Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE3803
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/4544 NABW
Datum uitspraak: 14 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17 en 39 Abw (= 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten medicinale marihuana; weed; wiet; MS; advies neuroloog; voorliggende voorziening
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van medicinale marihuana ten behoeve van betrokken MS-patint, omdat marihuana niet tot de geneesmiddelen behoort die op grond van het bij of krachtens de Zfw en de AWBZ bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen. Het advies van de neuroloog doet daaraan niet af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/4544 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Almelo, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo op 12 juli 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.B.M. Bongaarts, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp Almelo, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Almelo.




II. Motivering


Appellant lijdt aan multiple sclerose (MS). Zijn behandelend neuroloog heeft hem geadviseerd medicinale marihuana te gebruiken. Op 29 september 1998 heeft appellant gedaagde om bijzondere bijstand verzocht voor de kosten van medicinale marihuana, die hem geleverd wordt door een coffeeshop.

Bij besluit van 21 oktober 1998 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.

Gedaagde heeft bij besluit van 29 maart 2000 het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 29 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op artikel 17, tweede lid, van de Abw, in de kosten van medicinale marihuana in beginsel geen bijstand worden verleend en is in het geval van appellant niet gebleken van een noodsituatie in de zin van artikel 17, derde lid, van de Abw.

Namens appellant is dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, dienen voor kosten van geneesmiddelen de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in beginsel als aan de Abw voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden beschouwd.
In gevallen dat voorgeschreven geneesmiddelen niet tot de geneesmiddelen behoren die op grond van het bij of krachtens de Zfw en de AWBZ bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen, staat het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Abw in beginsel aan bijstandverlening in de weg. Verwezen wordt in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Raad van 3 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/209, waarin een afwijzend besluit op een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van onder andere plantaardige geneesmiddelen aan de orde was. Die bepaling staat naar het oordeel van de Raad ook in dit geval in beginsel aan bijstandverlening in de weg, waar het gaat om de kosten van zogenoemde medicinale cannabis. Dit wordt niet anders door omstandigheden die zich na het bestreden besluit hebben voorgedaan. De Raad doelt hier met name op de omstandigheid dat de ontwikkeling van een in Nederland te registreren en uitsluitend via apotheken op doktersrecept te leveren geneesmiddel uit cannabis voor onder anderen MS-patinten inmiddels op gang is gebracht door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het in 2001 door deze minister ingestelde Bureau voor Medicinale Cannabis (zie onder meer de aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden brief van 19 oktober 2001, Kamerstukken II 2001-2002, 28 000 XVI, nr. 10).

Artikel 17, derde lid, van de Abw biedt de mogelijkheid om, in afwijking van de voorgaande leden, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij te worden gedacht aan noodsituaties. De gedingstukken bieden geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van appellant van een noodsituatie in de zin van artikel 17, derde lid, van de Abw sprake was. Hieruit volgt dat aan gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de hier besproken kosten.

In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE3939
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/3809 NABW
Datum uitspraak: 14 mei 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 15, 27 en 47 Abw (= 13, 45 en 32 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; voorschot op salaris; beindiging bijstand; tijdstip beindiging; faillissement; gefailleerde; geen bijstand voor aflossing schulden
Essentie: Terechte beindiging bijstand wegens voldoende inkomsten, omdat een ontvangen voorschot op het salaris tot de in aanmerking te nemen middelen dient te worden gerekend en er aldus niet binnen 30 dagen na de beindigingsdatum opnieuw bijstand behoefde te worden verstrekt. Er mag geen bijstand worden verleend ter aflossing van een schuldenlast.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/3809 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant is op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 9 juni 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak ter behandeling gevoegd met de zaak met de registratienummers 99/3810 NABW en 01/5022 NABW.

De gevoegde zaken zijn behandeld ter zitting van 9 april 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door L.J.A. Edelaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en gedaagde in persoon is verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Gedaagde en zijn echtgenote [echtgenote], beiden geboren in 1954, zijn (evenals hun vennootschap onder firma [bedrijfsnaam]) bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 april 1997 in staat van faillissement verklaard. Zij hebben hun appartement moeten verkopen en hebben per 1 augustus 1997 een huurwoning betrokken in [woonplaats]. Per 19 juni 1997 heeft de echtgenote van gedaagde een dienstbetrekking aanvaard.

Bij besluit van 16 juni 1997 heeft appellant, naar aanleiding van diens aanvraag van 4 april 1997, aan gedaagde over de periode van 4 april 1997 tot en met 18 juni 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor gehuwden. De in het primaire besluit besloten liggende - en kennelijk mede op artikel 27, tweede lid, van de Abw gebaseerde - beindiging van de uitkering per 19 juni 1997 berust op de overweging dat met ingang van die datum sprake is van inkomsten boven de toepasselijke bijstandsnorm. Bij besluit van 5 december 1997 heeft appellant het door gedaagde tegen de beindiging van de uitkering gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de overweging dat, naar analogie van artikel 77, derde lid, van de Abw, in geval van faillissement de gefailleerde dient te kunnen beschikken over een absoluut minimuminkomen, dat wordt gesteld op 90% van de toepasselijke bijstandsnorm, zijnde 1783,35. Waar gedaagde volgens appellant per 19 juni 1997 feitelijk zou beschikken over een inkomen van 1843,- netto per maand, overschreed het feitelijke inkomen dit aldus vastgestelde bedrag van 1783,35.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen binnen zes weken nadat die uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden en een beslissing gegeven inzake de vergoeding van het griffierecht in beroep. De rechtbank heeft, kort weergegeven, overwogen dat de door appellant gehanteerde reden voor de verlaging van de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden niet zijn grondslag vindt in het gestelde bij en krachtens de artikelen 34 en 38 van de Abw.

De
Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat, op de door de rechtbank vastgestelde grond, het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Hij voegt daaraan toe dat dit besluit bovendien berust op een onjuiste feitelijke grondslag, nu appellant daarbij is uitgegaan van een inkomen van 1843,- netto per maand. Uit de gedingstukken blijkt immers, en partijen hebben zulks ter zitting ook bevestigd, dat deze inkomenssituatie zich eerst met ingang van september 1997 voordeed.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep derhalve terecht gegrond verklaard en is het bestreden besluit terecht vernietigd.

De Raad
stelt vervolgens vast dat er, op de hierna uiteen te zetten gronden, aanleiding is de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3, en er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Voor gehuwden waarvan beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger zijn dan 65 jaar bedroeg de bijstandsnorm per 1 januari 1997 1981,50 en per 1 juli 1997 1997,55.
Artikel 27, eerste lid, van de Abw bepaalt dat de algemene bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Artikel 27, tweede lid, vermeldt als uitzondering op deze regel vaststelling over een deel van de kalendermaand, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand of volgend op de bijstandverlening:
a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand ontvangt; of
b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft.

Op grond van artikel 42 van de Abw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomenbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De Raad
stelt voorop dat deze bepaling ziet op middelen waarover de alleenstaande of het gezin feitelijk de beschikking heeft. Inkomsten uit of in verband met arbeid die betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, worden op grond van artikel 47, eerste lid, van de Abw als in aanmerking te nemen inkomen beschouwd.

