Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / WFA / Gw / Awb
x
LJN:
x
AE4538
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/1134 NABW
Datum uitspraak: 11 juni 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 47a ABW (= 136 Abw) (= 11 WFA) (n.v.t. op Wwb) / 10 Gw / 3:4 en 8:72 Awb
Trefwoorden: rijksvergoeding kosten van bijstand; weigering; anonieme tips
Essentie: Terechte weigering rijksvergoeding van door de gemeente gemaakte kosten van bijstand, omdat met de principiŽle weigering door de gemeente om kennis te nemen van anonieme tips onvoldoende is gewaarborgd dat het heronderzoek voldoet aan de wettelijke eisen. Kennisneming van anonieme tips is niet in strijd met het EVRM, de Wpr of de Grondwet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/1134 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden, appellant,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. E. van der Schans, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 22 januari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak [zie LJN AA1086, red.], waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 april 2002, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigden mr. J.F. de Groot, advocaat te Amsterdam, en N. Graas, werkzaam bij de gemeente Leiden. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Bij besluit van 22 augustus 1997 heeft gedaagde de aan appellant over het dienstjaar 1995 te betalen rijksvergoeding ter zake van onder meer de ABW vastgesteld in afwijking van de door appellant ingezonden definitieve kostenopgave over dat jaar. Gedaagde heeft met toepassing van artikel 47a van de ABW besloten dat de door de gemeente Leiden gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn tot een bedrag van É38.300,-. Als gevolg hiervan is de op grond van artikel 47b van de ABW aan de gemeente te betalen vergoeding tot dat bedrag geweigerd. Gedaagde heeft daartoe - samengevat - overwogen dat gebleken is dat de gemeente Leiden het standpunt heeft ingenomen dat anonieme tips nimmer in behandeling worden genomen. Gedaagde is, blijkens onder andere zijn Circulaire van 4 juli 1995 inzake misbruik en oneigenlijk gebruik van onder meer de ABW, van oordeel dat het gebruik van feitelijk onderbouwde tips een goed middel is om fraude op te sporen. Door het niet in behandeling nemen van anonieme tips zijn, aldus gedaagde, door appellant uitkeringen verstrekt waarvan de rechtmatigheid niet is verzekerd of waarvan de juiste hoogte van het uitgekeerde bedrag niet is gewaarborgd.

Bij besluit van 3 december 1997 heeft gedaagde het namens appellant ingediende bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 1997 ongegrond verklaard.
Gedaagde heeft daartoe kort gezegd overwogen dat de gemeente bij de uitvoering van de ABW een zodanig beleid dient te voeren dat alleen uitkeringen worden verstrekt in de door de wet bedoelde gevallen. Daarbij dient, gelet op artikel 3 van het Besluit verantwoording en vergoeding uitkeringskosten ABW, Ioaw en Ioaz (hierna: Bvvu) regelmatig te worden nagegaan of een uitkering op juiste gronden is verstrekt en of aanpassing noodzakelijk is. Tussentijds ontvangen signalen kunnen reden zijn om een nader onderzoek in te stellen. Door geen gebruik te maken van feitelijk onderbouwde tips van anonieme derden benut appellant niet alle gegevens bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen. Omdat appellant principieel weigert deze gegevens te gebruiken, is er sprake van een structurele tekortkoming in het door appellant gevoerde beleid. Gedaagde heeft in dit verband ook nog verwezen naar zijn Nota uitgangspunten en normering toetsings- en maatregelenbeleid uit 1992 (hierna: Nota maatregelenbeleid 1992).

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 3 december 1997 ongegrond verklaard. Hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen, komt erop neer dat in artikel 47a van de ABW niet is aangegeven wanneer kosten niet aanvaardbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank stond het gedaagde vrij - en was het uit een oogpunt van rechtszekerheid ook geboden - om nader aan te geven in welke situaties naar zijn mening artikel 47a van de ABW toegepast zou kunnen worden. De rechtbank acht het gelet op de inhoud van de Nota maatregelenbeleid 1992 alsmede de Circulaire van 4 juli 1995 toelaatbaar dat gedaagde in het kader van genoemd artikel verlangt dat feitelijk onderbouwde tips, ook als deze anoniem zijn, door de gemeente worden bestudeerd. De rechtbank ziet in de Wet persoonsregistraties (Wpr), artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede artikel 10 van de Grondwet geen belemmeringen voor gedaagde om van appellant te verlangen over te gaan tot een onderzoek van feitelijk onderbouwde tips, ook indien deze afkomstig zijn van anonieme derden.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Betwist wordt dat gedaagde appellant kan verplichten zijn vanaf 1986 ingenomen (principiŽle) standpunt, inhoudende het weigeren gebruik te maken van anonieme tips bij het vaststellen van de rechtmatigheid van verstrekte uitkeringen, te verlaten. Appellant voert daartoe - kort gezegd - aan dat gedaagde zijn opvatting niet kan baseren op artikel 47a van de ABW. Ook kunnen de door gedaagde genoemde nota en circulaire de gemeente, aldus appellant, niet binden en voor zover gedaagde zijn standpunt baseert op artikel 3, eerste lid, van het Bvvu, is appellant de mening toegedaan dat deze bepaling, zo hierin al een verplichting kan worden gelezen tot het gebruik maken van anonieme tips, onverbindend is wegens strijd met artikel 81c van de ABW.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 47a, eerste lid, van de ABW kan gedaagde besluiten dat bepaalde door de gemeente gemaakte kosten van bijstand uit een oogpunt van bijstandverlening niet aanvaardbaar zijn.

