Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE4212
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 99/1568 NABW I
Datum uitspraak: 20 maart 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 15, 17 en 39 Abw (= 13, 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; begrafeniskosten; erfgenaam; voorliggende voorziening; geen bijstand voor schulden
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van de begrafenis van de broer van betrokkene, omdat betrokkene geen erfgenaam is van zijn broer en de Wet op de lijkbezorging derhalve als voorliggende voorziening geldt. Bijzondere bijstand voor de aldus ontstane schuld is evenmin mogelijk, daar betrokkene voor- en nadien met zijn bijstandsuitkering over een inkomen beschikte dat toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht AWB 99/1568 NABW I




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente Brunssum, gevestigd te Brunssum, verweerder.



Datum bestreden besluit: 25 oktober 1999.
Kenmerk: BJC nr. 4610.
Behandeling ter zitting: 13 maart 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 oktober 1999 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij schrijven van 9 november 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 november daaraanvolgend, is namens eiser door mr. R.P.F. Rober, advocaat te Hoensbroek, hiertegen ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 18 november 1999 aangevuld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 13 maart 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.W. Hendriks. Verweerder is verschenen bij gemachtigde dhr. T.G.J. Cizko.




II. Overwegingen


Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sedert geruime tijd een bijstandsuitkering vanwege verweerders gemeente.

Op [dag] juli 1998 is eisers broer overleden. Eiser heeft de begrafenis van zijn broer geregeld en zich op 10 november 1998 tot verweerder gewend met het verzoek bijzondere bijstand te verlenen in de begrafeniskosten ad É8309,67.

Bij besluit van 23 april 1999 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen omdat begrafeniskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en op grond van artikel 39 van de Abw dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Hiertegen is namens eiser door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift op de op 29 september 1999 gehouden hoorzitting nader toe te lichten, waarvan verslag is opgemaakt.



Het bestreden besluit

In de beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.
Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, in navolging van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerders gemeente, dat begrafeniskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Blijkens de stukken is eiser geen erfgenaam van zijn overleden broer, zodat eiser ook niet gehouden was de begrafenis te regelen en kosten te maken.
Tevens was er sprake van een voorliggende voorziening, zijnde de Wet op de lijkbezorging. Mitsdien is er geen grond over te gaan tot vergoeding van de begrafeniskosten.



Het beroep

In beroep is zijdens eiser aangevoerd dat eiser als enig familielid na het overlijden van zijn broer zorg heeft gedragen voor diens begrafenis.
Blijkens de overgelegde verklaring van notaris Hoekstra uit Hoensbroek zijn er geen andere erfgenamen te traceren.
Eiser acht het niet redelijk en billijk te stellen dat er sprake van een voorliggende voorziening is; te weten de Wet op de lijkbezorging. Eiser was hiervan niet op de hoogte. Nu heeft hij een schuld opgebouwd en maakt verweerder een onvoldoende belangenafweging door deze kosten niet te vergoeden.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat aan eiser bijzondere bijstand wordt toegekend voor de begrafeniskosten. Kosten rechtens.



De rechtsvraag

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht de aanvraag om vergoeding van de begrafeniskosten ex artikel 39 Abw heeft afgewezen.



De beoordeling

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 39 van de Abw bepaalt:
1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
2. (...).
3. (...).

In de huidige bijstandswet is, in tegenstelling tot de vervallen bepalingen hieromtrent, de fictie dat begrafeniskosten behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan niet teruggekeerd. In de Abw zelf ontbreekt thans een rechtsplicht om bijzondere bijstand in de begrafenis- c.q. crematiekosten te verlenen. Verweerders gemeente heeft blijkens de door haar overgelegde stukken ervoor gekozen de ontstane kosten als kosten van de nalatenschap te zien.

Dit beleid, dat de rechtbank overigens niet onjuist voorkomt, heeft tot gevolg dat deze kosten naar rato aan de erven dienen te worden toegerekend, die elk voor hun deel dat niet uit de nalatenschap kan worden voldaan bijzondere bijstand kunnen aanvragen. Indien geen van de erfgenamen zich om een begrafenis bekommert of er geen erfgenamen zijn, draagt de gemeente op grond van de Wet op de lijkbezorging zorg voor een begrafenis.

In casu behoort eiser niet tot de erfgenamen van de overledene, zodat moet worden geoordeeld dat de door hem gemaakte kosten niet voor bijzonderebijstandverlening in het kader van de Abw in aanmerking komen en verweerder terecht heeft geweigerd de kosten te vergoeden.

De omstandigheid dat eiser zich moreel verplicht voelde zorg te dragen voor de begrafenis van zijn broer - hoe begrijpelijk ook - en niet op de hoogte was van de wettelijke bepalingen omtrent de vergoeding c.q. voorliggende voorziening ervan kan niet tot een ander oordeel leiden.

Voor zover in casu bedoeld is bijzondere bijstand voor een schuld te verkrijgen, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 15, eerste lid, van de Abw is vervat dat degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet wordt geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid Abw.

Nu onweersproken vaststaat dat eiser ten tijde van het ontstaan van de schuld en ook nadien over een inkomen beschikte dat toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, staat artikel 15 voornoemd aan bijstandverlening in de weg.

Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor ongegrond worden gehouden en kan het bestreden besluit in stand blijven.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2001 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Sleddens        w.g. C. Schrammen




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 maart 2001.




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de
Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE4236
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 99/1668 NABW I
Datum uitspraak: 18 mei 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65, 69 en 81 Abw (= 17, 54 en 58 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: inkomsten; vermoedelijke inkomsten; beŽindiging bijstand; terugvordering; observaties sociale recherche; niet-ondertekende verklaring; derdenverklaringen; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte beŽindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende inkomsten uit arbeid, omdat betrokkene zijn nadien weersproken verklaring aan de sociale recherche niet heeft ondertekend, de observaties van de sociale recherche geen enkel bewijs bevatten van de vermeende werkzaamheden en de derdenverklaringen niet zodanig zijn dat daaruit het bestaan van die werkzaamheden kan worden afgeleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht AWB 99/1668 NABW I




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein, gevestigd te Stein, verweerder.



Datum bestreden besluit: 19 oktober 1999.
Kenmerk: afd. IV afd. AJZ 2549.
Behandeling ter zitting: 8 mei 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 oktober 1999 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij schrijven van 3 december 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 6 december daaraanvolgend, heeft mr. M.J.H.M. Stassen, advocaat te Valkenburg aan de Geul, namens eiser hiertegen ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.
.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 8 mei 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.J.M. Stassen, advocaat te Valkenburg aan de Geul. Verweerder is verschenen bij gemachtigden W.J.M. Niessen en J.W.M. van Kuijck.




II. Overwegingen


Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sedert 18 augustus 1997 een uitkering ingevolge de bijstandswetgeving.

Eisers arbeidsovereenkomst met LWM van 1 mei 1998 is per 20 juli 1998 door de werkgever opgezegd.

Naar aanleiding van een heronderzoek is door de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar eventuele werkzaamheden van eiser.
Eiser heeft daarbij ten overstaan van de rechercheurs een verklaring afgelegd.

Bij besluit van 22 juli 1999 is aan eiser en zijn partner medegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat gedurende de periode van 18 augustus 1997 tot 1 maart 1999 niet volledig en correct is voldaan aan de inlichtingenverplichting ex artikel 65, eerste lid, van de Abw. Eiser heeft in deze periode werkzaamheden verricht en is niet willens omtrent de hoogte van de inkomsten daaruit mededelingen te doen aan verweerder. Op grond hiervan kan het recht op uitkering over voornoemde periode niet (meer) worden vastgesteld. Verweerder heeft dan ook besloten eisers recht op uitkering in te trekken op grond van het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw.
Voorts wordt van eiser een bedrag ad É35.346,33 bruto ex artikel 81, eerste lid, van de Abw teruggevorderd.

Bij schrijven van 25 augustus 1999 is namens eiser hiertegen bezwaar aangetekend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift ter hoorzitting van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften nader toe te lichten. Van het verhandelde is een verslag opgemaakt.



Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser - onder verwijzing naar het advies van voornoemde commissie - ontvankelijk en ongegrond verklaard.
Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de rapportage van de sociale recherche van 9 juli 1999 voor wat betreft de verrichte observaties niet uitblinkt in duidelijkheid en dat door eiser weliswaar wordt gesteld dat hij bedoelde periode niet heeft gewerkt, hetgeen echter onvoldoende is gebleken c.q. aangetoond.
De door eiser afgelegde verklaring berust dan ook op een juiste grondslag.
Ter hoorzitting is voorts gebleken dat de sociaal rechercheurs het gestelde in hun rapportage bevestigen.



Het beroep

In beroep is namens eiser aangevoerd dat is nagelaten te motiveren waaruit is gebleken dat eiser in de betreffende periode - hoewel zijdens eiser betwist - werkzaamheden heeft verricht en geld heeft verdiend.
Voorts dient verweerder aannemelijk te maken dat eiser werkzaamheden heeft verricht en is het niet zo dat eiser dient aan te tonen dat hij gťťn werkzaamheden heeft verricht.
Ten slotte wordt namens eiser aangevoerd dat de sociale rechercheurs ter hoorzitting niet aanwezig waren. Voor zover wordt bedoeld dat de rechercheurs door verweerder zijn ondervraagd, zullen zij niet toegeven dat eiser de afgelegde verklaring niet, althans in een andere context, heeft afgelegd. Zij zullen ook niet toegeven dat eiser niet heeft verklaard en toegegeven dat hij naast zijn uitkering inkomsten heeft genoten.
Door verweerder wordt op geen enkele wijze ingegaan op de namens eiser aangevoerde argumenten, zodat de stellingen verwoord in het bezwaarschrift op pagina 2, vanaf de vierde alinea, pagina 3 en 4 tot en met de derde alinea worden herhaald.
Ten aanzien van de door [bedrijf A] BV overgelegde verklaring wordt aangegeven dat de bedrijfsleider ervan een nieuwe verklaring heeft afgelegd, die wordt overgelegd.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat eiser over de periode van 18 augustus 1997 tot 1 maart 1999 aanspraak heeft op een bijstandsuitkering.



