Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6817
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3031 NABW-VV
Datum uitspraak: 30 juli 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 58, 70 (oud) en 71a (oud) ABW (= 82, en Abw) (= 58, en Wwb) / 3:2 Awb
Trefwoorden: vermogen; schade-uitkering na verkeersongeval; verlies aan arbeidsvermogen; letselschade; smartengeld; terugvordering; verjaring; vijfjarenvervaltermijn; toerekening schadevergoeding
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand, voor zover die is verleend vr 1 augustus 1992 (schrapping verjaringsbepaling ABW), wegens ontvangen schade-uitkering ad 636.991,40, omdat de vordering is verjaard nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat in het toekenningsbesluit duidelijk is gemarkeerd dat de bijstand is verleend als voorschot op een eventuele schade-uitkering door een derde, waaruit de bijstand later moet worden terugbetaald. Terechte terugvordering vanaf 1 augustus 1992, daar de toegekende schadevergoeding ter zake van verlies aan arbeidsvermogen terecht is toegerekend aan de periode vanaf de datum van het ongeval (30 mei 1982).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 02/3031 NABW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift van 3 juni 2002 vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 23 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak reg. nr. 00/7618 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

In dezelfde brief is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr. E. Driessen, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 juli 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en namens gedaagde is verschenen mr. L.B. Sauerwein, advocaat te Amsterdam.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin verzoeker als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser - ontleent de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden:
"Eiser is geboren in 1955 en heeft na de HAVO een opleiding gevolgd als industrieel ontwerper. Medio 1981 vond hij een baan als ontwerper van kunststof producten, maar het dienstverband is na afloop van de proeftijd met wederzijds goedvinden ontbonden. Op 30 mei 1982 was eiser bij een verkeersongeval betrokken, waaraan hij blijvend letsel heeft overgehouden.

Met ingang van 30 mei 1982 is aan eiser een bijstandsuitkering verleend ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 25 september 1986 is eisers uitkering ingevolge de Rww per 1 september 1986 beindigd en is aan hem per dezelfde datum een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend. Met ingang van 1 augustus 1996 is deze uitkering omgezet naar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

De veroorzaker van het verkeersongeval op 30 mei 1982 had het risico van haar aansprakelijkheid verzekerd bij (de rechtsvoorganger van) Unigarant NV, welke verzekeraar het op zich heeft genomen de aan het ongeval toe te rekenen schade van eiser te vergoeden.

In augustus 1997 heeft eiser met Unigarant een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is bepaald dat aan eiser een schadevergoeding van 636.991,40 wordt toegekend. De schadevergoeding is als volgt gespecificeerd: materile schade 15.000,-, smartengeld 60.000,-, toekomstige medische kosten 25.000,-, toekomstig verlies aan arbeidsvermogen 500.000,- en rente 36.991,40. Op 22 september 1997 is aan eiser een bedrag van 550.000,- uitgekeerd. Aan eiser was reeds een bedrag van 86.991,40 bij wijze van voorschot betaald. Eiser heeft de ontvangst van de schadevergoeding gemeld op een door verweerder op 3 oktober 1997 ontvangen inlichtingenformulier. Vervolgens heeft verweerder eisers uitkering met ingang van 1 oktober 1997 beindigd.

Bij besluit van 4 mei 2000 heeft verweerder aangegeven dat de aan eiser over de periode 30 mei 1982 tot en met 30 september 1997 verstrekte bijstand geheel verhaalbaar is en dat de aan eiser over de periodes van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1996 en 1 augustus 1996 tot en met 30 september 1997 verstrekte bijstand ingevolge de ABW, respectievelijk de Abw wordt teruggevorderd. Eisers bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2000 heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard."

