Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Bw / Awb
x
LJN:
x
AE1901
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/2457 NABW en 02/1129 NABW-VV
Datum uitspraak: 9 april 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb) / 21 Bw / 8:86 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Algerijnen
Essentie: Onterechte beŽindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en derhalve gelijk diende te worden gesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/2457 NABW en 02/1129 NABW-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Inleiding


Namens verzoeker heeft mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg, op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 16 maart 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 februari 2002 heeft mr. Venema voornoemd de gronden van het hoger beroep aangevuld en de Raad nadere stukken doen toekomen.

Voorts heeft mr. Venema bij brief van 16 februari 2002 verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 maart 2002, waar voor verzoeker is verschenen mr. Venema, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, heeft in 1996 een verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland ingediend. Bij besluit van 12 november 1997 is deze aanvraag afgewezen. De Staatssecretaris van Justitie heeft het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift bij besluit van 3 december 2001 ongegrond verklaard. Namens verzoeker is tegen dat besluit beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Gedaagde heeft bij besluit van 2 april 1998 aan verzoeker met ingang van 7 april 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Hieraan lagen ten grondslag een bericht van 23 oktober 1997 van de Staatssecretaris van Justitie, gericht aan de vreemdelingendienst van het regiopolitiekorps Rotterdam-Rijnmond, inhoudende dat aan verzoeker een positieve ABW-verklaring ingaande 7 april 1997 diende te worden afgegeven, en een verklaring van de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift Vreemdelingen.
Deze bijstandsuitkering is na de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: de Koppelingswet), per 1 juli 1998, voortgezet in afwachting van duidelijkheid omtrent verzoekers verblijfsstatus.

Bij besluit van 13 november 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van een faxbericht van 9 november 1998 van de vreemdelingendienst verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 18 december 1998 ingetrokken op grond van artikel 7 van de Abw.
Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft gedaagde het namens verzoeker tegen het besluit van 20 november 1998 ingediende bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 januari 1999 wordt ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens verzoeker tegen het besluit van 8 augustus 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was dit besluit niet in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

In hoger beroep is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit, dat verzoeker op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels op de in dit geding relevante datum, zijnde 1 januari 1999, geen recht meer kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Verzoeker was immers geen vreemdeling in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw (oud) en hij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308) met een Nederlander worden gelijkgesteld.

Ter beoordeling staat derhalve de vraag of de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering als strijdig met artikel 26 van het IVBPR kan worden bestempeld.

De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 26 juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186 [zie LJN AB2276 en LJN AB2277, red.]. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen, genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw (oud). Voorts heeft de Raad geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in onder meer de Abw in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor onder meer degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.
Voor hen geldt dat er hangende de lopende bezwaar- of beroepsprocedure onvoldoende grond aanwezig is om de verworven rechtspositie te beŽindigen. Dit wordt eerst anders wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing om toelating, zolang zij althans aan de overige voorwaarden voor een bijstandsuitkering blijven voldoen.

Vaststaat dat verzoeker behoort tot de categorie vreemdelingen aan wie onder toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw een bijstandsuitkering is toegekend en dat verzoeker dat recht na invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 in eerste instantie had behouden. Voorts staat vast dat ten tijde hier van belang nog geen definitieve beslissing was genomen op het door verzoeker in 1996 ingediende verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland.

Deze feiten en omstandigheden leiden er naar het oordeel van de voorzieningenrechter toe dat, nu gelet op voornoemde uitspraken van de Raad de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving, zoals neergelegd in de Abw, niet althans niet ten volle opgaat voor verzoeker, zijn uitkering ten onrechte met ingang van 1 januari 1999 is ingetrokken. Het bestreden besluit dient derhalve als strijdig met artikel 26 van het IVBPR te worden beschouwd.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De voorzieningenrechter acht het voorts aangewezen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op
Ä322,- in beroep en op Ä644,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot
Ä966,-, te betalen door de gemeente Rotterdam;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
gelast de gemeente Rotterdam aan verzoeker het betaalde griffierecht van in totaal
Ä186,37 te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE2461
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/2732 NABW
Datum uitspraak: 12 maart 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; hoogte; verzwaring; schending arbeidsverplichtingen; recidive; motivering
Essentie: Onterechte maatregel van 50% (in plaats van 30%) gedurende twee maanden, omdat niet viermaal maar driemaal achtereen verwijtbaar geen gevolg is gegeven aan een oproep om op het CWI te verschijnen en er geen sprake is van recidive.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/2732 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veghel, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 23 maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, nummer 99/2727 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere stukken ingezonden.

Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen geregistreerd onder nummer 99/3179 NABW en 99/3180 NABW, behandeld ter zitting van 29 januari 2002. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P.W.M. van de Kamp, werkzaam bij de gemeente Veghel.
Na de gevoegde behandeling zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Gedaagde heeft appellants uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) bij besluit van 16 november 1998 met ingang van 1 december 1998 gedurende twee maanden verlaagd met 50%. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant, ondanks oproeping daartoe, in september 1998 tot viermaal toe niet is verschenen op het arbeidsbureau. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat ten aanzien van appellant eerder maatregelen zijn getroffen en dat hij blijft volharden in zijn negatieve houding ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 2 maart 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 2 maart 1999 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat gedaagde vanwege appellants aanhoudende negatieve gedragingen ten aanzien van zijn inschakeling in de arbeidsmarkt, welke zijn uitgemond in twee eerdere maatregelbesluiten, in redelijkheid heeft kunnen komen tot de thans opgelegde maatregel.

Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van het volgende.

Appellant is schriftelijk uitgenodigd om op 2 september 1998 te verschijnen op het arbeidsbureau voor een gesprek met [D]. Appellant heeft die afspraak tevoren afgezegd. Desgevraagd heeft appellant daaromtrent verklaard dat hij dit heeft gedaan om persoonlijke redenen, althans redenen waar de gemeente niets mee te maken had. De Raad is niet kunnen blijken dat appellant een deugdelijke reden had om niet te verschijnen en houdt het er daarom voor dat appellant verwijtbaar geen gevolg heeft gegeven aan deze oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, te verschijnen.
Bij schrijven van 7 september 1998 is appellant opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op het arbeidsbureau en wel op 10 september 1998 om 9.15 uur met het verzoek zich bij de receptie te melden voor een onderhoud met [D]. Naar zijn zeggen is appellant daar wel verschenen, maar is hij toen hij [D] niet aantrof kort daarna - onder achterlating van een briefje voor laatstgenoemde - weer vertrokken.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellant, te meer nu hij zich niet bij de receptie heeft aan- of afgemeld, niet op adequate wijze gevolg heeft gegeven aan de tweede oproep. De Raad kan dit onderschrijven en voegt daaraan toe dat het appellant mede gelet op de inhoud van het schrijven van 7 september 1998 duidelijk kon zijn wat het belang was van de geplande bespreking. Tegen die achtergrond had van appellant mogen worden verlangd dat hij zich ten minste bij de receptie zou hebben gemeld en voorts niet zonder eerst uitdrukkelijk navraag te doen of nadere afspraken te maken, had mogen vertrekken.
Vaststaat dat appellant vervolgens telefonisch is uitgenodigd om op 17 september 1998 te verschijnen. Ook toen is appellant niet verschenen, dit maal omdat hij ziek zou zijn. Desgevraagd heeft appellant dit niet met medische gegevens aannemelijk kunnen maken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij ook op die datum zonder deugdelijke grond niet aan de oproep heeft voldaan.
Ten aanzien van de door gedaagde gestelde oproep aan appellant om op 21 september 1998 te verschijnen, is niet komen vast te staan dat deze oproep daadwerkelijk is gedaan, zodat deze bij de beoordeling van de vraag of, en zo ja, welke maatregel in dit geval was aangewezen buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Gelet op het vorenstaande moet er naar het oordeel van de Raad van worden uitgegaan dat appellant in de maand september 1998 driemaal niet adequaat heeft gereageerd op een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, te verschijnen, hetgeen hem valt te verwijten.
Dit betekent dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Abw en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) gehouden was ten aanzien van appellant een maatregel te treffen.
De betreffende gedragingen vallen onder artikel 3, aanhef en onderdeel 2, subonderdeel b, van het Maatregelenbesluit. Blijkens artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van het Maatregelenbesluit wordt de verlaging van de bijstand in een dergelijk geval in beginsel vastgesteld op 10% gedurende ťťn maand.

