijen is enkel in geschil of eiser aanspraak maakt op een bijstandsuitkering ingevolge het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) dan wel de artikelen 1 en 11 van het EVSMB.

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 26 van het IVBPR overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de
Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraken van 26 juni 2001 (nrs. 99/2787 en 99/2382 NABW, gepubliceerd in RSV 2001/188 [LJN AB2277 en LJN AB2276, red.]) heeft geoordeeld dat bij artikel 7 van de Abw, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 van het IVBPR ligt. De Raad is voorts van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van bedoeld onderscheid in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.

Vaststaat dat eiser zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op 13 oktober 1998 heeft ingediend. Eiser was derhalve op 1 juli 1998 niet in de situatie dat hij een verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten. De rechtbank is, in het voetspoor van de uitspraken van de Raad van 26 juni 2001, dan ook van oordeel dat reeds hierom de gerechtvaardigdheid van het in artikel 7 van de Abw gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor eiser ten volle opgaat en eiser aan artikel 26 van het IVBPR geen aanspraak op bijstand kan ontlenen. Dat eiser, zoals hij ter nadere zitting heeft gesteld, op 1 juli 1998 ziekengeld genoot en bijstand is verleend met ingang van het einde van de wachttijd voor de WAO, kan hieraan niet afdoen.

Ten aanzien van eisers beroep op de artikelen 1 en 11 van het EVSMB overweegt de rechtbank als volgt.

In haar uitspraak van 26 maart 2001 (2001 (AWB 00/11800 ABW) heeft deze rechtbank geoordeeld dat rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw niet onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het EVSMB valt. Hiertoe is onder meer overwogen dat voor de bepaling van hetgeen onder een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning in de zin van artikel 11 van het EVSMB moet worden verstaan, afgegaan moet worden op de bewijsstukken die hiertoe voor Nederland in bijlage III zijn opgenomen. Rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw komt in de lijst van bewijsstukken niet voor.

Eiser heeft in beroep, onder meer onder overlegging van het nieuwe Explanatory Report bij het EVSMB en onder verwijzing naar jurisprudentie uit de periode voorafgaand aan de invoering van de Koppelingswet, aangevoerd dat bijlage III geen uitputtende lijst bevat om vast te stellen of er sprake is van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB. Eiser is dan ook van mening dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw als een andere soortgelijke vergunning als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB dient te worden beschouwd.

De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2002 (nr. C00/090HR) ten aanzien van de reikwijdte van (artikel 11 van) het EVSMB het volgende heeft overwogen:
"Met betrekking tot vreemdelingen zoals X, die nimmer over een verblijfsvergunning hebben beschikt, maar alleen het land niet behoeven te verlaten zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist, bepaalt het verdrag en in het bijzonder artikel 11 niets.
De omstandigheid dat hun verblijf in Nederland ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt niet mee dat dit verblijf ook als rechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van de artikel 1 en 11 van het verdrag. Daartoe is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van het verdrag, vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning. De omstandigheid dat zijn verblijf ingevolge bovengenoemde bepaling uit de Vreemdelingenwet als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt niet de conclusie dat de vreemdeling over zulk een vergunning zou beschikken. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt."

Nu volgens de Hoge Raad de omstandigheid dat een vreemdeling rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw niet de conclusie rechtvaardigt dat de vreemdeling hiermee over een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning beschikt en het EVSMB zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt, kan eiser aan het EVSMB geen recht op bijstand ontlenen. Dit brengt tevens mee dat eisers stellingen inzake bijlage III van het verdrag verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakt proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




III. Beslissing


De Rechtbank ís-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. E.J.M. Heijs, A.A.M. Mollee en S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE1085
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: Abw 00/4774
Datum uitspraak: 15 maart 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69, 81 en 84 Abw (= 3, 17, 54, 58 en 59 Wwb) / 6:17 en 7:4 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; gedeeltelijke beŽindiging bijstand; terugvordering; hoofdelijk aansprakelijke; anonieme tip; toezending op de zaak betrekking hebbende stukken
Essentie: Onterechte gedeeltelijke beŽindiging en terugvordering bijstand over het eerste halfjaar wegens gezamenlijke huishouding, omdat het enkele feit van een gezamenlijk afgesloten reisverzekering onvoldoende is om een gezamenlijke huishouding aan te nemen en het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting niet inhoudt dat het de gemeente vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de samenwoning. Voorts onterechte terugvordering op de partner van alleenstaandeouderbijstand verleend vůůr 31 december 1998, omdat toen artikel 84, tweede lid, Abw nog niet was aangepast. Het niet toezenden van het volledige dossier aan eisers gemachtigde is niet in strijd met de wet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Zwolle Abw 00/4774




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 10 maart 2000, nummer 99.005952.




2. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 13 juli 1999 heeft verweerder de betaling van eisers uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 9 juli 1999 opgeschort.
Namens eiser is tegen dit besluit op 16 juli 1999 bezwaar aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 19 augustus 1999.

Bij besluit van 28 juli 1999 heeft verweerder eisers Abw-uitkering herzien over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 en beŽindigd met ingang van 1 juli 1999. Hetgeen gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 ten onrechte aan eiser en mevrouw X (verder te noemen: mw. X) aan uitkering is uitbetaald ad
É55.483,19 (een brutobedrag ad É46.744,68 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 en een nettobedrag ad É8738,51 betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 juni 1999) heeft verweerder bij besluit van eveneens 28 juli 1999 van eiser teruggevorderd.
Namens eiser is tegen deze besluiten op 29 juli 1999 bezwaar aangetekend. De gronden van het bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 1 september 1999.

Op 30 juli 1999 heeft eiser met mw. X een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De President heeft daarop beslist dat beiden voor de duur van de bezwaarprocedure plus zes weken elk een voorschot wordt verstrekt berekend naar de helft van de gezinsnorm.

Bij besluit van 13 september 1999 heeft verweerder een nieuwe aanvraag van 14 juli 1999 van eiser om uitkering ingevolge de Abw naar de norm voor een alleenstaande afgewezen.
Namens eiser is tegen dit besluit op 30 september 1999 bezwaar aangetekend.