De rechtbank heeft - met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 14 november 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Kort samengevat komt die uitspraak in hoofdzaak hierop neer dat verzoeker bij zijn nadere besluitvorming op bezwaar de volgende punten in acht moet nemen:
a. de ten behoeve van gedaagde gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992 kunnen op grond van artikel 70 (oud) van de ABW niet meer van gedaagde worden teruggevorderd;
b. de aan gedaagde toegekende schadevergoeding ter zake van verlies aan arbeidsvermogen is terecht toegerekend aan de periode vanaf de datum van het ongeval;
c. aan het besluit tot terugvordering over de periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 juli 1996 had niet artikel 58, eerste lid, maar artikel 58, tweede lid, ABW ten grondslag moeten worden gelegd;
d. het besluit tot terugvordering is terecht gebaseerd op artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw voor zover dat ziet op de periode van 1 augustus 1996 tot en met 30 september 1997;
e. door een te lange termijn te laten verstrijken alvorens tot afgifte van het terugvorderingsbesluit van 4 mei 2000 over te gaan, is artikel 3:2 van de Awb geschonden. Die schending kan niet zonder gevolgen blijven voor de terugvordering. Voor de beantwoording van de vraag of in overeenstemming met artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gehandeld, moet worden gerekend vanaf het tijdstip dat het vermoeden is gerezen dat ten onrechte uitkering is betaald.

Verzoeker heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen hetgeen de rechtbank heeft beslist met betrekking tot de punten a, b, c en e en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.



Met betrekking tot de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992

Aangezien het volledige van gedaagde teruggevorderde bedrag reeds aan verzoeker is betaald, zou onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak in elk geval betekenen dat terugbetaling dient plaats te vinden van het gedeelte van het teruggevorderde bedrag dat ziet op de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992. De rechtbank heeft ter zake het volgende overwogen:
"Voor wat betreft het met betrekking tot de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992 aangevoerde beroep op verjaring ingevolge artikel 70 ABW, waarin is bepaald dat de rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten zijn gemaakt, oordeelt de rechtbank als volgt.

In een uitspraak van 11 mei 1984, gepubliceerd in JABW 1984/176, heeft de Hoge Raad (HR) bepaald dat wanneer in een besluit waarbij de in artikel 59, tweede lid, ABW bedoelde bijstand is verleend, duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat deze later moet worden terugbetaald, deze bijstand in zoverre overeenstemt met bijstand in de vorm van geldlening, dat ook deze de strekking heeft een tijdelijk gebrek aan middelen op te heffen. Volgens artikel 71a, eerste lid, ABW is artikel 70 niet van toepassing ten aanzien van terugvordering van kosten van bijstand voortvloeiende uit geldlening of borgtocht. Tegen deze achtergrond brengt een redelijke uitleg van artikel 70 mee dat in een geval als bovenomschreven de verjaringstermijn van dat artikel buiten toepassing moet blijven.

Volgens verweerder dient de bijstandsuitkering van eiser te worden beschouwd als leenbijstand omdat deze bij besluit van 25 september 1986 verhaalbaar is gesteld. Die verhaalbaarstelling blijkt volgens verweerder uit de volgende zinsnede op de pagina achter dat besluit onder het kopje "Algemene bepalingen inzake de bijstand" onder punt 4: "Kosten van bijstand verleend over een bepaalde periode kunnen worden verhaald tot het bedrag van de inkomsten welke u met betrekking tot die periode later blijkt te genieten (artikel 59 ABW)". In aanmerking genomen de hiervoor aangegeven jurisprudentie van de HR is verweerder van opvatting dat aan eiser met deze passage duidelijk is gemaakt dat de bijstand later moet worden terugbetaald en dat de verjaringstermijn van artikel 70 ABW niet geldt.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze opvatting. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat met de hiervoor geciteerde zinsnede in de algemene bepalingen achter het besluit van 25 september 1986 niet duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat de bijstand later moet worden terugbetaald. Dit geldt te meer nu bij die algemene bepalingen uitsluitend het eerste lid van artikel 59 ABW is geciteerd en niet het juist in dit geval voor de hand liggende tweede lid van dat artikel.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake kan zijn van een situatie waarbij de verjaringstermijn buiten toepassing moet blijven. Hieruit volgt dat de aan eiser verstrekte kosten van bijstand over de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992 niet meer van eiser kunnen worden teruggevorderd, nu de rechtsvordering tot verhaal ingevolge het bepaalde in artikel 70 ABW is vervallen doordat vijf jaar zijn verlopen nadat de kosten zijn gemaakt."