De Raad stelt vervolgens vast dat de bepalingen van het Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat besluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit volgt naar het oordeel van de Raad reeds uit de tekst van en de toelichting op artikel 2 van het Maatregelenbesluit. Daaruit blijkt immers dat burgemeester en wethouders bevoegd blijven tot afstemming op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Dit kan er in specifieke situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel lichtere maatregel dan de standaardmaatregel is aangewezen; de afwijking kan betrekking hebben op de hoogte en/of de duur van de maatregel.
De Raad acht voorts de door gedaagde gevolgde gedragslijn om gelijksoortige gedragingen die binnen korte tijd achter elkaar plaatsvinden bijeen te nemen en te volstaan met ťťn maatregel, aanvaardbaar. Daarbij wordt aangetekend dat de op te leggen maatregel niet in strijd mag zijn met het algemeen rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de maatregel en de ernst van de gedragingen.

Niettemin kan het bestreden besluit in dit geval niet in stand blijven.
Immers dit besluit berust op de grond dat appellant viermaal verwijtbaar niet adequaat heeft gereageerd op een oproep om op het arbeidsbureau te verschijnen, terwijl hem dit, gelet op het voorgaande, slechts driemaal kan worden aangerekend. Voorts is gedaagde er bij zijn besluit van uitgegaan dat sprake was van herhaald verwijtbaar gedrag omdat ten aanzien van appellant in mei 1998 reeds om dezelfde reden een maatregel was getroffen. Nu deze maatregel in rechte evenwel geen stand kan houden (zie de heden onder nummer 99/3180 NABW gewezen uitspraak van de Raad) is deze ten onrechte bij de vaststelling van de hoogte van de onderhavige maatregel betrokken.
Eťn en ander leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak kan evenmin standhouden.
De Raad acht het aangewezen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Ten overvloede in dit geding overweegt de Raad dat in dit geval een maatregel van 30% gedurende twee maanden de rechterlijke toets wel zou kunnen doorstaan.
Daarbij neemt de Raad in overweging dat appellant in een korte periode tot driemaal toe verwijtbaar niet adequaat heeft gereageerd op een oproep, terwijl hij voldoende doordrongen moet zijn geweest van het belang van de in dat kader te houden gesprekken, zulks mede bezien in het licht van de langdurige werkloosheid van appellant, de intensieve bemoeienis van gedaagde en andere instanties met appellant teneinde zijn inschakeling op de arbeidsmarkt te bewerkstelligen, alsmede de eerder reeds in oktober 1997 ten aanzien van appellant getroffen maatregel, welke onderwerp van geschil was in de zaak onder nummer 99/3179 NABW en welk besluit bij uitspraak van heden door de Raad in hoger beroep in stand is gelaten.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven artikel 8:75 van de Awb, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten; in de vergoeding van reiskosten van appellant in hoger beroep is reeds voorzien met 's Raads uitspraak in het geding nummer 99/3180 NABW.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Veghel aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal
Ä104,37 (É230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE2487
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/1244 ABW
Datum uitspraak: 28 maart 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb) / 8:68 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; afwijzing bijstand; Koppelingswet; IVBPR; geen gelijkstelling met Nederlander; WW
Essentie: Terechte afwijzing bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkenen eerst na de inwerkingtreding van de Koppelingswet bijstand hebben aangevraagd. De omstandigheid dat voordien WW-uitkering werd genoten, doet daaraan niet af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/1244 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats C], eisers,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Eisers hebben op 18 augustus 2000 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij besluit van 9 oktober 2000 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen, omdat eisers niet rechtmatig in Nederland verblijven als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw en op grond van nadere regelgeving niet met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 14 november 2000 bezwaar gemaakt. Eisers zijn op 8 december 2000 omtrent hun bezwaar gehoord.