Voor de beoordeling van de in geding zijnde vraag of de beindiging van de aan gedaagde en zijn echtgenote toegekende algemene bijstand per 19 juni 1997 terecht is, is hun inkomenssituatie in de periode na juli 1997 niet van belang. Gelet op het bepaalde in artikel 27 van de Abw is wel relevant de vraag of aangenomen kan worden dat binnen een periode van ten minste 30 dagen na 18 juni 1997 niet opnieuw bijstand behoefde te worden verstrekt. De Raad
beantwoordt die vraag bevestigend op grond van het volgende. Blijkens de gedingstukken is als voorschot op het salaris van gedaagdes echtgenote ad 4558,- bruto per maand een bedrag van 1000,- contant aan haar uitbetaald. Het restant van het salaris over de periode van 19 tot en met 30 juni 1997 en het salaris over juli 1997 (totaal netto 3269,39) is gestort op de bankrekening van gedaagde en zijn echtgenote. Mede gezien de zich onder de gedingstukken bevindende correspondentie tussen de curatrice en gedaagde acht de Raad het aannemelijk dat gedaagde en zijn echtgenote met toestemming van de curatrice daadwerkelijk over het voorschot en over het tegoed van hun bankrekening hebben beschikt. En en ander brengt mee dat hier sprake is geweest van inkomen, bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw hoger dan de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden, waardoor in een periode van ten minste 30 dagen na 18 juni 1997 geen recht op algemene bijstand bestond. De omstandigheid dat de curatrice gedaagde nadien heeft verzocht een gedeelte van het bedrag ad 3269,39 op de faillissementsrekening te storten - de gedingstukken laten niet zien of dit ook daadwerkelijk is gebeurd - maakt dit niet anders. De Raad verwijst in dit verband naar het in artikel 15, eerste lid, van de Abw neergelegde beginsel dat geen bijstand wordt verleend ter aflossing van een schuldenlast.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen binnen zes weken nadat die uitspraak onherroepelijk is geworden.

De Raad
is, ten slotte, niet gebleken van voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen binnen zes weken nadat die uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van 327,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE3952
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Almelo
Zaaknummer: 00/845 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 7 mei 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 43, 51, 52 en 54 Abw (= 31, 31, 34, 34 en 34 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: vermogen; schade-uitkering brandverzekering wooncaravan; tipgever; besteding aan verliescompensatie; oververmogen; beindiging bijstand; interingsbedrag per maand; interingsperiode
Essentie: Terechte beindiging bijstand wegens oververmogen voor zover de (verzwegen) brandschade-uitkering niet is besteed aan compensatie van het verlies (met name de verbrande wooncaravan). Het vrij te laten bescheiden vermogen, herinrichtingskosten, kledingkosten, nasalaris en voorschotten worden op het in aanmerking te nemen vermogen in mindering gebracht, zo niet de ontvangen renteschadevergoeding. Het bestaan van een schuld is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Almelo 00/845 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. A. van Zutphen, werkzaam bij Leeters Advocaten te Enschede,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 19 september 2000.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Eiseres ontvangt sedert 1 januari 1981 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), welke uitkering per 1 juni 1997 is beindigd in verband met verzwegen inkomsten. Met ingang van 25 juni 1997 is eiseres weer uitkering voor de noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend. Daarbij is het vermogen van eiseres vastgesteld op 0,21. Hierna is medio april 2000 bij verweerder een tip van [tipgever] (hierna te noemen: [tipgever]) binnengekomen dat eiseres over een aanzienlijk vermogen zou beschikken. [Tipgever] is gedurende een aantal jaren in een juridische procedure met eiseres verwikkeld geweest over de afwikkeling van brandschade die zij in 1993 aan haar caravan en inboedel had opgelopen. Deze procedure heeft uiteindelijk geleid tot een verzekeringsuitkering door [tipgever] aan eiseres van 39.995,79. Hiervan heeft eiseres geen mededeling gedaan aan verweerder.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 8 juni 2000 het recht op uitkering van eiseres met ingang van 21 maart 2000 ingetrokken onder de overweging dat zij met ingang van die datum over een vermogen beschikt of kan beschikken van 39.995,79, hetgeen volgens verweerder meer is dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande van 10.000,-. Bij dat besluit heeft verweerder tevens bepaald dat de voor eiseres geldende interingsperiode dient te worden vastgesteld op 14,8 maanden. Daarbij is verweerder uitgegaan van een interingsbedrag per maand van 1,5x de voor eiseres geldende bijstandsnorm en een ziektekostenverzekering.
Bij dat besluit heeft verweerder eiseres voorts meegedeeld dat zij over de periode 21 maart 2000 tot en met 31 maart 2000 te veel uitkering heeft ontvangen, hetgeen van haar zal worden teruggevorderd.
Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het schuldbedrag dat van haar wordt teruggevorderd 510,59 netto bedraagt.
Bij schrijven 5 juli 2000, respectievelijk 20 juli 2000, heeft eiseres bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen de vorengenoemde besluiten. Bij verzoekschrift van 6 juli 2000 is aan de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het besluit van 8 juni 2000. Bij uitspraak van 26 juli 2000 heeft de president het verzoek afgewezen. Daarbij heeft de president wel bepaald dat verweerder uiterlijk medio september 2000 een beslissing op bezwaar moet hebben genomen.
Op 31 augustus 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 19 september 2000, verzonden op 21 september 2000, heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eiseres tegen het intrekkingsbesluit van 8 juni 2000 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het vermogen van eiseres per 1 april 2000 wordt vastgesteld op 24.000,-, hetgeen volgens verweerder betekent dat gelet op de vermogensgrens van 10.000,- eiseres een bedrag van 14.000,- dient in te teren (was 29.995,79).
Bij dat besluit heeft verweerder tevens de bezwaren van eiseres tegen het terugvorderingsbesluit van 9 juni 2000 gegrond verklaard.
Blijkens het ingediende beroepschrift kan eiseres zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 26 januari 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 9 april 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mevrouw mr. A.W. van Rutten, kantoorgenote van mevrouw mr. A. van Zutphen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw C. Jeurink.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 21 september 2000 in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken tot de middelen gerekend.

In artikel 43, tweede lid, onderdeel g, van de Abw is bepaald dat niet tot de middelen van de belanghebbende wordt gerekend: rente ontvangen over op grond van artikel 52, eerste lid, onderdeel b, c en d, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Abw wordt, onder vermogen verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden;
b. de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, wordt - voor zover hier van belang - niet als vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvang van de bijstandverlening minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin de bijstand wordt ontvangen;
e. een uitkering in verband met geleden immaterile schade voor zover dit, gelet op de aard en de hoogte van de uitkering, vanuit het oogpunt van bijstandverlening verantwoord is.

Van het vastgestelde vermogen blijft ingevolge artikel 54, eerste lid, onderdeel a, van de Abw ten tijde van belang 10.000,- buiten beschouwing.

In de woning van eiseres, zijnde een stacaravan, is op 15 september 1993 brand uitgebroken tengevolge waarvan de caravan en de inboedel volledig verloren zijn gegaan. Eiseres heeft op grond van haar stacaravanverzekering na de brand een claim ingediend bij de verzekeringsmaatschappij. Na een langdurige procedure heeft eiseres uiteindelijk op 23 maart 2000 wegens brandschade van haar verzekeringsmaatschappij een bedrag groot 39.995,79 ontvangen.
De schade-uitkering van 39.995,79 is blijkens de stukken als volgt samengesteld:
- inboedel 10.000,-;
- caravan 15.250,-;
- rente 13.918,29;
- nasalaris 500,-;
- voorschotten 327,50.
Verweerder heeft naar aanleiding van de ontvangen informatie over deze schade-uitkering de omvang van het eigen vermogen van eiseres vastgesteld. Daarbij heeft verweerder de volgende bedragen buiten beschouwing gelaten:
- 7525,-, zijnde de kosten voor een volledige woninginrichting voor twee personen. Daarbij heeft verweerder aansluiting gezocht bij de normen in de Leidraad voor woninginrichting;
- 4230,- (2x) zijnde de kosten van een volledig kledingpakket op bijstandsniveau; en
- 10.000,- als het vrij te laten deel van het eigen vermogen.
In totaal heeft verweerder derhalve 25.985,- buiten beschouwing gelaten. Gelet hierop dient eiseres volgens verweerder afgerond een bedrag van 14.000,- in te teren.