Artikel 50 van de ABW bepaalt dat de vergoeding in en van de kosten van bijstand, bedoeld in de artikelen 47b tot en met 49, alleen wordt verleend voor zover de inrichting van de administratie van de bijstand voldoet aan de daarvoor gestelde regels.

Ingevolge artikel 81c van de ABW kan gedaagde regelen stellen met betrekking tot de administratie van de gemeenten ter zake van de uitvoering van deze wet.

In artikel 3, eerste lid, van het Bvvu is bepaald dat, behoudens met betrekking tot uitkeringen voor periodieke bijzondere bestaanskosten, burgemeester en wethouders uiterlijk binnen acht maanden na de datum van ingang van de uitkering dan wel van de beslissing naar aanleiding van het laatst uitgevoerde onderzoek een beslissing moeten nemen, na opnieuw alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden te hebben onderzocht.

Blijkens het besluit van 3 december 1997 heeft gedaagde de thans in geding zijnde maatregel wegens overtreding van artikel 3, eerste lid, van het Bvvu gebaseerd op artikel 47a van de ABW.

De Raad stelt vast dat, gelet op de parlementaire geschiedenis van artikel 47a van de ABW, tot niet-aanvaardbaarverklaring van gemaakte kosten van bijstand kan worden overgegaan indien het gemeentelijke beleid inzake de bijstandverlening afwijkt van de doelstellingen van de wet.

Gedaagde heeft ter zitting van de Raad aangevoerd, zulks onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 28 september 1999, nummers 97/6456 ABW en 97/6457 ABW, dat in geval van schending van artikel 3 van het Bvvu de wettelijke grondslag voor de weigering van (een deel van) de rijksvergoeding niet gevonden had moeten worden in artikel 47a van de ABW, maar in artikel 50 van die wet in samenhang met artikel 3 van het Bvvu.

Deze juiste constatering brengt mee dat het besluit van 3 december 1997 wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, is de Raad van oordeel dat er termen aanwezig zijn om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand te laten. De namens appellant tegen het besluit aangevoerde bezwaren treffen, zoals hierna zal blijken, geen doel.

De Raad overweegt daartoe het volgende.

Allereerst is aan de orde de vraag of het Bvvu, meer in het bijzonder artikel 3, eerste lid, van dat besluit, verbindende kracht mist, zoals appellant heeft gesteld.
Appellant heeft in dit verband betoogd dat artikel 3, eerste lid, van het Bvvu verder gaat dan het geven van regels voor de inrichting van de financiŽle administratie en het treffen van maatregelen van interne controle aangezien in deze bepaling ook regels worden gegeven voor externe controle met de verplichting voor burgemeester en wethouders om bij het heronderzoek ook gegevens te betrekken die binnenkomen via tipgevers. Appellant stelt zich op het standpunt dat dit is overgelaten aan het oordeel van burgemeester en wethouders zoals is vastgelegd in artikel 11, eerste lid, van de ABW.

Ingevolge de artikelen 50 en 81c van de ABW bestaat de bevoegdheid nadere regelen te stellen met betrekking tot de administratie van de gemeenten ter zake van de uitvoering van de ABW. Die nadere regels zijn neergelegd in het Bvvu.
Aan de term "administratie" in deze bepalingen kan naar het oordeel van de Raad niet zonder meer worden ontleend welke reikwijdte hieraan in het kader van de ABW dient te worden toegekend.
Blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 81c van de ABW heeft de in dat artikel verleende bevoegdheid de bedoeling in de administratie van de gemeenten op het terrein van de bijstandverlening zoveel mogelijk uniformiteit te bereiken en de bewerking daarvan in het kader van de beleidsvoering en het toezicht zo doelmatig mogelijk te maken. De Raad acht deze omschrijving zodanig dat hieronder mede valt te begrijpen hetgeen door appellant nader is aangeduid als de externe controle. De Raad acht hierbij in het bijzonder van gewicht dat de administratie ook van belang is in het kader van een zo doelmatig mogelijk toezicht.
Met betrekking tot de door appellant aangehaalde passage uit de memorie van antwoord waar sprake is van "financiŽle administratie" merkt de Raad op dat hiermee niet bedoeld kan zijn dat het begrip administratie slechts in de door appellant bedoelde beperkte zin moet worden opgevat. Er is slechts aangegeven dat de Minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor het stellen van regels inzake de financiŽle administratie van gemeenten en dat het uit een oogpunt van goede coŲrdinatie wenselijk wordt geacht dat van de in artikel 81c van de ABW gegeven bevoegdheid tot het stellen van regels geen gebruik wordt gemaakt buiten de Minister van Binnenlandse Zaken om.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat met artikel 3, eerste lid, van het Bvvu is getreden buiten de grenzen van de in de ABW gegeven regelgevende bevoegdheid.
Het beroep dat appellant doet op artikel 11 van de ABW treft geen doel omdat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, deze bepaling niet ziet op hetgeen in de onderhavige zaak aan de orde is.

