Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE6067
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Dordrecht
Zaaknummer: AWB 02/216
Datum uitspraak: 12 april 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beindiging bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; afwijzing verblijfsvergunning; GBA-code 98; EVSMB; Turken
Essentie: Terechte beindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat betrokken vreemdelinge ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu haar hernieuwde aanvraag om verblijfsvergunning is afgewezen (waardoor haar verblijf ook in de zin van het EVSMB onrechtmatig is).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Dordrecht AWB 02/216




U I T S P R A A K




ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht inzake:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

tegen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerders.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 15 februari 2002, kenmerk PSp/8099, verzonden op 19 februari 2002, hebben verweerders de eerder aan verzoekster toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (verder te noemen: Abw) met ingang van 30 januari 2002 beindigd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op grond van het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) bij brief van 21 maart 2002 een bezwaarschrift ingediend bij verweerders.

Bij gelijktijdig schrijven, ingekomen op 22 maart 2002, heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb ingediend bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Dordrecht.

Dit verzoek om voorlopige voorziening is op 11 april 2002 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting niet verschenen.

Verweerders zijn verschenen bij gemachtigde mr. J.G.H. Hartwijk.




II.  Beoordeling


Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit kader overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is onder andere artikel 7 van de Abw gewijzigd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge het tweede lid wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg (verder te noemen: het besluit) wordt voor de toepassing van de Algemene bijstandswet met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:
a. vr de beindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
f. (...);
g. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
i. (...);
j. (...);
k. (...);
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders verzoeksters uitkering ingevolge de Abw beindigd op grond van de omstandigheid dat zij gelet op het bepaalde in artikel 7 van de Abw niet behoort tot de personenkring van de Abw. Verweerders hebben hierbij aangevoerd dat verzoeksters GBA-code per 30 januari 2002 code 98 is, hetgeen inhoudt dat zij niet langer meer over een verblijfstitel beschikt.

Verzoekster kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zoals de Rechtbank Dordrecht bij uitspraak van 23 maart 2001 heeft vastgesteld artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw alsmede artikel 1 van het besluit wegens strijd met artikel 1 van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (verder te noemen: EVSMB) buiten toepassing dienen te blijven. Tevens heeft zij aangevoerd niet te weten dat haar GBA-code met ingang van 30 januari 2002 zou zijn veranderd. Voorts heeft zij aangevoerd dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat verweerders de bijstandsuitkering met terugwerkende kracht hebben ingetrokken. Tot slot heeft verzoekster aangevoerd thans geen inkomen te hebben en niet verzekerd te zijn tegen ziektekosten.

Uit de stukken is ten aanzien van verzoeksters verblijfsrechtelijke positie het volgende gebleken.

Verzoekster heeft de Turkse nationaliteit. Zij verblijft sedert 1 oktober 1993 in Nederland. Op 12 oktober 1993 is haar een vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot verleend. Na verbreking van haar huwelijk is verzoekster haar op 9 maart 1995 een vergunning tot verblijf verleend voor het verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst, geldig tot 9 maart 1996. Op 19 maart 1996 heeft verzoekster een aanvraag ingediend om verlenging van haar verblijfsvergunning. Bij besluit van 16 januari 1997 heeft de korpschef van de politie Zuid-Holland Zuid de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 4 april 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie het tegen dit besluit door verzoekster ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen laatstbedoeld besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Bij uitspraak van 6 januari 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te Den Haag het beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Bij uitspraak van dezelfde datum is het door verzoekster ingediende verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 26 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de korpschef van de politie ZHZ (voor zover nodig) een last tot uitzetting van verzoekster verstrekt.

Niet in geschil is dat verzoekster op de in geding zijnde datum viel buiten de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering van de Koppelingswet geldt.

Met betrekking tot verzoeksters beroep op de bepalingen van het EVSMB overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 1 van het EVSMB hebben onderdanen van verdragsstaten die zich rechtmatig ophouden in n van de andere verdragsstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand als eigen onderdanen.
Ingevolge artikel 11, onderdeel a, wordt het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van n der verdragssluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag beschouwd zolang ten aanzien van hen een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is die op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, wordt het rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

Uit de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster op 23 februari 2001 wederom een aanvraag tot verblijf heeft ingediend en voorts dat verzoekster op 30 januari 2002 een negatieve beschikking op dit verzoek is uitgereikt.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat verzoeksters verblijf met ingang van 30 januari 2002 dan ook als onrechtmatig in de zin van artikel 11, onderdeel a, van de EVSMB moet worden aangemerkt.

Het feit dat de rechtbank in de door verzoekster aangehaalde uitspraak heeft bepaald dat artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB zo moet worden uitgelegd dat het rechtmatig verblijf blijft voortduren indien een geldige last tot uitzetting ontbreekt ook al is er geen geldige verblijfstitel doet hieraan niet af. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat thans de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing is, ingevolge welke wet de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd wordt afgewezen, van rechtswege tot gevolg heeft dat de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft. Een afzonderlijke last tot uitzetting is onder de Vreemdelingenwet 2000 derhalve niet meer vereist.

Gelet op het vorenstaande kan verzoekster naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanspraken maken op grond van het EVSMB.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden komt het verzoek om voorlopige voorziening niet voor inwilliging in aanmerking.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt mitsdien als volgt.




III.  Uitspraak


De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,
gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gegeven door mr. B.M. van Dun, voorzieningenrechter, en door deze en mr. A. Landstra, griffier, ondertekend.

De griffier,            De voorzieningenrechter,




Uitgesproken in het openbaar op: 12 april 2002.