In het beroepschrift is namens eiseres aangevoerd dat de informatie over de splitsing van de hoofdsom juist is. Eiseres kan zich echter niet verenigen met de vermogensvaststelling van verweerder. Zij is van mening dat het in te teren bedrag beperkt dient te worden tot nihil.
Daartoe is onder meer aangevoerd dat tot tweemaal toe door een ambtenaar van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Enschede aan eiseres is meegedeeld dat de brandschade-uitkering niet zou leiden tot beindiging van haar uitkering. Volgens eiseres zijn deze mededelingen in objectieve zin op te vatten als mededelingen waaraan een in rechte te honoreren verwachting op bijstandverlening kan worden verbonden.
Daarnaast is aangevoerd dat de verzekeringsuitkering ten behoeve van de caravan ad 15.250,00 niet tot het in aanmerking te nemen vermogen kan worden gerekend. De caravan werd door eiseres als woning gebruikt. Daarom dient deze caravan volgens eiseres tot een algemeen goed in de zin van de Abw te worden gerekend.
Voorts is aangevoerd dat blijkens de gegevens verweerder heeft geconcludeerd dat er meer dan 10.000,- aantoonbaar is besteed aan woninginrichting. Ingeval meer dan 10.000,- aantoonbaar besteed is aan woninginrichting, acht eiseres het in verband met het tijdsverloop redelijk dat alsdan een bedrag groot 15.000,- aangemerkt wordt als zijnde besteed aan woninginrichting.
Verder is aangevoerd dat de wettelijke rente ad 13.918,29 geen vermogen is in de zin van de Abw en evenmin kan worden meegenomen bij de vermogensbepaling. Daarbij merkt eiseres nog op dat verweerder in zijn algemeenheid geen aanspraak maakt op rente die een bijstandsgerechtigde ontvangt over het vrij te laten vermogen.
Daarnaast is eiseres van mening dat de uitkering met betrekking tot de rente wel degelijk een bepaald doel treft nu eiseres met dit bedrag haar persoonlijke leningen heeft afgelost.
Het gaat daarbij onder andere om een lening aan de heer [leenheer] ad 15.000,-. Volgens eiseres is die lening door middel van de handgeschreven verklaring van de heer [leenheer] d.d. 5 januari 1998 voldoende aangetoond.
Ten slotte is aangevoerd dat het nasalaris ad 500,- en de verschotten ad 327,50 buiten beschouwing dienen te blijven omdat het hier gaat om een tegemoetkoming in de kosten van griffiegelden en kosten om het toegewezen bedrag te innen.

In het verweerschrift heeft verweerder onder meer aangegeven dat zijns inziens geen sprake is van een in objectieve zin als toezegging op te vatten mededeling, waaraan een in rechte te honoreren verwachting op bijstandverlening kon worden verbonden. Volgens verweerder heeft eiseres in de loop van de tijd de betreffende medewerkster van verweerder mevrouw Grobbe genformeerd over de procedure waar zij mee bezig was. In dat kader heeft mevrouw Grobbe gezegd dat verzekeringsgelden worden geacht te worden besteed aan vervanging van hetgeen verloren is gegaan. Volgens verweerder heeft mevrouw Grobbe niet expliciet vermeld dat de eventuele uitbetaling geen gevolgen voor de uitkering van eiseres zou hebben. Volgens verweerder had eiseres op het moment dat zij de gelden ontving dit aan hem moeten melden. Als op dat moment mevrouw Grobbe zou hebben aangegeven dat dit geen gevolgen voor haar uitkering zou hebben en dit bij voorkeur schriftelijk zou hebben bevestigd, zou volgens verweerder sprake zijn van een toezegging waarop eiseres mocht vertrouwen.
Hiernaast heeft verweerder aangegeven dat eiseres sinds 1997 in een huurwoning woont. Zij heeft eerst bij haar dochter ingewoond en sedert februari 1998 bewoont zij een eigen huurwoning. Gelet op deze omstandigheden is volgens verweerder een caravan niet als noodzakelijk in de zin van de Abw aan te merken. Eiseres beschikt immers over woonruimte.
Voor wat betreft de wettelijke rente heeft verweerder aangegeven dat eiseres pas sinds 21 maart 2000 over een vermogen ad 39.995,79 beschikt en dat op dat moment de beoordeling wordt gemaakt wat wel en niet tot haar middelen moet worden gerekend. Volgens verweerder gaat het niet aan nu reeds een deel van dit vermogen aan te merken als vrij te laten middelen ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel g, van de Abw. Volgens verweerder is dit pas van toepassing als eiseres weer over een uitkering beschikt en dan rente ontvangt over niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden.
Voor wat betreft de kosten van woninginrichting heeft verweerder aangegeven dat er weliswaar voor meer dan 10.000,- aantoonbaar is besteed aan woninginrichting, doch dat het de vraag is of eiseres deze aankopen alleen heeft gekocht, gelet op de naam van de heer [leenheer] die op een tweetal notas voorkomt. Bovendien mag er volgens verweerder vanuit worden gegaan dat een persoon in de loop der jaren (sinds 1994) hoe dan ook uitgaven doet voor duurzame gebruiksgoederen. Volgens verweerder gaat het er in casu om of de schadevergoeding is gebruikt om de noodzakelijke gebruiksgoederen te vervangen.