Het verweer

In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat de rapportage van de sociale recherche niet uitblinkt qua duidelijkheid, maar dat eiser er niet in is geslaagd de vraagtekens bij zijn activiteiten weg te nemen.
Daarbij kent verweerder een grote waarde toe aan het feit dat eiser ten overstaan van de rechercheurs heeft verklaard gewerkt te hebben.
Terecht is zijdens eiser opgemerkt dat de sociale rechercheurs niet aanwezig waren op de hoorzitting, hetgeen echter niet van belang is.
Ten aanzien van de rapportage geeft verweerder aan dat het twee opsporingsambtenaren betreft die hun rapport ambtsedig hebben opgemaakt; eiser is daarbij op zijn cautieplicht gewezen [lees: eiser is daarbij cautie verleend, red.], waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt. Ook is door de sociale recherche een proces-verbaal opgemaakt. Overigens blijkt uit de rapportage dat dit aan eiser is voorgelezen en dat eiser hierin volhardde.

Met betrekking tot de verklaring van [bedrijf A] BV blijkt dat nogmaals wordt verklaard dat eiser regelmatig materialen heeft betrokken bij dit bedrijf. Thans wordt echter gesteld dat eiser gedurende de periode augustus 1998 tot maart 1999 zeker geen regelmatige klant was. Een overzicht kan echter niet gegeven worden.
Verweerder is van oordeel dat aan deze verklaring niet de gevolgen verbonden kunnen worden die eiser hieraan wenst te verbinden.



De rechtsvraag

De rechtbank dient te beoordelen of verweerder in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel het bestreden besluit heeft genomen.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten de uitkering in te trekken en terug te vorderen.



De beoordeling

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 65, eerste lid, van de Abw luidt:
De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Artikel 69, derde lid, van de Abw bepaalt:
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of trekken zij dat in:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 81 van de Abw - voor zover van belang - bepaalt:
Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.

De rechtbank is - onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie ter zake - in beginsel van oordeel dat betrokkenen kunnen worden gehouden aan hetgeen zij in hun ondertekende verklaringen hebben verklaard.
Blijkens de rapportage van de sociaal recherche d.d. 13 juli 1999 heeft eiser verklaard: "Ik geef toe dat ik gedurende de uitkeringsperiode heb geadverteerd, offertes heb uitgebracht en werkzaamheden heb uitgevoerd, zonder die werkzaamheden en de daarvoor ontvangen gelden aan de gemeente te hebben opgegeven.
Gedurende de gehele uitkeringsperiode heb ik van tijd tot tijd gewerkt, acquisitie gedaan, bestellingen geplaatst, etc.
Over hetgeen ik verdiend heb, wil ik geen verklaring afleggen. Ook niet omtrent de mensen die voor mij eventueel zouden hebben gewerkt. Ik heb wel met mensen gewerkt, doch ik wil hierover niets verklaren. Ook wil ik niets vertellen over opdrachtgevers en leveranciers." Eiser heeft deze verklaring echter niet ondertekend.

Mitsdien kan op grond van deze verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat eiser in de bedoelde periode werkzaamheden heeft verricht.

Voorts bevatten naar het oordeel van de rechtbank de observaties gehouden in de periode van 25 januari 1999 tot 12 februari 1999 als genoemd in de rapportage van de sociale recherche geen enkel bewijs dat eiser gedurende deze periode werkzaamheden heeft verricht.

Door hoveniersbedrijf [bedrijf B] BV is bij brief van 29 april 1999 verklaard dat eiser geen klant is. Door [bedrijf C] Transporten en Bouwstoffen BV is bij brief van 14 mei 1999 medegedeeld dat eiser in de door verweerder genoemde periode sporadisch bouwstoffen heeft afgehaald. Door [bedrijf A] BV is bij brief van 6 juli 1999 verklaard dat eiser in de door verweerder genoemde periode klant was van het bedrijf en dat hij regelmatig bestratingsmateriaal heeft afgenomen, doch dat nu in hun boekhoudsysteem contante betalingen niet apart zijn uit te draaien het geven van een overzicht niet mogelijk is. Bij brief van 1 december 1999 heeft [bedrijf A] BV nog verklaard dat eiser tot heden regelmatig materialen heeft betrokken met uitzondering van de periode augustus 1998 tot maart 1999.

Deze verklaringen van derden acht de rechtbank niet zodanig dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser in de door verweerder genoemde periode werkzaamheden heeft verricht. Ook het feit dat eiser gedurende een periode van vier maanden een trilplaat heeft gehuurd bij [bedrijf D] Techniek maakt dit oordeel niet anders nu uit verklaringen van derden blijkt dat dit in hun opdracht voor door hen uitgevoerde werkzaamheden is gebeurd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerders besluit dat eiser in de bedoelde periode werkzaamheden heeft verricht niet, althans onvoldoende wordt onderbouwd.