Bij besluit van 23 februari 2001, verzonden op 27 februari 2001, heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 6 april 2001, bij de rechtbank per fax op diezelfde dag ingekomen, beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 28 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 24 januari 2002 ter zitting behandeld.
Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. P.G.M. Lodder.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.

Bij brief van 18 februari 2002 is aan partijen te kennen gegeven dat de enkelvoudige kamer van de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de zaak ongeschikt is voor behandeling door ťťn rechter, zodat met toepassing van artikel 8:68 van de Awb is beslist het onderzoek te heropenen en de zaak naar een meervoudige kamer te verwijzen.

Bij brieven van 21 en 22 februari 2002 hebben eisers respectievelijk verweerster toestemming gegeven om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten. Hierop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.




II. Motivering


De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit van 23 februari 2001 in rechte kan standhouden.

Tussen partijen is enkel in geschil of eisers op grond van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) aanspraak maken op een bijstandsuitkering.

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht ongegrond is verklaard. Nu eisers ten tijde van de invoering van de Koppelingswet geen bijstand genoten en het dus niet gaat om beŽindiging van bijstand op grond van de Koppelingswet, kunnen zij volgens verweerster aan artikel 26 van het IVBPR geen aanspraak op bijstand ontlenen. Verweerster baseert zich hierbij op de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2001 (nr. 99/2382 NABW [LJN AB2276, red.]).

Eisers zijn van mening dat hen niet kan worden tegengeworpen dat zij op 1 juli 1998 geen bijstandsuitkering ontvingen, nu zij toen nog een WW-uitkering genoten en aansluitend op deze WW-uitkering om bijstand hebben gevraagd. Zij zijn van mening dat zij vanwege hun op 1 juli 1998 reeds bestaande verworven rechtspositie ingevolge artikel 26 van het IVBPR wel recht op een bijstandsuitkering hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

In een viertal uitspraken van 26 juni 2001 (nr. 99/2382 NABW, nr. 99/2787 NABW, nr. 00/4666 ALGEM en nrs. 00/3097 e.a. AKW, onder meer gepubliceerd in respectievelijk RSV 2001/188, AB 2001/277, AB 2001/276 en AB 2001/244 [LJN AB2276, LJN AB2277, LJN AB2323 en LJN AB2324, red.]), heeft de
Centrale Raad van Beroep bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt ervan wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij hem in het algemeen niet op bedenkingen stuit en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen, genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw. Dat zijn vreemdelingen die in afwachting zijn op een beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge de Vw dan wel op grond van een rechterlijke beschikking uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten. De Raad heeft voorts geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw, de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de werknemersverzekeringswetten in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend en voor degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling op reguliere wijze hun verzekeringspositie krachtens de AKW en de verzekeringswetten hebben verworven. Nu immers ten aanzien van deze vreemdelingen de gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf, welke de koppelingswetgeving bedoelt te voorkomen, reeds zijn ingetreden, kan de beŽindiging van de verworven rechtspositie niet worden beschouwd als een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel te bereiken, zodat het gemaakte onderscheid naar nationaliteit, leidend tot het tenietdoen van de verworven rechtspositie, ten aanzien van deze gevallen niet gerechtvaardigd kan worden geacht. Voor deze groep vreemdelingen geldt dat er onvoldoende grond is om de verworven rechtspositie op andere wijze te beŽindigen dan als voorzien in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, te weten eerst wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het verzoek om toelating.