Eiser en zijn gemachtigde hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt de bezwaarschriften nader toe te lichten tijdens de hoorzitting van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid van 21 december 1999.
De Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid heeft verweerder op 25 januari 2000 geadviseerd eisers bezwaren tegen de gezamenlijke huishouding en de terugvordering ongegrond te verklaren en eisers bezwaar tegen de beŽindiging van zijn uitkering per 1 juli 1999 gegrond te verklaren.

Bij het besluit van 10 maart 2000 heeft verweerder in overeenstemming met voornoemd advies van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid eisers bezwaar tegen de beŽindiging van zijn bijstandsuitkering gegrond verklaard in dier voege dat de Abw-uitkering hervat dient te worden in samenhang met de Abw-uitkering van mw. X, zodat zij beiden de helft van de norm voor gehuwden ontvangen. Eisers bezwaren ten aanzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en de terugvordering ad É55.483,19 heeft verweerder bij dit besluit ongegrond verklaard.

Namens eiser is tegen dit besluit op 18 april 2000 beroep aangetekend. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij schrijven van 15 mei 2000.

Verweerder heeft op 29 juni 2000 een verweerschrift ingediend.

Mw. X heeft ook een beroepsprocedure gevoerd tegen de ten aanzien van haar genomen herzienings- en terugvorderingsbesluiten. De uitspraak van de rechtbank in die zaak, geregistreerd onder nummer 00/4799, is aan deze uitspraak gehecht. Er is hoger beroep ingesteld.

Eisers beroep is op 14 februari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. K.D. Regter.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H. Evink.




3. Motivering


In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.
Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat bij het bestreden besluit is beslist op de bezwaren inzake de opschorting, de herziening, de beŽindiging en de terugvordering van de bijstandsuitkering. Nog geen besluit is genomen op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 13 september 1999 op eisers nieuwe aanvraag, inhoudende de weigering van bijstand naar de norm voor een alleenstaande per juli 1999. Aan een oordeel over die laatste weigering komt de rechtbank dus niet toe.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft met ingang van 31 juli 1996 tot en met 30 april 1998 een uitkering ingevolge de Abw ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 1 mei 1998 heeft eiser een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen.

Aan zijn vermeende partner mw. X is van 28 april 1989 tot en met 17 maart 1996 een uitkering ingevolge de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 18 maart 1996 heeft zij een uitkering ingevolge de Abw ontvangen, eveneens naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Mw. X is in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [...] 20-45. Eiser is in de GBA ingeschreven op het adres [...] 12-62.

Op 30 juli 1999 is rapport uitgebracht door de sociale recherche, waaruit verweerder heeft geconcludeerd dat eiser en mw. X een gezamenlijke huishouding voerden met ingang van 1 januari 1997.



3.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Ingevolge het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 65, eerste lid van de Abw, zoals dit artikel luidde tot 1 juli 1997, doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of uit eigen beweging onverwijld mededeling van al hetgeen van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan, zo mogelijk onder overlegging van bewijsstukken. De wijziging van dit artikellid met ingang van 1 juli 1997 heeft de strekking ervan niet gewijzigd.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Abw schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op indien de belanghebbende zich schuldig maakt aan een verzuim. Ingevolge het tweede lid wordt een hersteltermijn geboden.

Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de Abw, zoals dit artikel luidt met ingang van 1 juli 1997, herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, onverminderd het elders in de Abw bepaalde ter zake van herziening of intrekking, indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Indien de verplichting, bedoeld in artikel 65, of een andere aan de bijstand verbonden verplichting door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel indien de bijstand is verleend op grond van omstandigheden te wijten aan het feit dat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de bijstand ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals dit artikel luidde tot 1 juli 1997, van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Ook de wijziging van dit artikel met ingang van 1 juli 1997 heeft de strekking ervan niet gewijzigd.

Ingevolge het derde lid van artikel 78 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 84, tweede lid, van de Abw bepaalt dat, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand (op 1 januari 1998 is hier ingevoegd: "aan gehuwden") had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65 niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3 van de Abw bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.
Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand.



3.2. Standpunt eiser

Namens eiser is in het aanvullend beroepschrift aangevoerd dat eisers uitkering met ingang van juli 1999 ten onrechte in zijn geheel is geschorst. Indien gezegd moet worden dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding tussen hem en mw. X, had verweerder naar eisers mening de uitkering moeten uitbetalen naar de gezinsnorm.

Verder wordt door eiser erkend dat hij sedert januari 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser bestrijdt evenwel dat hij reeds met ingang van 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met mw. X. Eiser kan zich dan ook niet verenigen met de gedeeltelijke beŽindiging van zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met december 1998.

Eiser kan zich evenmin verenigen met de hoogte van het terugvorderingsbedrag. In de eerste plaats omdat verweerder zijn uitkering ten onrechte over de periode van 1 januari 1997 tot en met december 1998 gedeeltelijk heeft beŽindigd. In de tweede plaats omdat verweerder ten onrechte eisers volledige bijstandsuitkering over de periode van januari 1999 tot en met juni 1999 heeft teruggevorderd.

Ten slotte kan eiser zich niet verenigen met de afwijzing van zijn aanvraag van 14 juli 1999. Eiser is van mening dat sedert de aanhouding door de sociale recherche in juli 1999 geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding met mw. X. Eiser is dan ook van mening dat hem met ingang van juli 1999 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend dient te worden.



3.3. Standpunt verweerder

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser en mw. X sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. Eiser heeft hiervan geen mededeling gedaan aan verweerder, zodat hij niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw. Aan eiser en mw. X had met ingang van 1 januari 1997 de bijstand als gezinsbijstand moeten worden verleend. Als gevolg hiervan dient eisers uitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1999 gedeeltelijk te worden beŽindigd en dient hetgeen te veel aan bijstandsuitkering aan eiser en mw. X is uitbetaald van eiser teruggevorderd te worden.

Voorts is verweerder van mening dat de nieuwe aanvraag van 14 juli 1999 terecht is afgewezen, nu door eiser noch door mw. X is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Aan eiser en mw. X komt met ingang van juli 1999 wel een bijstandsuitkering toe naar de gezinsnorm.