De voorzieningenrechter kan zich met deze overwegingen verenigen. Hij voegt daar aan toe dat de vr 1 augustus 1992 geldende materile bepalingen ter zake van verhaal van kosten van bijstand hier van toepassing zijn voor zover het gaat om kosten van vr 1 augustus 1992 verleende bijstand. Anders dan in de door de Hoge Raad berechte casus uit bovenvermelde uitspraak is in het geval van gedaagde niet voldaan aan de in die uitspraak gestelde voorwaarde dat in het toekenningsbesluit duidelijk is gemarkeerd dat de uitkering is gedaan als voorschot op een eventuele schade-uitkering door een derde, waaruit de bijstand later moet worden terugbetaald (vgl. ook de uitspraak van de Hoge Raad van 17 november 1989, nr. 7531, gepubliceerd in JABW 1990/46). De stelling van verzoekers gemachtigde dat artikel 70 (oud) van de ABW niet van toepassing is op grond van artikel 71a (oud) van de ABW is onjuist, omdat de onderhavige kosten van bijstand niet geacht kunnen worden te zijn voortgevloeid uit geldlening of borgtocht.



Met betrekking tot de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30 september 1997

De vervaltermijn van vijf jaar geldt niet indien, zoals in dit geval, over de periode na 31 juli 1992 achtereenvolgens artikel 58 van de ABW (tekst vanaf 1 augustus 1992) en artikel 82 van de Abw is toegepast. Dit volgt voor de ABW uit artikel 61d, eerste lid (vanaf 1 augustus 1992), en voor de Abw uit artikel 87, eerste lid (oud), en de wijziging van dat artikel per 1 juli 1997 bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 1996, 248.

Zowel in bezwaar als in beroep is primair gesteld dat hetgeen aan gedaagde per september 1997 betaalbaar is gesteld ter zake van schade van verlies van arbeidsvermogen uitsluitend betrekking had op de dan toekomende periode en dus niet over de periode waarover bijstand is verleend. Blijkens het verhandelde ter zitting kan gedaagde zich niet verenigen met hetgeen de rechtbank omtrent dit punt heeft overwogen. Zijn gemachtigde heeft in verband met de gehele vernietiging van het bestreden besluit tegen die overwegingen geen hoger beroep ingesteld in afwachting van het nieuw te nemen besluit op bezwaar en wenst het standpunt ter zake in de bodemprocedure nog nader toe te lichten. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan dit niet instellen van (partieel) hoger beroep gedaagde niet worden tegengeworpen (vgl. ook de uitspraak van de Raad van 16 december 1999, gepubliceerd in TAR 00/29). Met het door verzoeker ingestelde hoger beroep ligt het bestreden besluit tot terugvordering thans ter beoordeling voor aan de Raad. Dat betekent onder meer dat met betrekking tot de terugvordering over de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30 september 1997 moet worden bezien of aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 58 van de ABW onderscheidenlijk 82, aanhef en onder a, van de Abw wordt voldaan. Voor de beantwoording van die vraag is cruciaal of het hierboven onder punt b samengevatte oordeel van de rechtbank juist is.