Om dit te beoordelen, is verweerder uitgegaan van de normen voor woninginrichting in de Leidraad, waarbij is gekeken naar de inrichting voor twee personen in plaats van n, hetgeen in het voordeel van eiseres werkt, aldus verweerder.
Daarnaast blijft verweerder van mening dat eiseres de persoonlijke leningen niet aannemelijk heeft gemaakt nu zij deze niet eerder heeft aangegeven, hoewel hier uitdrukkelijk naar is gevraagd. Pas ten tijde van de hoorzitting heeft eiseres een handgeschreven verklaring van de heer [leenheer] d.d. 5 januari 1998 overgelegd, waarin wordt verklaard dat hij haar 15.000,- heeft geleend in verband met de inrichting van haar woning. Gelet op het tijdverloop van vier jaren is het volgens verweerder niet aannemelijk dat dit bedrag rechtstreeks verband houdt met de brand.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Een verzekeringsuitkering als de onderhavige strekt ter vervanging van geleden materile schade. Het gaat daarbij om compensatie van geleden nadeel. Er is derhalve sprake van een bestemming. Een dergelijke uitkering dient dan in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten. Dit buiten beschouwing laten wordt anders indien de uitkering niet is besteed aan compensatie van het verlies. Dan dienen de middelen wel tot het in aanmerking te nemen vermogen te worden gerekend.
In het onderhavige geval woont eiseres sedert 1997 in een woning en niet gesteld en gebleken is dat eiseres het ontvangen bedrag heeft besteed ter vervanging van de verloren gegane caravan. Nu het uitgekeerde bedrag ad 15.250,- niet is besteed ter vervanging van de verloren gegane caravan, kan dat bedrag niet buiten beschouwing worden gelaten.
Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn stellingen over het vastgestelde schadebedrag ad 15.985,- voor kleding en overige goederen van eiseres en haar zoon.
Daarbij is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het bij het vaststellen van dat bedrag gaat om de vraag of de schadevergoeding is gebruikt om de noodzakelijke gebruiksgoederen te vervangen.
Naar het oordeel van de rechtbank bieden de door eiseres overgelegde aankoopbewijzen onvoldoende uitsluitsel dat er sprake is van vervanging van verloren gegane noodzakelijke goederen. Bovendien komt op een tweetal notas de naam van de heer [leenheer] voor, zodat ook onduidelijk is of eiseres de betreffende aankopen ten behoeve van haarzelf heeft gedaan.
Gelet op het vorenstaande en gelet op het tijdsverloop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van de kosten voor verloren gegane kleding en woninginrichting in redelijkheid kunnen uitgaan van de Nibud-normen, respectievelijk de Leidraad van de gemeente Enschede. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in het onderhavige geval is uitgegaan van een tweepersoons huishouden, terwijl eiseres alleenstaande is.
Voor wat betreft de wettelijke rente ad 13.918,29 kan de rechtbank het standpunt van verweerder onderschrijven dat eiseres pas sinds 21 maart 2000 over een vermogen van 39.995,79 beschikt en dat op dat moment de beoordeling wordt gemaakt wat wel en wat niet tot de middelen van eiseres wordt gerekend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het nu niet aangaat reeds een deel van dit vermogen aan te merken als middelen als bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel g van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank is dit pas van toepassing indien eiseres wederom over een uitkering beschikt en dan rente ontvangt over niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het bovenvermelde bedrag aan wettelijke rente niet tot de middelen van eiseres zou kunnen worden aangemerkt.

Voorts kan de rechtbank het standpunt van verweerder onderschrijven dat eiseres, met de door de heer [leenheer] ondertekende verklaring van 5 januari 1998 dat hij aan eiseres een bedrag heeft geleend van 15.000,-, het bestaan van die schuld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank begrijpt uit de toelichting op artikel 51 van de Abw dat bij de beoordeling van de op de bezittingen in mindering te brengen schulden niet van belang is op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijke schuld sprake zijn, een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te bestaan. De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van de schuld, alsmede de daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Ook ter zitting heeft eiseres hierover geen helderheid kunnen verschaffen. Daarnaast heeft eiseres nimmer eerder aan verweerder melding gemaakt van het bestaan van deze schuld. Ook overigens is niet gebleken van nog bestaande schulden.
Voor wat betreft de grief van eiseres dat verweerders medewerkster mevrouw Grobbe tot tweemaal toe zou hebben meegedeeld dat de uitkering in verband met de brandschade niet zal leiden tot een beindiging van haar uitkering is de rechtbank van oordeel dat gezien de stukken en het verhandelde ter zitting niet kan worden vastgesteld of aan eiseres een in objectieve zin als toezegging op te vatten mededeling is gedaan, waaraan een in rechte te honoreren verwachting op bijstandverlening kon worden ontleend. Om die reden faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de verzekeringsuitkering ter zake van nasalaris en verschotten, respectievelijk 500,- en 327,50, niet tot het in aanmerking te nemen vermogen worden gerekend. Dit onderdeel betreft een uitkering voor een specifiek doel, zoals door de gemachtigde van eiseres - ter zitting - terecht naar voren is gebracht. Om die reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
De rechtbank acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad 1420,- en de reiskosten voor het verschijnen ter zitting ad 13,25.

Beslist wordt derhalve als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat het nasalaris en de verschotten van in totaal 827,50 als vermogen dient te worden aangemerkt;
- bepaalt dat als in te teren bedrag wordt aangemerkt 14.000,- minus 827,50;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op 1433,25, door verweerder te betalen aan eiseres;
- verstaat dat verweerder aan eiseres het griffierecht ad 60,- vergoedt.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2001 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE4038
Instantie:xxxxxxx Hoge Raad der Nederlanden
Zaaknummer: R02/012HR
Datum uitspraak: 11 oktober 2002
Soort procedure: beroep in cassatie
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 93 en 95 Abw (= 61 en Wwb)
Trefwoorden: verhaal; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; kinderalimentatie; verhaalsbijdrage; draagkrachtberekening; buitengewonelastenaftrek; Hoge Raad
Essentie: Onjuiste vaststelling van het maandelijks te betalen verhaalsbedrag, omdat de verhaalde bijstand, verstrekt ten behoeve van de twee minderjarige kinderen van betrokkene, als persoonlijke verplichting niet fiscaal aftrekbaar is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak eerste kamer
Hoge Raad der Nederlanden R02/012HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,

tegen

de gemeente Groningen, gevestigd te Groningen, verweerster in cassatie,
niet verschenen.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 20 januari 2000 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht:
ten aanzien van de lopende bijdrage:
- wat betreft het verhaal van nog te maken kosten van bijstand een bedrag van 1020,- per maand vast te stellen, dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald met ingang van de datum van de beschikking van de Rechtbank;

ten aanzien van de achterstand:
a. het bedrag aan achterstand over de periode 1 juni 1999 tot 1 januari 2000 vast te stellen op 7140,-, vermeerderd met 1020,- per maand tot de datum van de beschikking van de Rechtbank;
b. te bepalen dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald ter zake van afbetaling van deze achterstand een bedrag van 100,- per maand met ingang van een door de Rechtbank te bepalen datum;
c. te bepalen dat - voor het geval [verzoeker] in gebreke blijft voornoemd aflossingsbedrag aan de Gemeente te voldoen - door de Gemeente de totaalsom ad 7140,- verminderd met wat daarop inmiddels is betaald ineens kan worden ingevorderd.

[Verzoeker] heeft geen verweerschrift ingediend.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 het door [verzoeker] met ingang van 1 juni 1999 aan de Gemeente te betalen verhaalsbedrag vastgesteld op 1020,- per maand en voorts de achterstand over de periode vanaf 1 juni 1999 tot 1 april 2000 vastgesteld op 10.200,- met bepaling dat deze achterstand vanaf 1 april 2000 zal worden voldaan met 100,- per maand.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 28 november 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw recht doende:
- het door [verzoeker] aan de Gemeente te betalen bedrag ter zake van verhaal van door de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de minderjarige kinderen van [verzoeker] en [betrokkene 1] vastgesteld op 390,- per maand vanaf 1 juni 1999 tot 1 november 2000;
- het totaalbedrag van de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 bepaald op 6630,-, te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan;
- [verzoeker] veroordeeld tot betaling van dit totaalbedrag af te lossen in maandelijkse termijnen van 100,- vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze beschikking totdat dat totaalbedrag is voldaan;
- bepaald dat voormeld totaalbedrag, verminderd met de daarop reeds betaalde termijnen, door de Gemeente ineens kan worden ingevorderd ingeval [verzoeker] in gebreke blijft deze aflossingsbetalingen te voldoen;
- het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak door de
Hoge Raad op de in de conclusie in 2.9 omschreven wijze.




