Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3724
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/5835 NABW
Datum uitspraak: 29 april 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 3:2 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; meerkosten dieet; normdieet; individualisering; zorgvuldigheid
Essentie: Onjuiste wijze van vaststelling bedrag bijzondere bijstand voor meerkosten diëten, omdat niet dient te worden uitgegaan van de optelsom van normdiëten, maar van de kosten in het individuele geval.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/5835 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 14 september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd 99/3306 NABW en 00/5832 NABW, behandeld ter zitting van 19 maart 2002.
Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente Den Haag. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 26 augustus 1998 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de kosten van het door haar gevolgde dieet. Blijkens het dieetvoorschrift van haar behandelend arts dient zij in verband met voedselintoleranties een benzoëzuur-, AZO-kleurstoffen- en salicylatenvrij, koemelkvrij, lactosevrij en biogene aminenbeperkt dieet te volgen.
Bij besluit van 29 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellante over de periode van 25 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1999 bijzondere bijstand voor dieetkosten toegekend tot een bedrag van ƒ300,- per maand.

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft gedaagde de door appellante tegen het besluit van 29 oktober 1998 ingediende bezwaren in zoverre gegrond verklaard dat haar ook over de periode van 19 juni 1997 tot en met 24 augustus 1998 ƒ300,- per maand bijzondere bijstand voor dieetkosten wordt verstrekt.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 25 juni 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

Kern van het geschil tussen partijen vormt de vraag of gedaagde de - als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw aan te merken - meerkosten van het door appellante gevolgde dieet op goede gronden heeft vastgesteld op een bedrag van ƒ300,- per maand.

Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde na consultatie van een GGD-arts de meerkosten van het dieet van appellante vastgesteld aan de hand van het Werkboek Abw van gedaagde. Daarbij zijn de volgens dit werkboek bij de normdiëten behorende genormeerde meerkosten op maandbasis, te weten ƒ45,- voor een benzoëzuur-, AZO-kleurstoffen en salicylatenvrij dieet, ƒ120,- voor een koemelkvrij dieet en ƒ135,- voor een lactosevrij dieet bij elkaar opgeteld, met als resultaat een bedrag van ƒ300,- per maand. Ten aanzien van het tevens voorgeschreven biogene aminenbeperkt dieet stelt gedaagde zich op het standpunt dat niet gebleken is dat dit dieet meerkosten meebrengt. De eventuele meerkosten van een dergelijk dieet zijn volgens gedaagde nog niet uit wetenschappelijk onderzoek gebleken.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 maart 1996, gepubliceerd in JABW 1996, 119, overweegt de Raad dat het combinatiedieet dat appellante als gevolg van meerdere voedselintoleranties dient te volgen geen eenvoudige optelsom is van twee of meer normdiëten, maar de uitkomst van een door middel van het volgens de regels van de dieetleer ineenschuiven van deze normdiëten, zodat een voor alle diagnosen verantwoord en op de persoon toegesneden dieet resulteert. De kosten welke aan het aldus samengestelde dieet zijn verbonden, dienen vervolgens te worden berekend en afgezet tegen de kosten van de zogenaamde referentievoeding. De Raad voegt hieraan toe dat de hiervoor beschreven methode kan, maar niet noodzakelijkerwijs behoeft te resulteren in een hoger bedrag aan meerkosten dan de som van de kosten van de normdiëten.

Aangezien gedaagde bij de voorbereiding van het bestreden besluit verzuimd heeft de hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende meerkosten vast te stellen op basis van een kostenberekening als hiervoor omschreven, is dit besluit naar het oordeel van de Raad niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen, zodat het wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

Het is nu aan gedaagde om met het oog op het nieuw te nemen besluit op bezwaar een nader advies aan te vragen dat is toegesneden op de specifieke situatie van appellante en op basis daarvan het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende dieetkosten opnieuw vast te stellen.