Artikel 3, eerste lid, van het Bvvu schept voor burgemeester en wethouders de verplichting om in het kader van het heronderzoek rekening te houden met "alle gegevens die het recht op en de omvang van de periodieke uitkering beÔnvloeden". Deze bepaling kan niet los worden gezien van de artikel 30a van de ABW en artikel 2, eerste lid, van het Bvvu neergelegde verplichtingen van burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor een adequate controle op het nakomen van de inlichtingenverplichting van belanghebbenden, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van die wet, en voor de juistheid en volledigheid van de in de kostenopgave opgenomen gegevens.
Het categorisch ter zijde leggen en na binnenkomst onmiddellijk vernietigen van alle feitelijke informatie die afkomstig is van personen die onbekend wensen te blijven, verdraagt zich hiermee naar het oordeel van de Raad niet. Aldus is namelijk onvoldoende gewaarborgd dat het heronderzoek voldoet aan de eisen van artikel 3 van het Bvvu zoals die ook blijken uit de nota van toelichting bij het Bvvu.
De Raad wijst er voorts op dat vanaf het begin van de jaren negentig er zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau meer aandacht is gekomen voor het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van onder meer de ABW en dat een ontwikkeling in gang is gezet waarbij misbruikbestrijding als een volwaardige taak binnen het uitvoeringsproces wordt opgevat. Ook binnen deze ontwikkeling past het dat rekening wordt gehouden met door al dan niet anonieme derden aangereikte tips, mits relevant en voldoende feitelijk onderbouwd, als een middel om fraude op te sporen. Verwezen wordt naar gedaagdes reeds eerder genoemde Circulaire van 4 juli 1995 alsmede naar de Handreiking ten behoeve van de opstelling van een beleidsplan fraudebestrijding Algemene Bijstandswet, welke als bijlage is gevoegd bij de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 20 juni 1994.
Dat de ABW een wet is die appellant in medebewind uitvoert, geeft appellant, gelet op de tekst en strekking van de ter zake geldende controlebepalingen, anders dan hij meent, niet de vrijheid om anonieme tips in het kader van zijn heronderzoeksplicht zonder meer ter zijde te leggen.

Appellant heeft gesteld dat sprake is van strijd met artikel 29, tweede lid, van de Wet op de persoonsregistratie (Wpr). De Raad deelt die opvatting niet. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling kan bij het geven van inlichtingen over de herkomst worden volstaan met globale informatie. Voorts biedt artikel 30 van de Wpr de mogelijkheid om de herkomst van de aanleiding voor het onderzoek in het belang van de controle en het toezicht in het geheel niet aan de betrokkene te melden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat ťťn en ander ertoe leidt dat het voor de houder van de registratie als bedoeld in artikel 29 van de Wpr niet noodzakelijk is om de identiteit van de tipgever te achterhalen alvorens de gegevens op te nemen in de persoonsregistratie. Ook kan de Raad appellant niet volgen in zijn betoog dat de Wpr met zich zou brengen dat appellant gehouden is te onderzoeken of de informatie waarop de tip betrekking heeft op rechtmatige wijze is verkregen en dat zulks in het geval van een anonieme tip niet mogelijk is. De Raad wijst erop dat ook een niet-anonieme tip niet de garantie biedt dat de verstrekte inlichtingen op rechtmatige wijze door de tipgever zijn verkregen. Wat hiervan verder ook zij, de tip zal, mits relevant en voldoende feitelijk onderbouwd, slechts de aanleiding kunnen zijn voor het instellen van een onderzoek en alleen de in het kader van dit onderzoek verkregen gegevens kunnen, indien daartoe voldoende gronden bestaan, aanleiding vormen het betreffende recht op uitkering te herzien of in te trekken.
Appellant heeft voorts betoogd dat de verplichting tot het in behandeling nemen van anonieme tips als zodanig in strijd is met het in artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet neergelegde en door appellant te respecteren recht op privacy. De Raad kan appellant hierin evenmin volgen. Met de rechtbank is de Raad op dit punt van oordeel dat de vraag of de in de tip vermelde gegevens bij gebruik ervan schending van deze bepalingen oplevert eerst kan worden beantwoord als de tip is beoordeeld en nader is onderzocht.