De rechtbank stelt op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat A op 1 juli 1998 een WW-uitkering genoot en zijn verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten. Hij behoorde dan ook tot de groep vreemdelingen ten aanzien van wie de WW-uitkering, gelet op artikel 26 van het IVBPR, niet met toepassing van de Koppelingswet kon worden beŽindigd. Eiser heeft zijn WW-uitkering gedurende de gehele periode dat hij hierop recht had, tot 29 augustus 2000, ook daadwerkelijk behouden.
De omstandigheid dat de WW-uitkering van A, gelet op artikel 26 van het IVBPR, niet met toepassing van de Koppelingswet kon worden beŽindigd, brengt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet mee dat aan eisers, zoals zij stellen, aansluitend een bijstandsuitkering had behoren te worden toegekend. Ten aanzien van B kan deze stelling reeds hierom geen doel treffen, nu niet zij maar haar man een WW-uitkering heeft gehad. Maar ook ten aanzien van A reikt de bescherming van artikel 26 van het IVBPR niet zover als eisers veronderstellen. Nu immers in het kader van de Abw geen sprake is van een situatie waarin de gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf, welke artikel 7 van de Abw bedoelt te voorkomen, reeds waren ingetreden - het gaat hier om de weigering een bijstandsuitkering toe te kennen en niet om de beŽindiging van een bestaande bijstandsuitkering - is er geen plaats voor het oordeel dat deze weigering niet kan worden aangemerkt als een geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel van artikel 7 van de Abw te bereiken. Verweerster heeft het in deze bepaling gemaakte onderscheid naar nationaliteit in het geval van eiser dan ook terecht gerechtvaardigd geacht. De enkele omstandigheid dat eiser, die ook ten tijde van de zitting nog immer zijn verblijfsrechtelijke procedure mocht afwachten, thans wellicht nog recht op een bijstandsuitkering zou hebben gehad als reeds vůůr 1 juli 1998 zijn WW-uitkering zou zijn beŽindigd en hem een bijstandsuitkering zou zijn toegekend, kan er niet aan afdoen dat eisers bijstandsaanvraag feitelijk na de inwerkingtreding van de Koppelingswet is ingediend en verweerster deze aanvraag met inachtneming van artikel 7 van de Abw, zoals dit artikel met ingang van 1 juli 1998 was komen te luiden, diende toe te passen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




III. Beslissing


De Rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. E.J.M. Heijs, E.R. Eggeraat en D. de Loor en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.G.M. van Ede.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw
x
LJN:
x
AE2489
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/1053 ABW
Datum uitspraak: 4 maart 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 4, 7, 13, 39 en 67 Abw (= 4, 11, 18, 35 en 43 Wwb) / 94 Gw
Trefwoorden: vreemdeling; bijzondere bijstand voor illegaal kind; reiskosten van en naar school
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten van kinderen van en naar school wegens onrechtmatig verblijf in Nederland van die kinderen, omdat het de rechtmatig in Nederland verblijf houdende betrokkenen zijn die de bijstand hebben aangevraagd en de Abw aan het begrip kind niet de voorwaarde verbindt dat het kind rechtmatig in Nederland verblijf dient te houden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/1053 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, verweerder.




I. Ontstaan en loop van het geding


Op 27 oktober 2000 heeft eiser samen met zijn echtgenote ten behoeve van twee dochters bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd voor de kosten van reizen van het huisadres naar het X in Y en terug.

Bij besluit van 8 november 2000 heeft verweerder de gevraagde bijstand afgewezen aangezien beide dochters niet in het bezit zijn van een geldig verblijfsdocument.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 november 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is gehoord omtrent zijn bezwaren door de Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen op 29 januari 2001.

De Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen heeft op 29 januari 2001 advies uitgebracht aan verweerder.

Bij besluit van 15 februari 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 maart 2001, ingekomen bij de rechtbank op 26 maart 2001, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken bij brief van 23 april 2001 overgelegd.

Het beroep is op 31 januari 2002 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en Z.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.M. van Dijk.




