Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE6178
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/6351 NABW
Datum uitspraak: 6 augustus 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; afwijzing bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; verschoonbare termijnoverschrijding; ZaÔrezen
Essentie: Terechte afwijzing bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat betrokken vreemdeling niet tijdig een aanvraag om voortgezette toelating heeft gedaan en er geen termen aanwezig zijn die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/6351 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. M. Kleijngeld, advocaat te Tilburg, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 30 oktober 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juni 2002, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.




II. Motivering


Appellant, die de ZaÔrese nationaliteit heeft, beschikte over een vergunning tot verblijf in Nederland zonder beperkingen, waarvan de geldigheidsduur op 24 september 1997 afliep. Van 10 april 1997 tot 12 juli 1999 is appellant in Frankrijk gedetineerd geweest. Op 23 juli 1999 heeft hij opnieuw een vergunning tot verblijf aangevraagd. Dit verzoek is bij besluit van 19 augustus 1999 van de Staatssecretaris van Justitie buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf. Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is tevens bij de president van rechtbank 's-Gravenhage een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De uitkomst van deze procedure mag appellant in Nederland afwachten.

Op 6 september 1999 heeft appellant zich tot gedaagde gewend met een verzoek om algemene bijstand. Deze aanvraag is bij besluit van 12 november 1999 afgewezen. Bij besluit van 17 februari 2000 heeft gedaagde de tegen het besluit van 12 november 1999 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Zij is van oordeel dat appellant, die niet op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw, met een Nederlander kan worden gelijkgesteld, evenmin op grond van het derde lid van dat artikel in verbinding met het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz van 27 april 1998, Stb. 1998, 308, (hierna: Besluit gelijkstelling) aanspraak op bijstand kan maken, aangezien hij niet tijdig een aanvraag om voortgezette toelating heeft gedaan en er geen termen aanwezig zijn die deze termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn.
De rechtbank heeft voorts de grief van appellant dat sprake is van een niet objectief gerechtvaardigd onderscheid tussen vreemdelingen die tijdig een aanvraag om voortgezette toelating hebben gedaan en zij die dat niet hebben gedaan, verworpen omdat het hier, anders dan appellant stelt, niet gaat om een onderscheid naar nationaliteit en geen sprake is van strijdigheid met artikel 26 van het Internationaal verdrag voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellant gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Artikel 7, derde lid, (tekst voor 1 april 2001) van de Abw luidt als volgt:
"Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw), voor de toepassing van deze wet met een vreemdeling gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1 van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist."

Ingevolge artikel 1, eerste lid, (oud) van het Besluit gelijkstelling wordt voor de toepassing van - onder meer - de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw:
a. voor de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1, aanhef en onder 1, van de Vw.

De Raad stelt vast dat de gelijkstelling van de in artikel 1, aanhef en onder b, (oud) van het Besluit gelijkstelling bedoelde vreemdeling niet alleen geldt indien de vreemdeling binnen de daartoe gestelde termijn bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating, maar ook indien sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Ten aanzien van de vreemdeling als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, (oud) van het Besluit gelijkstelling komt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw en van het Besluit gelijkstelling naar voren dat indien de vreemdeling de termijn voor het indienen van een verzoek om voortgezette toelating heeft overschreden, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beoordeelt of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Indien dat het geval is, wordt de vergunning verleend als ware het verzoek tijdig ingediend (Kamerstukken nr. 24 233, EK 24 maart 1998, p. 25-1266 [lees: Handelingen I 1997-1998, blz. 25-1266, red.]).

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat indien de vreemdeling niet vůůr het verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf en dus niet tijdig in de zin van artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, (oud) van de Abw om voortgezette toelating heeft gevraagd, niet aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw is voldaan, tenzij blijkt dat deze termijnoverschrijding door het ter zake bevoegde orgaan, te weten de IND, verschoonbaar is geacht of dat in bezwaar of beroep is geoordeeld dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Indien en zolang daarvan geen sprake is, dient het bijstandverlenend orgaan bij de beoordeling van de aanspraken op bijstand tot uitgangspunt te nemen dat geen sprake is van een tijdig verzoek om voortgezette toelating als bedoeld in artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw.

