Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE3275
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 00/11811 ABW
Datum uitspraak: 2 oktober 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en Ė Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beŽindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; IVBPR; EVSMB; Turken
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand, omdat een definitieve negatieve beslissing op het verzoek om toelating is genomen en aan na de inwerkingtreding van de Koppelingswet ingediende verzoeken om toelating geen aanspraak op bijstand kan worden ontleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/11811 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerster aan eiser, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, medegedeeld dat zijn recht op een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan met ingang van 25 mei 2000 wordt beŽindigd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 juni 2000 bezwaar gemaakt.

Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om omtrent zijn bezwaar te worden gehoord.

Bij besluit van 29 september 2000, verzonden op 9 oktober 2000, heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 november 2000, bij de rechtbank per fax op diezelfde datum ingekomen, beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 6 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 25 september 2001 ter zitting behandeld.
Eiser is niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. B. Hiddinga.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.




II. Motivering


De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit van 29 september 2000 in rechte kan standhouden.
Vaststaat en niet in geschil is dat eiser geen aanspraak op bijstand kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de Abw, aangezien hij geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot de personenkring, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Abw, in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.

Eiser is, kort gezegd, van mening dat hij op grond van artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 11 juncto artikel 1 van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) aanspraak maakt op een bijstandsuitkering.

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank stelt vast dat de
Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraken van 26 juni 2001 (nrs. 99/2787 en 99/2382 NABW, gepubliceerd in RSV 2001/188 [LJN AB2277 en LJN AB2276, red.]) heeft geoordeeld dat bij artikel 7 van de Abw, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 van het IVBPR ligt. De Raad is voorts van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van bedoeld onderscheid in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend. Ten aanzien van laatstbedoelden, degenen die op 1 juli 1998 hun verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mochten afwachten en op basis daarvan bijstand ontvingen, bestaat, mede gelet op hetgeen de Raad in zijn uitspraken van 26 juni 2001 in het kader van de werknemersverzekeringen (nr. 00/4666 ALGEM [LJN AB2323, red.]) en de Algemene Kinderbijslagwet (nrs. AWB 00/3097, 00/2440, 99/4942, 99/4945, 99/4941, 99/4944, 99/4943 en 00/2399 AKW; gepubliceerd in Jurisprudentie Vreemdelingenrecht 2001, nr. 2001/204 en RSV 2001/216 [LJN AB2325, red.]) heeft overwogen, onvoldoende grond om de verworven rechtspositie op andere wijze te beŽindigen dan als voorzien in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, te weten eerst wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing op het verzoek om toelating.

Vaststaat dat eiser op 1 juli 1998 in de situatie verkeerde dat hij zijn verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten en op basis daarvan bijstand ontving. Dit betekent dat hij ten tijde van de inwerkingtreding van de Koppelingswet behoorde tot de categorie vreemdelingen voor wie de gerechtvaardigdheid van het onderscheid naar nationaliteit in het kader van de toepassing van artikel 7 van de Abw volgens de
Raad niet, althans niet in toereikende mate, opgaat.
Dit neemt evenwel niet weg dat de gerechtvaardigdheid van dit onderscheid naar nationaliteit in de situatie van eiser wel ten volle opgaat vanaf 17 november 1998, aangezien op dat moment een definitieve negatieve beslissing op voornoemd verzoek om toelating is genomen. Het feit dat verweerster als gevolg van ontwikkelingen in de rechtspraak en tussentijdse ministeriŽle circulaires met betrekking tot dit onderwerp eerst met ingang van 25 mei 2000 tot het daadwerkelijk beŽindigen van de bijstandsuitkering is overgegaan, doet hieraan niet af. Aan de na de inwerkingtreding van de Koppelingswet ingediende verzoeken om toelating van 7 december 1998 en 13 november 1999 kan eiser, gelet op de uitspraken van de Raad, geen aanspraak op bijstand ontlenen.