3.4. Beoordeling van het beroep



De opschorting

In het bestreden besluit is niets overwogen of beslist over de juistheid van de opschorting van eisers uitkering per 1 juli 1999. Weliswaar is de opschorting "ingehaald" door de beslissing tot beŽindiging, maar nu er wel bezwaar tegen is gemaakt, had een gemotiveerd besluit op het bezwaar inzake de opschorting niet mogen ontbreken. Op dit punt komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal op dit bezwaar alsnog moeten beslissen. Daarbij dient tevens te worden bezien, of over de maand juli 1997 aan eiser de halve gezinsbijstand is betaald. Ter zitting is daarover nog onduidelijkheid blijven bestaan.



De herziening en de beŽindiging

Ingaande 1 juli 1997 is ingevoerd de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (verder te noemen: Wet BMT). Ingevolge het bij die wet ingevoerde nieuwe derde lid van artikel 69 van de Abw dient aan een terugvordering vanaf die datum een herzieningsbesluit inzake het recht op uitkering vooraf te gaan.
In het onderhavige geval heeft de terugvordering betrekking op een periode vůůr 1 juli 1997 en een periode na 1 juli 1997. De eis van een voorafgaand herzieningsbesluit geldt niet in de periode vůůr 1 juli 1997. Niettemin heeft verweerder onder toepassing van het nieuwe artikel besloten de uitkering van eiser ingaande 1 januari 1997 gedeeltelijk te herzien.
De rechtbank stelt vast dat, hoewel verweerder formeel niet het juiste artikel heeft toegepast, eiser door deze toepassing in elk geval niet in haar belangen is geschaad. Ook vůůr 1 juli 1997 geldt - zij het impliciet - het vereiste van een beoordeling omtrent het recht op uitkering, waarop de terugvordering is gebaseerd.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en mw. X samenwonen sedert januari 1999. In geschil is of eiser en mw. X gedurende de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 3 van de Abw.

De rechtbank heeft in de zaak van mw. X bij uitspraak van 1 maart 2001 beslist dat er sprake was van samenwonen met ingang van 1 juli 1997. De overwegingen die in die zaak tot dat oordeel hebben geleid, gelden als hier herhaald en ingevoegd. De uitspraak is aangehecht.
De rechtbank voegt hier nog de volgende overwegingen aan toe:

Ingevolge jurisprudentie van de
Centrale Raad van Beroep kan in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke woonruimte niettemin sprake zijn van hoofdverblijf in dezelfde woning. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts ťťn van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Verweerder heeft zich blijkens de gedingstukken, waarvan met name het rapport van 30 juli 1999 van de sociale recherche, op zijn standpunt gesteld op basis van:
- anonieme fraudemeldingen van 5 mei 1997 en 28 januari 1998;
- informatie van verzekeringsmaatschappij OLM Het Groene Land;
- processen-verbaal van verhoren van eiser en mw. X;
- observaties gedurende de perioden van 12 februari 1998 tot en met 12 maart 1998 en van 20 januari 1999 tot en met 18 april 1999 op de adressen [...] 20-45 en [...] 12-62;
- processen-verbaal van verhoren van Z en een anonieme getuige, buurtbewoners van de [...] 20-45;
- schermprinten van mutatierapporten van de Politie Flevoland Midden uit 1996 en 1997.

Uit de fraudemeldingen, de verklaringen van (ex) buurtbewoners van de [...] 20-45 te Lelystad, het verslag van het onderzoek in de woning van mw. X alsmede het verslag van de observaties door de sociale recherche leidt de rechtbank af dat eiser vrijwel dagelijks in de woning van mw. X verbleef.
Eťn van de buurtbewoners van de [...] 20-45 heeft op 8 juli 1999 onder meer verklaard dat eiser sedert twee jaar permanent bij mw. X woont; daarvoor was hij onregelmatig op het adres.
Een andere getuige, die van januari 1997 tot april 1999 naast mw. X heeft gewoond, heeft verklaard dat er - voor zover zij weet - vanaf het begin een gezin naast haar woonde.
Uit het verslag van de observaties blijkt dat de auto's op naam van eiser (of op naam van zijn moeder) in de periode vanaf februari 1998 (en in de periode van 19 januari 1999 tot en met 18 april 1999) bij bijna iedere observatie op de parkeerplaats voor de woning van mw. X zijn waargenomen. Ook is eiser een aantal keren in en om de woning aan de [...] 20-45 gezien.
Voorts blijkt uit het onderzoek in de woning van mw. X in juli 1999 en uit de verklaringen van mw. X en eiser dat eiser sedert twee jaar een sleutel had van de woning [...] 20-45. Eiser heeft verder verklaard dat zijn kleding, papieren en gereedschap zich in de woning van mw. X bevinden. Als zijn kinderen op bezoek komen, dan is het in het huis van mw. X. Reeds vanaf juli 1995 is het gezin van mw. X met eiser (en zijn kinderen) op vakantie gegaan.
Het watergebruik van de woning [...] 12-62 is vanaf de periode van 17 november 1997 tot 24 november 1998 gehalveerd.

De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht tot het oordeel is gekomen dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op het adres van mw. X aan de [...] 20-45, alsmede dat eiser en mw. X blijk geven zorg te dragen voor elkaar.
Uit de verklaring van eiser tegenover de opsporingsambtenaar blijkt dat eiser zijn woning aan de [...] 12-62 heeft gehandhaafd omdat hij een plek wil hebben waar hij zich kan terugtrekken.
Het feit dat eiser om deze redenen zijn woning heeft gehandhaafd, wil evenwel nog niet zeggen dat hij niet feitelijk met mw. X zijn hoofdverblijf had op het adres van mw. X.

De rechtbank acht het vorenstaande evenwel onvoldoende om aan te nemen dat eiser en mw. X reeds sedert 1 januari 1997 een gezamenlijke huishouding voeren. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het enkele feit dat eiser en mw. X in januari gezamenlijk een reisverzekering hebben afgesloten onvoldoende is om aan te nemen dat eiser, ondanks het feit dat hij een eigen woning heeft, zijn hoofdverblijf heeft op het adres van mw. X. Ook kan de rechtbank de door verweerder overgenomen opmerking in het advies van 25 januari 2000 van de Bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid dat de afdeling Sociale Zaken in redelijkheid de datum van 1 januari 1997 in gemoede heeft kunnen nemen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht en de afdeling zelf tot de conclusie gezamenlijke huishouding heeft moeten komen, niet volgen. Dat een betrokkene niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht houdt immers niet in dat het verweerder vrijstaat een willekeurige datum aan te nemen als ingangsdatum van de samenwoning. Verweerder zal de datum zo goed mogelijk op grond van de wel bekende gegevens moeten schatten.
Ook de anonieme fraudemeldingen geven aanleiding aan te nemen dat de datum 1 januari 1997 onjuist moet worden geacht. De eerste fraudemelding dateert van 5 mei 1997 en bij de tweede fraudemelding op 28 januari 1998 is aangegeven dat eiser en mw. X sedert maart/april 1997 samenwonen.