In het onderhavige geval liep de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf van appellant op 24 september 1997 af. Appellant heeft eerst op 12 juli 1999 en dus niet tijdig gevraagd om (voortgezette) toelating. In het geval van appellant doet zich evenmin de situatie voor dat de termijnoverschrijding door de IND verschoonbaar is geacht. In dit verband is gebleken dat de aanvraag om een vergunning tot verblijf buiten behandeling is gesteld wegens het ontbreken van de ingevolge artikel 16a van de Vw vereiste machtiging tot voorlopig verblijf. Appellant heeft naar het oordeel van de Staatssecretaris van Justitie niet aangetoond dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste op de grond dat hij buiten zijn schuld niet tijdig heeft verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning. Daartoe is onder meer overwogen dat er geen grond is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

De conclusie moet dan ook zijn dat appellant ten tijde als hier van belang niet kon worden aangemerkt als een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, (oud) van de Abw, zodat hij geen recht heeft op algemene bijstand. De omstandigheid dat hij de uitkomst van zijn verzoek om een voorlopige voorziening bij de president van de rechtbank in Nederland mag afwachten, met als gevolg dat hij is aan te merken als een vreemdeling als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, leidt niet tot een ander oordeel wat zijn aanspraken op bijstand betreft.

De Raad overweegt ten slotte dat de - niet nader onderbouwde - grief van appellant dat het maken van een onderscheid naar nationaliteit tussen vreemdelingen die tijdig een aanvraag om voortgezette toelating hebben gedaan en zij die dat niet hebben gedaan ongerechtvaardigd is en dus in strijd is met artikel 26 van het IVBPR door de rechtbank terecht verworpen is, reeds omdat dit gestelde onderscheid geen onderscheid naar nationaliteit oplevert.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6365
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/1146 NABW
Datum uitspraak: 18 juni 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 16, 17 en 39 Abw (= 14, 15 en 35 Wwb) / 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten kleding en woninginrichting; brandschade; geen inboedelverzekering; geldlening; voorliggende voorziening; motivering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kleding en woninginrichting (ontstaan tengevolge van brand in de woning), niet omdat tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is betoond door geen inboedelverzekering af te sluiten en evenmin omdat een reeds afgesloten geldlening als voorliggende voorziening zou gelden, maar omdat de Abw bepaalt dat in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/1146 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. E.J.C. Asselbergs, advocaat te Eindhoven, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 7 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 mei 2002, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.B.F. van de Kerkhof, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. Motivering


Appellant heeft op 31 december 1997 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en kleding, nadat op 24 december 1997 tengevolge van een brand in zijn woning schade was ontstaan. De inboedel van appellant was toen niet verzekerd. Na de melding van een eerdere brand was zijn inboedelverzekering geannuleerd. Appellant heeft voorts in het kader van zijn aanvraag telefonisch meegedeeld dat hij een bedrag van É5000,- had kunnen lenen.

Bij besluit van 19 maart 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellant afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 18 augustus 1998 ongegrond verklaard. Blijkens de stukken en de ter zitting gegeven toelichting berust dit besluit hierop dat appellant blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wegens verzwijging van strafrechtelijke veroordelingen bij het aanvragen van een inboedelverzekering bij Nationale Nederlanden NV en het na annulering van die verzekering niet opnieuw verzekeren van zijn inboedel bij een andere verzekeringsmaatschappij, waar dat volgens gedaagde voor appellant nog wel mogelijk was. Voorts heeft gedaagde overwogen dat genoemde geldlening ad É5000,- een voorliggende voorziening is in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 maart 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft appellant blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voorts heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat de geldlening van É5000,- als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd en dat appellant door middel van deze lening over voldoende middelen beschikte om in het gevraagde te kunnen voorzien.

Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat hij naar aanleiding van de eerste brand een bedrag van É5000,- heeft kunnen lenen, maar naar aanleiding van de tweede brand in december 1997 geen eigen voorziening heeft kunnen treffen.

De Raad stelt eerst vast dat de onderhavige aanvraag ziet op de door appellant geleden schade aan inboedel en kleding tengevolge van de op 24 december 1997 gemelde brand en dus niet op de eerst in hoger beroep genoemde kosten van ontruiming van de door appellant gehuurde woning. Laatstgenoemde kosten dienen derhalve in dit geding buiten beschouwing te blijven.

De Raad merkt vervolgens op dat een maatregel in verband met het door gedaagde gestelde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan op grond van artikel 14 van de Abw alleen aan de orde kan komen indien het recht op de gevraagde bijstand kan worden vastgesteld. Gedaagde heeft in zijn besluit van 18 augustus 1998 geen andere bepaling genoemd dan artikel 17, eerste lid, van de Abw en daarbij verwezen naar de geldlening van É5000,-.
Anders dan de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen toereikende grondslag aangetroffen om die motivering als juist te kunnen aanvaarden. Daarbij acht de Raad van belang dat gedaagde uitsluitend is afgegaan op hetgeen van de zijde van appellant mondeling en schriftelijk is meegedeeld, dat die mededelingen tegenstrijdig zijn en dat schriftelijke bewijzen ontbreken waaruit kan blijken dat wanneer en met het oog op welke brandschade die lening aan appellant zou zijn verstrekt.

Een andere bepaling laat aanstonds zien dat de onderhavige kosten, die betrekking hebben op geleden brandschade, niet voor bijstandverlening in aanmerking kunnen komen. Dit volgt namelijk al uit artikel 16, aanhef en onder c, van de Abw, waarin is bepaald dat in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 18 maart 1998 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven en tevens dat de rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van die wet in stand moeten blijven.
Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is gehandhaafd, komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand, in beroep begroot op
Ä644 ,- en in hoger beroep op Ä322,-, totaal Ä966,-.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
Ä966,-, te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal
Ä102,10 (É225,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Gw
x
LJN:
x
AE6409
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 01/983 ABW
Datum uitspraak: 12 augustus 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (n.v.t. op Wwb) / 1 Gw
Trefwoorden: bijzondere bijstand; tegemoetkoming sociaal-culturele activiteiten en vervanging duurzame gebruiksgoederen; zelfstandige woonruimte; gelijkheidsbeginsel
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand in de vorm van een tegemoetkoming voor sociaal-culturele activiteiten en vervanging van duurzame gebruiksgoederen, omdat betrokkene, aangezien zij bij haar ouders inwoont, niet over zelfstandige woonruimte beschikt als bedoeld in de gemeentelijke verordening.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Leeuwarden 01/983 ABW




U I T S P R A A K




ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder,
gemachtigde: A. Bouland, werkzaam bij verweerders gemeente.




1. Procesverloop


Bij brief van 27 september 2001 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 7 augustus 2002. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.




2. Motivering


Op 6 juni 2001 heeft eiseres, geboren op [...] 1965, bij verweerder een tegemoetkoming aangevraagd voor sociaal-culturele activiteiten en vervanging van duurzame gebruiksgoederen in het kader van de Abw. Bij brief van 12 juni 2001 heeft verweerder dit verzoek van eiseres afgewezen onder verwijzing naar de Verordening inkomensondersteuning 2000/2001 van verweerders gemeente (hierna: de verordening). Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft in beroep - onder meer en samengevat - aangevoerd dat de afwijzing van haar verzoek in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Verweerder maakt naar de mening van eiseres ten onrechte onderscheid tussen thuiswonende uitkeringsgerechtigden en uitkeringsgerechtigden die over zelfstandige woonruimte beschikken.