3. Beoordeling van het middel


3.1. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke relatie tot mei 1997 heeft geduurd, zijn twee kinderen geboren, op 14 november 1990 en op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door [verzoeker] erkend.
De Gemeente heeft sedert 21 april 1997 aan [betrokkene 1] een uitkering verstrekt krachtens de
Algemene bijstandswet naar de norm van een alleenstaande ouder, welke uitkering mede strekt ten behoeve van voornoemde bij haar verblijvende minderjarige kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de Gemeente de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op 1020,- per maand met ingang van 1 juni 1999. Deze verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.

3.2. In het onderhavige geding heeft de Gemeente verzocht het verhaalsbedrag vast te stellen. In hoger beroep heeft zij verzocht het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag voor beide kinderen tezamen vast te stellen op
390,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de over die periode ontstane achterstand zal worden voldaan in termijnen van 100,- per maand. Bij de behandeling van het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn partijen blijkens rov. 10 en 11 [rechtsoverweging 10 en 11, red.] van de beschikking van het Hof het erover eens geworden dat de behoefte van de beide kinderen 390,- per maand bedraagt en dat de verhaalsperiode loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000.
Het Hof heeft met het oog op de vaststelling van het verhaalsbedrag overwogen dat de door de Gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker] "als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar" is, zodat [verzoeker] in staat is een verhaalsbedrag van 434,- per maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu dit bedrag de behoefte van de kinderen te boven gaat, heeft het Hof overeenkomstig het verzoek van de Gemeente het verhaalsbedrag over de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op 390,- per maand en, gelet daarop, de achterstand over voormelde periode bepaald op 6630,- te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan. Het heeft voorts de aflossing van de achterstand bepaald op 100,- per maand (rov. 22-24).

3.3. Onderdeel I, dat zich keert tegen 's
Hofs overweging dat de verhaalde bijstand volledig aftrekbaar is als persoonlijke verplichting, treft doel. De IB 1964 [Wet op de inkomstenbelasting 1964, red.] bevat noch met betrekking tot de verschuldigde bijdrage voor het levensonderhoud van een minderjarig kind, noch met betrekking tot de verhaalsbijdrage voor een minderjarig kind een bepaling waaruit zodanige aftrekbaarheid zou volgen.

3.4. Onderdeel II berust op de veronderstelling dat het
Hof zou hebben geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert over de relevante periode als beleid hanteert de verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een persoonlijke verplichting op de voet van artikel 45 IB 1964. Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. De gegrondbevinding van onderdeel I kan, voor zover het betreft de periode van 1 juli 1999 tot 1 november 2000, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, aangezien [verzoeker] op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6-2.8 daarbij geen belang heeft. De
Hoge Raad zal derhalve deze beschikking slechts vernietigen voor zover zij betrekking heeft op de maand juni 1999.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu het
Hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat zonder rekening te houden met fiscale aftrekbaarheid 272,- per maand voor alimentatie beschikbaar is (rov. 21), zal de Hoge Raad de bijdrage over de maand juni 1999 bepalen op dit bedrag en dienovereenkomstig de achterstand in de verhaalsbijdrage vaststellen op in totaal 6512,-.




4. Beslissing


De
Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 november 2001, voor zover de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdragen over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 is bepaald op 6630,-, en bepaalt die achterstand op 6512,-.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 oktober 2002.




CONCLUSIE

R02/012
Mr. Keus
Parket, 31 mei 2002

Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de gemeente Groningen
(hierna: de gemeente)




1. Feiten en procesverloop


1.1. In deze zaak gaat het om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat de door de gemeente op [verzoeker] verhaalde bijstand, verstrekt ten behoeve van zijn twee minderjarige kinderen, als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar is.
1.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (1).
a. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke relatie tot mei 1997 heeft geduurd (2), zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [kind 1], geboren op 14 november 1990, en [kind 2], geboren op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door [verzoeker] erkend.
b. Sinds 21 april 1997 heeft de gemeente aan [betrokkene 1] een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder verstrekt. Deze uitkering strekte mede ten behoeve van voornoemde minderjarige kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de gemeente de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage op 1020,- per maand met ingang van 1 juni 1999 vastgesteld. Deze verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.
c. Gelet op het uitblijven van betalingen van de verhaalsbijdrage door [verzoeker] is de gemeente tot verhaal in rechte overgegaan.

1.3. Bij inleidend verzoekschrift van 18 januari 2000 heeft de gemeente de rechtbank verzocht het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag op 1020,- per maand vanaf 1 juni 1999(3) vast te stellen en te bepalen dat [verzoeker] haar ter zake van de afbetaling van de reeds ontstane achterstand een bedrag van 100,- per maand zal voldoen.

1.4. [Verzoeker] heeft in de procedure voor de rechtbank geen verweer gevoerd.

1.5. De rechtbank heeft het verzoek van de gemeente bij beschikking van 4 april 2000 als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.

1.6. [Verzoeker] heeft van de beschikking van de rechtbank tijdig (4) hoger beroep ingesteld en heeft het hof verzocht het door hem aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van 123,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 4 april 2000.

1.7. De gemeente heeft het verzoek van [verzoeker] ten dele bestreden en haar initile verzoek in die zin gewijzigd dat zij heeft verzocht het door [verzoeker] aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van 390,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de over die periode ontstane achterstand in termijnen van 100,- per maand zal worden voldaan (5).

1.8. Blijkens de beschikking van het hof van 28 november 2001 hebben partijen tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2001 over verschillende punten overeenstemming bereikt: de periode waarover de verhaalsverplichting zich uitstrekt, loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en de behoefte van beide kinderen samen moet over die periode op 390,- per maand worden gesteld (rov. 10 en 11). Het hof vervolgt dan:

"12. Het voorgaande brengt mede dat het hof met betrekking tot de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 moet beoordelen of [verzoeker] over voldoende draagkracht beschikt om de door de gemeente verzochte verhaalsbijdrage ter zake de door haar gemaakte kosten van bijstand te voldoen."

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof beslist dat bij de bepaling van de draagkracht van [verzoeker] in de desbetreffende periode de (belasting)tarieven van 1999 zullen worden toegepast, nu de jaaropgave van 1999 als basis dient voor de berekening (rov. 21). Dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
Het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] een draagkrachtruimte van 454,- per maand heeft, waarvan 60%, afgerond 272,- per maand, beschikbaar is (rov. 21). Ten slotte heeft het hof in rov. 22 als volgt overwogen:

"De door de gemeente verhaalde bijstand is voor [verzoeker] als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar. Gelet hierop is [verzoeker] in staat een verhaalsbedrag van 434,- per maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu voormeld bedrag de in rechtsoverweging 10 vastgestelde behoefte van de kinderen te boven gaat, zal het hof het door [verzoeker] aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag in de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vaststellen op 390,- per maand."

Het hof heeft de achterstand van [verzoeker] over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op 6630,-, te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan, welke achterstand [verzoeker] moet aflossen met 100,- per maand met ingang van 1 december 2001.

1.9. [Verzoeker] heeft van de beschikking van het hof tijdig (6) cassatieberoep ingesteld. De gemeente is in cassatie niet verschenen.




2. Bespreking van het cassatiemiddel



Inleiding

2.1. Ingevolge artikel 93 Algemene bijstandswet (Abw) worden de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW [Burgerlijk Wetboek, red.] verhaald, onder meer op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt. Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt op grond van artikel 95 Abw rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. In het systeem van beide bepalingen ligt besloten - en de
Hoge Raad heeft in een arrest van 28 februari 1997 uitdrukkelijk bevestigd (7) - dat voor de omvang van het verhaal van de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige geen andere maatstaf geldt dan de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 BW.