Gelet op de verklaring van eiser en mw. X in juli 1999 dat eiser sedert twee jaar een sleutel heeft van de woning van mw. X, alsmede de verklaring van de anonieme getuige in juli 1999 dat eiser sedert twee jaar bij mw. X woont, acht de rechtbank het evenals in de zaak van mw. X aannemelijk dat eiser vanaf 1 juli 1997 heeft samengewoond met mw. X, waarbij tevens sprake was van zorg dragen voor elkaar.

Gelet op het vorenstaande had de bijstandsuitkering over de periode 1 januari 1997 tot 1 juli 1997 niet mogen worden herzien en eerst per 1 juli 1997 mogen worden beŽindigd. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.



De terugvordering

Nu gelet op het vorenstaande eiser over 1 januari 1997 tot 1 juli 1997 recht op bijstand voor een alleenstaande heeft behouden, zal ook de terugvordering over die periode niet in stand kunnen blijven.
Verweerder zal in een nieuw besluit op bezwaar moeten berekenen hoeveel eiser te veel heeft gehad over 1 juli 1997 tot 1 juli 1999. Met het recht op halve gezinsbijstand heeft verweerder reeds rekening gehouden, gelet op de berekeningen gevoegd bij het verweerschrift.

Voorts heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de vordering op mw. X en ook de aan haar te veel betaalde uitkering bij eiser teruggevorderd.
In de jurisprudentie van de Hoge Raad en de
Centrale Raad van Beroep - zie onder andere RSV 2001/142 - is beslist dat de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw geen basis biedt voor terugvordering mede van de partner met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend. De wettekst is per 1 januari 1999 [31 december 1998, red.] gewijzigd, zodat daarna wel terugvordering van de alleenstaandeouderbijstand bij de partner mogelijk is.
In het onderhavige geval betekent dit dat verweerder slechts bij eiser de aan mw. X te veel betaalde alleenstaandeouderbijstand mag terugvorderen over de periode 1 januari 1999 tot 1 juli 1999. Ten onrechte is haar bijstand vůůr die periode mede van eiser teruggevorderd.
Het bestreden besluit komt ook op dit punt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal in een nieuwe beslissing op bezwaar het bedrag waarvoor eiser hoofdelijk aansprakelijk is opnieuw moeten berekenen en het terugvorderingsbedrag moeten aanpassen.

Het verzenden/de inzage van stukken in de bezwaarprocedure.
Eisers gemachtigde heeft zich erover beklaagd dat de stukken van de bezwaarprocedure niet, ook niet op verzoek, aan hem worden toegezonden, maar dat hij ze op verweerders kantoor moet komen inzien. Dossiers blijken bij inzage soms niet compleet. Voorts vindt hij dat het ambtelijk advies aan de Bezwaarschriftencommissie tot die stukken behoort, zodat hem vůůr de hoorzitting bekend is waartegen hij argumenten moet inbrengen. Gemachtigde acht ťťn en ander onzorgvuldig en heeft de rechtbank verzocht hierover een oordeel te geven.
Verweerder heeft gesteld dat aan de wettelijke vereisten van inzage wordt voldaan en dat het ambtelijk advies een intern stuk is dat niet ter inzage hoeft te liggen. Overigens is de werkwijze in bezwaar intussen gewijzigd en wordt niet meer vůůr de hoorzitting een uitvoerig ambtelijk advies, waarin het door de Commissie te nemen besluit reeds is uitgeschreven, vervaardigd.

De rechtbank stelt voorop dat het niet zijn taak is in zijn algemeenheid voor te schrijven hoe verweerder zijn bezwarenprocedure behoort in te richten. Slechts indien in een zaak die in beroep aan het oordeel van de rechtbank is onderworpen de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig of in strijd met de wet is geweest, kan de rechtbank daarover oordelen.
In het onderhavige geval stelt de rechtbank vast dat de stukken niet aan de gemachtigde van eiser in bezwaar zijn toegezonden. Dit lijkt in strijd met artikel 6:17 van de Awb. De rechtbank volgt echter, ook gelezen artikel 7:4 van de Awb, de uiteg van de Hoge Raad in zijn uitspraak van 20 september 2000, nr. 34 604 [
LJN AA7148, red.], waarin wordt overwogen dat artikel 6:17 Awb, alleen voor het geval er een gemachtigde is, regelt aan wie stukken moeten worden gezonden en niet welke stukken moeten worden gezonden. Niet toezenden van het (volledige) dossier is dus niet in strijd met de wet.
Van bijzondere omstandigheden die maken dat van eiser of zijn gemachtigde niet mag worden gevergd dat hij de stukken bij verweerder komt inzien, is niet gebleken, zodat van onzorgvuldigheid geen sprake is.
Ingevolge artikel 7:4 van de Awb dient wel een compleet dossier ter inzage te liggen. Daartoe behoren ook de op de zaak betrekking hebbende stukken die na het primaire besluit en vůůr de hoorzitting worden geproduceerd, waaronder ambtelijke adviezen van de afdeling Sociale Zaken, waarin hun standpunt wordt verwoord en die dus min of meer het karakter van een verweerschrift hebben. Het aanmerken als "intern" is geen gewichtige reden die geheimhouding gebiedt, als bedoeld in het zesde lid van artikel 7:4.
Het "ambtelijk advies" dat in het onderhavige dossier ontbrak - zo heeft de griffier telefonisch nagevraagd - was echter geen stuk van de afdeling Sociale Zaken, maar een schrijven met een concept-advies, opgesteld door de secretaris van de afdeling Bezwaar en Beroep ten behoeve van de beraadslagingen door de Bezwaarschriftencommissie. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een mening van de secretaris van de Commissie, die op geen enkele wijze een standpunt van de Commissie of van verweerder inhoudt, niet valt onder het begrip "op de zaak betrekking hebbende stukken", zodat inzage achterwege mocht blijven.
Voor vernietiging vanwege onzorgvuldigheid in de bezwarenprocedure ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding.