In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 5 van de verordening luidt voor zover hier van belang:

Vervanging duurzame gebruiksgoederen

De alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwde heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van vervanging van duurzame gebruiksgoederen, indien hij:
1.
a. (...)
b. in het jaar van aanvraag in de gemeente Ooststellingwerf geheel of gedeeltelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen.
of:
2.
a. op het moment van aanvraag, volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en de in de gemeente Ooststellingwerf geldende "Verordening onroerendezaakbelasting", ten minste drie maanden over zelfstandige woonruimte in de gemeente Ooststellingwerf beschikt; en
b. (...)
c. (...)

Artikel 6 van de verordening luidt voor zover hier van belang:

Kosten deelname sociaal-culturele activiteiten (...)

De alleenstaande, de alleenstaande ouder en de gehuwde heeft recht op een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan sociaal-culturele activiteiten (...), indien hij:
1. over 2000, in de gemeente Ooststellingwerf, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komt voor kwijtschelding gemeentelijke heffingen.
of:
2.
a. op 1 september 2000, volgens de GBA en de in de gemeente Ooststellingwerf geldende "Verordening onroerendezaakbelastingen", ten minste drie maanden over zelfstandige woonruimte in de gemeente Ooststellingwerf beschikt; en
b. (...)
c. (...)

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet over zelfstandige woonruimte beschikt als bedoeld in de verordening; zij is immers inwonend bij haar ouders. Niet in geschil is voorts dat eiseres niet geheel of gedeeltelijk voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen als bedoeld in de verordening in aanmerking is gekomen.

Blijkens een notitie van verweerders gemeente ter voorbereiding van de verordening wordt erkend dat bepaalde groepen burgers uit Ooststellingwerf extra ondersteund moeten worden voor bepaalde kosten en ontzien zouden moeten worden met betrekking tot bepaalde lasten. Tot deze zogenaamde "risicogroepen" behoren volgens deze notitie huishoudens met schoolgaande kinderen en huishoudens die langer op een inkomen op minimumniveau zullen zijn aangewezen (bijvoorbeeld langer dan drie jaar werkloos, ouderen en (voormalige) eenoudergezinnen). Uit het ambtelijk rapport van 24 augustus 2001, uitgebracht in de bezwaarschriftprocedure van eiseres, blijkt voorts dat genoemde groepen door een laag inkomen in relatie met gestegen vaste lasten geacht worden bepaalde uitgaven niet uit de normuitkering en toeslag te kunnen voldoen. Daaruit volgt blijkens dit rapport dat personen die over zelfstandige huisvesting beschikken, geacht worden dermate hoge uitgaven te hebben dat zij weinig tot geen ruimte overhouden om bepaalde uitgaven te verrichten.

Mede gelet op de notitie en op voornoemd rapport is de rechtbank van oordeel dat het in de verordening neergelegde beleid in beginsel niet onaanvaardbaar is. Dat daarbij (voor zover in dit geding van belang) een onderscheid wordt gemaakt tussen minima met zelfstandige woonruimte en inwonende minima, acht de rechtbank niet onredelijk. Immers, zij acht het in het algemeen aannemelijk dat minima met zelfstandige woonruimte meer (huisvestings)kosten uit hun inkomen zullen moeten voldoen dan inwonende minima. Door dit onderscheid te maken, handelt verweerder niet in strijd met artikel 1 van de Grondwet, waarin onder meer is geregeld dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Immers, minima met zelfstandige woonruimte verkeren in andere financiŽle omstandigheden dan inwonende minima, zodat op dit punt geen sprake is van gelijke gevallen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid met toepassing van de verordening de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. Zij woont nog bij haar ouders in en wordt daarom, geheel in lijn met de verordening, geacht minder kosten te hebben dan iemand die zelfstandige woonruimte heeft. Weliswaar heeft zij aangegeven dat zij haar ouders betaalt voor kost- en inwoning, telefoon en dergelijke, maar niet aannemelijk is geworden dat dit zodanig hoge kosten zijn dat er in haar geval op grond van bijzondere omstandigheden geen onderscheid zou mogen worden gemaakt tussen haar omstandigheden en die van iemand met zelfstandige woonruimte als in de verordening bedoeld.