II. Motivering


Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat niet voldaan wordt aan het gestelde in artikel 7 van de Abw. De kinderen voor wie de bijstand wordt gevraagd, zijn geen Nederlander en kunnen voor de Abw niet gelijkgesteld worden met een Nederlander omdat zij niet behoren tot ťťn van de categorieŽn vreemdelingen zoals genoemd in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit het volgende ingebracht.
Eiser is van mening dat de gemeente Zoetermeer op enige wijze de reiskosten naar Y dient te betalen omdat de gemeente Zoetermeer niet over een internationale schakelklas beschikt waardoor de dochters genoodzaakt zijn voor passend onderwijs naar Y te reizen. Omdat de Abw het sluitstuk van de sociale wetgeving is en het recht op onderwijs een sociaal grondrecht is, is eiser van mening dat verweerder deze kosten dient te vergoeden.
Ten aanzien van dit sociale grondrecht verwijst eiser naar artikel 26 van de Universele verklaring van de rechten van de mens, artikel 13 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 2 van het Eerste Additioneel Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden en artikel 28 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet gaan deze verdragen boven de wet en kan eiser zich hierop individueel beroepen.
Het weigeren van bijstand voor de onderhavige kosten omdat de kinderen vreemdelingen zijn die buiten de Abw vallen, is volgens eiser strijdig met de geest van genoemde verdragen. Eiser verwijst naar een passage uit een tijdschrift van 17 juni 1998 van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen waarin staat vermeld: "elke in ons land verblijvende vreemdeling die jonger is dan 18 jaar - ongeacht zijn verblijfsstatus - moet tot het onderwijs worden toegelaten". Volgens eiser brengt deze bepaling met zich mee dat de reiskosten naar de onderwijsinstelling vergoed dienen te worden voor mensen die van een bijstandsuitkering moeten leven.

In deze procedure staat de rechtbank voor de vraag of verweerder op goede gronden de afwijzing om bijstand in de reiskosten van twee dochters naar en van het X in Y in bezwaar heeft gehandhaafd. Ter beantwoording van deze vraag zijn de navolgende wettelijke bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 4, onderdeel c, van de Abw wordt onder gezin verstaan: de gehuwden met de tot hun last komende kinderen.

Ingevolge artikel 4, onderdeel d, van de Abw wordt onder kind verstaan: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind.

Ingevolge artikel 4, onderdeel e, van de Abw wordt onder ten laste komend kind verstaan: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (zoals dit artikel tot 1 april 2001 luidde).

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Abw wordt ten aanzien van de personen die een gezin vormen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gezin.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw, voor zover van toepassing, heeft het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover dit niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Abw stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
Ingevolge het tweede lid wordt de bijstand door de echtgenoten gezamenlijk aangevraagd dan wel door ťťn van hen met schriftelijke toestemming van de ander.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank het volgende voor voldoende vaststaand aan.

Eiser en zijn echtgenote, beiden van buitenlandse nationaliteit, beschikken over een geldige verblijfsvergunning op grond waarvan zij ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw gelijkgesteld zijn met een Nederlander.

Eiser en zijn echtgenote hebben conform artikel 67 van de Abw de bijzondere bijstand op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw aangevraagd in verband met kosten die gemaakt worden ten behoeve van twee dochters.

Op de inkomstenverklaring die betrekking heeft op de periode van 1 juni 2000 tot en met 30 juni 2000 maken eiser en zijn echtgenote melding van de inwoning van deze twee dochters. Ten tijde van het bestreden besluit waren deze dochters 16 en 17 jaar. Op 31 juli 2001 hebben deze dochters een verzoek om een vergunning tot verblijf ingediend voor verblijf bij ouder(s) en loonarbeid. Zij staan niet in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zoetermeer ingeschreven.

Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de reiskosten van genoemde dochters gehandhaafd op de grond dat deze dochters niet over een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 7 van de Abw beschikken.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit het samenstel van het wettelijk kader zoals hierboven is weergegeven, volgt dat het de gehuwden zijn die, gezamenlijk, de bijstand vragen. Het zijn deze aanvragers die Nederlander dienen te zijn dan wel dienen te beschikken over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 7, tweede lid, van de Abw. Toekenning van bijstand wordt afgestemd op het gezin, waaronder de gehuwden met de tot hun last komende kinderen wordt verstaan. Een kind komt ten laste van de ouders wanneer het een eigen kind of stiefkind is dat in Nederland woont en waarvoor de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Nu het eiser en zijn echtgenote zijn die de bijstand hebben aangevraagd en zij beschikken over rechtmatig verblijf ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw, en voorts nu in artikel 4 van de Abw onder de begripsomschrijving van kind niet als voorwaarde is gegeven dat dit kind dient te beschikken over rechtmatig verblijf, bestaat er geen wettelijke grondslag voor de door verweerder gehanteerde afwijzing van bijstand op grond van het ontbreken van dit rechtmatig verblijf van de kinderen. Verweerder heeft deze motivering als enige aan de afwijzing ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit kan derhalve niet op de daarin aangegeven grond in stand blijven.