Afschrift verzonden op:
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / IWwb
x
LJN:
x
AE6084
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Alkmaar
Zaaknummer: 00/1985 NABW
Datum uitspraak: 2 augustus 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8 en 23 Abw (= 7 en 7 IWwb)
Trefwoorden: zelfstandige; ingangsdatum bijstandverlening; datum aanvraag; inkomstenverrekening; bijstand met terugwerkende kracht
Essentie: Terecht is ter zake van de inkomstenverrekening de datum van aanvraag om algemene bijstand als zelfstandige aangehouden en niet de eerste dag van het boekjaar van het bedrijf (1 januari), omdat in beginsel geen bijstand mag worden verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Alkmaar 00/1985 NABW




U I T S P R A A K




op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wervershoof, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 13 november 2000.




2. Zitting


Datum: 24 januari 2002.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P. Heijnen, advocaat te Hoorn.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde L.M.M. Visser, ambtenaar bij verweerders gemeente.




3. Feiten die de rechtbank als vaststaand aanneemt


Eiser exploiteert sinds 1980 een motorfietsbedrijf. In verband met de slechte bedrijfsresultaten heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek hem een uitkering te verstrekken op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: de Abw) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (hierna: het Bbz).
Bij besluit van 30 juli 1996 heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Plaatselijke Commissie Zelfstandigen, dit verzoek afgewezen omdat eisers bedrijf niet levensvatbaar zou zijn.

Bij besluit van 3 oktober 1996 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 30 juli 1996 gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 1 juli 1996 een uitkering verleend in de vorm van een renteloze lening.

Bij uitspraak van 10 augustus 1998, reg.nr. 96/1799, heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 3 oktober 1996 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat verweerder eisers vermogen te hoog heeft ingeschat en daarom ten onrechte bijstand heeft verstrekt in de vorm van een renteloze lening.

Bij brief van 20 oktober heeft verweerder eiser meegedeeld zich te conformeren aan de uitspraak van de rechtbank, hetgeen meebrengt dat eiser in aanmerking kan komen voor bijstand om niet. Om dat te beoordelen, verzoekt verweerder eiser de jaarrekeningen over de jaren 1996 en 1997 over te leggen.

Bij besluit van 17 februari 1999 heeft verweerder aan eiser over de periode 1 juli 1996 tot en met 30 juni 1997 bijstand om niet toegekend voor een bedrag van 11.902,56, welk bedrag in mindering wordt gebracht op de over deze periode aan eiser als renteloze lening verleende bijstand van 22.444,92. De resterende geldlening bedraagt daarmee 10.542,36.

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 17 februari 1999 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2000, reg.nr 99/1167, heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 6 juli 1999 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 13 november 2000, verzonden op 15 november 2000, heeft verweerder, opnieuw beslissend op eisers bezwaar tegen het besluit van 17 februari 1999, dat bezwaar gegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gewijzigd door de periode van bijstandverlening vast te stellen op 19 maart 1996 tot en met 18 maart 1997 en de bijstand om niet over deze periode vast te stellen op een bedrag van 16.918,84. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op het oorspronkelijke bedrag van de lening van 22.444,92, zodat een lening resteert van 5526,08, die van eiser wordt teruggevorderd.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 26 december 2000, bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


5.1. In geschil is thans alleen nog de vraag of verweerder met recht 19 maart 1996 heeft aangehouden als ingangsdatum voor de aan eiser toegekende bijstandsuitkering.

5.1.1. Het in dit geding bestreden besluit is een besluit op bezwaar gericht tegen het besluit van 17 februari 1999, dat een nadere beslissing is als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Bbz.
Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 september 2000, reg.nr 99/1167, volgt dat verweerder bij zijn besluit van 17 februari 1999 ten onrechte zonder meer de in zijn besluit van 3 oktober 1996 bepaalde ingangsdatum heeft aangehouden, zonder rekening te houden met eisers bezwaren daartegen. In het in dit geding bestreden besluit heeft verweerder er alsnog voor gekozen de datum van eisers aanvraag om bijstand als ingangsdatum te nemen.

5.1.2. Eiser betoogt in beroep dat het in de rede zou liggen als ingangsdatum 1 januari 1996 te nemen. De periode van bijstandverlening zou dan gelijk lopen met het boekjaar van zijn bedrijf.

5.2. Niet in geschil is dat eiser als zelfstandige een bedrijf uitoefende en nog steeds uitoefent. Evenmin in geschil is dat eisers aanvraag om bijstand ziet op algemene bijstand, dat wil zeggen bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en niet op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

5.2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Abw wordt aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, gedurende ten hoogste twaalf maanden algemene bijstand verleend.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft deze bijstand, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de hoogte van deze bijstand, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

5.2.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz wordt onder boekjaar verstaan: de periode van twaalf maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder f, van het Bbz wordt onder jaarnorm verstaan: de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de wet en de verleende bijzondere bijstand.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen:
a. minder is dan de jaarnorm, ambtshalve voor het verschil bijstand verleend, met dien verstande dat de in totaal te verlenen bijstand niet meer bedraagt dan de jaarnorm berekend naar evenredigheid over de periode waarin over het desbetreffende boekjaar bijstand is verleend. De als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet;
b. gelijk is aan de jaarnorm, de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet;
c. meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet.

5.3. Als uitgangspunt geldt, zoals ook in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is neergelegd, dat geen bijstand wordt verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De rechtbank is echter niet gebleken dat zich in dit geval dergelijke bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan.

5.3.1. Dat het in dit geval gaat om verlening van algemene bijstand aan een zelfstandige betekent niet dat het hiervoor weergegeven uitgangspunt niet zou gelden. De rechtbank heeft hiervoor noch in de Abw, noch in het Bbz enige aanwijzing kunnen vinden.
Gelet op het bepaalde in artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van het Bbz gaan ook de wettelijke voorschriften uit van de mogelijkheid van bijstandverlening over een periode die niet gelijk valt met het boekjaar.