Gesteld dat ondanks de bezwaren van gedaagde het antwoord op deze laatste vraag in de bodemprocedure met de rechtbank positief zou moeten worden beantwoord, dan kan de voorzieningenrechter de rechtbank niet volgen voor zover in haar uitspraak schending van artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld, dit onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 7 juni 2000, gepubliceerd in USZ 2000/202. Die uitspraak moet immers worden geplaatst in het kader van de rechterlijke toetsing van de wijze waarop bestuursorganen als het (voormalige) Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Sociale Verzekeringsbank over tijdvakken tot 1 augustus 1996 van een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering gebruik maakten (vgl. ook de uitspraak van de Raad van 25 september 2001, gepubliceerd in RSV 2001/270). Datzelfde geldt ook voor de door de gemachtigde van gedaagde genoemde uitspraak van de Raad van 25 oktober 2000, gepubliceerd in RSV 2001/23. Van hantering van een discretionaire bevoegdheid tot terugvordering is in dit geval geen sprake. Sedert 1 augustus 1992 zijn bestuursorganen als verzoeker - behoudens voor zover verval- of verjaringstermijnen van toepassing zijn - verplicht tot terugvordering van kosten van onverschuldigd betaalde bijstand over na 31 juli 1992 gelegen perioden in de gevallen en naar de regels aangegeven in de ABW en de Abw.

Zowel in bezwaar als in beroep is schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM als grief naar voren gebracht. Ook over dit punt blijven partijen in hoger beroep van mening verschillen. Naar aanleiding van hetgeen partijen en de rechtbank ter zake naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden dat in maart 1997 bij verzoeker het vermoeden was gerezen dat mogelijkerwijs onverschuldigd bijstand zou zijn betaald en verzoeker in de periode tussen de ontvangst van de melding van de uitbetaling van de schadevergoeding op 3 oktober 1997 en 4 mei 2000 - de datum van het primaire besluit - nog geen standpunt ter zake van terugvordering had ingenomen, zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet mede bepalend voor de vraag of de redelijke termijn van geschilbeslechting in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. In de hierboven reeds vermelde uitspraak van 7 juni 2000 heeft de Raad immers overwogen dat er sprake dient te zijn van een geschil, dat wil zeggen dat - ten minste - een standpunt van het bestuursorgaan kenbaar is, ter zake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil verzetten. In dit licht bezien, acht de voorzieningenrechter niet juist de in de aangevallen uitspraak neergelegde opvatting dat in het kader van de toetsing van het "redelijketermijnvereiste" uit deze verdragsbepaling zou moeten worden gerekend vanaf het tijdstip dat het vermoeden is gerezen dat ten onrechte uitkering is betaald.

Gelet op hetgeen tot nu toe is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor opschorting van de werking van de aangevallen uitspraak, voor zover verzoeker op grond daarvan gehouden is een nieuw besluit op bezwaar te nemen inzake terugvordering van voor gedaagde gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992.

Er bestaat echter een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet op de daarin aangegeven gronden in stand kan worden gelaten voor zover daarbij is geoordeeld en beslist over de terugvordering van kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 1992 tot met 30 september 1997. Nu het teruggevorderde bedrag reeds geheel is voldaan en niet is gesteld of gebleken dat gedaagde in geval van (gedeeltelijke) schorsing van de aangevallen uitspraak in financile moeilijkheden zal geraken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er op grond van het bovenstaande voldoende aanleiding is om het verzoek in zoverre wel in te willigen. Het uitvoering geven aan de aangevallen uitspraak hangende de beslissing van de Raad op het hoger beroep dient dus beperkt te blijven tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar met betrekking tot de terugvordering over de periode van 1 september 1986 tot en met 31 juli 1992.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om verzoeker te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze worden begroot op
644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:

schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 april 2002, reg.nr. 00/7618 NABW, voor zover verzoeker op grond van die uitspraak gehouden is een nieuw besluit op bezwaar te nemen inzake terugvordering van voor gedaagde gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 1992 tot en met 30 september 1997;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
644,-, te betalen door de gemeente Eindhoven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6820
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5913 NABW
Datum uitspraak: 16 juli 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 69 en 81 Abw (= 31, 54 en 58 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: inkomsten; bijstand van Nederland uitgezette inwonende ouder; schending inlichtingenverplichting; terugvordering
Essentie: Terechte terugvordering van betrokkene en zijn echtgenote van aan zijn inwonende moeder doorbetaalde bijstand terwijl zij, zonder dat betrokkene dat heeft gemeld, door de vreemdelingendienst Nederland was uitgezet, omdat betrokkene door geldopnames van zijn moeders bankrekening daadwerkelijk over die middelen heeft beschikt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5913 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 november 1999, reg.nr. 99/7 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 juni 2002. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Skla, advocaat te Haren. Gedaagde heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 20 januari 1988 een uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een echtpaar. Met ingang van 20 oktober 1992 woonde de moeder van appellant bij hem en zijn echtgenote in. In verband daarmee werd op de Rww-uitkering van appellant en zijn echtgenote een zogeheten woningdelerskorting toegepast. De moeder van appellant ontving zelf ook een Rww-uitkering, waarop eveneens de woningdelerskorting werd toegepast. Per 17 juli 1993 werd de Rww-uitkering van appellant en zijn echtgenote beindigd wegens de aanvang van werkzaamheden als zelfstandige. Nadat het bedrijf was gestaakt, ontvingen appellant en zijn echtgenote per 1 oktober 1993 opnieuw een Rww-uitkering. Op 1 maart 1996 is appellant te [vestigingsplaats] een cafetaria begonnen. Gedurende de periode van 1 maart 1996 tot en met 31 augustus 1996 ontvingen appellant en zijn echtgenote een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Vervolgens is aan appellant en zijn echtgenote een Bbz-uitkering toegekend waarop de inkomsten uit arbeid in mindering werden gebracht. Per 1 juni 1997 is deze uitkering beindigd.

Op 25 mei 1993 is de moeder van appellant door de vreemdelingendienst Nederland uitgezet. Haar Rww-uitkering is nadien echter doorbetaald. Vaststaat dat appellant en zijn echtgenote de enige gemachtigden waren met betrekking tot de bankrekening van de moeder van appellant, dat appellant in de periode van 25 mei 1993 tot en met 12 augustus 1996 ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van zijn moeder en dat appellant en zijn echtgenote van n en ander geen mededeling hebben gedaan aan gedaagde.

Bij besluit van 27 augustus 1998, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 1998, heeft gedaagde de uitkeringen van appellant en zijn echtgenote over de periode van 25 mei 1993 tot en met 12 augustus 1996 wegens schending van de wettelijke inlichtingenplicht herzien en voorts een bedrag van 58.712,72 (bruto) van hen teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 december 1998 ongegrond verklaard. Appellant kan zich daarmee niet verenigen.

In het aanvullend beroepschrift is aangevoerd dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door niet de uitkering van de moeder van appellant in te trekken en de ten onrechte betaalde uitkering van haar terug te vorderen, maar in plaats daarvan de uitkeringen van appellant en diens echtgenote te herzien en een bedrag van hen terug te vorderen.

Ter zitting is nog aangevoerd dat appellant de vanaf 25 mei 1993 ten name van zijn moeder gestorte uitkering telkens contant aan haar heeft doorbetaald uit de gelden van zijn bedrijf en vervolgens met gebruikmaking van de bankpas van zijn moeder inkopen ten behoeve van het bedrijf heeft gedaan ter hoogte van de door hem aan zijn moeder doorbetaalde bedragen. Als gevolg daarvan heeft appellant feitelijk niet ten eigen bate gebruik gemaakt van die bedragen en heeft hij dus niet de beschikking gehad over die middelen, zodat ter zake ook geen mededeling aan gedaagde behoefde te worden gedaan.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het besluit van 16 december 1998 op een onjuiste wettelijke grondslag berust, nu gedaagde daaraan ten grondslag heeft gelegd de artikelen 69, derde lid, en 81, eerste lid, van de Abw zoals deze luiden vanaf 1 juli 1997. De rechtbank heeft er echter ten onrechte van afgezien het beroep om die reden gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, zulks alsnog doen.