Eisers beroep op artikel 11 juncto artikel 1 van het EVSMB faalt evenzeer. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 26 maart 2001 (AWB 00/11800 ABW; gepubliceerd in JABW 2001/112 [LJN AD9356, red.]) heeft geoordeeld, valt rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, niet onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het EVSMB. Het feit dat eiser de beslissing op zijn verzoeken om toelating van 7 december 1998 en 13 november 1999 in Nederland mag afwachten, op grond waarvan hij hier rechtmatig verblijf geniet in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, brengt dan ook niet mee dat hij op grond van artikel 11 van het EVSMB aanspraak op bijstand maakt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan ťťn van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




III. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.J.M. Heijs en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.G.M. van Ede.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de
Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE3551
Instantie:xxxxxxx Gerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummer: 761-H-01
Datum uitspraak: 10 april 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 92 en 99 Abw (= 61 en 61 Wwb)
Trefwoorden: verhaal; schenking; vermogen in eigen woning; gemeenschappelijke juridische eigendom; economische eigendom; onverteerde inkomsten
Essentie: Terecht verhaal op de ex-echtgenoot van een schenking gedaan door zijn bijstandsgerechte ex-echtgenote ter grootte van haar aandeel in de overwaarde van de voormalig echtelijke woning, omdat de woning, ieder voor de onverdeelde helft, de gemeenschappelijke juridische eigendom van beiden was en van de door de man gestelde economische eigendom niets is gebleken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Gerechtshof 's-Gravenhage 761-H-01




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:


[appellant], wonende te [woonplaats], verzoeker in hoger beroep, hierna te noemen: de man,
procureur: mr. J.P.H. Thissen,

tegen

gemeente Den Haag, zetelende te Den Haag, verweerder in hoger beroep, hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mevr. drs. S. van Eik.




1. Procesverloop


De man is in 2001 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Den Haag in 2001.

De gemeente heeft op 21 december 2001 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij brief van 2 oktober 2001 de stukken uit de eerste aanleg ingekomen. Voorts zijn van zijn zijde aanvullende stukken ingekomen bij brief van 26 oktober 2001.

Op 20 februari 2002 is de zaak mondeling behandeld.




2. Vaststaande feiten


Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.

De man is gehuwd geweest met [Y] (hierna te noemen: de vrouw), van 21 maart 1979 tot 17 juni 1999. Uit dit huwelijk is op 1 november 1985 een kind geboren, hierna te noemen: de minderjarige.
Tussen de man en de vrouw gold op grond van huwelijkse voorwaarden uitsluiting van gemeenschap van goederen, met verrekening van onverteerde inkomsten.

Op 2 mei 1983 hebben de man en de vrouw gezamenlijk een woning gekocht voor
É177.500,- Bij de koopakte is onder meer bepaald dat de man en de vrouw "verklaarden te hebben gekocht en bij deze in volle en vrije eigendom aan te nemen, ieder voor de onverdeelde helft: het recht van appartement, omvattende ...".

Bij akte van verdeling van 18 december 1998 is de woning aan de man toegedeeld en heeft de vrouw afstand gedaan van haar eigendomsaandeel.

De gemeente heeft bijstand aan de vrouw verleend, mede ten behoeve van de minderjarige: van 9 augustus 1999 tot en met 31 oktober 1999, van 11 november 1999 tot en met 2 december 1999, van 20 januari 2000 tot en met 18 maart 2000 en van 30 maart 2000 tot en met 21 december 2000, ter hoogte van de norm voor een alleenstaande ouder.

Met ingang van 22 december 2000 verleent de gemeente bijstand aan de vrouw naar de norm voor een alleenstaande.

Reeds tijdens het huwelijk van de partijen had de gemeente gezinsbijstand verleend, over de periode van 29 oktober 1997 tot en met 22 december 1998.

Bij verhaalsbesluit van 10 juli 2000 is de man ervan op de hoogte gesteld dat de gemeente ter zake aan de vrouw met ingang van 9 augustus 1999 verleende bijstand een bedrag van
É55.541,83 op de man verhaalt, met het verzoek dit bedrag binnen ťťn maand over te maken aan de gemeente. De man heeft geen betalingen verricht.

Bij verzoekschrift dat op 10 januari 2001 bij de rechtbank te Den Haag is ingekomen, heeft de gemeente verzocht te bepalen - gelet op artikel 92 juncto 99 Algemene bijstandswet - dat de man een bedrag van É55.541,83 aan de gemeente verschuldigd is, op grond van een schenking van de vrouw aan de man ter grootte van haar aandeel in de overwaarde van de voormalig echtelijke woning.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de gemeente toegewezen.




3. Beoordeling van het hoger beroep


1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de gemeente af te wijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten.