Namens appellante is verzocht gedaagde te veroordelen in de vergoeding van de schade aan de kant van appellante ex artikel 8:73 van de Awb. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en dat gedaagde een nader besluit dient te nemen. Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade, die overigens door appellante niet nader is toegelicht, uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nader besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag of en in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
€966,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
966,-, te betalen door de gemeente Den Haag;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal
104,37 (ƒ230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wet BMT / Awb
x
LJN:
x
AE3731
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/2281 NABW en 00/2307 NABW
Datum uitspraak: 21 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb) / XVI Wet BMT / 8:72 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; sollicitatieverplichting; werkweigering; Melkert-1-baan; gesubsidieerde arbeid; recidive
Essentie: Terechte oplegging maatregel van 10% gedurende één maand wegens niet solliciteren en maatregel van 20% gedurende twee maanden (verzwaard in verband met recidive) wegens weigering van een Melkert-1-baan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/2281 NABW en 00/2307 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 24 maart 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 21 maart 2002 heeft appellant nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. Motivering


De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die de rechtbank in rubriek 3 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.

Ter uitvoering van een eerder door de rechtbank gewezen uitspraak van 20 november 1998 heeft gedaagde op 27 april 1999 een nieuw besluit op bezwaar genomen met betrekking tot een tweetal aan appellant opgelegde kortingsmaatregelen. De eerste aan appellant opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand met 10% met ingang van 1 juli 1997 voor de duur van één maand op de grond dat appellant niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (besluit 1). De tweede aan appellant opgelegde korting betreft een verlaging van de bijstand met 20% voor de duur van twee maanden met ingang van 1 december 1997 op de grond dat appellant, nadat hij eerder niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, door zijn gedragingen de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd (besluit 2). Bij voormeld besluit van 27 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar tegen de vorengenoemde kortingen ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep dat was gericht tegen besluit 1 gegrond verklaard en heeft met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de ingangsdatum van de maatregel moet worden vastgesteld op 1 augustus 1997. Het beroep dat gericht was tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

Appellant heeft de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep betwist. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat gedaagde terecht kortingen op appellants uitkering toegepast.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot besluit 1

De Raad stelt eerst vast dat gedaagde als tijdvak voor de beoordeling van de maatregel in aanmerking heeft genomen appellants gedragingen in de periode van 23 december 1996 tot 23 juni 1997 en de maatregel heeft gehandhaafd op basis van de vanaf 1 juli 1997 geldende tekst van artikel 14 van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit). Ingevolge artikel XVI, eerste lid, van de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) had gedaagde echter gelet op het vorengenoemde tijdvak de tot 1 juli 1997 geldende tekst van artikel 14 van de Abw en het op deze bepaling gebaseerde Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Sanctiebesluit) aan zijn beoordeling ten grondslag moeten leggen. Dit leidt tot de conclusie dat het besluit van 27 april 1999 voor zover dat betrekking heeft op besluit 1 wegens strijd met de wet niet in stand kan worden gelaten.

De Raad acht niettemin termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten. Hij overweegt daartoe het volgende.

Artikel 14, tweede lid, onderdeel a, (oud) van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, burgemeesters en wethouders de bijstand in afwijking van hoofdstuk IV van deze wet lager vaststellen.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant bij zijn aanvraag van 23 juni 1997 geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij sollicitaties heeft verricht. Door appellant is gesteld dat hij bij een taxibedrijf heeft gesolliciteerd, maar ook van deze sollicitatie heeft appellant geen stukken overgelegd. Gelet op het vorenstaande moet het er, naar het oordeel van de Raad, voor worden gehouden dat appellant ten tijde hier van belang niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. De enkele omstandigheid dat appellant zich tijdig heeft aangemeld bij het arbeidsbureau als werkzoekende geeft onvoldoende aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

De Raad onderschrijft derhalve het standpunt van gedaagde dat appellant tijdens de in de hier van belang zijnde periode niet naar vermogen heeft getracht om arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en voorts dat dit hem valt te verwijten.