Het bestreden besluit kan dan ook in rechte stand houden. Het beroep van eiseres zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2002, in tegenwoordigheid van G. Timmermans als griffier.

w.g. G. Timmermans            w.g. P.G. Wijtsma




Afschrift verzonden op: 12 augustus 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw
x
LJN:
x
AE6671
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Alkmaar
Zaaknummer: NABW 02/834
Datum uitspraak: 15 augustus 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 en 113 Abw (= 13 en 9 Wwb) / 1 Gw
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; volledig arbeidsongeschikt; jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel; territorialiteitsbeginsel
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om langer dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven, omdat betrokkene, gelet op zijn volledige arbeidsongeschiktheid gedurende de komende vijf jaar (waarna hij al 57,5 jaar is), dient te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het territorialiteitsbeginsel.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Alkmaar NABW 02/834




U I T S P R A A K




op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht inzake:

[verzoeker], geboren op [...] 1947, wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 12 juli 2002.




2. Zitting


Datum: dinsdag 13 augustus 2002.
Verzoeker is verschenen bij gemachtigde mr. W. Searle te Hoorn, daartoe ambtshalve opgeroepen.
Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente Hoorn.




3. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 14 juni 2002 heeft verweerder aan verzoeker onder meer het volgende medegedeeld:
"Er heeft een medisch onderzoek naar uw arbeidsgeschiktheid plaatsgevonden. Het onderzoek is uitgevoerd door Argonaut. De uitslag van het onderzoek heeft uitgewezen dat u volledig arbeidsongeschikt bent. Derhalve worden de arbeidsverplichtingen van artikel 113, eerste lid, Abw niet aan u opgelegd. Deze ontheffing wordt u verleend voor de periode van vijf jaar. Daarna zal uw situatie opnieuw worden beoordeeld."

Bij brief van 27 juni 2002 heeft verzoeker verweerder bericht dat hij gedurende de periode van 21 juli 2002 tot 20 oktober 2002 in Turkije zal verblijven en heeft hij verweerder verzocht om toestemming om met behoud van uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) gedurende drie maanden in het buitenland te verblijven. Een "aanvraagformulier verblijf buiten Nederland" is bij verweerder ontvangen op 3 juli 2002.

Bij besluit van 12 juli 2002 heeft verweerder aan verzoeker toestemming verleend om met behoud van uitkering vier weken naar het buitenland te gaan, te weten de periode 21 juli 2002 tot en met 17 augustus 2002.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 juli 2002 bij verweerder een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb ingediend.
Bij brief van (eveneens) 18 juli 2002 heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




4. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een - voorlopig - oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven.
Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 7, eerste lid, van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw heeft degene die in Nederland zijn verblijfplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland geen recht op bijstand.

Deze in de artikelen 7 en 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw neergelegde regelgeving en onder de oude ABW totstandgekomen jurisprudentie is een weergave van het territorialiteitsbeginsel waaraan een absoluut karakter is toegekend.

In artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Stcrt. 1998, 53, in werking getreden op 1 april 1998, hierna: de vakantieregeling) is bepaald dat onder de gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw, wordt verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.

In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling van arbeid zijn opgenomen, is in het vierde lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van ťťn of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van ťťn of meer categorieŽn belanghebbenden. Ter uitvoering hiervan is de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (Stcrt. 1995, 83, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2002, 37, hierna: de vrijstellingsregeling) tot stand gekomen.

In artikel 1, eerste lid, van de vrijstellingsregeling is bepaald dat van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel a, e en f, van de Abw, belanghebbenden die ouder zijn dan 57,5 jaar zijn vrijgesteld. Belanghebbenden die op 1 mei 1999 ouder zijn dan 57,5 jaar, zijn eveneens vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Abw.
Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel van de vrijstellingsregeling is bepaald dat burgemeester en wethouders, gehoord de Centrale organisatie werk en inkomen, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen afwijken.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat een uitkeringsgerechtigde jonger dan 57,5 jaar volgens artikel 9, derde lid, van de Abw in samenhang bezien met artikel 1 van de vakantieregeling en vaste jurisprudentie, op grond van het territorialiteitsbeginsel niet langer dan vier weken (28 dagen) per jaar met behoud van uitkering in het buitenland mag verblijven.