2. De gemeente heeft de grieven van de man gemotiveerd weersproken en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van een schenking van de vrouw aan de man doordat de vrouw ten gunste van de man afstand heeft gedaan van haar aandeel in de eigendom van de voormalig echtelijke woning.
Daartoe voert de man aan dat de woning weliswaar op beider naam was gesteld, maar dat de vrouw nimmer bedoeld heeft een vermogensaanspraak aan de woning te ontlenen. Het uitsluitende oogmerk was om de woning uit de handen van eventuele schuldeisers van het bedrijf van de man te houden. De man stelt dat de vrouw slechts juridisch eigenaar was, terwijl de economische eigendom voor 100% bij hem berustte, aangezien de koopsom, behoudens voor zover gefinancierd uit een hypothecaire lening, geheel door hem uit zijn eigen middelen is voldaan. Ook de betalingen uit hoofde van de hypotheeklening zijn door de man gedaan.
Volgens de man heeft de vrouw dan ook op goede gronden afstand gedaan van haar eigendom en heeft zij redelijkerwijze het standpunt kunnen innemen dat van een schenking richting de man geen sprake was.

4. De gemeente voert aan dat uit de koopakte onomstotelijk blijkt dat de man en de vrouw de woning in gemeenschappelijke eigendom hadden. Dat de man voor 100% economisch eigenaar zou zijn is niet alleen niet aangetoond, maar bovendien niet van belang, volgens de gemeente. Voorts stelt de gemeente dat de door de man gestelde bedoelingen van de verwerving in gemeenschappelijke eigendom van de woning niets afdoen aan de juridische eigendom.
Aangezien de vrouw wist dat het niet uitgesloten was dat zij een beroep op de Algemene bijstandswet zou moeten doen, had zij geen afstand mogen doen van haar helft van de waarde van de woning.

5. Het hof overweegt als volgt.
Vaststaat dat de woning op naam van de man en de vrouw stond en dat zij deze in gemeenschappelijke eigendom, ieder voor de onverdeelde helft, hebben verworven. Van de door de man gestelde economische eigendom is niets gebleken. Het feit dat de man aflossingen op de hypotheekschuld heeft gedaan, betekent niet dat hij voor 100% de economische eigendom heeft verworven. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit geen betalingen uit onverteerde inkomsten betrof. Ook uit de overmaking van een bedrag van 20.000,- dollar uit Egypte op de rekening van de man, welke storting volgens de man afkomstig was van zijn moeder uit Egypte voor de aankoop van het huis, blijkt niet wat de herkomst van dat geld is en dat het geen onverteerde inkomsten betreft. Uit de koopakte van de woning blijkt bovendien op geen enkele wijze dat de bedoelingen van de man en de vrouw erop gericht waren dat de man de volledige economische eigendom van de woning zou verwerven.
Voor zover de partijen andere bedoelingen hebben gehad dan uit de koopakte blijkt, kan dit niet afdoen aan het bestaan van de gemeenschappelijke juridische eigendom, ieder voor de onverdeelde helft.
Naar het oordeel van het hof is voorts uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de vrouw ten tijde van het doen van afstand van haar eigendomsrecht de noodzaak van bijstandverlening redelijkerwijze heeft kunnen voorzien, zodat de vordering van de gemeente tot verhaal van het bedrag van de schenking gegrond is. Het door de gemeente gevorderde verhaalsbedrag als zodanig is door de man niet betwist.

6. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.




4. Beslissing


Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Fockema Andreae-Hartsuiker, Pannekoek-Dubois en Duindam, bijgestaan door mr. Verkuil als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2002.




Bij afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste raadsheer.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3698
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/4819 ABW en 99/4821 NABW
Datum uitspraak: 7 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 Abw (= 3 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; broers en zussen; wederzijdse zorg; onderhoudsplicht; herzieningsverzoek; revisie; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing herzieningsverzoek om de aanmerking als gezamenlijke huishouding ongedaan te maken, omdat sprake is van evident onjuiste besluiten nu niet is gesteld of gebleken dat betrokkene en haar broer ten opzichte van elkaar, in vergelijking met de twee andere broers die met hen samenwonen, blijk geven van een bijzondere mate van zorg. Onterechte beŽindiging bijstand wegens voldoende inkomsten van de broer, omdat sprake is van woningdeling en niet van gezamenlijke huishouding, welke enkel kan bestaan tussen twee personen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/4819 ABW en 99/4821 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Als gemachtigde van appellante heeft mr. drs. W.A.Th. Hoefs, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Alkmaar, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 5 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 26 maart 2002, waar appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. Hoefs voornoemd, terwijl gedaagde zich, zoals aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante bewoont samen met drie broers de woning aan de [P]straat [...] te [woonplaats]. De huur, de vaste lasten, de verzekeringen en de kosten van de huishouding worden naar rato van de inkomsten gedeeld.