Uit het bepaalde in artikel 14, tweede lid, onderdeel a, en zesde lid, (oud) van de Abw en artikel 3, onderdeel 2, subonderdeel a, en artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Sanctiebesluit volgt dat in geval van het in onvoldoende mate trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen de uitkering in beginsel wordt verlaagd met 10% voor de duur van één maand. Aan de Raad is niet gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel te matigen met toepassing van artikel 14, derde lid, (oud) van de Abw.

Met betrekking tot besluit 2

In artikel 113, eerste lid, onderdeel d, (oud) van de Abw is voor de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking onder meer de verplichting opgenomen om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.
Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

Uit de gedingstukken blijkt dat met appellant op 30 oktober 1997 in een intakegesprek de mogelijkheden voor een zogenoemde "Melkert-1-baan" zijn besproken, in welk gesprek appellant zou hebben aangegeven zich niet beschikbaar te stellen voor een dergelijke baan omdat deze hem geen of onvoldoende financieel voordeel zou opleveren. Uit een brief van Werkraat van 3 november 1997 blijkt dat vorengenoemde opstelling van appellant aanleiding was te concluderen dat appellant een zogeheten "niet-willer" is, waardoor hij zichzelf in de omstandigheden heeft gebracht dat inschakeling in arbeid ernstig wordt bemoeilijkt of onmogelijk wordt gemaakt. De Raad heeft in hetgeen appellant hiertegen heeft aangevoerd geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de door Werkraat weergegeven feiten en kan zich derhalve verenigen met de door deze getrokken conclusie. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant zelf in een zogeheten arbeidsbemiddelingsbijlage heeft aangegeven - hetgeen hij ook ter zitting van de Raad heeft bevestigd - dat hij zich niet beschikbaar stelt voor een, zoals hij dat noemt, "gefinancierde armoedebaan".

Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad het standpunt van gedaagde dat appellant - nadat hij eerder in onvoldoende mate heeft getracht arbeid te verkrijgen - ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces eisen heeft gesteld die het aanvaarden van passende arbeid belemmeren.

Uit het bepaalde in artikel 14, eerste en vijfde lid, van de Abw en artikel 3, aanhef en onder 3, subonderdeel a, en 5, eerste lid, onderdeel c, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) volgt dat in geval van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren de uitkering in beginsel wordt verlaagd met 20% voor de duur van één maand. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen met betrekking tot besluit 1 is de Raad tevens van oordeel dat gedaagde een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit door de duur van de opgelegde verlaging van de bijstand te verlengen met één maand. Aan de Raad is voorts niet gebleken dat de omstandigheden van appellant en de mate van verwijtbaarheid gedaagde aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw te matigen.
Daartoe merkt de Raad nog op dat in hetgeen appellant als rechtvaardiging voor zijn weigerachtige opstelling ten aanzien van arbeidsinschakeling in Melkert-1-banen heeft gegeven geen grond is te vinden om de verweten gedragingen hem in mindere mate aan te rekenen.

De Raad acht geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

met betrekking tot besluit 1:
vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het inleidende beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 27 april 1999;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€77,14 (ƒ170,-) vergoedt;

met betrekking tot besluit 2:
bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3732
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3899 NABW en 99/3900 NABW
Datum uitspraak: 14 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 10, 29 en 39 Abw (= 12, 20 en 35 Wwb) / 3:4, 4:84 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; aanvulling bijstand jongmeerderjarige naar 21-jarigennorm; noodzakelijke bestaanskosten; gemeentelijk beleid; belangenafweging
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand ter verhoging naar de gehuwdennorm (beide echtgenoten 21 jaar of ouder) van het normbedrag voor gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder, omdat er geen noodzaak was voor uitwonend zijn en het hebben van noodzakelijke bestaanskosten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm. Het gemeentelijk beleid ter zake is in strijd met de wet, daar het geen afweging van individuele belangen toelaat.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3899 NABW en 99/3900 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, appellant,

en

[gedaagde A] en [gedaagde B], beiden wonende te [woonplaats], gedaagden.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 15 april 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagden heeft mr. G. Bosch, advocaat te Amersfoort, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vragen beantwoord; appellant heeft een tweetal afschriften uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn, werkzaam bij de gemeente Amersfoort, en waar gedaagden in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Bosch.