5.3.2. Eisers beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 16 mei 2000, nr. 99/136 NABW (JABW 2000, 102), slaagt niet, alleen al omdat in dat geval sprake was van verlening van bijstand met toepassing van de artikelen 5, 6, 8 en 9 van het Bbz en niet, zoals in dit geval, met toepassing van artikel 10 van het Bbz.

5.3.3. In het aanvraagformulier van 19 maart 1996 heeft eiser aangegeven dat zijn keuzejaar, dat is blijkens de gegeven toelichting het jaar waarover hij de periodieke uitkering wil hebben, 1995 is. De vraag op het formulier om toelichting op die keuze voor 1995 heeft eiser niet ingevuld.
Het gegeven dat eiser de bijstandsuitkering over 1995 en dus met terugwerkende kracht wenste te verkrijgen, acht de rechtbank geen reden om te oordelen dat op het hiervoor gegeven uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

5.3.4. Dat het voor eiser gunstiger is om 1 januari 1996 als ingangsdatum te nemen, acht de rechtbank ten slotte ook geen bijzondere omstandigheid.

5.4. De conclusie is dat verweerder op goede gronden heeft gekozen voor 19 maart 1996 als ingangsdatum van eisers recht op bijstand. Het beroep is dus ongegrond.

5.5. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten gunste van eiser.




6. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2002 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            Het lid van de enkelvoudige kamer,




Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6090
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Alkmaar
Zaaknummer: 01/58 NABW
Datum uitspraak: 18 april 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3 en 84 Abw (= 3 en 59 Wwb) / 7:11 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; terugvordering; hoofdelijk aansprakelijke; onderhoudsplichtige; rechtsbevoegdheid; EVRM; ontvankelijkheid bezwaar
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gericht aan betrokkene als hoofdelijk aansprakelijke voor aan zijn echtgenote (van wie hij in de periode in geding gescheiden leefde) ten onrechte verleende bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding met hem als onderhoudsplichtige, omdat hij, overeenkomstig het EVRM, wl rechtsbevoegd is de terugvordering te bestrijden. Hoofdelijkaansprakelijkstelling is eerst mogelijk met ingang van 31 december 1998, de datum van wijziging van artikel 84 Abw ter zake.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Alkmaar 01/58 NABW




U I T S P R A A K




op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 28 november 2000.




2. Zitting


Datum: 24 januari 2002.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Wedemeijer, advocaat te Alkmaar.
Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde H. de Ruiter, ambtenaar bij verweerders gemeente.




3. Feiten die de rechtbank als vaststaand aanneemt


Bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft verweerder de bijstandsuitkering van [echtgenote], echtgenote van eiser, met ingang van 9 december 1998 ingetrokken en de in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 aan haar ten onrechte uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van 34.602,35 teruggevorderd.

Eveneens bij besluit van 4 april 2000, verzonden op 3 mei 2000, heeft verweerder de aan eisers echtgenote in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 ten onrechte uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van 34.602,35 teruggevorderd van eiser.

Tegen dit laatste besluit is namens eiser bij brief van 26 mei 2000, door verweerder ontvangen op 29 mei 2000, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 november 2000, verzonden op 6 december 2000, heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 4 januari 2001, bij de rechtbank ingekomen op die dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


5.1. Het inhoudelijke geschil tussen partijen betreft de vraag of verweerder met recht de aan eisers echtgenote in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand ten bedrage van 34.602,35 terugvordert van eiser. Eerst moet de rechtbank echter de vraag beantwoorden of verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.1.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers bezwaar zich feitelijk keert tegen verweerders besluit van 4 april 2000 waarbij met terugwerkende kracht vanaf 9 december 1998 het recht op bijstand van eisers echtgenote is ingetrokken. Bij dat besluit, stelt verweerder, is eiser volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geen belanghebbende. Daarom behoeft verweerder alleen de vragen te beantwoorden of de aan eisers echtgenote ten onrechte verstrekte bijstand op juiste gronden mede is teruggevorderd van eiser en of het nadeelbedrag juist is berekend. Deze vragen beantwoordt verweerder bevestigend. Dringende redenen om af te zien van terugvordering zijn verweerder ten slotte niet gebleken.

5.1.2. Eiser heeft in beroep - kort weergegeven - aangevoerd dat zijn bezwaar zich keerde tegen het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit en niet tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit van dezelfde datum dat gericht was aan zijn echtgenote, zodat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Verder stelt eiser dat ook hem, in deze procedure, het recht toekomt om te weerleggen dat de reden voor intrekking en terugvordering van de aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand - namelijk dat eiser en zijn echtgenote gedurende de betrokken periode een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd - onjuist is. Eiser licht ook toe waarom van zo'n huishouding geen sprake was en voert nader bewijs aan. Ten slotte wijst eiser erop dat hem ook ingevolge artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in samenhang met artikel 1 van het Protocol van 20 maart 1952 bij dit verdrag het recht toekomt te bestrijden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en dit te laten toetsen door een onpartijdige rechter.