Op grond van het bovenstaande komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het zorgvuldigheids- c.q. motiveringsbeginsel zoals neergelegd in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en kan ook de terugvordering geen stand houden.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van É710,- toe voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x É710,- x 1 = É1420,-

De proceskostenveroordeling heeft voorts betrekking op de reiskosten van eiser wegens. [wegens het verschijnen ter zitting, red.]. Het bedrag daarvan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op É21,58, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van deze kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 25 augustus 1999 met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van É60,- wordt vergoed door de gemeente Stein;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op É1441,58 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand É1420,-), te vergoeden door de gemeente Stein aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2001 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen            w.g. J. Sleddens




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 18 mei 2001.




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE4247
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Roermond
Zaaknummer: 00/845 NABW K1
Datum uitspraak: 3 april 2001
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69 en 81 Abw (= 3, 17, 54 en 58 Wwb) / 3:46 en 6:22 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; beŽindiging bijstand; terugvordering; hoofdverblijf in dezelfde woning; scheiding van tafel en bed; zwerver; motivering
Essentie: Onterechte beŽindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huidhouding, omdat uit het geheel van feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat betrokkene en haar partner, van wie zij van tafel en bed is gescheiden en die een zwervend bestaan leidt, hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Roermond 00/845 NABW K1




U I T S P R A A K




inzake:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, verweerder.



Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 10 augustus 2000, kenmerk 12656/4061.
Datum van behandeling ter zitting: 21 februari 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingaande 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 herzien, alsnog vastgesteld dat eiseres geen recht heeft gehad op bijstand in die periode, zodat aan eiseres een bedrag van É54.201,70 aan bijstand over die periode ten onrechte is betaald. Het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit gegrond verklaard wegens een inhoudelijk motiveringsgebrek van het primaire besluit. Verweerder heeft het besluit van 28 maart 2000 met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dat laatste besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 februari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H.M.H. Janssen als haar raadsman, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.A.T.M. Brouns.




II. Overwegingen


Bij beschikking van 18 juli 1997 is aan eiseres met ingang van 11 juni 1997 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij beschikking van 19 november 1997 is kennelijk aan eiseres met ingang van 1 juli 1997 tevens een toeslag toegekend van aanvankelijk 10% en met ingang van 1 november 1997 van 20%. Naar aanleiding van een periodieke hercontrole in september/oktober 1999, waarbij aan de zijde van verweerder het vermoeden was ontstaan dat [partner], van wie eiseres sedert 1988 gescheiden van tafel en bed leeft, mogelijk bij haar zou wonen, is door de sociale recherche een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering. Bij besluit van 22 oktober 1999 is de uitkering van eiseres ingaande 1 oktober 1999 beŽindigd. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 28 maart 2000 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat is gebleken dat eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar partner [partner], waarvan zij geen of onvolledige opgave heeft gedaan op de daarvoor bestemde inkomstenformulieren. Verweerder stelt voorts dat indien het besluit op basis van de nu bekende gegevens correct zou zijn genomen, er geen recht op uitkering zou hebben bestaan gedurende de periode vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999. Om deze reden heeft verweerder besloten het recht op uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 1997 tot en met 30 september 1999 te herzien op grond van de artikel 65 juncto 69, derde lid, van de Abw en voor zover het betreft de periode vůůr 1 juli 1997 op grond van artikel 30, tweede lid, van de oude tot 1 januari 1996 geldende Algemene Bijstandswet. Tevens vermeldt verweerder dat als gevolg van de herziening van het toekenningsbesluit eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 te veel uitkering heeft ontvangen voor een bedrag van É54.201,70 en dat eiseres over de terugvordering van dit bedrag en de wijze waarop dit wordt geÔncasseerd nog een aparte beschikking ontvangt. Verweerder stelt tot slot dat als eiseres geen bezwaren heeft tegen deze herzieningsbeschikking, dit betekent dat de periode van de herziening en de hoogte van het terug te betalen bedrag is komen vast te staan.
Verweerder baseert zich daarbij op de resultaten van een fraudeonderzoek neergelegd in een rapport van 16 maart 2000.