Namens eiser is - onder verwijzing naar een uitspraak van de Rechtbank Maastricht van 13 januari 2000 (JABW 2000/43) [LJN AA5111, red.] - aangevoerd dat het gebruik van het leeftijdscriterium in de vakantieregeling in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), voor welk onderscheid geen rechtvaardigingsgrond is aan te voeren.

De voorzieningenrechter overweegt dat met de hiervoor weergegeven vakantieregeling onderscheid naar leeftijd in het leven is geroepen. Niet ieder onderscheid naar leeftijd levert discriminatie op in de zin van artikel 1 van de Grondwet of artikel 26 van het IVBPR. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd. In dit laatste verband speelt de vraag of het stellen van een leeftijdsgrens voor het bereiken van het nagestreefde doel een geschikt middel is.

Het doel van de vakantieregeling is om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar of ouder zijn en op grond daarvan ontheven zijn van verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling een langere periode van verblijf in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wel moeten voldoen aan voornoemde verplichtingen. Uit de toelichting op de vakantieregeling blijkt dat met een verblijf van dertien weken in het buitenland door iemand van 57,5 jaar of ouder de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding komen.

Dat de wetgever heeft gekozen voor een leeftijdsgrens gekoppeld aan het ontheven zijn van de arbeidsverplichting is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een aanvaardbare en gerechtvaardigde keuze. Het gekozen criterium is in het licht hiervan dan ook een geschikt middel. Dit is slechts anders indien een bijstandsgerechtigde die jonger is dan 57,5 jaar voor de toepassing van de Abw in dezelfde omstandigheden verkeert als de bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder.

In eerdere zaken van verzoeker waarin dezelfde vragen moesten worden beantwoord en waarin de rechtbank op 26 juni 2002 uitspraak heeft gedaan (registratienummers 01/819 en 01/1567), heeft de rechtbank overwogen dat verzoeker voor de toepassing van de Abw niet in dezelfde omstandigheden verkeert als een bijstandsgerechtigde van 57,5 jaar of ouder, omdat hij (voorlopig en) niet onherroepelijk ontheven is van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de Abw.

In casu is niet in geschil dat verzoeker verkeert in een situatie dat hij jonger is dan 57,5 jaar en dat hij vanaf 14 juni 2002 is ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113, eerste lid, van de Abw omdat onderzoek heeft uitgewezen dat verzoeker volledig arbeidsongeschikt is. De ontheffing is verzoeker verleend voor de periode van vijf jaar.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter verkeert verzoeker voor de toepassing van de Abw thans wel in dezelfde omstandigheden als een bijstandsgerechtigde die 57,5 jaar of ouder is. Verzoeker is niet langer voorlopig ontheven van de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 113 van de Abw, doch blijkens het besluit van 14 juni 2002 voor een periode van vijf jaar, na afloop waarvan verzoeker ouder is dan 57,5 jaar. Verzoeker wordt verder beschouwd als volledig arbeidsongeschikt. Aldus is de situatie van verzoeker niet een andere dan die van de bijstandsgerechtigde ouder dan 57,5 jaar die definitief is vrijgesteld van inschakeling in het arbeidsproces op grond van de vrijstellingsregeling als boven genoemd.

Verweerder heeft aangevoerd zijn standpunt te zien bevestigd in jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (JABW 1999/54 en JABW 2001/145). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de betrokkenen in de door verweerder genoemde uitspraken in eenzelfde situatie verkeerden als verzoeker en dat in die zaken eveneens sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar is sprake van arbeidsongeschiktheid en ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw, maar niet blijkt dat die betrokkenen definitief en onherroepelijk zijn ontheven van die verplichtingen en dat zij moeten worden beschouwd als permanent arbeidsongeschikt.