Appellant is verder van mening dat gedaagde in het besluit van 3 december 1997 bij de berekening van de maatregel is uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Appellant is van opvatting dat gedaagde hierbij ten onrechte is uitgegaan van de Regeling forfaitaire percentages maatregelen Abw, Ioaw en Ioaz van 13 december 1996 (Stcrt. 1996, 247). Hij stelt in dit verband dat genoemde regeling is vastgesteld onder vigeur van de Algemene bijstandswet zoals die op 1 januari 1996 in werking is getreden, terwijl het in dit geval gaat om het dienstjaar 1995 toen de ABW nog gold.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.
De Nota maatregelenbeleid 1992 ziet onder meer op situaties waarin sprake is van een weigering van de rijksvergoeding op basis van artikel 50 van de ABW. Indien het met de tekortkoming gemoeide financiŽle beslag niet kan worden gekwantificeerd, wordt de maatregel, aldus deze nota, bepaald op een forfaitair bedrag berekend op basis van het totaalbedrag dat de desbetreffende gemeente als rijksvergoeding declareert. In het geval dat de zwaarte van de tekortkoming als licht wordt aangemerkt, bedraagt de maatregel in het eerste jaar 0,5% van de gedeclareerde rijksvergoeding. Dit zou in het geval van appellant leiden tot een maatregel ter hoogte van É461.192,- op jaarbasis. Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde in verband met het overigens verantwoorde uitvoeringsbeleid ter zake van de ABW in de gemeente Leiden de maatregel vastgesteld op een bedrag van É38.300,- over vijf maanden, hierbij aansluiting zoekend bij de hierboven genoemde regeling.
De Raad is van oordeel dat de zwaarte van deze maatregel de rechterlijke toetsing kan doorstaan, waarbij tevens in de beschouwingen is betrokken dat van strijd met artikel 3:4 van de Awb, in die zin dat de maatregel als hier aan de orde in geen verhouding staat tot de ernst van de appellant verweten gedraging, geen sprake is.

Ten slotte is nog aangevoerd dat door het ontbreken van het voorgeschreven horen van appellant alsmede door het ontbreken van het voorgeschreven bestuurlijk overleg gedaagde heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook deze grief treft geen doel. Uit de gedingstukken blijkt dat op 20 januari 1995 de rijksconsulent gedaagdes standpunt aangaande anonieme tips met vertegenwoordigers van appellant heeft besproken. Gedaagde heeft in zijn brieven van 28 juni 1995 en 12 april 1996 zijn beleid op dit punt nogmaals uiteengezet. De Raad is niet gebleken dat aldus onvoldoende overleg is gevoerd dan wel dat het overleg zoals dat is gevoerd niet voldoet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid dienen te worden gesteld.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden met toepassing van de in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht
genoemde gewichtsfactor "zwaar" begroot op in totaal Ä1866,- wegens in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 december 1997;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
Ä1866,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE4985
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: AWB 01/896 NABW
Datum uitspraak: 5 juni 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 en 106 Abw (= 35 en 55 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; verhuis- en inrichtingskosten; voorwaarde tot inkomensbeheer; budgettering
Essentie: Onterechte oplegging voorwaarde tot inkomensbeheer bij bijzonderebijstandverlening voor verhuis- en inrichtingskosten, omdat die voorwaarde geen verband houdt met aard en doel van de eenmalig verleende bijzondere bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Arnhem AWB 01/896 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 23 april 2001.




2. Procesverloop


Bij besluit van 8 december 2000 heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor verhuis- en inrichtingskosten tot een bedrag van maximaal É3000,-, onder meer onder de voorwaarde van inkomensbeheer door het Budget Advies Centrum (BAC).

Tegen dit besluit heeft eiser op 21 december 2000 bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is op 20 maart 2001 behandeld door de bezwaarschriftencommissie van de dienst Sociale Zaken en Arbeid. Eiser is niet op de hoorzitting verschenen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend dat op 9 mei 2001 bij verweerder is ingekomen en op 10 mei 2001 als beroepschrift is doorgestuurd naar de rechtbank. Op 28 mei 2001 heeft eiser de gronden van het beroepschrift aangevuld.