In bezwaar wordt aangevoerd dat verweerders besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb nu de partner van eiseres vast verblijft op zijn boot en er van een gezamenlijke huishouding geen sprake is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat financiŽle aangelegenheden van haar partner via het adres van eiseres lopen, maar dat daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat eiseres en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden. Omdat [partner] hier te lande geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en het voor een aantal zaken zoals de garage, de verzekering en de wagen noodzakelijk is een adres in Nederland te hebben, lopen uit praktisch oogpunt de genoemde zaken via het adres van eiseres. [Partner] gebruikt het adres van zijn broer in Maaseik (BelgiŽ) als postadres. Eiseres meent dat er slechts indirect bewijs van enige verwevenheid van administratieve kwesties is, maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat eiseres en [partner] samenwonen. Een gezamenlijke huishouding zou pas aannemelijk zijn indien zou worden aangetoond dat [partner] regelmatig bij eiseres verbleef, hetgeen eenvoudig had gekund door te laten posten. Het feit dat eiseres enige administratieve zaken voor [partner] waarneemt, is niet verboden en de aanleiding daarvoor is gelegen in het feit dat zij samen een goede verstandhouding hebben. Het is echter zeker geen criterium om aan te tonen dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding in de zin van de Abw. Voor de verzekeringspolis van [partner] is een goede reden, te weten dat beiden langdurig hun ziektekostenverzekering bij de CZ-groep hadden ondergebracht en eiseres hoefde bij het waarnemen van de verzekeringszaken slechts met ťťn maatschappij zaken te doen. Eiseres verwijst nog naar een uitspraak van de president van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 mei 1997 (JABW 1997, 150).
Bij gelegenheid van de hoorzitting wordt van de zijde van eiseres naar voren gebracht dat [partner] slechts sporadisch bij haar was en dat eiseres en [partner] elkaar onregelmatig zien. Zij leven niet met elkaar en hebben een goede verstandhouding op de momenten dat zij elkaar zien. Eiseres acht het onbegrijpelijk dat verweerder niet meer feitelijk heeft laten onderzoeken of [partner] in de genoemde periode bij eiseres leefde. Op de vraag waarom eiseres en haar partner alleen van tafel en bed zijn gescheiden, antwoordt eiseres dat een definitieve scheiding beide partners niet boeide. Haar ex-echtgenoot heeft destijds de echtelijke woning verlaten en eiseres heeft berust in de ontstane situatie. Er was geen aanleiding om de echtscheidingsprocedure te continueren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren ten aanzien van een inhoudelijk motiveringsgebrek, het besluit van 28 maart 2000 op grond van artikel 6:22 van de Awb in stand te laten en het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat het besluit van 28 maart 2000 ten aanzien van de feiten en omstandigheden op basis waarvan is geconcludeerd dat er sprake is van een herstelde samenwoning onvoldoende is gemotiveerd, ofschoon in het onderzoek ter voorbereiding van de besluitvorming de feitelijke woon- en leefsituatie van eiseres wel voldoende is onderkend. Verweerder is van mening dat uit de bevindingen van de sociale recherche kan worden geconcludeerd dat er in de relevante periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Het niet permanent bij elkaar wonen van de beide echtgenoten leidt verweerder niet tot de conclusie dat er geen sprake meer is van een herstelde samenwoning. Verweerder weegt daarbij mee dat de partner van eiseres ook niet aangeeft waar hij dan elders zou wonen, anders dan bij eiseres. Ook bij een tijdelijk verblijf elders heeft de partner van eiseres zijn woonstede bij eiseres kennelijk niet willen opgeven. Verweerder gaat ervan uit dat indien de partner van eiseres zijn andere woon- of verblijfplaats niet kan of wil aangeven, het voor de hand ligt dat hij zijn financiŽle aangelegenheden niet via eiseres laat beheren. Het komt verweerder niet waarschijnlijk voor dat er in de relevante periode een goede reden aanwezig was om de financiŽle aangelegenheden van de partner door eiseres te laten beheren, anders dan dat er sprake is van een financiŽle verstrengeling als bedoeld in de Abw.
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat posten niet meer relevante gegevens zou hebben opgeleverd omdat de partner van eiseres regelmatig in het buitenland schijnt te verblijven.
Tot slot verwijst verweerder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 april 1999 (JABW 1999/92) [LJN ZB8214, red.] waarin door de Raad criteria zijn aangegeven wanneer gehuwden in het kader van de Abw als ongehuwden aangemerkt kunnen worden als zij duurzaam gescheiden leven.

Bij schrijven van 27 september 2000 wordt namens eiseres beroep ingesteld, waarbij wordt gesteld dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het motiveringsbeginsel en tevens met het evenredigheidsbeginsel. Verzocht wordt een termijn te gunnen om de gronden van dit beroepschrift aan te vullen. Bij brief van 30 oktober 2000 deelt de gemachtigde mede door eiseres niet in de mogelijkheid te zijn gesteld om het beroep met nadere gronden aan te vullen en de gemachtigde verzoekt dan ook een beslissing te nemen op het thans bestaande procesdossier en daarbij met name de in bezwaar naar voren gebrachte gronden in ogenschouw te nemen.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Vooropgesteld zij dat de rechtbank het bestreden besluit leest als een ongegrondverklaring van de door eiseres aangevoerde grieven in bezwaar, waarbij de motivering zoals die blijkt uit het primaire besluit is aangevuld.

Uit de redactie van het bestreden besluit volgt dat verweerder, in afwijking van het bepaalde in het primaire besluit van 28 maart 2000, het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999 heeft herzien op grond van het bepaalde in artikel 69, derde lid, van de Abw zoals dat artikellid luidt sedert 1 juli 1997, in samenhang met het bepaalde in artikel 65, eerste lid, van de Abw. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit ten onrechte gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw voor zover het betreft de periode voorafgaand aan 1 juli 1997. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 augustus 1999 (RSV 99/256) [LJN AA5738, red.].
Gelet op het vorenstaande is er aanleiding het beroep tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de herzieningsbeslissing voor zover het betreft de gehanteerde wettelijke grondslag voor de periode voorafgaand aan 1 juli 1997 voor gegrond te houden en het bestreden besluit in zoverre te vernietigen.
Vervolgens heeft de rechtbank bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten. Daarvoor bestaat in beginsel aanleiding indien komt vast te staan dat met toepassing van de juiste wettelijke (jurisprudentiŽle) grondslag de herzieningsbeslissing materieel overeind zal kunnen blijven.