Gelet op het hieraan voorafgaande is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat verweerder bij de toepassing van het bepaalde in artikel 1, onderdeel a, van de vakantieregeling aan verzoeker thans niet kan tegenwerpen dat hij de leeftijd van 57,5 jaar nog niet heeft bereikt, nu het onderscheid naar leeftijd in het onderhavige geval niet op objectieve en redelijke gronden berust.

De voorgaande overwegingen roepen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zodanige twijfels op aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit dat bij wijze van voorlopige voorziening aan verweerder wordt opgedragen de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten, met dien verstande dat verzoeker bij de toepassing van artikel 9 van de Abw en artikel 1, onderdeel a, van de vakantieregeling wordt behandeld als een belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op
Ä644,- als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 1 (punt voor het verzoekschrift) en Ä322,- (waarde per punt) en 1 (gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslist is als volgt.




5. Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van het besluit op het bezwaarschrift;
- draagt verweerder op de uitvoering van het bestreden besluit op te schorten met dien verstande dat verzoeker bij de toepassing van artikel 9 van de Abw en artikel 1, onderdeel a, van de vakantieregeling wordt behandeld als een belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is;
- bepaalt dat de gemeente Hoorn aan verzoeker het griffierecht ten bedrage van
Ä29,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van
Ä644,-;
- wijst de gemeente Hoorn aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de betaling van
Ä644,- dient te worden gedaan aan verzoeker.

Aldus gewezen door mr. M.F.G.H. Beckers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van F.H. Burgman als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2002 door voornoemde voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier,            De voorzieningenrechter,




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb
x
LJN:
x
AE6815
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/2300 BZ-VV
Datum uitspraak: 18 juni 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 23 en 47 Abw (= 7 IWwb en 32 Wwb)
Trefwoorden: zelfstandige; inkomstenverrekening; bijstand om niet; geldlening; inkomsten uit arbeid in loondienst na beŽindiging Bbz-uitkering; boekjaar; terugvordering
Essentie: Terechte terugvordering van als zelfstandige te veel ontvangen bijstand, omdat alle in het boekjaar verworven netto-inkomsten in aanmerking dienen te worden genomen, derhalve ook de na de beŽindiging van de Bbz-uitkering, maar nog in het boekjaar verworven inkomsten uit arbeid in loondienst.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 02/2300 BZ-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 13 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Bij brief van 24 april 2002 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.A. Hakstege, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft van 1 september 1997 tot 1 september 1998 ingevolge artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 23, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) een bijstandsuitkering in de kosten van levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening ontvangen.
Bij besluit van 29 december 2000 heeft verzoeker aan de hand van de jaarstukken over 1998 gedaagdes recht op bijstand over 1998 definitief vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in toekenning van bijstand om niet tot een bedrag van É8723,71. Omdat gedaagde over dat jaar reeds een renteloze geldlening van in totaal É11.470,50 had ontvangen, heeft verzoeker in datzelfde besluit onder toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) een bedrag van É2746,79 van gedaagde teruggevorderd.
Het tegen het besluit van 29 december 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 mei 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het besluit van 11 mei 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker de door gedaagde na 1 september 1998 genoten inkomsten uit arbeid in loondienst niet kunnen meenemen bij de berekening van de bijstand om niet. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
"Blijkens de wetsgeschiedenis wordt, gelet op de schommelingen van het inkomen van een zelfstandige binnen een jaar, voor de vaststelling van de bijstand het over een boekjaar verdiende inkomen bezien. De rechtbank is het met eiseres eens dat van inkomen uit arbeid in loondienst niet gezegd kan worden dat deze inkomsten zodanig fluctueren dat ten aanzien daarvan de hoofdregel van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw moet worden doorbroken. Deze inkomsten zijn immers zonder meer toe te rekenen aan de perioden waarin de werkzaamheden die tot de inkomsten geleid hebben, verricht zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitzondering op genoemde hoofdregel, vervat in artikel 47, derde lid, van de Abw, restrictief geÔnterpreteerd moet worden in die zin dat alleen het inkomen als zelfstandige over het hele boekjaar meegenomen moet worden, ongeacht het feit of over het hele boekjaar dan wel over een deel van het boekjaar bijstand is verleend. Nu echter in het geval van eiseres tot 1 september 1998 bijstand is verstrekt en de inkomsten uit arbeid in loondienst verworven zijn in de periode na 1 september 1998, hoeft met deze inkomsten bij de berekening van de bijstand om niet geen rekening gehouden te worden. Deze inkomsten kunnen immers niet worden toegerekend aan de periode waarin bijstand is verstrekt. Op deze inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook uitsluitend de hoofdregel van artikel 47, eerste lid, van de Abw van toepassing".