Verweerder heeft op 22 mei 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 mei 2002. Eiser is daar, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees, werkzaam bij de gemeente Arnhem.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ontvangt eiser een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Op 24 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in verhuis- en inrichtingskosten. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen, omdat de noodzaak van verhuizing onvoldoende was aangetoond en wegens onvoldoende besef van verantwoordelijkheid. Zo zou eiser in de afgelopen twaalf jaar zonder aanwijsbare noodzaak acht keer zijn verhuisd, laatstelijk naar een kamer in een pension waarvan de maandlasten É1150,- bedroegen.
Naar aanleiding van een gesprek met eiser op 27 november 2000 is besloten dat eiser eenmalig geholpen moest worden om zijn situatie weer zo normaal mogelijk te krijgen, onder de voorwaarde dat eiser zich zou aanmelden bij het BAC.
Op 1 december 2000 heeft eiser een intakegesprek gehad met het BAC. Zijn financiŽle situatie bleek niet dusdanig problematisch dat inkomensbeheer nodig was. Omdat eiser een verwarde indruk maakte, achtte het BAC het echter beter om eisers inkomen toch voor ten minste het eerste halfjaar onder beheer te nemen.
Bij primair besluit van 8 december 2000 is alsnog bijzondere bijstand om niet verleend, onder de voorwaarden van inkomstenbeheer en uitbetaling van de bijstand na indiening van de notaís.
Op 19 december 2000 heeft eiser een tweede gesprek gehad met het BAC. Daarbij is in overleg met eiser een principeafspraak tot inkomensbeheer gemaakt voor de duur van een halfjaar.

Blijkens het bestreden besluit liggen aan de voorwaarde tot inkomensbeheer eisers persoonlijke omstandigheden ten grondslag.

Eiser kan zich met die voorwaarde niet verenigen. De voorwaarde is zijns inziens niet noodzakelijk nu hij aan zijn financiŽle verplichtingen kan voldoen en zijn financiŽle situatie overzichtelijk is. De voorwaarde staat zijns inziens ook niet in verhouding tot het verkrijgen van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 106, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand onder meer verplichtingen verbinden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beŽindiging.

Aangezien eiser geen periodieke bijstandsuitkering ontvangt, is verweerder in deze slechts bevoegd om verplichtingen op te leggen die verband houden met aard en doel van de eenmalig verleende bijzondere bijstand.
De rechtbank ziet niet in hoe de verplichting tot inkomensbeheer hiermee verband zou kunnen houden. Anders dan de eveneens opgelegde voorwaarde dat de uitbetaling geschiedt na indiening van de notaís, verzekert de verplichting tot inkomensbeheer niet dat de bijstand wordt aangewend voor het beoogde doel en raakt het evenmin de aard van de verleende bijstand, die om niet is verstrekt.
Dat inkomensbeheer, gelet op eisers persoonlijke omstandigheden, wellicht in zijn voordeel zou zijn, betekent op zichzelf nog niet dat verweerder ook bevoegd is eiser daartoe te verplichten.

De slotsom is dan ook dat verweerder met de oplegging van de voorwaarde tot inkomensbeheer de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden en dat het bestreden besluit in zoverre in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met de wet.

Aangezien dit gebrek eveneens kleeft aan het primaire besluit ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en ook het besluit van 8 december 2000 te vernietigen, voor zover daarbij de voorwaarde tot inkomensbeheer is gesteld.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu de rechtbank niet is gebleken van door eiser gemaakte proceskosten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2001, alsmede het hieraan voorafgaande besluit van 8 december 2000, voor zover hierbij is besloten dat eisers inkomen door het BAC onder beheer wordt genomen;
bepaalt dat de gemeente Arnhem aan eiser het door hem betaalde griffierecht van
Ä27,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. F.M.Th. Quaadvliet als griffier.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op: 5 juni 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE5639
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/5120 NABW
Datum uitspraak: 23 juli 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 120 Abw (= Ė Wwb) / 6:7 Awb
Trefwoorden: hoger beroep; niet-ontvankelijk; overschrijding indieningstermijn; mandaat
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep van B&W, omdat zij weliswaar een besluit tot het instellen van hoger beroep hebben genomen, doch eerst na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 01/5120 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 21 september 2001 is, op in een aanvullend beroepschrift van 18 oktober 2001 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2001, reg.nr. ABW 00/3776 NABW, verzonden op
16 augustus 2001.

Namens gedaagde heeft mr. Ph. Burgers, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Amsterdam-West, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 juli 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Burgers.




II. Motivering


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van gedaagde tegen een besluit van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) van 9 juni 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen.

Bij het beroepschrift van 21 september 2001 is namens appellant tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld door de chef Beroep van de Concernafdeling Juridische Zaken van de Sociale Dienst Amsterdam. In het beroepschrift is aangegeven dat het besluit van appellant tot het instellen van het hoger beroep zo spoedig mogelijk zal worden nagezonden.

Als bijlage bij het aanvullend beroepschrift is aan de Raad een afschrift gezonden van het besluit van appellant van 5 oktober 2001 tot het instellen van hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.

In het verweerschrift heeft de gemachtigde van gedaagde onder meer aangevoerd dat het besluit van 5 oktober 2001 na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep is genomen, hetgeen "zou moeten leiden tot een niet in behandeling nemen van het hoger beroep".