In tegenstelling tot de sedert 1 juli 1997 in artikel 69, derde lid, van de Abw opgenomen verplichting tot herziening was het met terugwerkende kracht wijzigen van in het verleden bij rechtens onaantastbaar geworden besluiten vastgestelde aanspraken onder het oude regime van zowel de Abw als de oude ABW niet geregeld. De rechtbank is van oordeel dat hier de algemene leer van de Centrale Raad van Beroep moet worden toegepast met betrekking tot het ten nadele terugkomen op rechtens onaantastbaar geworden besluiten. Uit het oogpunt van rechtszekerheid behoort de beŽindiging dan wel herziening van een periodieke bijstandsuitkering in het algemeen niet eerder in te gaan dan op de datum waarop de betrokkene van het daartoe strekkende besluit heeft kunnen kennis nemen of zoveel eerder als de betrokkene van deze beŽindiging dan wel herziening in kennis is gesteld. Voor het beŽindigen dan wel herzien met terugwerkende kracht is in het algemeen dan ook slechts reden indien de betrokkene wist, behoorde te weten of redelijkerwijs kon vermoeden dat hem in strijd met de bij of krachtens de van toepassing zijnde bijstandswet gestelde regels een uitkering wordt verleend.
Op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw zoals dat artikellid luidt met ingang van 1 juli 1997 en voor zover voor dit geding relevant, herzien burgemeester en wethouders een toekenningsbesluit indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat schending van de inlichtingenplicht, als neergelegd in artikel 65, eerste lid, van de Abw - zowel vůůr als na 1 juli 1997- de reden is voor herziening van het recht op bijstand van eiseres over de periode van 11 juni 1997 tot en met 30 september 1999. Verweerder is daarbij van mening dat eiseres met de heer [partner] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Eiseres is gehuwd met (en van tafel en bed gescheiden van) de heer [partner]. Ingevolge het bepaalde in artikel 4, aanhef en onder c, van de Abw vormen zij een gezin. Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Abw wordt als ongehuwde (mede) aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Van duurzaam gescheiden levende echtgenoten is eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of ťťn van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste ťťn van hen als bestendig is bedoeld.
Twee echtgenoten leven niet langer duurzaam gescheiden indien zij de echtelijke samenwoning herstellen. Van herstel van de echtelijke samenwoning kan naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen slechts sprake zijn indien de echtgenoten (wederom) hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
De rechtbank ziet zich dan ook in het bijzonder geplaatst voor beantwoording van de vraag of eiseres en de heer [partner] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de aanwezigheid van kleding en toiletartikelen van de heer [partner] voortvloeit dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres van eiseres. Voorts verwijst verweerder naar het feit dat de heer [partner] een sleutel heeft van de woning van eiseres. Voor het overige baseert verweerder zich op het feit dat de heer [partner] bij de behartiging van een deel van zijn financiŽle belangen het adres van eiseres als postadres gebruikt en dat eiseres een deel van [partner]s administratie verzorgt.
Eiseres stelt daar tegenover dat de door verweerder bedoelde toiletartikelen niet aan de heer [partner], maar aan eiseres toebehoren. Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner] geeft eiseres aan dat dat veelal maatkleding betreft die zij voor de heer [partner] bewaart omdat hij die kleding bij gebrek aan een vaste woon- of verblijfplaats niet allemaal bij zich kan houden. Dat eiseres een deel van [partner]s administratie verzorgt en toestaat dat [partner] haar adres als postadres gebruikt, verklaart eiseres uit de jarenlange (goede) verstandhouding tussen haar en de heer [partner] en uit het zwervende bestaan van de heer [partner].
Voor zover er sprake is van enige mate van financiŽle verstrengeling is de rechtbank van oordeel dat daaruit niet voortvloeit dat de heer [partner] in de periode in geding zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van eiseres. Dat daardoor bij verweerder een zeker vermoeden is ontstaan (of bevestigd) omtrent [partner]s verblijf bij eiseres acht de rechtbank begrijpelijk, maar daarmee is niet gezegd dat die constatering bijdraagt aan het aannemelijk maken van gezamenlijke huisvesting.
Voorts is de rechtbank niet overtuigd geraakt van de stelling van verweerder dat het in deze om toiletartikelen van de heer [partner] ging.
Voor de aanwezigheid van kleding van de heer [partner] in de woning van eiseres heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank een verklaring gegeven die niet ongeloofwaardig overkomt en waar verweerder niets overtuigends tegenover heeft gesteld.
Verweerders stelling dat bij gebrek aan kennis van de vaste woon- of verblijfplaats van de heer [partner] ervan uitgegaan moet worden dat hij dan wel bij eiseres verblijft, volgt de rechtbank niet. Die stelling miskent immers het feit (los van de vraag of dat wenselijk is) dat er mensen zijn die een zwervend bestaan verkiezen.
Verweerder erkent dat posten geen (relevante) informatie zou opleveren of zou hebben opgeleverd omdat verweerder er kennelijk met eiseres en de heer [partner] van uitgaat dat de heer [partner] meestal elders verblijft. Verweerder erkent daarmee naar het oordeel van de rechtbank dat niet is aan te tonen of niet zal kunnen worden aangetoond dat de heer [partner] zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft. Overigens merkt de rechtbank op dat posten ook relevante informatie oplevert als uit de resultaten iets anders voortvloeit dan hetgeen verweerder tracht aan te tonen.
Ook overigens kan de rechtbank uit het geheel van feiten en omstandigheden niet afleiden dat eiseres en de heer [partner] in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op onvoldoende gronden gesteld dat er sprake is van gezamenlijke huisvesting van eiseres en de heer [partner].
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres gegrond dient te worden verklaard, dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat er geen aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, ťťn en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt toegekend (voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres met inachtneming van het bij deze uitspraak bepaalde;
veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op É710,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond);
bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door of namens deze gestorte griffierecht ten bedrage van É60,- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.J.A. Kooijman in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2001.