2.2. Op grond van artikel 1:404 BW is [verzoeker] verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de door hem erkende minderjarige kinderen. De omvang van deze onderhoudsplicht dient te worden bepaald aan de hand van artikel 1:397 BW, op grond waarvan enerzijds rekening wordt gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
Bij vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige pleegt de rechter rekening te houden met de fiscale voordelen die aan de te bepalen uitkering tot levensonderhoud zijn verbonden. Zulks ligt ook aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag. Zo wordt in de volgens deze normen uitgevoerde berekening van de kinderalimentatie een eventueel fiscaal voordeel, verband houdende met de aftrek wegens buitengewone lasten, toegevoegd aan het bedrag dat de onderhoudsplichtige geacht wordt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen bijdragen (8).

2.3. Als de rechter bij de vaststelling van de verschuldigde uitkering tot levensonderhoud bepaalde fiscale voordelen in aanmerking zou nemen, werkt dit in verband met artikel 95 Abw in de omvang van de op de onderhoudsplichtige te verhalen kosten van bijstand door. Daarbij is in beginsel niet van belang of voor betrokkene in verband met het bijstandsverhaal gelijke fiscale voordelen zullen gelden. Fiscale voordelen verbonden aan de uitkering tot levensonderhoud bepalen mede de draagkracht van de onderhoudsplichtige en daarmee de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW. Voor de toepassing van de artikel 93 en 95 Abw is die grens vervolgens een gegeven dat niet van de fiscale gevolgen van het bijstandsverhaal afhankelijk is. Dit stelsel is niet onredelijk, omdat het in de risicosfeer van de onderhoudsplichtige zelf ligt als door het niet aanstonds voldoen aan wettelijke onderhoudsplichten fiscale voordelen verloren gaan.



Onderdeel I

2.4. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 22 dat de door de gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker] als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar is. Het onderdeel voert daartoe aan dat op de belastingplichtige verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van zijn minderjarige kinderen niet behoren tot de persoonlijke verplichtingen als bedoeld in artikel 45 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (IB 1964) en derhalve niet op die voet fiscaal aftrekbaar zijn.

2.5. De klacht van het onderdeel is gegrond. Artikel 45, eerste lid, onderdeel e, IB 1964 rekent op de belastingplichtige verhaalde kosten van bijstand slechts tot diens persoonlijke verplichtingen voor zover de verhaalde bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen echtgenoot strekte (9). Voor verhaal van kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de minderjarige kinderen van de belastingplichtige ontbreekt een vergelijkbare voorziening.
Mogelijk heeft het hof, weliswaar sprekende van de door de gemeente verhaalde bijstand, in werkelijkheid de ingevolge artikel 95 Abw bij de vaststelling van de omvang van het te verhalen bedrag in aanmerking te nemen uitkering tot levensonderhoud bedoeld. Zoals hiervoor al aangegeven, komt het bij de bepaling van de omvang van het te verhalen bedrag immers niet aan op eventuele fiscale voordelen die aan het bijstandsverhaal zijn verbonden, maar op eventuele fiscale voordelen die een uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 95 Abw mede zouden bepalen. Ook als het aangevochten oordeel aldus wordt opgevat, is de klacht echter gegrond. Artikel 45, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 30, eerste lid, onderdeel b, IB 1964 rekent tot de persoonlijke verplichtingen slechts periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, voor zover zij niet afkomstig zijn van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Uitkeringen tot levensonderhoud ten behoeve van de minderjarige kinderen van de belastingplichtige zijn ook als zodanig niet als persoonlijke verplichtingen volledig fiscaal aftrekbaar (10).

2.6. [Verzoeker] heeft bij de klacht van het eerste onderdeel geen belang als een uitkering in het levensonderhoud van zijn minderjarige kinderen over de in aanmerking te nemen periode om andere redenen fiscaal aftrekbaar zou zijn geweest en als de grens van zijn onderhoudsplicht in verband daarmee niet anders dan in de aangevochten beschikking zou moeten worden bepaald. Daarbij is in het bijzonder van belang dat, zoals [verzoeker] zelf in zijn toelichting op het eerste onderdeel aan de orde heeft gesteld, uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen die in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, onder voorwaarden als buitengewone lasten zijn aan te merken (artikel 46, eerste lid, onderdeel a, IB 1964) en tot een bedrag, bepaald volgens bij ministerile regeling te stellen regels, in aanmerking worden genomen (artikel 46, tweede lid, IB 1964).

2.7. De wettelijke voorwaarde dat de betrokken kinderen en pleegkinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, is in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 aldus uitgewerkt dat de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud ten minste 56,- per week beloopt (11). In het als bijlage bij de Trema-alimentatienormen behorende Model voor de nettomethode komt dit drempelbedrag voor als maandbedrag van 243,- (12). Naar ook aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag is gelegd, omvatten de in aanmerking te nemen uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud niet slechts de door de belastingplichtige te betalen alimentatie, maar ook uitgaven ter zake van de omgangsregeling met het kind. In het onderhavige geval zijn de kosten van de omgangsregeling op 128,- per maand vastgesteld (zie de cijfermatige opstelling in rov. 21).
Volgens [verzoeker] wordt het drempelbedrag ook met inachtneming van de kosten van omgang niet overschreden. Ik deel die opvatting niet. Het hof heeft een (door de behoefte van beide kinderen ingegeven) bedrag van 390,- per maand met de draagkracht van [verzoeker] over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 in overeenstemming geacht. Een uitkering tot levensonderhoud over dezelfde periode en tot hetzelfde bedrag zou, met de kosten van de omgangsregeling ten bedrage van 128,-, in een totale bijdrage in de kosten van het onderhoud van beide kinderen van 518,- per maand hebben geresulteerd en zou het drempelbedrag van (2 x 243,- =) 486,- derhalve hebben overschreden. Nu bovendien zou zijn voldaan aan de in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, IB 1964 vervatte voorwaarde dat de belastingplichtige voor de betrokken kinderen geen recht op kinderbijslag heeft (13), zouden de betrokken uitgaven in het bedoelde geval als buitengewone lasten kunnen worden gekwalificeerd.
Of het voorgaande k geldt voor de maandelijkse termijnen van 100,- ter aflossing op de door het hof vastgestelde achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage kan, zoals hiervoor (in nr. 2.3) al is uiteengezet, buiten beschouwing blijven. Naar ik meen, moet de aftrekbaarheid van die termijnen overigens worden betwijfeld (14).