II. Motivering


Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Gedaagde [gedaagde A], geboren [...] 1970, woonde in een asielzoekerscentrum in Utrecht. Hij trad op 17 maart 1997 in het huwelijk met gedaagde [gedaagde B], geboren [...] 1977, die bij haar ouders in Utrecht woonde. [Gedaagde B] bleef na de huwelijksvoltrekking bij haar ouders wonen tot 20 december 1997, toen zij samen met [gedaagde A] ging wonen op het adres [P]straat [...] te [woonplaats].
Appellant heeft bij besluit van 8 januari 1998 gedaagden een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend met ingang van 3 december 1997, de datum waarop aan [gedaagde A] de woning in [woonplaats] was toegewezen. De bijstandsnorm werd daarbij met toepassing van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw, vastgesteld op
ƒ1343,91. Dit is het op laatstgenoemde datum geldende normbedrag voor gehuwden waarvan één echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder.

Namens gedaagden is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Volgens de gemachtigde van gedaagden had toepassing moeten worden gegeven aan artikel 10 van de Abw. Appellant heeft dit bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 9 april 1998. Die ongegrondverklaring steunt in hoofdzaak op het standpunt van appellant dat op grond van de door hem gehanteerde beleidsregels verstrekking van bijzondere bijstand ingevolge artikel 10 van de Abw slechts in drie situaties mogelijk is en dat [gedaagde B] niet in één van deze situaties verkeert. Deze situaties zijn als volgt door appellant in die beleidsregels omschreven:
- indien de cliënt op het moment dat recht op bijstand ontstaat reeds langer dan één jaar niet meer bij zijn of haar ouders woont;
- indien de ouder(s) van de cliënt zijn overleden of in het buitenland wonen;
- indien de cliënt in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezinsverband is geplaatst.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 9 april 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het beleid van appellant inzake de toepassing van artikel 10 van de Abw in beginsel geacht kan worden te blijven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, maar dat niet is gebleken dat appellant heeft onderzocht of er in het geval van gedaagden sprake was van bijzondere omstandigheden. Het bestreden besluit is daarom, aldus de rechtbank, mede gelet op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in strijd met het in artikel 3:4 van die wet neergelegde vereiste van zorgvuldige belangenafweging.

Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 10 van de Abw luidt als volgt:
"Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft slechts recht op bijzondere bijstand voor zover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken."

In zijn uitspraak van 27 juni 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/198, heeft de Raad reeds overwogen dat bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten van een jongmeerderjarige op het bijstandverlenend orgaan de plicht rust zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager en dat dit orgaan daarbij onder andere in aanmerking kan nemen of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet noodzakelijk is. Een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager is dan ook nodig.

Dit is niet anders in een situatie als de onderhavige, waarin een aanvraag om gezinsbijstand wordt gedaan zowel door een zelfstandig wonende man ouder dan 21 jaar als door zijn echtgenote, die ten tijde van de aanvraag jonger is dan 21 jaar, na haar huwelijk bij haar ouders is blijven wonen, maar voornemens is om samen met haar echtgenoot op één adres te gaan wonen. Ook hier is een onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvragers nodig, zodat onder meer naar de omstandigheden ten tijde van de feitelijke aanvang van de samenwoning beoordeeld kan worden of de zelfstandige huisvesting van deze jongmeerderjarige noodzakelijk is.