De Raad ziet zich, reeds ambtshalve, allereerst gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

In artikel 18 van de Beroepswet - voor zover hier van belang - is bepaald dat hoger beroep bij de Raad tegen een daarvoor in aanmerking komende uitspraak van de rechtbank kan worden ingesteld door een belanghebbende en het bestuursorgaan. In het onderhavige geval is appellant het betrokken bestuursorgaan.

Op grond van artikel 168 van de Gemeentewet (tekst van 1 januari 1994 tot en met 15 januari 2002) kan het College van burgemeester en wethouders (het College) de uitoefening van ťťn of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan ťťn of meer van zijn leden, tenzij de regeling waarop de desbetreffende bevoegdheid steunt zich daartegen verzet. Gesteld noch gebleken is dat op het in dit geding van belang zijnde tijdstip ten aanzien van de bevoegdheid van appellant tot het instellen van hoger beroep in bijstandszaken toepassing was gegeven aan artikel 168 van de Gemeentewet.

Artikel 120, eerste en tweede lid, van de Abw (tekst met ingang van 1 januari 1998) luidt:
-1. Burgemeester en wethouders kunnen slechts met toestemming van de gemeenteraad aan gemeenteambtenaren mandaat verlenen tot het nemen van besluiten inzake de verlening van bijstand. Burgemeester en wethouders geven daarbij algemene instructies.
-2. Het in het eerste lid bedoelde mandaat kan zich niet uitstrekken tot het beschikken op bezwaarschriften en tot het instellen van beroep.

Uit de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 120, tweede lid, van de Abw volgt dat aan het instellen van beroep een besluit van het betrokken College zťlf ten grondslag dient te liggen. Mandatering van die bevoegdheid (aan een gemeenteambtenaar) is niet toegestaan. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever dit vereiste heeft gesteld omdat "het belang van de te beslissen zaken vereist (...) dat wordt beslist door het bestuurlijk college dat voor het bestreden besluit verantwoordelijk is". De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden voor een oordeel van de wetgever dat dit niet evenzeer zou (behoren te) gelden voor andere besluiten tot het instellen van een rechtsmiddel, waaronder hoger beroep. Daarbij is van belang dat artikel 120, tweede lid, van de Abw zijn oorsprong vindt in artikel 29a, tweede lid, van de (oude) Algemene Bijstandswet, welke bepaling tot stand is gekomen onder het toenmalige stelsel van rechtsbescherming in bijstandszaken waarin tegen het primaire besluit eerst bezwaar kon worden gemaakt, vervolgens administratief beroep kon worden ingesteld bij het desbetreffende College van gedeputeerde staten en ten slotte (ook voor het betrokken College) beroep op de Kroon openstond.

Vaststaat dat in het onderhavige geval appellant weliswaar een besluit tot het instellen van hoger beroep heeft genomen, doch eerst na het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep. Op grond daarvan dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het wettelijke stelsel van enerzijds een (behoudens artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht) strikte termijn voor het instellen van hoger beroep van zes weken en anderzijds het (behoudens artikel 168 van de Gemeentewet) even strikte vereiste van artikel 120, tweede lid, van de Abw brengt immers met zich dat een besluit van het betrokken College tot het instellen van hoger beroep vůůr het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep moet zijn genomen. Voor een andersluidend oordeel ziet de Raad geen ruimte.

Met dit wettelijke stelsel acht de Raad overigens niet in strijd een binnen de termijn voor het instellen van hoger beroep namens het betrokken College ingesteld hoger beroep ontvankelijk te achten indien het besluit van dat College tot het instellen van hoger beroep vůůr het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep is genomen, maar eerst na het verstrijken van die termijn door de Raad wordt ontvangen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van gedaagde, begroot op
Ä644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van
Ä644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam;
bepaalt dat van de gemeente Amsterdam een griffierecht van
Ä327,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. Th.C van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6057
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5336 NABW
Datum uitspraak: 25 juni 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65 en 69 Abw (= 3, 17 en 54 Wwb) / 7:12 en 8:73 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; beŽindiging bijstand; terugvordering; eerdere gezamenlijke huishouding; huurder; wederzijdse zorg; motivering; renteschadevergoeding
Essentie: Onterechte beŽindiging en terugvordering bijstand wegens vermeende gezamenlijke huishouding, omdat het langer is geleden dan twee jaar dat betrokkene eerder met haar huidige huurder een gezamenlijke huishouding voerde en voorts in de periode in geding niet is gebleken van zorg dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5336 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 12 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Asperen heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl, werkzaam bij de gemeente Groningen.