5.1.3. Verweerder heeft de terugvordering van eiser gebaseerd op artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: de Abw).
Ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw, zoals dit luidt vanaf 31 december 1998, worden, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

5.2. Voor de beoordeling van het geschil ontleent de rechtbank aan de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser en zijn echtgenote, beiden van Iraanse nationaliteit, zijn in 1981 gehuwd. Zij hebben twee kinderen. In verband met huwelijksproblemen heeft eisers echtgenote met haar jongste kind in februari 1998 de gemeenschappelijke woning aan de [adres] verlaten. Vanaf 25 november 1998 woont zij met beide kinderen aan de [adres].
Met ingang van 9 december 1998 heeft verweerder eisers echtgenote een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder, vermeerderd met een toeslag van 20% van het geldende minimumloon.
Naar aanleiding van informatie van de zijde van de gemeente Harenkarspel - inhoudende dat eiser en zijn echtgenote regelmatig samen werden gesignaleerd - heeft verweerder het Regionaal Bureau Sociale Recherche bij brief van 13 januari 1999 verzocht een onderzoek in te stellen naar frauduleus handelen. Het eindrapport van dit onderzoek is gedateerd 29 februari 2000. De conclusie ervan is dat eiser vanaf begin december 1998 zijn feitelijke hoofdverblijf in de woning van zijn echtgenote aan de [adres] had.
Bij beschikking van 9 maart 2000 heeft de Rechtbank Alkmaar, op het op 13 oktober 1999 ingekomen verzoek van eisers echtgenote daartoe, de scheiding van tafel en bed tussen eiser en zijn echtgenote uitgesproken.
Bij besluit van 4 april 2000 heeft verweerder het recht op bijstand van eisers echtgenote vanaf 9 december 1998 ingetrokken en de aan haar in de periode 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 uitgekeerde periodieke en bijzondere bijstand teruggevorderd.
Bij besluit van 28 november 2000, de datum waarop ook het in deze procedure bestreden besluit is genomen, heeft verweerder het bezwaar van eisers echtgenote tegen dit aan haar gerichte intrekkings- en terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.

5.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers bezwaar zich duidelijk keerde tegen het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit. Dat eiser in bezwaar ook aanvoerde dat verweerder ten onrechte was uitgegaan van een gezamenlijke huishouding van hem en zijn echtgenote maakt dit niet anders. Het aanvoeren van argumenten die niet ter zake doen - nog daargelaten of eiser dat heeft gedaan - is geen reden om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien de rechtbank ook verder niet is gebleken van enige reden voor niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking omdat het is genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zo begrijpt de rechtbank, ook op het standpunt gesteld dat eiser de reden voor intrekking van het recht op uitkering van zijn echtgenote niet kan aanvechten. De rechtbank acht dit standpunt onjuist.

5.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geding - over de terugvordering van eiser van aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand - sprake van een geschil ter zake van "civil rights and obligations" in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Dit impliceert dat aan de elementaire eisen die uit artikel 6 van het EVRM voortvloeien recht moet worden gedaan. Hiertoe behoort dat "the merits of the matter" ter toetsing kunnen worden voorgelegd aan een onpartijdige rechter.

5.4.2. Terugvordering van eiser van de aan eisers echtgenote uitgekeerde bijstand is, gezien artikel 84, tweede lid, van de Abw, alleen mogelijk indien sprake is van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. De vraag of er sprake is van ten onrechte aan eisers echtgenote uitgekeerde bijstand behoort naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot "the merits of the matter". Dat hierover al bij een ander besluit is beslist - namelijk bij het tot eisers echtgenote gerichte intrekkingsbesluit, waarbij eiser niet als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is aan te merken - maakt dit niet anders. Juist omdat eiser geen belanghebbende in hiervoor bedoelde zin is bij dat intrekkingsbesluit, is hij niet in de gelegenheid om de vraag of er sprake is van ten onrechte aan zijn echtgenote uitgekeerde bijstand in een procedure over dat intrekkingsbesluit ter toetsing voor te leggen aan de rechter.

5.4.3.  Uit het voorgaande volgt dat nu eiser het in geding zijnde terugvorderingsbesluit aanvecht, hij daarbij de vraag aan de orde mag stellen of er wel sprake is van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand. Als vervolgens moet worden geoordeeld dat dat niet het geval is, komt daarmee de grondslag aan het tot hem gerichte terugvorderingsbesluit te ontvallen.
Verweerder zal bij het opnieuw besluiten op eisers bezwaar dus ook aandacht moeten besteden aan hetgeen eiser op dit punt aanvoert. Nu verweerder heeft nagelaten dat te betrekken bij de heroverweging die tot het bestreden besluit heeft geleid, is het bestreden besluit ook in zoverre genomen in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

5.5. De rechtbank merkt overigens op dat verweerder voor de intrekking van het recht op bijstand van eisers echtgenote ten onrechte van belang heeft geacht dat eiser en zijn echtgenote gedurende de betrokken periode een gezamenlijke huishouding zouden hebben gevoerd. De rechtbank verwijst hier naar haar uitspraak van heden, reg.nr. 00/1964 NABW, inzake het geschil tussen eisers echtgenote en verweerder over de intrekking van het recht op bijstand van eisers echtgenote en de terugvordering van ten onrechte uitgekeerde bijstand (die uitspraak is aan deze uitspraak gehecht).

5.6. In de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw ontbraken de woorden "aan gehuwden". Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep - de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 10 april 2001, RSV 2001, 142 - biedt de tot 31 december 1998 geldende tekst van artikel 84, tweede lid, van de Abw geen basis voor terugvordering mede van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand geen rekening is gehouden in gevallen dat naar de norm voor een alleenstaande ouder gezinsbijstand is verleend. Gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is immers ook gezinsbijstand. Aan de voorwaarde voor toepassing van deze bepaling is dus niet voldaan omdat het verlenen van gezinsbijstand niet achterwege is gebleven.
De toevoeging van "aan gehuwden" in de tekst van deze bepaling heeft dit anders gemaakt. Aan de voorwaarde voor toepassing is, anders dan daarvoor, vanaf 31 december 1998 voldaan indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven.

5.6.1. Vaststaat dat eisers echtgenote van 9 december 1998 tot en met 31 januari 2000 gezinsbijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft ontvangen. Terugvordering ingevolge artikel 84, tweede lid, van de Abw is, gelet op het voorgaande, pas mogelijk vanaf 31 december 1998. Verweerder heeft dus ten onrechte de aan eisers echtgenote in de periode 9 tot 31 december 1998 uitgekeerde bijstand van eiser teruggevorderd.