Blijkens de gedingstukken houdt het door appellant vastgestelde beleid ter zake van de toepassing van artikel 10 van de Abw in dat toepassing van dat artikel slechts mogelijk is indien de jongmeerderjarige in één van de drie hierboven omschreven situaties verkeert. Aldus wordt echter naar het oordeel van de Raad de strekking van artikel 10 van de Abw miskend. Er kunnen zich wel degelijk ook buiten de door appellant omschreven situaties omstandigheden voordoen waarin de noodzaak van uitwonend zijn van een jongmeerderjarige en het hebben van noodzakelijke bestaanskosten die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm aan de orde is. Verwezen wordt in dit verband nog naar de uitspraak van 4 juni 1996, gepubliceerd in JABW 1996/172, met betrekking tot de toepassing van artikel 1, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet en artikel 5 van het Bijstandsbesluit landelijke normering.
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het beleid van appellant in strijd is met artikel 10 van de Abw en dat het op grond daarvan genomen besluit van 9 april 1998 terecht, zij het niet op een juiste grond, is vernietigd.

Het is de Raad voorts niet ontgaan dat het aan gedaagden toegekende recht op gezinsbijstand reeds is toegekend met ingang van 3 december 1997 ondanks het tevoren aan appellant gemelde feit dat tot het moment dat de woning in [woonplaats] volledig zou zijn ingericht [gedaagde B] nog bij haar ouders in Utrecht zou verblijven en [gedaagde A] in het asielzoekerscentrum. De gemachtigde van gedaagden heeft desgevraagd meegedeeld dat zij op 20 december 1997 feitelijk op het adres [P]straat [...] te [woonplaats] zijn gaan wonen.

Op grond van alle thans ter beschikking staande gegevens is de Raad niet tot de overtuiging kunnen komen dat op 20 december 1997 reeds sprake was van een zodanig ernstige situatie dat van [gedaagde B] niet langer gevergd kon worden dat zij nog tijdelijk bij haar ouders bleef wonen en dat de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgingen boven de op die datum voor gedaagden toepasselijke bijstandsnorm. De Raad heeft in dit verband ook acht geslagen op de correcties die ter zitting door de gemachtigde van appellant zijn gemaakt bij het in bezwaar door de gemachtigde van gedaagden overgelegde overzicht van kosten. Die correcties zijn niet weersproken. Het overzicht van kosten is ook niet nader met bewijsstukken door gedaagden onderbouwd. De gemachtigde van appellant heeft er voorts nog op gewezen dat naast de toegekende algemene bijstand ook afzonderlijk bijzondere bijstand voor diverse kosten is toegekend, dit laatste - naar de Raad aanneemt - met toepassing van artikel 39 van de Abw.

Hetgeen van de zijde van gedaagden is aangevoerd, acht de Raad ontoereikend om tot een ander oordeel te komen. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat de relatie van [gedaagde A] met de ouders van [gedaagde B] slecht was - nadere gegevens hierover ontbreken in het dossier - dan betekent dat nog niet dat voortzetting van het verblijf van [gedaagde B] bij haar ouders vanaf 20 december 1997 niet langer redelijkerwijs van haar gevergd kon worden. Het feit dat [gedaagde B] toen zwanger was en in april 1998 een kind verwachtte, acht de Raad, mede gezien de al langer bestaande situatie van afzonderlijke huisvesting, niet zodanig bijzonder dat op grond daarvan gezegd zou moeten worden dat zelfstandige huisvesting in de woning van haar echtgenoot in [woonplaats] vanaf 20 december 1997 noodzakelijk was.

De situatie na de geboorte van het kind van gedaagden staat in dit geding niet ter beoordeling van de Raad, omdat die wijziging in de gezinssituatie voorwerp is geweest van afzonderlijke besluitvorming van appellant en tot toekenning van een hoger bedrag aan algemene bijstand aan gedaagden heeft geleid. De vraag of zij samen met hun kind in de woning van de ouders van [gedaagde B] hadden kunnen wonen, is in dit geding dan ook niet aan de orde.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar acht de Raad hier niet aangewezen. Wel is er gelet op het hiervoor overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten en voorts om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep. De kosten worden begroot op
€805,- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagden in hoger beroep tot een bedrag van
805,-, te betalen door de gemeente Amersfoort;
bepaalt dat van de gemeente Amersfoort een recht van
327,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE3799
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3306 NABW
Datum uitspraak: 29 april 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 39 Abw (= 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten diëtistenconsult; toegelaten instelling voor dieetadvisering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten diëtistenconsult, omdat geen gebruik wordt gemaakt van een toegelaten instelling voor dieetadvisering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3306 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. B.J. van Dorp, advocaat te Voorburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 21 mei 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Vervolgens heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd 00/5832 NABW en 00/5835 NABW, behandeld ter zitting van 19 maart 2002. Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente Den Haag.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is in verband met diverse voedselallergieën door haar behandelend arts verwezen naar een diëtiste. Op 19 juni 1997 heeft zij een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in onder meer de kosten van consulten door "Vlieg en Melse diëtisten". Deze aanvraag is bij besluit van 4 augustus 1997 afgewezen.