2.8. Voor de aftrek van buitengewone lasten als hier bedoeld geldt een forfaitaire regeling. Voor kinderen ouder dan 6 maar jonger dan 12 jaar worden de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud in aanmerking genomen tot een bedrag van 675,- per kalenderkwartaal per kind. Over 1999 correspondeert dit bedrag bij een belastingdruk van 37,05% over de in aanmerking te nemen (tweede) schijf met een fiscaal voordeel van 83,- per maand per kind (15). Dit bedrag wordt ook genoemd als het voordeel uit fiscale buitengewonelastenaftrek per kind van 6 tot en met 11 jaar over het jaar 1999 in de Tarieven en modellen, behorende bij de Trema-alimentatienormen (16). In rov. 22 is het hof van een nagenoeg gelijk fiscaal voordeel van ((434,- - 272,-) : 2 =) 81,- per maand per kind uitgegaan, alhoewel het spreekt van volledige fiscale aftrekbaarheid (17). In zoverre heeft [verzoeker] geen belang bij aantasting van het aangevochten oordeel. In verband met de buitengewone lastenaftrek zal bij de vaststelling van de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW geen geringer fiscaal voordeel in aanmerking moeten worden genomen dan dat waarvan het hof is uitgegaan.
De mate van onderhoud dient per kwartaal te worden beoordeeld (18). Slechts indien de uitgaven voor een kind op jaarbasis ten minste (52 x 56,- =) 2912,- bedragen, wordt de aftrek, zonder toetsing van de mate van onderhoud per kwartaal, over het gehele jaar toegestaan. De uitgaven van [verzoeker] zouden in het jaar 1999 (over de periode van juni tot en met december) (7 x 518,- : 2 =) 1813,- per kind hebben bedragen en in het jaar 2000 (over de periode van januari tot en met oktober) (10 x 518,- : 2 =) 2590,-. Over geen van beide jaren zou het minimumjaarbedrag zijn gehaald. De vereiste mate van onderhoud had daarom per kwartaal moeten worden getoetst. De laatste twee kwartalen van 1999 en de eerste drie kwartalen van 2000 zijn in dat verband niet problematisch. De in aanmerking te nemen onderhoudsplicht over het tweede kwartaal van 1999 en het vierde kwartaal van 2000 zou zich echter tot n maand beperken. Over geen van beide kwartalen zou [verzoeker] met een bedrag van ten minste (2 x 13 x 56,- =) 1456,- in het onderhoud van beide kinderen hebben bijgedragen. Op grond van artikel 9, derde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 is voor de toepassing van de buitengewonelastenaftrek de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal echter beslissend. Dit geldt ook voor de vraag of een kind in belangrijke mate door de belastingplichtige wordt onderhouden (19). Bij het begin van het vierde kwartaal van 2000 droeg [verzoeker] met het vereiste bedrag van 56,- per week per kind in het onderhoud van de kinderen bij, bij het begin van het tweede kwartaal van 1999 niet. Over het vierde kwartaal van 2000 zou de buitengewonelastenaftrek derhalve kunnen worden toegestaan, over het tweede kwartaal van 1999 niet. Tenzij men zich op het standpunt zou willen stellen dat het gemis van het fiscale voordeel over de maand juni 1999 wordt gecompenseerd door de omstandigheid dat de draagkracht van [verzoeker] over de andere maanden een enigszins hogere dan de berekende bijdrage van 390,- per maand toeliet, heeft [verzoeker] in zoverre belang bij de klacht van het onderdeel dat voor de maand juni 1999 niet van een fiscaal voordeel kan worden uitgegaan en de bijdrage voor die maand op het beschikbare deel van de draagkrachtruimte ten bedrage van 272,- (zoals door het hof in rov. 21 berekend) dient te worden vastgesteld. Dit zou vervolgens tot een achterstand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 van in totaal (6630,- - 118,- =) 6512,- leiden.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat [verzoeker] slechts belang heeft bij vernietiging van de aangevochten beschikking voor zover deze betrekking heeft op de maand juni 1999. Over die maand heeft het hof de draagkracht van [verzoeker] op een te hoog bedrag vastgesteld als gevolg van de veronderstelling dat een bijdrage in het levensonderhoud van zijn kinderen over die maand voor [verzoeker] aftrekbaar zou zijn. De
Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de onderhoudsbijdrage voor beide kinderen tezamen over de maand juni 1999 te bepalen op een bedrag van 272,- per maand in plaats van 390,- per maand, waardoor het totale door de gemeente te verhalen bedrag komt op 6512,-. In rov. 21 noemt het hof een bedrag van 272,- als het beschikbare deel van de draagkrachtruimte van [verzoeker] zonder dat met de mogelijkheid van fiscale aftrek is rekening gehouden. Tegen deze overweging heeft [verzoeker] geen cassatieklachten gericht.



Onderdeel II

2.10. Onderdeel II van het cassatiemiddel, dat ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert over de periode waarover de gemeente de verleende bijstand wenst te verhalen als beleid hanteert de verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een persoonlijke verplichting op de voet van artikel 45 IB 1964, mist feitelijke grondslag.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak door de
Hoge Raad op de hiervoor in nr. 2.9 omschreven wijze.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal




1. Zie de beschikking van het hof van 28 november 2001 onder 5-7.
2. Blijkens blz. 2 van het appelrekest zijn [verzoeker] en [betrokkene 1] op 15 oktober 2000 weer gaan samenwonen.
3. De rechtbank spreekt in de rechtsoverwegingen en het dictum van haar beschikking kennelijk abusievelijk van 1 juni 2000.
4. Zie rov. 1 en 2 van de beschikking van het hof van 28 november 2001.
5. Blz. 2, eerste alinea, van de beschikking van het hof.
6. Artikel 426, eerste lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, red.]; het verzoekschrift tot cassatie is op 28 januari 2002 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
7. HR 28 februari 1997, NJ 1997, 306.
8. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs. 30-37.
9. Vakstudie IB 1964, aant. 67 bij artikel 45.
10. Vakstudie IB 1964, aant. 57 bij artikel 45.
11. Dit bedrag is tussen 1983 en 2001 ongewijzigd gebleven (aant. 34 bij artikel 46 IB).
12. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs. 35 en 37.
13. Over de relevante periode moest [verzoeker] worden geacht geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet voor zijn niet tot zijn huishouding behorende minderjarige kinderen te hebben. Zie artikel 46, tweede lid, IB 1964 en artikel 10, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 juncto artikel 18, vierde lid, Algemene Kinderbijslagwet; zie ook Vakstudie IB 1964, aant. 31-32 bij artikel 46.
14. Op grond van artikel 46, vijftiende lid, IB 1964 geldt ook in verband met buitengewone lasten een kasstelsel: buitengewone lasten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip dat zij worden betaald. M.i. moet ook op dat tijdstip de mate van onderhoud worden getoetst. De maandelijkse termijnen voldoen, als zij al als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de kinderen kunnen worden aangemerkt, niet aan de kwantitatieve norm van 56,- per week per kind.
15. Blijkens de aanslag IB 1999, overgelegd als prod. 5 bij het beroepschrift, was over 1999 een bedrag van 13.673,- in de tweede schijf belast. De belastingdruk over de tweede schijf bedroeg over 2000 37,95%; bij die belastingdruk zou met het forfaitaire bedrag van 675,- per kwartaal een fiscaal voordeel van (ruim) 85,- per maand corresponderen.
16 Bijlage Alimentatienormen 1999, Tarieven en tabellen, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 12, nr. 31.
17. Het fiscaal voordeel zou bij werkelijk volledige aftrekbaarheid meer hebben bedragen, te weten ruim 95,- per maand per kind.
18. Vakstudie IB 1964, aant. 30, 34, 38, 42 en 44 bij artikel 46.
19. HR 29 augustus 1997, VN 1997, blz. 3171, in het bijzonder rov. 3.3.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE4069
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 99/1304 NABW I
Datum uitspraak: 20 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; reiskosten omgangsregeling; individualisering; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor (relatief hoge) reiskosten in verband met een omgangsregeling, omdat niet in het individuele geval is beoordeeld hoe vaak betrokkene, afgezet tegen de noodzakelijk te achten bezoekfrequentie, de betreffende reis zou kunnen maken van het bedrag dat in de bijstandsnorm is vervat voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht AWB 99/1304 NABW I




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.