5.6.2. Het bestreden besluit komt daarom ook voor vernietiging in aanmerking omdat het is genomen in strijd met artikel 84 van de Abw.

5.7. Gezien de overwegingen hiervoor is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd omdat het is genomen in strijd met de artikelen 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht en 84 van de Abw.

5.8. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn, met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
644,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hierbij heeft de rechtbank met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij dit besluit zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting 1 punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.




6. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- gelast dat de gemeente aan eiser het voor de behandeling van zijn beroep betaalde griffierecht van
27,23 (60,-) vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door eiser voor de behandeling van zijn beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van
644,-;
- wijst de gemeente Schagen aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van het griffierecht en de proceskosten dient te worden gedaan aan eiser.

Aldus gewezen door mr. M. Kraefft, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Verweel als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2002 door voornoemd lid, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Lauryssen als griffier.

De griffier,            Het lid van de enkelvoudige kamer,




Verzonden op: 30 juli 2002.




Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een beroepschrift en een kopie van de uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6141
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummer: AWB 01/42 NABW
Datum uitspraak: 13 maart 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 70 en 113 Abw (= 18, en 9 Wwb) / 7:12, 8:10 en 8:72 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; verzwaring; recidive; motivering
Essentie: Terechte oplegging maatregel van 35% gedurende (wegens verzwaring en recidive) twee maanden, omdat betrokkene stelselmatig arbeidsverplichtingen heeft geschonden. Betrokkenes echtgenote kan geen verwijt worden gemaakt, daar de aan haar opgelegde arbeidsverplichtingen onduidelijk zijn geformuleerd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/42 NABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser 1 en eiser 2]. echtgenoten, wonende te [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lisse, verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 5 juni 2000, verzonden op 15 juni 2000, heeft verweerder eisers uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) voor de duur van twee maanden, ingaande 1 juni 2000, geweigerd, waarbij de omvang van de weigering is vastgesteld op 99% van de uitkering.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 12 juli 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Eisers zijn op 10 oktober 2000 omtrent hun bezwaren gehoord.

Bij besluit van 27 november 2000, verzonden op 28 november 2000, heeft verweerder de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en de opgelegde maatregel gewijzigd in een weigering van de uitkering voor de duur van twee maanden, waarbij de omvang van de weigering is vastgesteld op 50%.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 3 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 2 oktober 2001. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.A. Korver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde W. Sierevogel.

Op 3 oktober 2001 heeft de enkelvoudige kamer van deze rechtbank besloten de zaak voor behandeling door te verwijzen naar de meervoudige kamer.

Het beroep is door de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld op 31 januari 2002. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.A. Korver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde B. Blonk.




2. Motivering


In geschil is of de aan eisers opgelegde maatregel, voor zover in het besluit op bezwaar gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Ter beantwoording van deze vraag zijn de navolgende wettelijke bepalingen en voorschriften van belang.

Artikel 14 van de Abw, voor zover van belang, bepaalt:
"1. Indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking, de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet binnen de door burgemeester en wethouders daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen, dan wel een verplichting als bedoeld in artikel 8, zesde lid, onderdel b, artikel 65, derde of vierde lid, artikel 70, vierde lid, of een op grond van hoofdstuk VIII aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk.
2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
(...)
4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid.
5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels worden gesteld."

Artikel 70 van de Abw, voor zover van belang, bepaalt:
"1. Bij een besluit tot toekenning of voortzetting van bijstand wordt ten minste mededeling gedaan van:
(...)
b. de verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk VIII die in het betrokken geval aan de bijstand zijn verbonden.
2. Bij een besluit tot wijziging van bijstand wordt ten minste mededeling gedaan van de wijziging en de op die wijziging betrekking hebbende gewijzigde verplichtingen. Voorts wordt, indien daarvoor aanleiding bestaat, in het besluit nogmaals mededeling gedaan van de eerder aan de bijstand verbonden verplichtingen als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a en b.
(...)"

Artikel 113 (zoals dit artikel luidde vr 1 januari 2002) van de Abw, voor zover van belang, bepaalt:
"1. De belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking is verplicht:
a. naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
b. ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 69 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;
c. passende arbeid te aanvaarden;
d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;
e. mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding en aan een scholing of opleiding die noodzakelijk wordt geacht;
f. beschikbaar te zijn voor de voorzieningen van de Wet inschakeling werkzoekenden, mee te werken aan het verkrijgen van die voorzieningen, daarvan gebruik te maken en daartoe op een aangegeven tijd en plaats te verschijnen.
(...)"

Artikel 2 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), bepaalt:
Burgemeester en wethouders nemen bij de toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Abw, onderscheidenlijk bij de toepassing van artikel 20, vierde lid, van de Ioaw en artikel 20, eerste lid, van de Ioaz, de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 14, tweede en derde lid, van de Abw, onderscheidenlijk artikel 20, vijfde en zesde lid, van de Ioaw en de Ioaz.

Artikel 3 (zoals dit artikel luidde vr 1 januari 2002) van het Maatregelenbesluit, voor zover van belang, bepaalt:
"De gedragingen, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, worden onderscheiden in de volgende categorien:
1. eerste categorie:
a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;
(...)
2. tweede categorie:
a. het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen;
(...)
3. derde categorie:
a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;
(...)"

Artikel 5 van het Maatregelenbesluit, voor zover van belang, bepaalt:
"1. De weigering, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, wordt vastgesteld op:
a. 5 procent van de bijstand gedurende n maand bij gedragingen van de eerste categorie;
b. 10 procent van de bijstand gedurende n maand bij gedragingen van de tweede categorie;
c. 20 procent van de bijstand gedurende n maand bij gedragingen van de derde categorie;
(...)
2. De periode van weigering van de bijstand, genoemd in het eerste lid, wordt verdubbeld indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie."