Appellante heeft van 1 maart 1993 af een uitkering ontvangen ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
Bij besluit van 26 november 1996 heeft gedaagde die uitkering met ingang van 1 juli 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde heeft in dat besluit bepaald dat appellante op grond van artikel 3 van de Abw als gehuwd met haar oudste broer [broer 1] wordt aangemerkt omdat zij met hem een gezamenlijke huishouding voert en dat haar uitkering met ingang van 1 januari 1997 dienovereenkomstig zal worden aangepast.
Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Bij besluit van 29 november 1996 heeft gedaagde de uitkering van appellante op grond van artikel 3 van de Abw met ingang van 1 januari 1997 vastgesteld op de helft van de norm voor gehuwden minus 5% omdat zij de noodzakelijke kosten van het bestaan met anderen kan delen. Gedaagde heeft daaraan toegevoegd dat indien de inkomsten uit arbeid van [broer 1] de voor hem geldende norm overschrijden, de meerinkomsten met ingang van 1 januari 1997 op de uitkering van appellante in mindering zullen worden gebracht.
Appellante heeft ook tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

Bij zijn besluit van 12 januari 1998 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Abw van appellante met ingang van 1 december 1997 ingetrokken op de grond dat de inkomsten uit arbeid van de broer van appellante, [broer 1], sedert 18 augustus 1997 hoger zijn dan de voor appellante en haar broer geldende gehuwdennorm.

Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, stellend - voor zover nog van belang - dat zij en haar broer [broer 1] geen gezamenlijke huishouding voeren omdat zij met haar drie broers samenwoont, terwijl ingevolge de Abw van een gezamenlijke huishouding slechts sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
In haar bezwaarschrift heeft appellante gedaagde tevens verzocht terug te komen van zijn hiervoor vermelde besluiten van 26 en 29 november 1996.

Bij zijn besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellante tegen het besluit van 12 januari 1998 ongegrond verklaard. Het verzoek van appellante om terug te komen van de besluiten van 26 en 29 november 1996 is daarbij niet gehonoreerd.

Het door appellante tegen het laatstvermelde onderdeel van het besluit van 25 mei 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij zijn besluit van 20 oktober 1998 als ongegrond afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door appellante tegen de besluiten van 25 mei 1998 en 20 oktober 1998 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in zoverre gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad heeft het volgende overwogen.



a. Het besluit van 20 oktober 1998

Bij dit besluit heeft gedaagde, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften ingevolge de Abw, Ioaw en Ioaz, zijn weigering gehandhaafd om terug te komen van zijn besluiten van 26 en 29 november 1996. In het bedoelde advies is die weigering als volgt gemotiveerd:
"In het bestuursrecht wordt het algemeen aanvaard dat een bestuursorgaan ten gunste van een betrokkene kan terugkomen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Volgens de jurisprudentie is deze bevoegdheid echter discretionair van aard en het bestuursorgaan kan zulks ook weigeren. Een dergelijke weigering wordt in het algemeen geŽerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat men in redelijkheid niet had mogen weigeren het eerdere besluit ongedaan te maken.
Daarbij kan gedacht worden aan strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur dan wel evidente missers. In het onderhavige geval is er geen sprake van feiten of omstandigheden die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld dan wel van evidente onjuistheden van de genomen besluiten.
Wat in het beroepschrift naar voren is gebracht, was al bekend ten tijde van zowel het primaire besluit als van het besluit op het bezwaarschrift.
De besluiten waarvan herziening wordt gevraagd, waren evenmin in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De sociale dienst blijft van mening dat de gemeente de ruimte heeft om te bepalen dat (in dit geval) de oudste broer en zuster een gezamenlijke huishouding vormen en dat de twee andere broers geacht worden in te wonen. Het kan bovendien nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest om binnen een groep van meer dan twee personen, die stellen met elkaar een gezamenlijke huishouding te voeren, ieder persoon afzonderlijk als alleenstaande aan te merken en, in voorkomende gevallen, uitkering als alleenstaande te verstrekken."

De Raad is van oordeel dat het besluit van 20 oktober 1998 niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde, hiervoor aangehaalde motivering, omdat de besluiten van 26 en 29 november 1996 evident onjuist zijn wegens strijd met artikel 3, tweede lid (oud), van de Abw.