Conclusie

Gelet op de te verrichten herberekeningen en de overige gebreken die aan het bestreden besluit kleven, zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar volstaan met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Dit betekent dat er een geheel nieuw besluit op bezwaar dient te worden genomen door verweerder met inachtneming van deze uitspraak, waarbij de primaire besluiten voor zover nodig worden herroepen.

De rechtbank acht het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, bestaande uit de kosten ter zake van rechtsbijstand.




4. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente Lelystad aan eiser het namens hem gestorte griffierecht ad
É60,- (Ä27,23) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op
Ä644,37 (É1420,-) ter zake van de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Lelystad aan de griffier;

Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2002 in tegenwoordigheid van mw. W. Veldman als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wiw
x
LJN:
x
AE1328
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/203
Datum uitspraak: 17 september 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; weigering passende arbeid; Wiw-dienstbetrekking; gesubsidieerde baan; meewerken aan inschakeling in de arbeid; recidive; legaliteitsbeginsel
Essentie: Onterechte verzwaring maatregelen tot 20% en 100% gedurende vier (in plaats van twee) maanden wegens gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren en het tot tweemaal toe niet aanvaarden van passende arbeid, omdat de gemeente geen eigen beleid mag voeren dat afwijkt van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (onjuiste uitspraak, zie LJN AE2461).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 01/203




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. I. Kraijo, advocaat te Zierikzee,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.




1. Procesverloop


Verweerder heeft bij besluit van 27 oktober 2000 aan eiser met ingang van:
- 1 augustus 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel opgelegd van 20% vanwege gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
- 1 september 2000 voor de periode van twee maanden een maatregel opgelegd van 100% vanwege het niet aanvaarden van passende arbeid;
- 1 november 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel opgelegd van 100% vanwege het ten tweede male niet aanvaarden van passende arbeid;
- 1 september 2000 voor de periode van vier maanden een maatregel opgelegd van 10% vanwege het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet.
Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Bij besluit van 19 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 30 augustus 2001 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn genoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde J. Hinz.




2. Overwegingen


In artikel 113 van de Algemene bijstandswet (Abw) is - voor zover hier van belang - bepaald dat de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking verplicht is passende arbeid te aanvaarden en na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Volgens het tweede lid van artikel 14 van de Abw wordt een maatregel als bedoeld in het eerste lid afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In het vijfde lid van artikel 14 Abw is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld.

Ter uitvoering van artikel 14, vijfde lid, van de Abw geldt met ingang van 1 juli 1997 het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Koninklijk besluit van 19 juni 1996, Stb. 1996, 360) (hierna: het Maatregelenbesluit).

In artikel 3 van het Maatregelenbesluit is onder meer bepaald dat gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren een gedraging betreft die behoort tot de derde categorie en dat het niet aanvaarden van passende arbeid een gedraging betreft die behoort tot de vierde categorie.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Maatregelenbesluit wordt bij een gedraging van de derde categorie 20% van de bijstand gedurende ťťn maand geweigerd en bij een gedraging van de vierde categorie 100% van de bijstand gedurende ťťn maand.
In het tweede lid van artikel 5 is bepaald dat de periode van weigering van de bijstand, genoemd in het eerste lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.

Verweerder heeft de maatregelen gebaseerd op artikel 14, eerst en tweede lid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, het niet aanvaarden van passende arbeid, het ten tweede male niet aanvaarden van passende arbeid en het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet, zijnde verwijtbaar gedrag in respectievelijk de derde, vierde, vierde en tweede categorie en recidive als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit. Vanwege ernstige verwijtbaarheid acht verweerder een zwaardere sanctie dan het Maatregelenbesluit voorschrijft op zijn plaats ten aanzien van de gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren, het ten tweede male niet aanvaarden van passende arbeid en het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet.

Eiser kan zich niet verenigen met de opgelegde maatregelen. Hij is het niet met verweerder eens dat uit medisch onderzoek is gebleken dat er ten aanzien van de psychische belastbaarheid geen beperkingen zijn geconstateerd en dat er evenmin fysieke beperkingen aanwezig zijn met betrekking tot het verrichten van arbeid. Eiser ontkent en betwist dat er ten aanzien van psychische en fysieke belastbaarheid geen beperkingen zijn. Hij heeft een tennisarm en rugklachten. Bovendien heeft hij ernstige psychische problemen omdat hij vanwege zijn huidskleur regelmatig wordt gediscrimineerd en bedreigd. Deze discriminatie is dermate ernstig dat hij aangifte heeft gedaan. Voorts is door Emergis een urgentieverklaring voor huisvesting elders overgelegd, bij voorkeur in een grote stad, waar meer leden van raciale minderheden wonen. Het uitgevoerde medische onderzoek was volstrekt onvoldoende en naar zijn psychische gesteldheid is door de onderzoeker geen onderzoek ingesteld, aldus eiser.
Voorts is eiser van mening dat verweerder nader dient te motiveren waarom aan de discriminerende uitingen niet een zodanig gewicht kan worden toegekend dat als gevolg daarvan geen arbeid zou kunnen worden verricht. Het is volgens eiser niet volledig juist dat hij als gevolg van discriminerende uitingen geen arbeid kan verrichten. In tegenstelling tot het beeld dat van hem wordt gegeven, was hij wel degelijk voornemens om te werken. In de omgeving waar hij te werk werd gesteld, werd hij wederom gediscrimineerd, met als gevolg dat hij niet meer durfde te werken.
Eiser is van mening dat het, gelet op het feit dat hij zowel psychisch als fysiek eenvoudigweg niet in de gelegenheid was om arbeid te verrichten die van hem werd gevraagd, meer dan een halfjaar niet uitkeren van een bijstandsuitkering buitensporig is.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser het beroep voor zover dat betrekking heeft op de opgelegde maatregel vanwege het niet verlenen van de gevraagde medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet van 10% voor de periode van vier maanden ingetrokken.