Eisers worden de volgende gedragingen verweten:
a. Eiser heeft zich belemmerend gedragen ten aanzien van de inschakeling in de arbeid, doordat hij bij zijn sollicitatie naar een vacature bij de BV [bedrijf], die was opengesteld per 27 april 2000, heeft aangegeven pas per 8 mei 2000 te willen beginnen en per 10 juli 2000 te stoppen in verband met een voorgenomen vakantie. Weliswaar kan, gelet op de tegenstrijdige verklaringen van werkgever/arbeidsbureau en eiser niet worden vastgesteld dat eiser passende arbeid heeft geweigerd, aldus verweerder, maar wel dat eiser zich onvoldoende flexibel heeft opgesteld. Dit is een gedraging van de derde categorie (20%).
b. Eiseres heeft zich niet ingeschreven bij het arbeidsbureau en heeft geen sollicitaties verricht en heeft bovendien verklaard zich niet beschikbaar te willen stellen voor arbeid. Daardoor heeft eiseres niet naar vermogen getracht passende arbeid te verwerven, hetgeen een gedraging is van de tweede categorie (10%).
c. Eiseres heeft zich niet ingeschreven bij het arbeidsbureau, hetgeen een gedraging is van de eerste categorie (5%).
d. Eiser heeft in de periode van 15 februari 2000 tot mei 2000 slechts twee sollicitaties verricht. Niet gebleken is dat eiser - via een uitzendbureau - mondelinge sollicitaties heeft verricht. Eiser heeft bovendien aangegeven niet via uitzendbureaus te willen werken. Daardoor heeft eiser niet naar vermogen getracht passende arbeid te verwerven, hetgeen een gedraging is van de tweede categorie (10%).
e. Eiser heeft zijn inschrijving bij het arbeidsbureau niet tijdig verlengd, waardoor hij van 16 tot 27 oktober 1999 niet als werkzoekende was ingeschreven. Dit is een gedraging van de eerste categorie (5%).

Verweerder heeft aan het bestreden besluit voorts het volgende ten grondslag gelegd:
- bij het opleggen van de maatregel is rekening gehouden met de ernst van de gedragingen, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbenden;
- er is sprake van meerdere maatregelwaardige gedragingen door beide belanghebbenden;
- op grond van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invoering sociale zekerheid kunnen meerdere verschillende maatregelwaardige gedragingen middels cumulatie van de op grond van het Maatregelenbesluit van toepassing zijnde maatregelen op hetzelfde moment worden gesanctioneerd ;
- cumulatie van de verschillende van toepassing zijnde maatregelen leidt tot n maatregel van 50%, bestaande uit 5% plus 5% plus 10% plus 10% plus 20%, wegens het respectievelijk niet tijdig verlengen van de inschrijving bij het arbeidsbureau door eiser, het zich niet laten inschrijven bij het arbeidsbureau door eiseres, het niet naar vermogen trachten passende arbeid te verkrijgen door eiser, het niet naar vermogen trachten passende arbeid te verkrijgen door eiseres, het zich belemmerend gedragen ten aanzien van de inschakeling in arbeid door eiser;
- op grond van artikel 14, tweede lid, van de Abw is een verdubbeling van de maatregel van 50% tot een periode van twee maanden te rechtvaardigen, gelet op het verleden van stelselmatig verzuim van de aan de bijstandsuitkering verbonden verplichtingen en het grote aantal getoonde verzuimen dat aan de cumulatieve maatregel ten grondslag ligt.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit het volgende ingebracht.
Eiser is van mening zich niet belemmerend te hebben gedragen inzake de arbeidsinschakeling. Volgens hem was er met de werkgever overeenstemming ten aanzien van de ingangsdatum van de werkzaamheden alsmede over de geplande vakantie. Het feit dat de werkgever iemand anders heeft aangenomen, is hem niet te verwijten. Eisers zijn verder van mening dat zij zich voldoende hebben ingespannen om arbeid te verkrijgen. De maatregel is ten onrechte toegepast. Indien er sprake is van verwijtbaar gedrag, dan zijn eisers van mening dat dit geen maatregel van 50% rechtvaardigt. Voorts zijn eisers van mening dat verweerder het niet ingeschreven hebben gestaan door eiser bij het arbeidsbureau over de periode van 16 oktober 1999 tot 27 oktober 1999 niet mee kon nemen gelet op het tijdsverloop tussen deze gedraging en besluitvorming over de arbeidsverplichtingen van eiser. Voorts zijn eisers van mening dat de maatregelen ten aanzien van eiseres ingetrokken dienen te worden aangezien de arbeidsverplichtingen uitsluitend voor eiser gelden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 15 februari 2000 aan eisers de arbeidsverplichtingen als volgt zijn opgelegd:
"- de opgelegde arbeidsplicht voor 28 uur per week voor de heer [eiser 1] handhaven;
- mevrouw [eiser 2] eveneens de arbeidsplicht op te leggen;
- belanghebbenden zelf te laten bepalen wie de arbeidsplicht op zich neemt."

Voorts stelt de rechtbank dat eiser reeds bekend was met de arbeidsverplichtingen en dat eiseres bij dit besluit voor het eerst de arbeidsverplichtingen opgelegd kreeg.