II. Motivering


Appellante heeft van mei 1993 tot april 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor gehuwden ontvangen samen met [X] (hierna: [X]), met wie zij toen een gezamenlijke huishouding voerde. Zij ontving vanaf april 1994 uitkering naar de norm voor een eenoudergezin. Vervolgens is haar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op een zogeheten maandelijkse verklaring Abw, gedateerd 21 juli 1997, gaf appellante een wijziging in haar woonsituatie op. Volgens die opgave was op 1 juli 1997 een huurder bij haar komen inwonen. Uit informatie uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat [X] zich op 14 april 1994 had doen uitschrijven op het adres van appellante en zich opnieuw op dat adres had doen inschrijven op 23 juli 1997. Gedaagde beŽindigde de betaling van de uitkering van appellante met ingang van 1 september 1997.
Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen deze feitelijke beŽindiging bezwaar gemaakt bij brief van 6 oktober 1997.

Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft gedaagde het besluit tot toekenning van uitkering aan appellante ingetrokken met ingang van 1 juli 1997 en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 1997 ontvangen bijstand tot een bedrag van É3408,62 van haar teruggevorderd. Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 24 oktober 1997.

Bij besluit van 22 oktober 1997 heeft gedaagde op aanvraag van appellante opnieuw een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend met ingang van 7 oktober 1997.

Tegen het uitblijven van een beslissing op laatstgenoemd bezwaar heeft mr. Van Asperen beroep ingesteld bij brief van 2 februari 1998.

Bij besluit van 5 maart 1998 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en c, (oud) van de Abw en met een bepaling omtrent de wijze van invordering.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 ongegrond verklaard en beslissingen gegeven tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het namens appellante ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 ongegrond is verklaard. Appellante betwist dat zij vanaf 1 juli 1997 met [X] een gezamenlijke huishouding voerde. Volgens haar gemachtigde is artikel 3, derde lid, (oud) van de Abw in strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de betekenis van de door gedaagde gehanteerde bepalingen, op basis waarvan gedaagde het (wederom) bestaan van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [X] zonder verder onderzoek heeft aangenomen en, daarvan uitgaande, tot intrekking en terugvordering is overgegaan, zijn twee eerdere uitspraken van de Raad van belang. De eerste uitspraak is die van 29 januari 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2002/118 [LJN AE0165, red.]. In die uitspraak heeft de Raad uitvoerig gemotiveerd waarom artikel 3, vierde lid, van de Abw geen belemmering bevat die onverenigbaar zou zijn met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende eis van "equality of arms". De tweede uitspraak is die van 2 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/137 en JABW 2000/104, waarin de Raad een ongerechtvaardigd onderscheid heeft geconstateerd tussen niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die een gezamenlijk hoofdverblijf hebben en die voor de toepassing van de ABW/Abw eerder de rechtsgevolgen hebben ondervonden van het voeren van een (duurzame) gezamenlijke huishouding, en niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die dezelfde rechtsgevolgen reeds hebben ervaren voor de toepassing van ťťn van de in artikel 2 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1995 [zie artikel 2 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998, red.] genoemde "andere wetten" met materieel eenzelfde partnerbegrip. In verband daarmee heeft de Raad in die uitspraak de in artikel 3, derde (thans: vierde) lid, aanhef en onder a, van de Abw voorkomende, niet nader omlijnde term "eerder" - onderdeel van de zinsnede "eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt" - gepreciseerd in die zin dat ook voor de toepassing van de ABW/Abw voor personen als appellante, die tot de eerstgenoemde groep behoort, bij de toepassing van die bepaling een in de tijd beperkte periode van twee jaar geldt, analoog aan de beperkte doorwerking in de tijd van eerdere registraties als gezamenlijke huishouding in andere wetten.
De Raad voegt daar thans nog aan toe dat evenvermelde precisering niet in de weg staat aan toepassing van artikel 3, tweede (thans: derde) lid, van de Abw indien daarvoor voldoende feitelijke grondslag aanwezig is.
Voor het overige verwijzend naar de motivering van deze uitspraken stelt de Raad vervolgens vast dat de door de gemachtigde van appellante opgeworpen grief dat artikel 3, derde (thans: vierde) lid, van de Abw in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM weliswaar faalt, maar dat in haar geval toch geen sprake kan zijn van toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en c, van de Abw. Vaststaat immers dat de door gedaagde aangegrepen situatie waarin appellante en [X] eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, buiten de periode van twee jaar gelegen is. Gezien de in hoger beroep door de gemachtigde van appellante overgelegde gegevens stelt de Raad tevens vast dat daarmee genoegzaam is aangetoond dat van een geldend samenlevingscontract, vereist voor de toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, (oud) van de Abw, tussen appellante en [X] nooit sprake is geweest.

De Raad stelt voorts vast dat in dit geding van de zijde van gedaagde geen feitelijke gegevens zijn aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat appellante en [X] in de hier van belang zijnde periode van 1 juli 1997 tot 7 oktober 1997 blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins, als omschreven in artikel 3, tweede lid, (oud) van de Abw.

Het vorenstaande houdt in dat op basis van de thans ter beschikking staande gegevens niet kan worden aangenomen dat appellante en [X] in genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden. Hiermee is ook gegeven dat het besluit van 5 maart 1998 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand houdt voor zover daarbij het primaire besluit tot intrekking en terugvordering is gehandhaafd.