De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder eiser op goede gronden verwijt dat hij vanwege zijn gedragingen de inschakeling in arbeid heeft belemmerd en hij tweemaal niet heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te aanvaarden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser vanwege zijn gedragingen de inschakeling in arbeid heeft belemmerd en tweemaal niet heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te aanvaarden gegrond op een rapportage van de afdeling Sociale Zaken van 20 september 2000.
Blijkens deze rapportage is eiser regelmatig door medewerkers van de afdeling Sociale Zaken opgeroepen voor een gesprek over zijn sollicitatieactiviteiten. Tijdens deze gesprekken heeft eiser steeds nieuwe argumenten aangevoerd waardoor het steeds moeilijker werd hem te bemiddelen. Zo heeft eiser achtereenvolgens aangevoerd dat hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet met alcohol en tabak mocht werken, hij vanwege psychische klachten niet over straat durfde, hij binnenkort naar Eindhoven zou verhuizen, hij een eigen bedrijf wilde starten en hij vanwege zijn geloofsovertuiging niet met vrouwen mocht werken. Uit de rapportage blijkt voorts dat eiser, nadat hij erop was gewezen dat door het arbeidsbureau medewerkers voor de fruitpluk werden gevraagd, zich op 1 september 2000 bij het arbeidsbureau heeft gemeld en daar duidelijk heeft laten blijken geen zin te hebben in deze werkzaamheden en heeft verklaard dat hij bij een sollicitatiegesprek zou zeggen medische belemmeringen te hebben. Voorts blijkt uit de rapportage dat eiser op 27 september 2000 afwijzend heeft gereageerd op een aanbod voor een Wiw-dienstbetrekking bij De Zuidhoek.

Ten aanzien van eisers grief dat hij zowel psychisch als fysiek niet in de gelegenheid was om arbeid te verrichten die van hem werd gevraagd, is de rechtbank van oordeel dat het, mede gelet op het rechtens onaantastbare besluit van 16 november 1999, waarbij aan eiser is meegedeeld dat hij niet is aan te merken als arbeidsgehandicapt en hij in staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid op de reguliere arbeidsmarkt, op de weg van eiser had gelegen om zijn stelling te onderbouwen door bijvoorbeeld een verklaring van een arts.
Nu eisers stelling niet van enige medische onderbouwing is voorzien, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van verweerders opvatting dat eiser heeft geweigerd passende arbeid te aanvaarden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser op goede gronden verwijt dat hij vanwege zijn gedragingen de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd en hij tot tweemaal toe niet heeft voldaan aan zijn verplichting om passende arbeid te aanvaarden en dat mitsdien sprake is van gedragingen van respectievelijk de derde en tweemaal de vierde categorie. Verweerder was dus verplicht een maatregel toe te passen als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de Abw.

Bij de derde categorie hoort volgens het Maatregelenbesluit een maatregel van 20% gedurende ťťn maand en bij de vierde categorie een maatregel van 100% gedurende ťťn maand. In het onderhavige geval is gelet op het besluit 10 maart 2000 sprake van recidive, zodat verweerder de periode van weigering van de uitkering terecht heeft verdubbeld.

De rechtbank is gezien het vorenstaande van oordeel dat verweerder vanwege het niet aanvaarden van passende arbeid terecht heeft besloten tot een maatregel per 1 september 2000 van 100% voor de periode van twee maanden.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Verweerder heeft gemeend voor de gedragingen die de inschakeling in de arbeid hebben belemmerd en voor het ten tweede male niet aanvaarden van passende arbeid vanwege ernstige verwijtbaarheid een zwaardere maatregel te mogen opleggen dan het Maatregelenbesluit voorschrijft.
De rechtbank kan zich hiermee niet verenigen en overweegt daartoe het volgende.
Het Maatregelenbesluit is een op artikel 14 van de Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur in de vorm van een koninklijk besluit. Het is mitsdien geen gemeentelijk beleidsregel, waarvan door verweerder in een bepaald geval gemotiveerd kan worden afgeweken
[onjuist, zie LJN AE2461, red]. Verweerder heeft in dezen dus geen beleidsvrijheid, maar dient de wet en het Maatregelenbesluit te volgen. Dit is ook in het belang van de rechtsgelijkheid en van de rechtszekerheid.
Verweerder meent in het eerste en tweede lid van artikel 14 van de Abw desondanks ruimte te kunnen vinden voor een geÔndividualiseerde sanctie. Artikel 14, eerste en tweede lid, van de Abw zijn echter nader ingevuld met het Maatregelenbesluit. De ernst van de gedraging en de zwaarte van de maatregel is volledig en minutieus geregeld in het categorieŽnsysteem. Valt de gedraging volledig aan de betrokkene te verwijten en gelden geen bijzondere omstandigheden, dan dient de maatregel onverkort te worden toegepast. De mate van verwijt en de omstandigheden waarin de individuele belanghebbende verkeert, kunnen hooguit reden zijn voor verlichting van de maatregel. Het derde en vierde lid van artikel 14 geven een mogelijkheid om van een maatregel af te zien, niet om deze te verwaren. Een verzwaring in een individueel geval verdraagt zich ook niet met het legaliteitsbeginsel, waaraan sancties behoren te voldoen. Overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die voor een verlichting van de sanctie in eisers geval aanleiding geven.
De rechtbank oordeelt in verband met het bovenstaande de door verweerder aan eiser opgelegde maatregelen van 20% gedurende vier maanden en 100% gedurende vier maanden in strijd met de wet en het Maatregelenbesluit.