Gelet op het bepaalde in het voornoemde artikel 70 van de Abw diende verweerder in het besluit tot oplegging van de arbeidsverplichtingen aan eiseres, nu zij deze verplichtingen voor het eerst opgelegd kreeg, precies mee te delen wat deze verplichtingen inhielden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door aan te geven dat eisers zelf konden bepalen wie van hen de arbeidsplicht op zich zou nemen de omvang van de arbeidsverplichtingen voor eiseres dermate onduidelijk heeft geformuleerd dat het de rechtbank niet onbegrijpelijk voorkomt dat eiseres zich niet heeft gerealiseerd dat zij zich diende in te schrijven bij het
arbeidsbureau alsmede dat zij diende te solliciteren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres genoemde gedragingen niet verweten kunnen worden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder bij de vaststelling van de omvang van de weigering ten onrechte rekening gehouden met genoemde verwijtbare gedragingen die aan eiseres toegerekend zijn en kan het bestreden besluit niet in stand blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Aangezien verweerder met toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om de zwaarte van de maatregel te individualiseren, ziet de rechtbank geen ruimte om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien. Verweerder wordt opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Ten behoeve hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden en terecht de volgende verwijtbare gedragingen bij eiser heeft vastgesteld:
Eiser heeft bij zijn sollicitatie naar een vacature bij de BV [bedrijf], die was opengesteld per 27 april 2000, zich te beperkt opgesteld door te stellen niet eerder dan per 8 mei 2000 te willen beginnen. Eiser heeft ook niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat BV ]bedrijf] akkoord was met een latere arbeidsaanvaarding.
Eiser heeft niet naar vermogen getracht passende arbeid te verwerven. Hij heeft in de periode van 15 februari 2000 tot mei 2000 slechts twee sollicitaties verricht. Voorts heeft eiser aangegeven niet via uitzendbureaus te willen werken.
Eiser stond van 16 tot 27 oktober 1999 niet als werkzoekende ingeschreven bij het arbeidsbureau. Nu verweerder eiser in verband met deze uitschrijving nog geen maatregel had opgelegd en het tijdsverloop tussen de uitschrijving en de maatregel circa acht maanden bedraagt, heeft verweerder terecht met deze verwijtbare gedraging rekening gehouden.

Op grond van bovengenoemde verwijtbare gedragingen was verweerder ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden een maatregel toe te passen. Aangezien de verwijtbare gedragingen opgenomen zijn in het Maatregelenbesluit, is verweerder in beginsel gehouden dit Maatregelenbesluit toe te passen. De drie te onderscheiden verwijtbare gedragingen zouden op grond van het Maatregelenbesluit opgeteld tot een maatregel van 35% leiden, namelijk 20% in verband met de gedraging die de inschakeling in de arbeid belemmerde, 10% in verband met het niet naar vermogen trachten passende arbeid te verkrijgen en 5% in verband met het niet tijdig doen verlengen van de inschrijving bij het arbeidsbureau.

Eiser heeft eerder, bij besluit van 16 februari 2000, een maatregel opgelegd gekregen in verband met het in onvoldoende mate meewerken aan een voor de inschakeling in de arbeid noodzakelijk geachte scholing of opleiding. Deze verwijtbare gedraging valt onder categorie 3 van het Maatregelenbesluit. Gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit komt de periode van weigering ten aanzien van de opgelegde maatregel van 20% voor verdubbeling in aanmerking.

Verweerder heeft de periode van weigering ten aanzien van alle drie de maatregelen verdubbeld onder toepassing van artikel 14, tweede lid, van de Abw. Hiertoe is verweerder overgegaan gelet op het stelselmatig verzuim van de aan de bijstandsuitkering verbonden verplichtingen en het grote aantal getoonde verzuimen dat aan de cumulatieve maatregel ten grondslag ligt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee geen onjuiste toepassing gegeven aan artikel 14, tweede lid, van de Abw en staat een maatregel van 35% gedurende twee maanden rekening houdend met het stelselmatig verzuim door eiser van de aan de bijstandsuitkering verbonden verplichtingen in redelijke verhouding tot de verwijtbare gedragingen waaraan eiser zich schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op
805,-, te weten 322,- voor het indienen van een beroepschrift door een advocaat, 322,- voor het verschijnen bij de eerste zitting door een advocaat en 161,- voor het verschijnen bij de tweede zitting door een advocaat bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Aangezien ten behoeve van eisers ter zake van dit beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.




3. Beslissing


De Rechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente Lisse als rechtspersoon aan eisers het door hen betaalde griffierecht, te weten
27,23 vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van
805,-, welke kosten voormelde rechtspersoon aan de griffier moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. L.P. Bosma, A.A.M. Mollee en F.J. Verbeek, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2002, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb / Awb
x
LJN:
x
AE6166
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/2118 NABW en 02/2156 NABW-VV
Datum uitspraak: 25 juni 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 23 en 83 Abw (= 7 IWwb en 58 Wwb) / 1:3 en 8:3 Awb
Trefwoorden: zelfstandige; inkomstenverrekening; bijstand om niet; geldlening; terugvordering; publiekrechtelijke rechtshandeling; ontvankelijkheid bezwaar
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen terugvordering van als zelfstandige te veel ontvangen bijstand, omdat een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane financile verstrekking (i.c. een geldlening) dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb en niet als een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 02/2118 NABW en 02/2156 NABW-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift van 2 april 2002 vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 26 februari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. Kreutzkamp voornoemd.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

De voorzieningenrechter gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan gedaagde is bij besluiten van achtereenvolgens 4 maart 1996, 6 februari 1997, 15 juli 1997 en 20 februari 1998, voor zover hier van belang, telkens gedurende zes maanden bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud toegekend ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). In deze besluiten is onder meer meegedeeld dat de bijstand verstrekt wordt onder toepassing van artikel 23 van de Abw en artikel 10 van het Bbz in de vorm van een lening en pas definitief wordt vastgesteld na ontvangst van de desbetreffende jaarstukken.

Bij besluit van 17 januari 2000 (lees: 2001) heeft verzoeker, voor zover hier van belang, de bijstand over de jaren 1997 en 1998 definitief vastgesteld. Daarbij zijn de in die jaren verstrekte leningen, die in totaal 33.724,62 hebben bedragen, tot een bedrag van 27.205,00 omgezet in een bedrag om niet en is gedaagde verzocht het resterende bedrag van 6519,62 binnen 30 dagen terug te betalen.