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 3 april 2001.




Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE4370
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6025 NABW
Datum uitspraak: 4 juni 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 11 en 39 Abw (= 13, 16 en 35 Wwb)
Trefwoorden: detentie; beŽindiging bijstand; bijzondere bijstand voor vaste woonlasten; zeer dringende redenen; gedetineerde
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens detentie en terechte afwijzing bijzondere bijstand voor vaste woonlasten, omdat niet is komen vast te staan dat gedurende de periode van detentie de woonlasten voor rekening van betrokkene zijn gekomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6025 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 2 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2002. Appellant is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Tummers voornoemd, terwijl gedaagde zich, zoals bericht, niet ter zitting heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


De Raad gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 april 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 2 februari 1998 beŽindigd op de grond dat appellant ingaande 2 februari 1998 rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

De door appellant tegen het besluit van 14 april 1998 ingediende bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 24 augustus 1998 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 24 augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat gedaagde op grond van de detentie van appellant de bijstandverlening aan appellant terecht heeft beŽindigd, terwijl er evenmin aanleiding was appellant op grond van het door gedaagde gevoerde beleid in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand voor doorbetaling van zijn vaste lasten aangezien niet is gebleken dat hij die heeft.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand. Derhalve verzet dit voorschrift zich ertegen dat aan appellant tijdens zijn detentie algemene dan wel bijzondere bijstand wordt verleend.

Ingevolge artikel 11 (oud) van de Abw zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Gedaagde heeft de aanspraak van appellant op algemene dan wel bijzondere bijstand mede beoordeeld aan de hand van het beleid dat hij in het kader van de hem bij artikel 11 (oud) van de Abw gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens dat beleid kan - voor zover van belang - bij veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gedurende maximaal zes maanden bijzondere bijstand worden verstrekt voor doorbetaling van vaste lasten. Onder vaste lasten dienen te worden verstaan woonlasten zoals huur, gas, water en licht.

De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt - burgemeester en wethouders eerst dan bevoegd zijn met toepassing van artikel 11 (oud) van de Abw bijstand te verlenen indien in concreto vaststaat dat sprake is van een acute noodsituatie. Het onderhavige beleid van appellant gaat daaraan voorbij en is dan ook met artikel 11 (oud) van de Abw in strijd.

Gezien het voorgaande heeft het onderhavige beleid van appellant het karakter van buitenwettelijk beleid. De Raad komt in dit verband een terughoudende toets toe. Met inachtneming hiervan is de Raad niet kunnen blijken dat het bestreden besluit behoort te worden vernietigd. In het bijzonder heeft de Raad vastgesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming met het onderhavige buitenwettelijke beleid is genomen. Daartoe overweegt de Raad dat niet is komen vast te staan dat gedurende de periode van zijn detentie woonlasten voor rekening van appellant zijn gekomen.

Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.

Evenals de rechtbank heeft de Raad op grond van de gedingstukken niet tot het oordeel kunnen komen dat in het geval van appellant sprake was van dagdetentie als omschreven in de Circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 april 1997, kenmerk BZ VOL/97/7012, inzake detentie en bijstandverlening, nog daargelaten of appellant hieraan een aanspraak zou kunnen ontlenen op doorbetaling van zijn bijstandsuitkering.

De Raad kan appellant ten slotte niet volgen in diens opvatting dat de beŽindiging van de bijstandverlening tijdens zijn detentie hem de mogelijkheid ontneemt om een financiŽle bijdrage voor zijn in Marokko verblijvende gezin over te maken, hetgeen een belemmering opwerpt welke niet te verenigen is met het uit artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende recht op gezinsleven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uitoefening van het recht op gezinsleven op zich niet wordt belemmerd door de toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw en de hantering van het territorialiteitsbeginsel. De bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt, strekt niet zover dat het bijstandverlenend orgaan verplicht is de betrokkene ook tijdens zijn detentie financieel in staat te stellen om zijn in het buitenland verblijvende gezin te onderhouden.

Hetgeen overigens nog door appellant naar voren is gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE4494
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: AWB 01/205 NABW
Datum uitspraak: 26 april 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 78 en 88 (oud) Abw (= 58 en Ė Wwb) / 1:3 en 4:6 Awb
Trefwoorden: terugvordering; herzieningsverzoek; kantonrechtersbeschikking; feitelijke handeling; appellabel besluit; nieuwe feiten of omstandigheden; requeste civiel
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de schriftelijke mededeling dat niet in discussie wordt getreden over de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde terugvordering, omdat die mededeling geen appellabel besluit is. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, kan ter zake van herziening van de in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking enkel een requeste civiel worden ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem AWB 01/205 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 13 december 2000, verzonden op 19 december 2000.