Bij besluit van 21 april 1998 heeft gedaagde de door appellante tegen het besluit van
4 augustus 1997 ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
"U heeft niet aannemelijk kunnen maken waarom in uw situatie geen gebruik gemaakt kan worden van de reguliere procedures, die voorzien in advisering door een diëtist(e) welke in overleg kan treden met de behandelend specialist en die tevens voorzien in advisering door een arts.
In uw situatie is er sprake van een bestaand samenwerkingsverband tussen de behandelend specialist van het ziekenhuis en de door u gewenste diëtistenpraktijk. Het is zeer goed voorstelbaar dat u een sterke voorkeur heeft in de lijn van die relatie uw dieetadviezen te ontvangen, te meer gezien de complexe allergie en uw angst voor allergische reacties op mogelijk verkeerde adviezen. Dit doet echter niet af aan het feit dat door middel van gebruikmaking van de normale kanalen via Thuiszorg Den Haag op adequate wijze voor u dieetadviezen te krijgen zijn.
De kosten voor lidmaatschap van de kruisvereniging en de entreekosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit de reguliere maandelijkse inkomsten bestreden moeten en kunnen worden.
De kosten van bezoeken aan en consulten door "Vlieg en Melse diëtisten" te Woerden behoren niet tot de voor u noodzakelijke kosten van het bestaan."

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 21 april 1998 ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Zij was met gedaagde van oordeel dat de noodzaak voor consulten bij "Vlieg en Melse diëtisten" niet is komen vast te staan.

Op grond van het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank om haar beroep tegen de weigering van bijzondere bijstand voor de kosten van de consulten van "Vlieg en Melse diëtisten" ongegrond te verklaren.

De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel dan de rechtbank te komen. Daartoe overweegt hij het volgende.

In artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Met betrekking tot de noodzaak van de onderhavige kosten is uit de gedingstukken gebleken dat dieetadvisering vanaf 1 januari 1997 ingevolge het Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering tot de aanspraken behoort in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. In de regio Den Haag is de Stichting Thuiszorg Den Haag (hierna: Thuiszorg Den Haag) toegelaten als instelling voor dieetadvisering. Diëtisten van Thuiszorg Den Haag verstrekken gratis dieetadviezen aan leden van de kruisvereniging.
In verband hiermee kunnen de kosten van advisering door diëtisten van de - niet als instelling voor dieetadvisering toegelaten - praktijk "Vlieg en Melse diëtisten" naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw.

Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling dat Thuiszorg Den Haag in haar geval niet de noodzakelijke hulp kan bieden een brief van die instelling van 22 juni 1999 overgelegd waarin onder meer staat dat de diëtisten van Thuiszorg Den Haag voor de klachten die appellante heeft tengevolge van een complexe voedselallergie op dit moment nog geen gespecialiseerde zorg kunnen bieden.
Naar het oordeel van de Raad is met deze brief de noodzaak van dieetadvisering door "Vlieg en Melse diëtisten" echter niet aangetoond. In dit verband wijst de Raad erop dat Thuiszorg Den Haag als toegelaten instelling voor dieetadvisering op grond van artikel 4 van de "Uitkomst van Overleg Zorgverzekeraars Nederland/KPZ/LVT inzake overeenkomst zorgverzekeraar - instelling voor dieetadvisering" ervoor zorg dient te dragen dat zijn personeel beschikt over de kennis en kunde die voor een kwalitatief verantwoorde zorgverlening noodzakelijk is en dat de opleiding en bijscholing zodanig is dat zij over een kwalitatief verantwoorde kennis en kunde kunnen (blijven) beschikken.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3802
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/4756 NABW
Datum uitspraak: 7 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13, 65 en 69 Abw (= 18, 17 en 54 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: co-ouder; co-oudertoeslag; schending inlichtingenverplichting; herziening bijstand; feitelijke verblijfsituatie kinderen
Essentie: Terechte herziening bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat betrokkene geen mededeling heeft gedaan van het geen invulling geven aan het afgesproken co-ouderschap, waardoor hij ten onrechte co-oudertoeslag heeft ontvangen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep
99/4756 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwijndrecht, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. G.A.H. Wiekamp, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht, op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 30 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 maart 2002. Appellant is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Wiekamp voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C.M.T. de Paepe, werkzaam bij de gemeente Zwijndrecht.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 8 december 1993 is de echtscheiding tussen appellant en [ex-echtgenote] uitgesproken. Blijkens het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 15 juli 1993 is tussen partijen onder meer overeengekomen dat zij gezamenlijk de ouderlijke macht voortzetten, dat zij onderling afspraken zullen maken over het verblijf van de kinderen (die respectievelijk zijn geboren [...] 1981 en [...] 1984) bij ieder van hen en dat zij ieder voor de helft zullen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

Bij besluit van 5 juli 1996 is de eerder aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 1 januari 1996 gewijzigd en verhoogd met een zogenoemde co-oudertoeslag.

Bij besluit van 24 juni 1998 heeft gedaagde onder toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dit luidt sedert 1 juli 1997, het besluit van 5 juli 1996 herzien en de uitkering met ingang van 1 januari 1996 nader vastgesteld op de norm voor een alleenstaande zonder co-oudertoeslag. De reden daarvoor was dat bij heronderzoek was gebleken dat de destijds gemaakte afspraken omtrent het beurtelings verblijf van de kinderen bij appellant en zijn gewezen echtgenote in de praktijk geen gestalte hadden gekregen.
Het daartegen gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 4 september 1998 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat appellant heeft erkend dat zijn beide zoons sedert 1 januari 1996 niet voor ten minste 50% van de tijd bij hem thuis hun verblijf hebben gehad en daar zijn verzorgd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort gezegd, in aanmerking genomen dat de door gedaagde alsnog toegepaste alleenstaandennorm in overeenstemming is met het door hem ter zake van onder meer co-ouderschap gevoerde en kenbaar gemaakte beleid, terwijl niet van bijzondere omstandigheden is gebleken die tot afwijking van dat beleid noopten.
Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde daartoe gerechtigd was, aangezien appellant de ingevolge artikel 65 van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door gedaagde geen mededeling te doen van de omstandigheid dat de feitelijke invulling van het co-ouderschap duidelijk anders was dan aanvankelijk was besproken en overeengekomen.

Namens appellant is de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
Daarbij is naar voren gebracht dat appellant ermee zou kunnen leven als de co-oudertoeslag met ingang van 1 september 1997 zou worden beëindigd.

De Raad stelt vast dat de herziening van het recht op uitkering blijkens het bestreden besluit berust op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt. Dit is niet juist nu de herziening deels ziet op het recht op uitkering over een periode vóór 1 juli 1997. Het besluit op bezwaar komt in zoverre wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit geheel in stand is gelaten.

De Raad acht het aangewezen om te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij overweegt daartoe het volgende.



a. Met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Abw wordt onder alleenstaande verstaan de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Artikel 4, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat onder alleenstaande ouder wordt verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Abw stemmen burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

De Raad is van oordeel dat bij een zogenoemd co-ouderschap, waarbij de kinderen beurtelings bij één van de ouders verblijven en de zorg voor hen wordt gedeeld, de bijstandbehoevende ouder - gelet op evenvermelde begripsomschrijvingen - niet als alleenstaande of alleenstaande ouder kan worden aangemerkt. Blijkens de wetgeschiedenis heeft de wetgever er ook bewust van afgezien het begrip co-ouder te definiëren en daarvoor een afzonderlijke norm in de wet op te nemen. Dit betekent dat burgemeester en wethouders in voorkomende gevallen van co-ouderschap de bijstand dienen af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Het staat hen daarbij vrij ter zake richtlijnen vast te stellen.