Het besluit van 5 maart 1998 houdt om de zojuist genoemde reden evenmin stand voor zover daarbij het bezwaar tegen de feitelijke beŽindiging van de bijstandsuitkering van appellante ongegrond is verklaard. De Raad merkt in dit verband op dat in dat besluit een afzonderlijke, op het bezwaar tegen de feitelijke beŽindiging toegesneden, motivering ontbreekt. De motivering van dat besluit ziet geheel op de bezwaren tegen het besluit van 16 oktober 1997 tot intrekking en terugvordering in verband met de door gedaagde aangenomen schending van de inlichtingenplicht wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding van appellante en [X] vanaf 1 juli 1997.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze is aangevochten, niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond verklaren en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

In verband met deze opdracht ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de door de gemachtigde van appellante gevraagde vergoeding van renteschade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
Ä805,-, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van
Ä805,-, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van
Ä77,14 (É170,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Abw kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb
x
LJN:
x
AE6058
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5618 NABW
Datum uitspraak: 2 juli 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 8 Abw (= 7 IWwb)
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; oudere zelfstandige; inkomenscriterium
Essentie: Terechte afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, omdat betrokken oudere zelfstandige (55+) niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5618 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Roermond op 22 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 mei 2002, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. Motivering


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant exploiteert sedert 1970 een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het schrijven en publiceren van culinaire artikelen en kookboeken. Appellant heeft, voor zover hier van belang, op 12 november 1998 een aanvraag bij gedaagde ingediend om bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal tot een bedrag van É16.000,-. Gedaagde heeft de aanvraag, nadat bij het IMK Intermediair te Eindhoven (hierna: het IMK) advies was ingewonnen, bij besluit van 22 juni 1999 afgewezen omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde de grondslag van de afwijzing bij besluit van 21 juli 1999 gewijzigd, in die zin dat niet is voldaan aan de eis dat appellant een inkomen uit bedrijf geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voor zover van belang, onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door appellant tegen het besluit van 21 juli 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van de uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is in zijn hoedanigheid van zelfstandige geen recht op bijstand, tenzij belanghebbende 55 jaar of ouder is, het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Blijkens de toelichting op artikel 8 van de Abw is daarmee beoogd de bepalingen uit het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) te herstructureren. Zo vormt artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Bbz, in wezen een neerslag van hetgeen tot 1 januari 1996 in artikel 25, eerste lid, van het Bz was geregeld. Laatstgenoemd artikel stelt in de aanhef dat aan de oudere zelfstandige slechts bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal wordt verstrekt indien deze beschikt over een inkomen dat duurzaam beneden de jaarnorm ligt. Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bz wordt onder jaarnorm verstaan: het in ťťn jaar van toepassing zijnde bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, paragraaf 1, van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132), verhoogd met het bedrag van de ten laste van de zelfstandige komende premie van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van bijstandverlening aanvaardbaar is.

Naar het oordeel van de Raad is met het opnemen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, in de Abw niet tevens een inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het voorheen geldende artikel 25, eerste lid, van het Bz. Uit ťťn en ander vloeit voort dat met de in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gestelde eis dat de zelfstandige een inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt bedoeld dat deze duurzaam een inkomen uit bedrijfs- of beroepsuitoefening geniet dat ligt beneden het niveau van de voor appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 30 van de Abw. Ten tijde in geding beliep die bijstandsnorm É2069,18 per maand, derhalve É24.830,16 op jaarbasis.
Uit de zich onder de gedingstukken bevindende financiŽle gegevens leidt ook de Raad af dat appellant ten tijde in geding uit zijn bedrijf reeds gedurende een reeks van jaren een inkomen genereerde dat de voor hem toepasselijke bijstandsnorm in ruime mate overtrof. Reeds gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Nu aldus niet is voldaan aan ťťn van de cumulatieve eisen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw is appellant terecht niet in aanmerking gebracht voor bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.

Hetgeen door appellant in hoger beroep is gesteld ten aanzien van het door gedaagde, naar de mening van appellant ten onrechte, afwijken van het IMK-advies heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde immers op goede gronden afgeweken van het niet in alle opzichten heldere IMK-advies, te meer nu het IMK ter bepaling van het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten aansluiting lijkt te zoeken bij een subjectief criterium ("zijn" kosten van het bestaan), terwijl ter zake - zoals hierboven is uiteengezet - dient te worden uitgegaan van een objectief gegeven, te weten de voor betrokkene geldende bijstandsnorm.

Aan het vorenstaande kan evenmin afdoen hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1998, reeds omdat het in dat kader nog vast te stellen belastbare inkomen niet op ťťn lijn kan worden gesteld met het hier in aanmerking te nemen inkomen uit bedrijf.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.G. van Sloten als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2002.

(get.) Th.G. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x