Ten aanzien van de door eiser genoemde bepalingen in internationale verdragen op grond waarvan hij meent dat er recht op de gevraagde bijstand bestaat, merkt de rechtbank op dat geen van de genoemde bepalingen een ieder verbindende voorschriften bevat. Uit deze verdragsbepalingen vloeit dan ook geen rechtstreekse aanspraak op bijstand voort voor de gevraagde kosten. Voorts voegt de rechtbank hier aan toe dat genoemde bepalingen weliswaar betrekking hebben op de vrije toegang tot onderwijs, doch de reikwijdte van deze bepalingen zich niet uitstrekt tot de reiskosten naar dit onderwijs.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.




III. Beslissing


De Rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2001;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de rechtspersoon, de gemeente Zoetermeer, aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten
Ä27,23, vergoedt.

Aldus gegeven door mrs. A.A.M. Mollee, L.P. Bosma en F.J. Verbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE2641
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Middelburg
Zaaknummer: Awb 01/365
Datum uitspraak: 14 september 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: Artt. 51 en 53 Abw (= 34 en 34 Wwb)
Trefwoorden: vermogen; kunstproductie beeldend kunstenaar; waarde in het economisch verkeer; weigering bijstand
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand wegens oververmogen, omdat de opgeslagen en deels beschadigde kunstproductie van betrokken beeldend kunstenaar niet enige reŽle waarde vertegenwoordigd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Middelburg Awb 01/365




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. H. Goedegebure, advocaat te Tholen,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.




1.  Procesverloop


Eiser heeft op 16 november 2000 een uitkering aangevraagd op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 19 december 2000 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 8 mei 2001 heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 10 september 2001 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de ambtenaar M.J. de Rijke.




2. Overwegingen


Artikel 51 van de Abw bepaalt - voor zover hiervan belang - dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Ingevolge artikel 53 Abw wordt de waarde van de bezittingen vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering om eiser een uitkering ingevolge de Abw toe te kennen, gehandhaafd. Aan die weigering ligt ten grondslag dat het vermogen van eiser is vastgesteld op
É97.695,46, welk vermogen het vrij te laten vermogen van É10.000,00 ruimschoots te boven gaat.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting poogt eiser als beeldend kunstenaar in zijn levensonderhoud te voorzien. Het door verweerder in aanmerking genomen vermogen betreft eisers aanzienlijke kunstproductie, vervaardigd in een lange reeks van jaren.

In de kortelings gewezen uitspraak Awb 01/468 VV en 01/380 inzake een geschil tussen eiser en burgemeester en wethouders van de gemeente Goes omtrent de toepassing van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars is geoordeeld dat voornoemd bestuursorgaan terecht uitkering op grond van die wet heeft geweigerd. Daarbij is overwogen dat eiser, mede gelet op de ter zake uitgebrachte adviezen, niet beroepsmatig als kunstenaar werkzaam is.

Gelet hierop is de rechtbank in dit geschil van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de (opgeslagen en deels beschadigde) kunstproductie enige reŽle waarde vertegenwoordigt in de zin van artikel 53 Abw.

Verweerder heeft mitsdien ten onrechte die kunstproductie als enig vermogen beschouwd dat zou moeten worden meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag om bijstand.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient dan ook vanwege het ontbreken van een voldoende feitelijke grondslag te worden vernietigd.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
É1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de gemeente Tholen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van
É60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op
É1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Tholen aan de griffier.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2001 door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van P.C.M. van Leeuwen, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x