Bij besluit van 11 april 2001 heeft verzoeker de door gedaagde tegen het besluit van 17 januari 2001 ingediende bezwaren, welke gericht zijn tegen de vaststelling dat het hiervoor vermelde bedrag moet worden terugbetaald, niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft verzoeker overwogen dat het besluit tot terugvordering is aan te merken als een besluit ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 8:3 van de Awb.

De rechtbank heeft het beroep dat namens gedaagde tegen het besluit van 11 april 2001 is ingesteld gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 23 februari 2001 en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft hiertoe onder meer het volgende overwogen (waarbij verzoeker als verweerder en gedaagde als eiser is aangeduid):

"Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Abw worden kosten van bijstand verleend in de vorm van geldlening ingevolge deze paragraaf van de belanghebbende teruggevorderd indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Nu de onderhavige geldlening, weliswaar bij publiekrechtelijk toekenningsbesluit, doch (mede) op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst (leenovereenkomst) is verstrekt, ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of de beoordeling van de onderhavige terugvordering bestuursrechtelijk dan wel civielrechtelijk dient te geschieden.

Indien de bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt, doet zich naar het oordeel van de rechtbank een situatie voor waarop specifieke regels die betrekking hebben op een dergelijke lening, in casu de Algemene bijstandswet (Abw) en de Bbz, alsmede de eventueel in het toekenningsbesluit vermelde verplichtingen en de in de overeenkomst van geldlening opgenomen verplichtingen, bij voorrang op de algemene regels omtrent geldleningen, van toepassing moeten worden geacht.

De rechtbank stelt vast dat voor de terugvordering van leenbijstand een specifiek artikel in de terugvorderingsparagraaf van de Abw is opgenomen, te weten artikel 83 van de Abw. De rechtbank stelt voorts vast dat de gelden zijn verstrekt op grond van een daartoe strekkend toekenningsbesluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en tevens zijn teruggevorderd middels een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Op grond van het vorenstaande is de onderhavige terugvordering een bestuursrechtelijke aangelegenheid en was verweerder derhalve wel bevoegd om van de terugvordering van bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening kennis te nemen. Verweerder dient dan ook alsnog inhoudelijk op het bezwaarschrift van eiser te beslissen.

Op grond van bovenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring.
Dit betekent dat het beroep voor gegrond gehouden moet worden onder een gelijktijdige vernietiging van het bestreden besluit. Hetgeen verder is aangevoerd, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid."

Verzoeker heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Indien aan een zelfstandige bijstand wordt verstrekt in de kosten van levensonderhoud, heeft de bijstand gelet op het bepaalde in artikel 23, eerste en tweede lid, van de Abw voorlopig de vorm van een renteloze geldlening. Zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, wordt de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover de zelfstandige geen in aanmerking te nemen vermogen heeft, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.
Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.
Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz wordt, indien de verleende bijstand vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil teruggevorderd en wordt de rest van de als geldlening verstrekte bijstand omgezet in een bedrag om niet. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat, indien op jaarbasis te veel bijstand is verstrekt, de resterende lening dient te worden terugbetaald.

Het primaire besluit van 17 januari 2001 houdt in de definitieve vaststelling van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 10 van het Bbz over 1997 en 1998, de omzetting van een deel van de in die jaren voorlopig verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening in een uitkering om niet en - als uitvloeisel daarvan - de vaststelling dat het resterende deel, te weten een bedrag van 6519,62, binnen 30 dagen moet worden terugbetaald.

De voorzieningenrechter leidt uit het besluit op bezwaar af dat verzoeker met deze laatste vaststelling in feite een beslissing heeft genomen tot terugvordering van de aan gedaagde toegekende leenbijstand tot een bedrag van 6519,62. Naar vaste rechtspraak dient een beslissing van een bestuursorgaan tot eerder in het kader van zijn bestuursrechtelijke taken en bevoegdheden gedane financile verstrekking te worden aangemerkt als een beslissing als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hierin ligt tevens besloten dat, anders dan verzoeker heeft aangenomen, geen sprake is van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Dat het besluit betrekking heeft op terugvordering van in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999, nr. R 98/082 HR, onder meer gepubliceerd in JVB 1999/222, waarnaar verzoeker ter ondersteuning van zijn beroep heeft verwezen, slechts ziet op de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is op de vordering tot terugbetaling van bij wijze van geldlening verstrekte bijstand voor bedrijfskapitaal.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter evenals de rechtbank tot het oordeel dat verzoeker de bezwaren tegen het besluit van 17 januari 2001 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het is nu aan verzoeker om alsnog inhoudelijk op de bezwaren van gedaagde te beslissen. Met het oog daarop overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

Voor terugvordering van bijstand in de vorm van een geldlening is - behoudens bij wijze van geldlening verstrekte voorschotten als bedoeld in artikel 25 van de Abw - slechts plaats op basis van artikel 83, eerste lid, van de Abw. Deze bepaling verplicht de gemeente tot terugvordering van de belanghebbende van kosten van bijstand verleend in de vorm van een geldlening indien hij de hieruit voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.

Hieruit volgt dat verzoeker in het kader van de heroverweging van het besluit van 17 januari 2001 eerst zal moeten vaststellen of gedaagde niet of in onvoldoende mate heeft voldaan aan de omtrent de terugbetaling van de geldlening vastgestelde verplichtingen. Is dat het geval, dan zal de vaststelling in het primaire besluit ter zake van de terugbetalingsverplichting met toepassing van artikel 83, eerste lid, van de Abw in stand kunnen worden gelaten, tenzij er sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

Met inachtneming van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, is geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x