Verzoeker heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

Naar aanleiding van het onderhavige verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Ingevolge het tweede artikellid wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voor zover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz - voor zover hier van belang - nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto-inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat indien de verleende bijstand vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto-inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz wordt onder boekjaar verstaan de periode van twaalf maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling moet het eventueel naast het inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep verdiende inkomen worden toegerekend naar het boekjaar.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bbz wordt onder netto-inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van de wet.

In het eerste artikel van deze paragraaf, artikel 47, is aangegeven wat onder inkomen wordt verstaan. Tot dit netto-inkomen behoort blijkens artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw onder meer inkomsten uit of in verband met arbeid. Ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw moet het daarbij in elk geval gaan om middelen die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
In het derde lid van artikel 47 is, voor zover hier van belang, bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bij bijstandverlening aan een zelfstandige rekening wordt gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt vastgesteld.
Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 47, derde lid, van de Abw wordt, aangezien de inkomensvorming van een zelfstandige niet regelmatig over een jaar verloopt en het inkomen in zijn administratie over een boekjaar wordt vastgesteld, bij de definitieve vaststelling van de bijstand aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een geheel jaar, ook al is de bijstand slechts over een gedeelte van dat jaar verleend. Hiermee wordt afgeweken van het in het eerste lid, onderdeel b, neergelegde uitgangspunt.

Uit het voorgaande, en met name uit het bepaalde in artikel 47, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, aanhef en onder c en d, van het Bbz, leidt de voorzieningenrechter af dat, anders dan bij een belanghebbende die voor de voorziening in zijn bestaan is aangewezen op inkomsten uit arbeid in loondienst, bij de bijstandverlening aan een zelfstandige in beginsel met alle in het met het kalenderjaar samenvallend boekjaar verworven inkomsten rekening gehouden moet worden. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet anders in het geval dat de in dat boekjaar genoten inkomsten uit arbeid in loondienst zijn verworven na de beŽindiging van de bijstandsuitkering.

Gebleken is dat gedaagde in het betreffende boekjaar, dat in het onderhavige geval samenvalt met het kalenderjaar 1998, ook na de beŽindiging van haar Bbz-uitkering per 1 september 1998 naast haar inkomen als zelfstandige inkomsten uit arbeid in loondienst heeft verworven. Deze omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, leiden de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker bij de definitieve vaststelling van gedaagdes inkomen over 1998 terecht ook de na de beŽindiging van de Bbz-uitkering verworven inkomsten uit arbeid in loondienst heeft betrokken.

Uit het voorgaande volgt dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden.

Nu verzoeker voorts ter zitting heeft verklaard dat het teruggevorderde bedrag reeds geheel door gedaagde is voldaan, het bestreden besluit een afgesloten periode in het verleden betreft en niet is gebleken dat gedaagde in onoverkomelijke financiŽle moeilijkheden zal geraken in geval van schorsing van de aangevallen uitspraak, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende aanleiding is om het verzoek in te willigen en de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter ten slotte geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:

schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2002, nr. AWB 01/2278 BZ;
bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht van
Ä327,- wordt terugbetaald door de griffier van de Raad.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x