Gedaagde hanteerde ten tijde in geding ten aanzien van co-ouderschapsregelingen de richtlijn inhoudende dat aan de bijstandbehoevende ouder afhankelijk van de feitelijke verblijfplaats van de kinderen en de daaraan gekoppelde verzorging een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande sec dan wel verhoogd met een co-oudertoeslag van 10% (zijnde de helft van het verschil tussen de (landelijke) alleenstaandennorm en de norm voor een alleenstaande ouder) werd verleend. De Raad acht deze richtlijn niet in strijd met de Abw dan wel anderszins onaanvaardbaar.

Onder de gedingstukken bevindt zich een op 17 april 1996 gedateerde en door appellant ondertekende gespreksbevestiging waaruit kan worden afgeleid dat de kinderen op fifty-fiftybasis ten huize van appellant respectievelijk zijn gewezen echtgenote zouden verblijven.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast dat de kinderen van appellant in weerwil van de in evengenoemde gespreksbevestiging neergelegde afspraken van meet af aan niet in betekenende mate ten huize van appellant hebben verbleven. Daarmee staat tevens vast dat appellant ten tijde in geding voor de toepassing van de Abw als alleenstaande moet worden aangemerkt en derhalve slechts aanspraak kon maken op de bijstandsnorm voor een alleenstaande.
De omstandigheid dat appellant in het bijzonder in de beginperiode feitelijk regelmatig - met name op de dagen dat zijn gewezen echtgenote wegens het verrichten van werkzaamheden afwezig was - ten huize van zijn gewezen echtgenote als oppas en verzorger na schooltijd heeft gefungeerd, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor de stelling van appellant dat hij in die periode regelmatig kosten ten behoeve van de kinderen heeft gemaakt, aangezien het bij dergelijke kosten, voor zover zij meer bedragen dan in het familieverkeer als gebruikelijk en redelijk moet worden beschouwd, in de rede ligt een financiële regeling met de gewezen echtgenote te treffen.

Ten aanzien van de toegepaste terugwerkende kracht onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Hij voegt daar nog aan toe dat het appellant onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de feitelijke verblijfsituatie van de kinderen van doorslaggevende betekenis was voor de toekenning van de co-oudertoeslag.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op onderhavige periode in stand kunnen blijven.



b. Met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot 24 juni 1998

De hiervoor onder a vermelde gegevens bieden naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van gedaagde dat de kinderen van appellant ook in deze periode in hoofdzaak verbleven in de woning van de gewezen echtgenote van appellant. Daar komt nog bij dat appellant zelf heeft aangegeven dat, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, aan de feitelijke zorg voor de kinderen door hem (ook ten huize van zijn gewezen echtgenote) per 1 september 1997 een einde is gekomen.
Aangezien appellant van één en ander in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht geen mededeling aan gedaagde heeft gedaan, was gedaagde derhalve gerechtigd tot herziening van de bijstandsuitkering over de onderhavige periode.

De Raad ziet in het geval van appellant voorts geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd is om van herziening van de bijstandsuitkering af te zien.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 voor vernietiging in aanmerking komt en voor het overige dient te worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op
€644,- in beroep wegens verleende rechtsbijstand en op eenzelfde bedrag in hoger beroep eveneens wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op de herziening van de uitkering van appellant over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997;
verklaart het inleidend beroep van appellant in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 4 september 1998 in zoverre;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 4 september 1998 geheel in stand blijven;
bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van
€1288,-, te betalen door de gemeente Zwijndrecht;
bepaalt dat de gemeente Zwijndrecht aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€102,10 (ƒ225,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x