Ingevolge die bepaling is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Appellante heeft niet alleen met haar broer [broer 1], maar ook met haar broers [broer 2] en [broer 3] hoofdverblijf in dezelfde woning, waarbij tevens sprake is van het delen van diverse kosten en het in enige mate zorgdragen voor elkaar.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Abw kan zich de situatie voordoen dat twee personen, getoetst aan de beoordelingscriteria van artikel 3, tweede lid (oud), van de Abw, een gezamenlijke huishouding voeren, ůůk indien nog ťťn of meer andere personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Voorwaarde is dan wel dat die twee personen ten opzichte van elkaar blijk geven van een mate van zorg die niet aanwezig is ten opzichte van de andere persoon of personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.

In het onderwerpelijke geval is echter niet gesteld of gebleken dat appellante en haar broer [broer 1] ten opzichte van elkaar, in vergelijking met de twee andere broers die met hen samenwonen, blijk geven van een bijzondere mate van zorg, zoals gedaagde kennelijk meent. Appellante en haar broer [broer 1] kunnen dan ook niet geacht worden een gezamenlijke huishouding in de zin van de wet te voeren. Daarbij zij aangetekend dat, anders dan gedaagde van mening is, artikel 3, tweede lid (oud), van de Abw de gemeentebesturen niet de ruimte biedt om, wanneer meer dan twee personen op min of meer gelijke voet hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, aan de hand van andere dan de wettelijke criteria, zoals in casu op grond van leeftijd, te bepalen wie een gezamenlijke huishouding voert en wie alleenstaande is.

Gelet op het vorenoverwogene dient het besluit van 20 oktober 1998 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.



b. Het besluit van 25 mei 1998

De Raad stelt vast dat, gezien de hiervoor onder a gegeven overwegingen, de grondslag aan dit besluit, waarbij de intrekking van de uitkering van appellante is gehandhaafd op de grond dat de inkomsten van haar broer [broer 1] de uitkeringsnorm voor gehuwden overschrijden, is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd.

De aangevallen uitspraak komt, voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten van 25 mei 1998 en 20 oktober 1998 ongegrond zijn verklaard, eveneens voor vernietiging in aanmerking.

Appellante heeft ten slotte nog verzocht gedaagde op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade die appellante stelt te hebben geleden.

Dienaangaande is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat gedaagde, met inachtneming van de uitspraak van de Raad, nadere besluiten op de bezwaren van appellante moet nemen. De Raad heeft daarbij onvoldoende inzicht in de omvang van de door appellante geleden schade. Wel zal gedaagde bij de voorbereiding van de nadere besluitvorming ter uitvoering van 's Raads uitspraak van heden tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
Ä966,- in beroep en op Ä644,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten van 25 mei 1998 en 20 oktober 1998 gegrond en vernietigt die besluiten;
bepaalt dat gedaagde nadere besluiten neemt op de bezwaarschriften van appellante met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
Ä1610,-, te betalen door de gemeente Den Helder aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Den Helder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal
Ä127,06 (É280,-), vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.




Tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / WW
x
LJN:
x
AE3704
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/5701 NABW
Datum uitspraak: 7 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 Abw (= 11 Wwb) / 31 WW
Trefwoorden: inkomsten; WW-voorschotten; terugvordering; weigering bijstand met terugwerkende kracht
Essentie: Terechte afwijzing bijstand met terugwerkende kracht, omdat betrokkene in de periode in geding WW-voorschotten heeft ontvangen en aldus beschikte over voldoende middelen van bestaan; de omstandigheid dat de voorschotten nadien zijn teruggevorderd, doet daar niets aan af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/5701 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 5 oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, heeft zich als gemachtigde van appellant gesteld en bij schrijven van 27 april 2001 de gronden voor het beroep aangevuld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2002, waar namens appellant is verschenen mr. Klinkert, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suykerbuyk, werkzaam bij de gemeente Drimmelen.