2. Feiten en procesverloop


Eiser ontving sedert 9 november 1992 een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 28 augustus 1996 heeft verweerder van eiser een bedrag van É5873,60 netto teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 januari 1997 heeft verweerder het van eiser terug te vorderen bedrag gewijzigd en nader vastgesteld op É25.381,77 bruto.

Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder eisers bezwaar voor zover gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar aanleiding van een door verweerder op 2 augustus 1999 ingediend verzoekschrift heeft de kantonrechter bij beschikking van 19 mei 2000 vastgesteld dat verweerder van eiser de brutobedragen van É20.849,96, É4397,10 en É190,96 (tezamen voormeld bedrag van É25.381,77) kan terugvorderen.
Tegen deze beschikking heeft eiser geen beroep ingesteld.

Bij brief van 10 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om een nieuwe berekening van het teruggevorderde bedrag.

Bij brief van 15 augustus 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de hoogte van de terugvordering, die door de kantonrechter is nagerekend en (inmiddels onherroepelijk) is vastgesteld, niet meer in discussie treedt.

Bij brief van 16 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om uitleg omtrent loonheffing bij een uitkering en loonheffing bij terugvordering.

Op 14 september 2000 heeft eiser aan verweerder een gecorrigeerde berekening van de terugvordering toegezonden, met het verzoek om een bevestiging van de juistheid daarvan.

In reactie hierop heeft verweerder bij schrijven van 15 september 2000 eiser nogmaals meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de kwestie zal worden ingegaan. Twijfels over de juistheid van de terugvordering had eiser in de procedure bij de kantonrechter kunnen indienen of in beroep tegen de beschikking van de kantonrechter kunnen aanvoeren.
Verweerder heeft dit standpunt, mede ten aanzien van de brutering van de vordering, herhaald bij brieven van 25 september 2000, 3 oktober 2000 en 1 november 2000.

Op 16 oktober 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om inhoudelijk in te gaan op zijn verzoek van 14 september 2000 en de weigering een berekening te geven van het verschil tussen de op de uitkering ingehouden en de teruggevorderde loonheffing.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2000 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft X namens eiser op 24 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn vader, X. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eisers bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, nu aan het algemene antwoord op eisers verzoek geen rechtsgevolg is verbonden.

Eisers beoogt met zijn beroep wijziging van het door de kantonrechter vastgestelde bedrag dat hij aan verweerder dient terug te betalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb kan slechts tegen een besluit bezwaar en beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 8:5 van de Awb is van bezwaar en beroep uitgezonderd een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.

Artikel 4:6 van de Awb schept de mogelijkheid om een bestuursorgaan te verzoeken terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Een belanghebbende dient bij een dergelijk verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
De beslissing op een dergelijk verzoek is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

De vraag die zich hier voordoet, is of verweerder het verzoek van eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Verweerder heeft op 28 augustus 1996 en 20 januari 1997 weliswaar besloten tot terugvordering, maar het betrof besluiten waartegen destijds op grond van de bepalingen in de Algemene bijstandswet en de bijlage bij de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk was. Een procedure tot terugvordering diende tot 1 juli 1997 door een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig gemaakt te worden. Uit een besluit tot terugvordering als zodanig vloeide geen terugbetalingsverplichting voort en voor het stuiten van de verjaringstermijn was niet bepalend het terugvorderingsbesluit, maar de datum van indiening van een verzoekschrift bij de kantonrechter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2000, NJ 2001/58 [LJN AA9135, red.].

In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden die, ware zij bekend geweest, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de kantonrechter ongedaan te maken.
Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78 [LJN ZB9221, red.]. De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht in de beschikking van de kantonrechter.

De rechtbank overweegt voorts dat in de op 1 juli 1997, respectievelijk 1 augustus 1998, inwerking getreden artikelen 78a en 78c van de Algemene bijstandswet aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven om onder bepaalde omstandigheden van (verdere) terugvordering af te zien. Toewijzing van een dergelijk verzoek kan meebrengen dat een door de kantonrechter vastgestelde terugvordering feitelijk niet volledig wordt ingevorderd. De grondslag daarvan is echter niet gelegen in een wijziging van de hoogte de terugvordering, maar in de omstandigheden als genoemd in de betreffende artikelen. De thans in geding zijnde verzoeken van eiser kunnen niet worden gezien als een verzoek om toepassing van artikel 78a of artikel 78c van de Abw.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de verzoeken van eiser terecht niet heeft aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat de reactie(s) van verweerder een feitelijke mededeling is, die niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
Verweerder heeft eisers bezwaar dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het herroepen van vonnissen eigen voorwaarden en een eigen procedure kent middels de mogelijkheid tot het indienen van een requeste civiel. In hoeverre een dergelijk verzoek in casu kans van slagen heeft, staat niet ter beoordeling aan de sector bestuursrecht van de rechtbank.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op: 26 april 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x