Het beroep is in zoverre gegrond.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
É1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

Het vorenstaande leidt tot de navolgende uitspraak.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep ongegrond voor zover het de per 1 september 2000 opgelegde maatregel van 100% gedurende twee maanden betreft;
verklaart het beroep gegrond voor zover het de per 1 augustus 2000 en per 1 november 2000 opgelegde maatregelen van 20% gedurende vier maanden en van 100% gedurende vier maanden betreft en vernietigt in zoverre het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
É60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op
É1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Schouwen-Duiveland aan eiser.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2001 door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE1353
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/2644 NABW
Datum uitspraak: 2 oktober 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 51 en 54 Abw (= 34 en 34 Wwb)
Trefwoorden: vermogen; lijfrentepolis; koopsompolis; afkopen; beŽindiging bijstand; oudedagsvoorziening
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens oververmogen, omdat de afkoop van de lijfrente-/koopsompolis (bedoeld als oudedagsvoorziening) redelijkerwijs kan worden gevergd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/2644 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam [zie gemeente Leidschendam-Voorburg, red.], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. N.H.G. Beltman, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Den Haag op 29 maart 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft op verzoek van de Raad nog een stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 21 augustus 2001, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. N.H.G. Beltman, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.J. IJspeerd, werkzaam bij de gemeente Leidschendam.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak vermelde, als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken gaat het in dit geding om de vraag of gedaagde bij het bestreden besluit van 24 maart 1998 terecht de beŽindiging van appellants uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 april 1998 heeft gehandhaafd.

Aan die beŽindiging ligt gedaagdes standpunt ten grondslag dat appellant op de datum in geding beschikte over in aanmerking te nemen vermogen dat hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens. Tot dit vermogen heeft gedaagde gerekend de afkoopwaarde van een door appellant in 1980 afgesloten Lijfrente Koopsom Plan.

Appellant heeft zowel bij de rechtbank als in hoger beroep aangevoerd dat de afkoop van deze polis redelijkerwijs van hem niet te vergen is, omdat hij die heeft afgesloten met als doel een pensioenvoorziening te treffen. Voorts heeft appellant in beide instanties een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 7, eerste lid, van de Abw bepaalt dat aan iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders.
Tot die middelen behoren ook de vermogensbestanddelen in de zin van artikel 51 van de Abw, te weten de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alsmede de middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de Abw. Van het vastgestelde vermogen blijft voor een alleenstaande ingevolge artikel 54, onderdeel a, van de Abw ten tijde hier van belang
É9700,- buiten beschouwing.

De Raad stelt eerst vast dat tussen partijen niet in geschil is - en ook de Raad gaat daarvan uit - dat evenvermelde Lijfrente Koopsom Plan op de datum in geding af te kopen was en een waarde had die het in artikel 54, onderdeel a, van de Abw vermelde bedrag aan vermogen dat buiten beschouwing blijft ruimschoots overtrof.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 7 november 2000, gepubliceerd in JABW 2001/2, is de Raad met de rechtbank in het onderhavige geding van oordeel dat, bezien vanuit het oogpunt van de Abw, het afkopen van een Lijfrente Koopsom Plan van appellant redelijkerwijs kan worden gevergd. Daarbij is van belang dat aan de Abw en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten grondslag ligt dat een betrokkene in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. In het kader van die wetstoepassing komt aan het namens appellant gestelde belang van het (verder) kunnen opbouwen van een oudedagsvoorziening geen betekenis toe. Het gaat hier slechts om de aanspraken van appellant op 1 april 1998, de datum in geding, en de daarbij ingevolge hoofdstuk IV, afdeling 3, van de Abw in aanmerking te nemen middelen van appellant.

De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat appellants grief dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, te weten met de categorie personen die eveneens een pensioen opbouwen, doch dat doen via een niet afkoopbare polis of verplichte pensioenopbouw, faalt. Die personen kunnen niet kiezen voor afkoop en verzekerden als appellant kunnen dat wel: in zoverre is er geen sprake van vergelijkbare gevallen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE1887
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/4563 NABW en 01/5610 NABW
Datum uitspraak: 2 april 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30 en 59a ABW (= 65 en 84 Abw) (= 17 en 59 Wwb) / 32, 69, 78 en 81 Abw (= 24, 54, 58 en 58 Wwb) / 1:2 en 8:72 Awb
Trefwoorden: terugvordering; niet-rechthebbende partner; illegale vreemdeling; hoofdelijk aansprakelijke; rechtssubject
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens oververmogen en inkomsten, omdat aan betrokken illegale vreemdeling als niet-rechthebbende partner geen bijstand is verleend en zij aldus niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/4563 NABW en 01/5610 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 27 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 15 november 1999 heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, namens appellante de gronden voor het hoger beroep aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2002, waar appellante en haar gemachtigde - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. van de Wal, werkzaam bij de gemeente Almere.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft de Zweedse nationaliteit. Zij diende op 30 januari 1995 samen met [A] (hierna: [A]) een aanvraag om bijstand in bij gedaagde. Gedaagde kende uitsluitend aan [A] met ingang van 1 februari 1995 uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) toe. Deze uitkering werd berekend naar de norm voor een eenoudergezin onder overweging dat appellante in Nederland verbleef zonder een geldige titel en zij niet in Nederland werd gedoogd door het hoofd van de vreemdelingendienst. De uitkering werd ingaande 1 oktober 1996 beŽindigd.

Appellante en [A] dienden een nieuwe aanvraag om bijstand in op 7 oktober 1996. Met ingang van die datum is aan [A] uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder onder overweging dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij niet over een verblijfsvergunning beschikt.

Bij brief van 13 februari 1998 heeft gedaagde appellante en [A] in kennis gesteld van het volgende:
"Uit ter zake verricht onderzoek is gebleken dat de heer [A] gedurende vorengenoemde periode, waarin de uitkering is genoten, geen gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende rechtsplicht ex artikel 30 ABW (oud)/65 Abw (nieuw) het bijstandverlenende orgaan al datgene wat van belang is voor de verlening van de bijstand of de voortzetting van verleende bijstand mededeling te doen. Uit dit onderzoek is gebleken dat [u, red.] gedurende vorengenoemde periode kon beschikken over een meer dan de bescheiden vrij te laten vermogen [lees: kon beschikken over meer dan het vrij te laten bescheiden vermogen, red.]. Tevens is gebleken dat door mevrouw [appellante] inkomsten zijn genoten welke kenbaar hadden moeten worden gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan.
Als gevolg hiervan heeft u gedurende deze periode geen recht gehad op een (volledige) uitkering op grond van de Rww/Abw [Rww: Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (met ingang van 1 januari 1996 vervallen), red.] volgens de aan u toegekende norm.
Om deze reden hebben wij besloten het recht op uitkering van de heer [A] met terugwerkende kracht vanaf 30 januari 1995 tot 1 februari 1998 - met toepassing van artikel 69, derde lid, Abw - te herzien.
Als gevolg van deze herziening van het recht op bijstand heeft de heer [A] een bedrag van
É75.989,96 bruto ten onrechte ontvangen (zie bijlage 1).
Op grond van artikel 84 Abw is ook mevrouw [appellante] aansprakelijk voor de ten onrechte verstrekte bijstand.
Wij hebben besloten dit bedrag, met toepassing van artikel 78, eerste lid, 81, eerste lid, en 84 Abw van u beiden terug te vorderen. U bent beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling."

Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft gedaagde de namens appellante en [A] ingediende bezwaren tegen de in voormelde brief van 13 februari 1998 vervatte besluiten ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 31 augustus 1998 hebben appellante en [A] bij de rechtbank afzonderlijk beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 januari 1999 heeft de rechtbank het namens [A] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. [A] heeft tegen die uitspraak geen rechtsmiddel aangewend.
Bij uitspraak van 27 juli 1999 heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 31 augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen die laatste uitspraak gekeerd. Zij heeft gesteld dat het recht op bijstand van [A] ten onrechte is herzien en dat ten onrechte van [A] en van haar is teruggevorderd. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat zij niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van de artikelen 81, eerste lid, en 84, eerste en derde lid, van de Abw, omdat de aan [A] verleende bijstand gebaseerd is op artikel 32 van de Abw. Zij heeft voorts onder meer aangevoerd dat het horen is geschied in strijd met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad ziet zich in deze gedingen ambtshalve gesteld voor de vraag of gedaagde appellante terecht heeft ontvangen in haar bezwaren voor zover deze gericht zijn tegen het besluit tot herziening (lees: intrekking) van de aan [A] toegekende bijstandsuitkering en het besluit tot terugvordering van deze persoon. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend op grond van het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Op grond van de gedingstukken staat vast dat gedaagde aan appellante als niet-rechthebbende partner geen bijstand heeft verleend, zodat zij niet kan worden aangemerkt als subject van de hier in geding zijnde bijstandverlening. Dit brengt mee dat appellante niet kan worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A] rechtstreeks betrokken belang. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 mei 1999, gepubliceerd in RSV 1999/213, merkt de Raad hierbij nog op dat de omstandigheid dat appellante hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de kosten van de aan [A] verleende bijstand niet meebrengt dat zij kan worden beschouwd als een persoon met een bij dat intrekkingsbesluit rechtstreeks betrokken belang.

Evenmin kan appellante worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot terugvordering van [A] rechtstreeks betrokken belang (vergelijk ook 's Raads uitspraak van 9 januari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/73).
Zij is uitsluitend belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit om ten aanzien van haar tot terugvordering over te gaan.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellante niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar bezwaren voor zover deze gericht zijn tegen het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A] en het besluit tot terugvordering van deze persoon. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het inleidend beroep van appellante in zoverre gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij haar bezwaren tegen het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A] en het besluit tot terugvordering van [A] ongegrond zijn verklaard. De Raad zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de bezwaren van appellante in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Ook overigens kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Met betrekking tot het nu te bespreken besluit tot terugvordering van appellante is namelijk het volgende van belang.

Dit besluit ziet op kosten van aan [A] toegekende bijstand over de periode van 30 januari 1995 tot 1 februari 1998 en is gebaseerd op artikel 84 van de Abw. De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting aangegeven dat dit terugvorderingsbesluit over het in geding zijnde tijdvak tot 1 januari 1996 had moeten worden gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de ABW en vanaf 1 januari 1996 op artikel 84, eerste lid, van de Abw.

Ten aanzien van de strekking van artikel 59a, eerste lid, van de ABW is in de memorie van toelichting bij de Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193 (Kamerstukken II 1987-1988, 20 598, nr. 3, blz. 14) onder meer opgemerkt:
"Aan gehuwden en aan degenen die een gezamenlijke huishouding voeren wordt de bijstand overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 en 5a als een geheel vastgesteld. Daarbij wordt met de middelen van de tot het gezin of de gezamenlijke huishouding behorende personen rekening gehouden. Het rekening houden met de aanwezige middelen dient op overeenkomstige wijze te geschieden indien met betrekking tot de ingevolge genoemde artikelen terugvordering aan de orde is. Dit betekent dat de terugvordering niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is uitgekeerd, maar zich uitstrekt tot de personen die in de bijstand, bedoeld in de artikelen 5 en 5a, zijn begrepen."
Evenzo is ten aanzien van de strekking van artikel 84, eerste lid, van de Abw in de memorie van toelichting te lezen dat dit artikelonderdeel niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is betaald, maar tevens op de personen die in de gezinsbijstand zijn begrepen (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 172).

Appellante was als niet-rechthebbende partner niet in de onderhavige aan [A] verleende gezinsbijstand begrepen. De door gedaagde vastgestelde bijstandsnorm voor [A] was er juist op gericht geweest om te voorkomen dat indirect aan appellante bijstand werd verleend (zie ook 's Raads uitspraak van 20 juni 1995, gepubliceerd in RSV 1995/293, en de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 32 van de Abw in Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, blz. 135). Zij is daarom niet aan te merken als betrokkene in de zin van artikel 59a, eerste lid, van de ABW, respectievelijk als belanghebbende in de zin van artikel 84, eerste lid, van de Abw.

Aangezien - naar ter zitting is erkend - de toepassing van artikelen 59a, tweede lid, van de ABW en 84, tweede lid, van de Abw (tekst tot 31 december 1998) in dit geval evenmin aan de orde kan zijn, betekent het vorenstaande dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante is gehandhaafd, wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.
De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante te vernietigen.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven van appellante geen bespreking meer.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op Ä644,- in beroep en op
Ä322,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij ongegrond zijn verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten tot intrekking van de aan [A] verleende bijstand en tot terugvordering van laatstgenoemde;
verklaart die bezwaren van appellante niet-ontvankelijk;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is gehandhaafd het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante van kosten van aan [A] verleende bijstand alsmede dat besluit;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä966,-, te betalen door de gemeente Almere;
bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal
Ä97,56 (É215,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x