II. Motivering


Aan de aangevallen uitspraak - waarin voor eiser en verweerder moet worden gelezen appellant en gedaagde - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.
"Nadat eiser op 16 september 1997 werkloos werd, ontving hij vanaf de eerste werkloosheidsdag tot en met 28 maart 1999 voorschotten van het GAK in het kader van de WW, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag om een WW-uitkering.
Bij besluit van 10 mei 1999 is de WW-aanvraag afgewezen omdat eiser verwijtbaar werkloos werd geacht. Daarbij is overwogen dat eisers protest tegen het ontslag op staande voet niet geleid heeft tot intrekking van het ontslag noch tot loondoorbetaling.
Bij besluit van 11 mei 1999 zijn de onverschuldigd betaalde voorschotten over de periode vanaf 17 september 1997 tot en met 28 maart 1999 - in totaal
É49.802,22 bruto - van hem teruggevorderd.
Eiser heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.
Na zich op 12 mei 1999 bij verweerder gemeld te hebben, heeft eiser op 23 juni 1999 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) voor de periode van 15 september 1997 tot en met 31 december 1997. Dit is de periode waarin hij woonachtig was in de gemeente Drimmelen.
Bij besluit van 12 juli 1999 (hierna: primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beschikt op deze aanvraag, onder verwijzing naar artikel 7, eerste lid, van de Abw.
Verweerder stelt dat eiser over de gehele voornoemde periode middelen heeft gehad om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat de WW-uitkering ten onrechte is verstrekt en dat deze wordt teruggevorderd, doet hier niets aan af, aldus verweerder.
Tegen het primaire besluit heeft eiser bij brief van 20 juli 1999 bezwaar aangetekend. Op 19 augustus 1999 vond er in dit verband een hoorzitting plaats.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaarschrift ongegrond verklaard."

De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit van 2 september 1999, waarbij gedaagde de bezwaren tegen de afwijzing van de aanvraag van appellant om bijstand over de periode van 16 september 1997 tot 2 januari 1998 ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden. Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.

De Raad overweegt dat tussen partijen vaststaat dat appellant ten tijde hier in geding een voorschot op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving ter hoogte van ten minste de toepasselijke bijstandsnorm. Derhalve beschikte appellant in het hier in geding zijnde tijdvak over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant heeft zich erop beroepen dat hij gelet op het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 11 mei 1999 van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) gehouden is de ontvangen voorschotten terug te betalen, aan welke verplichting hij inmiddels deels heeft voldaan. De Raad kan aan deze omstandigheid evenwel niet die betekenis toekennen die appellant daaraan kennelijk gehecht wil zien. De omstandigheid dat naderhand een terugbetalingsverplichting is ontstaan jegens het Lisv brengt naar het oordeel van de Raad niet mee dat het karakter van de aan appellant destijds uitbetaalde voorschotten achteraf anders dient te worden beoordeeld.
Naar aanleiding van hetgeen verder namens appellant naar voren is gebracht, merkt de Raad op dat het in dit geding gaat om de vraag of appellant in het betrokken tijdvak over voldoende middelen van bestaan om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft beschikt en dat niet aan de orde is de vraag of appellant verzuimd heeft tijdig een aanvraag ingevolge de Abw in te dienen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3712
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3200 NABW
Datum uitspraak: 7 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13, 17, 33, 38 en 39 Abw (= 18, 15, 25, 30 en 35 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; onderhuurder; gederfde huursubsidie; onderhuurprijs; Huurprijzenwet woonruimte; bijzondere bijstand; woonkostentoeslag; voorliggende voorziening; gemeentelijke verordening; individualisering; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om verhoging van de toeslag (in verband met onderhuur vastgesteld op 5% WML), omdat in dit individuele geval, in afwijking van de gemeentelijke verordening, de toeslag hoger dient te worden vastgesteld nu vanwege de onderhuur huursubsidie wordt gederfd en geen hogere onderhuurprijs kan worden bedongen. Woonkostentoeslag, waarbij de Huursubsidiewet i.c. geen toereikende voorliggende voorziening is, is dan niet meer aan de orde.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3200 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. J.M.G. Cox, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 29 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft vervolgens daarop gereageerd.

Gedaagde heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 februari 2002, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, die een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangt, is huurster van een vierkamerwoning met een kale huur van (ten tijde van belang)
É606,45 en É30,42 servicekosten per maand. Zij verhuurt aan mevrouw [A] (hierna: [A]) een kamer voor É200,40 per maand en É50,- als bijdrage in de kosten van water en energie. In verband hiermee ontvangt zij minder huursubsidie doordat op de subsidiabele huur een aftrek van 25% wordt toegepast.
Tot 1 september 1996 is op de uitkering van appellante op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) een korting toegepast, welke korting vanaf 8 april 1991 met toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Bln is verminderd met het bedrag van de door appellante in verband met de onderverhuur gederfde huursubsidie.
Bij besluit van 21 augustus 1996 is de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 1 september 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Appellante is een uitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend, verhoogd met een toeslag van 5% van het wettelijk minimumloon, omdat zij geacht werd zowel de woonkosten als de overige woonkosten te delen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij besluit van 30 september 1997 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 4 augustus 1997 heeft appellante, voor zover hier van belang, verzocht om toekenning van een hogere toeslag, dan wel om bijzondere bijstand in verband met gederfde huursubsidie.