Datum bestreden besluit: 19 juli 1999.
Kenmerk: soza/gh/64987.
Behandeling ter zitting: 13 maart 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 juli 1999, verzonden op 20 augustus daaraanvolgend, heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij schrijven van 30 september 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 1 oktober daaraanvolgend, is namens eiser door mr. R. Verkijk, advocaat te Maastricht, hiertegen ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 22 oktober 1999 aangevuld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 1 december 1999 is het namens eiser gedane verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 13 maart 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R. Verkijk en mw. H. Ros. Verweerder is, met bericht, niet verschenen.




II. Overwegingen


Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt reeds sedert geruime tijd een bijstandsuitkering vanwege verweerders gemeente.

Eiser heeft zich op 18 januari 1999 tot verweerder gewend met het verzoek hem bijzondere bijstand te verlenen in de reiskosten in verband met de bezoekregeling van zijn zoon [zoon].
Blijkens de stukken woont [zoon] bij zijn moeder in Friesland en besteedt eiser maandelijks een bedrag van 216,- tot 288,- aan reiskosten om zijn zoon te bezoeken.

Bij besluit van 1 maart 1999 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen, omdat een bezoekregeling met een in Friesland wonende zoon in het kader van artikel 39 van de Abw niet tot de bijzondere omstandigheden behoort en er daarnaast sprake is van een voorliggende voorziening; de kosten zijn aftrekbaar van de belastingen.

Bij schrijven van 21 april 1999, ter gemeente ontvangen op 22 april daaraanvolgend, heeft mr. Verkijk namens eiser hiertegen bezwaar aangetekend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift ter hoorzitting van de Kamer sociale zaken van de intergemeentelijke commissie van advies voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften toe te lichten, waarvan een verslag is gemaakt.



Het bestreden besluit

In de beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder eisers bezwaarschrift, onder verwijzing naar het advies van voornoemde commissie, ontvankelijk en, zij het met verbetering van de gronden, ongegrond verklaard.
Hieraan is ten grondslag gelegd dat de zich in casu voordoende reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. De vraag of hier sprake is van bijzondere kosten in verband met de grote afstand beantwoordt verweerder, van geval tot geval afwegend, ontkennend.
Het beroep op artikel 8 van het EVRM [Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, red.] kan naar verweerders oordeel evenmin slagen nu eisers uitkering zodanig is dat hij in redelijkheid gestalte kan geven aan zijn recht zijn zoon te bezoeken.
Dat de hoogte van de reiskosten zodanig is dat deze niet voldaan kunnen worden uit de hem ter beschikking staande uitkering doet daaraan niet af.



Het beroep

In beroep is namens eiser aangevoerd dat in casu sprake is van een zeer grote reisafstand, zodat de hieruit voortvloeiende kosten niet meer behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten. Blijkens de uitspraak van de Raad van State van 28 februari 1995, JABW 1995/294, dient te worden onderzocht hoe vaak betrokkene de reis zou kunnen maken van het bedrag dat in de bijstand is vervat voor deelname aan het maatschappelijk verkeer n dient te worden nagegaan welke bezoekfrequentie voor de toepassing van de Abw noodzakelijk kan worden geacht. Voorts moet worden aangegeven welk bijstandsbudget voor deze kosten is bedoeld. Dit heeft verweerder nagelaten, zodat het besluit in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen.
In het kader van artikel 8 van het EVRM heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van de uitkering dusdanig is dat eiser gestalte kan geven aan het in artikel 8 EVRM vervatte recht en anderzijds dat de reiskosten niet kunnen worden voldaan uit de uitkering en daarmee de grens van het noodzakelijke overschrijden niet afdoet aan dat recht. Dit is volgens eiser onbegrijpelijk en tegenstrijdig.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen met veroordeling van verweerder in de proceskosten.



De rechtsvraag

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden eisers verzoek om bijzondere bijstand in de reiskosten naar zijn zoon in het kader van een omgangsregeling heeft afgewezen.



De beoordeling

Artikel 6
van de Abw bepaalt:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan:
a. (...);
b. bijzondere bijstand: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan;
c. (...).

Artikel 39 van de Abw bepaalt:
1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
2. (...).
3. (...).

Naar het oordeel van de rechtbank behoren reiskosten die in het kader van een omgangsregeling door betrokkene worden gemaakt tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan.
Hierbij dient een gemeente zich van geval tot geval te vergewissen dat zich in het individuele geval al dan niet zodanige individuele omstandigheden voordoen dat bijzondere bijstand moet worden verleend. De rechtbank verwijst in dit geval naar de uitspraak van de President van de CRvB van 26 oktober 1998, JABW 1999/2.

Eiser heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat de uitzonderlijke afstand en de daarmee gepaard gaande kosten een bijzondere omstandigheid vormen. Hij heeft te kennen gegeven per maand een bedrag varirend van 216,- tot 288,- aan reiskosten in het kader van de omgangsregeling te besteden.

Bij de toekenning van bijzondere bijstand heeft de gemeente een eigen beoordelingsruimte, die de rechtbank terughoudend dient te toetsen.

De rechtbank merkt evenwel op dat de door verweerder aangehaalde rechtspraak betrekking heeft op reis- en verblijfkosten van het kind in kwestie. In casu verzoekt eiser echter om vergoeding van zijn eigen reiskosten. Het door verweerder ingenomen standpunt en de aangehaalde jurisprudentie kunnen naar het oordeel van de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag dan ook niet dragen.

Voorts is zijdens verweerder nagelaten, de rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de President van de CRvB van 11 juli 1996, JABW 1996/194 [LJN ZB6335, red.] en CRvB van 22 juni 1999, JABW 1999/129 [LJN ZB8366, red.], een overweging te wijden aan de vraag welke bezoekfrequentie vanuit het oogpunt van de Abw noodzakelijk moet worden geacht, waarbij de leeftijd van het kind een rol kan spelen. Voorts is van belang de vraag hoe vaak eiser de betreffende reis zou kunnen maken van het bedrag dat in de periodieke uitkering is vervat voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De door verweerder aangevoerde jurisprudentie in het advies van de bezwaarschriftencommissie is naar dezerzijds oordeel dan ook achterhaald.

Verweerder geeft in het verweerschrift aan dat een bedrag van 75,- per maand is opgenomen in de uitkering voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. De rechtbank mist dan ook een standpunt van verweerder omtrent de hoogte van dit bedrag en de hoogte van de door eiser te maken reiskosten, afgezet tegen de achtergrond van de in het kader van de Abw noodzakelijke bezoekfrequentie.
Gelet op het bovenstaande wordt het bestreden besluit geacht te zijn genomen in strijd met het respectievelijk in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb opgenomen zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, zodat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Nu het bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt, behoeven de overige zijdens eiser aangevoerde gronden naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van 710,- toe (voor de indiening van het beroepschrift 1 punt en voor het verschijnen ter zitting 1 punt) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x 710,- x 1 = 1420,-.

De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de reiskosten van eiser.
Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op 11,40, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 21 april 1999 met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van 60,- wordt vergoed door de gemeente Meerssen;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op 1431,40 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand 1420,-), te betalen door de gemeente Meerssen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2001 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Sleddens            w.g. C. Schrammen




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 maart 2001.




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x