Gedaagde heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten bij besluit van 29 september 1997 afgewezen op de grond dat voor het gevraagde een voorliggende voorziening bestaat, te weten de Huursubsidiewet, dat deze voorziening passend en toereikend wordt geacht en dat niet van dringende redenen is gebleken om van dit uitgangspunt af te wijken.

Appellante heeft tegen het besluit van 29 september 1997 bezwaar gemaakt; deze bezwaren betreffen de afwijzing van de bijzondere bijstand alsmede het uitblijven van een besluit op haar verzoek om een hogere toeslag.

Bij besluit van 3 februari 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag om een hogere toeslag gegrond verklaard en deze aanvraag alsnog afgewezen en het bezwaar tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor woonkosten ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 3 februari 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellante gemotiveerd bestreden. Appellante meent in aanmerking te komen voor een hogere toeslag dan wel voor bijzondere bijstand. Daartoe is onder meer aangevoerd dat zij door de samenloop van derving van huursubsidie (
É152,- in plaats van É295,50 per maand) en de beperking van de toeslag tot 5% maandelijks É220,- tekortkomt en voorts dat zij van [A] geen hogere bijdrage in de woonkosten kan bedingen, nu zowel de huurprijs als de overige betalingsverplichtingen van [A] in overeenstemming zijn met de Huurprijzenwet woonruimte. Appellante meent dat in haar geval ten onrechte individualisering met toepassing van artikel 38, vierde lid, in verbinding met artikel 13 van de Abw achterwege is gebleven.

Met betrekking tot de hoogte van de toeslag overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Abw verhogen burgemeester en wethouders voor een alleenstaande, of een alleenstaande ouder, van 21 jaar of ouder de bijstandsnorm met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw (Kamerstukken II 1993-1994, nr. 18, blz. 30) is de aanvulling als bedoeld in artikel 33 geen vrijblijvende bevoegdheid van de gemeenten, maar een uitdrukkelijke verantwoordelijkheid om de bijstand op een zodanig bedrag vast te stellen dat in de noodzakelijke bestaanskosten is voorzien.
Artikel 38, eerste lid, van de Abw bepaalt dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke categorieŽn de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

Ter uitvoering van artikel 38 van de Abw heeft de raad van de gemeente Eindhoven de Verordening toeslagen en verlagingen Abw (hierna: de verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de verordening wordt, indien een huurwoning wordt bewoond, onder woonkosten verstaan: de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet. Blijkens artikel 1, aanhef en onder j, van de verordening en de toelichting op deze bepaling worden tot de overige woonkosten onder meer gerekend de kosten van verzekeringen en belastingen verbonden aan een woning, de kosten van de kabelaansluiting, vastrecht van de nutsbedrijven, van een telefoonabonnement, luister- en kijkgeld en de kosten van duurzame gebruiksgoederen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, in verbinding met artikel 3, zesde lid, aanhef en onder c, van de verordening bedraagt de toeslag 5% van de norm, genoemd in artikel 30, onderdeel c, van de wet (het wettelijk minimumloon), indien zowel de woonkosten als de overige woonkosten kunnen worden gedeeld.

De Raad stelt vast dat appellante een deel van haar woning onderverhuurt en zowel de woonkosten als (althans een deel van) de overige woonkosten met [A] kan delen. Dit betekent dat in het geval van appellante artikel 3, zesde lid, aanhef en onder c, van de verordening van toepassing is. De Raad merkt daarbij op dat niet bepalend is of de woonkosten en de overige woonkosten door appellante en [A] feitelijk worden gedeeld, maar dat die kosten kunnen worden gedeeld. De Raad merkt in dit verband voorts op dat de verordening overeenkomstig artikel 38 van de Abw uitgaat van een categoriale benadering, waarbij ervan wordt uitgegaan dat personen die met anderen een woning bewonen in beginsel kosten kunnen delen en dat in dat kader geen plaats is voor een op de persoon gerichte individuele beoordeling.

Deze vaststelling laat echter onverlet dat gedaagde op grond van artikel 13 van de Abw de bijstand afwijkend dient vast te stellen als de individuele omstandigheden van de betrokkene daartoe aanleiding geven. De Raad wijst in dit verband tevens op artikel 38, vierde lid, van de Abw, waarin is bepaald dat verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag plaatsvindt onverminderd artikel 13, eerste lid, van de Abw.

Ter zake komt uit de gedingstukken naar voren dat appellante aanspraak had op huursubsidie ter hoogte van
É152,- per maand. Als gevolg van de onderverhuur van een kamer aan [A] is daarbij een met 25% verlaagde rekenhuur tot uitgangspunt genomen met als effect dat zij een aanzienlijk lagere huursubsidie ontvangt dan wanneer van onderverhuur geen sprake was geweest.
Daarnaast is er bij de vaststelling van de toeslag in feite van uitgegaan dat appellante in verband met de inwoning van [A] schaalvoordelen kan hebben ter hoogte van 9% + 6% = 15% van het minimumloon voor de dekking van woonkosten en overige woonkosten, met als effect dat haar toeslag op een vierde deel van het in artikel 33, tweede lid, van de Abw genoemde maximumbedrag is gesteld.

De Raad stelt vast dat deze - cumulatief werkende - effecten in het geval van appellante tot een resultaat leiden waarin niet langer kan worden aangenomen dat de toepasselijke bijstandsnorm verhoogd met een toeslag van 5% zodanig is dat in de noodzakelijke bestaanskosten is voorzien.

Gedaagde heeft zijn in dit verband betrokken stelling dat appellante voor de door [A] gehuurde kamer een zodanige huur kan verlangen dat daarmee zowel de lagere toeslag als de gederfde huursubsidie kan worden opgevangen niet met concrete gegevens onderbouwd. De Raad ziet in de gedingstukken evenmin een toereikende grondslag voor het oordeel dat de overeengekomen huurprijs en bijdrage in de kosten van water en energie voor het gebruik van ťťn kamer met gebruik van badkamer niet als reŽel kan worden beschouwd. In dit verband heeft de gemachtigde van appellante terecht gewezen op de beperkingen die voortvloeien uit het bepaalde bij en krachtens de Huurprijzenwet woonruimte. Anders dan gedaagde is de Raad van oordeel dat hieraan niet voorbij kan worden gezien indien de mogelijkheden en middelen van betrokken bijstandsgerechtigde moeten worden beoordeeld.

Het vorenstaande brengt mee dat gedaagde in de individuele omstandigheden van appellante aanleiding had moeten vinden om met toepassing van artikel 13 van de Abw de toeslag in afwijking van artikel 3 van de verordening op een hoger bedrag vast te stellen.

Het besluit van 3 februari 1998, voor zover daarbij is geweigerd de toeslag op een hoger bedrag vast te stellen, komt dan ook op dit onderdeel wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot de bij het besluit van 3 februari 1998 gehandhaafde afwijzing van bijzondere bijstand in de woonkosten merkt de Raad op dat in het licht van het boventaande thans niet als juist kan worden aanvaard dat de Huursubsidiewet voor appellante geacht kan worden een toereikende en passende voorziening te zijn. Op basis van de nu beschikbare gegevens kan niet als vaststaand worden aangenomen dat het totale inkomen van appellante gelijk of hoger zou kunnen zijn dan het minimuminkomensijkpunt voor een eenpersoonshuishouden, genoemd in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huursubsidiewet. Dit is de som van de bedragen, bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, onder a, en 33, tweede lid, van de Abw (de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder en het bedrag van de maximale toeslag).

Dit betekent dat artikel 17, eerste lid, van de Abw onder de gegeven omstandigheden geen toereikende grondslag biedt voor de weigering van bijzondere bijstand in de woonkosten van appellante en dat het besluit van 3 februari 1998 in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.
Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, komt voor vernietiging in aanmerking.

Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De Raad tekent daarbij aan dat, gelet op de nu voorhanden gegevens, in het geval van appellante met een verhoging van de toegekende toeslag zou kunnen worden volstaan.

De gemachtigde van appellante heeft verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb. Dit verzoek komt thans niet voor toewijzing in aanmerking omdat de Raad onvoldoende inzicht heeft in de vraag in welke omvang er van vertragingsschade sprake is, nu nog niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht - ten slotte - termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
Ä644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, voor zover aangevochten;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
Ä644,-,
te betalen door de gemeente Eindhoven;
bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
Ä104,37 (É230,- ) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x