Vervolgens is aan de orde of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

De Raad kan zich verenigen met het inhoudelijke oordeel van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

Voor de toepassing van artikel 9 van het Bijstandsbesluit landelijke normering en artikel 42 van de Abw is niet relevant waaraan of met welk doel de betrokken middelen zijn besteed. Bepalend is - slechts - of de belanghebbende daadwerkelijk over die middelen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval ten aanzien van de uitbetaalde bedragen van de vanaf 25 mei 1993 aan de moeder van appellant verstrekte uitkering voldaan. Ten onrechte is daarvan echter geen melding gemaakt aan gedaagde.

Geen rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan gedaagde gehouden zou zijn in een geval als het onderhavige af te zien van herziening en terugvordering jegens degene die daadwerkelijk over de betrokken middelen heeft beschikt. Gedaagde heeft dan ook, zulks ten materile in overeenstemming met de wettelijke terugvorderingsbepalingen, op de in de wet voorziene wijze teruggevorderd hetgeen tot een te hoog bedrag aan uitkeringen aan appellant en zijn echtgenote is verleend.

De in het aanvullend beroepschrift verder nog betrokken stelling dat ten onrechte de terugvordering niet is beperkt tot het bedrag van de ten onrechte aan de moeder van appellant verstrekte uitkering, mist feitelijke grondslag. Gedaagde heeft immers in het verweerschrift onweersproken gesteld - en uit de gedingstukken blijkt niet van het tegendeel - dat slechts is teruggevorderd het verschil tussen het bedrag van de aan appellant en zijn echtgenote over de periode hier in geding verstrekte uitkeringen en het bedrag van de ten onrechte ten name van de moeder van appellant over dat tijdvak betaalde uitkering.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot die kosten op
644,- voor verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep:

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 1998 gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal
644,-, te betalen door de gemeente Groningen;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
102,10 (225,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE6822
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5115 NABW, 02/1688 NABW en 02/1689 NABW
Datum uitspraak: 23 juli 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 65, 69, 81 en 90 Abw (= 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 6:18, 6:19, 7:11 en 8:72 Awb
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; verbod van reformatio in peius
Essentie: Terechte terugvordering bijstand wegens onvolledige en onjuiste opgave van inkomsten uit arbeid. Het verbod van reformatio in peius is niet geschonden, omdat de verhoging bij besluit op bezwaar van het terugvorderingsbedrag is gegrond op eerst in bezwaar overgelegde gegevens.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5115 NABW, 02/1688 NABW en 02/1689 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft G.C.W. Leenders, belastingadviseur te Valkenburg, op bij het hoger beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 11 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en tevens een aan appellant gericht besluit van 29 november 1999 ingezonden. Mr. Leenders heeft hierop bij brief van 6 januari 2000 gereageerd. Vervolgens heeft gedaagde de Raad een aan appellant gericht besluit van 19 januari 2000 toegezonden

Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2002, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M. Olislagers, werkzaam bij de gemeente Maastricht.




II. Motivering


Aan appellant is bij besluit van 8 oktober 1996 met ingang van 1 september 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. In dit besluit is appellant erop gewezen dat hij op de inkomstenverklaringen een exacte opgaaf dient te verstrekken van de gewerkte uren en de ontvangen inkomsten en dat de variabele inkomsten uit deeltijdwerk per kalendermaand worden verrekend en achteraf eventueel worden herberekend. Per 1 december 1996 is de uitkering van appellant beindigd in verband met zijn inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 1996.

Bij besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde een bedrag van 2351,25 van appellant teruggevorderd, op de grond dat hij in de maand november 1996 geen recht had op bijstand en hem over de maanden september en oktober 1996 respectievelijk 669,02 en 792,31 te veel bijstand is verstrekt. De gemachtigde van appellant heeft tegen het besluit van 18 juli 1997 bezwaar gemaakt en nadien op verzoek van gedaagde ontbrekende loongegevens overgelegd over het tijdvak van 1 tot 8 september 1996.

Bij brief van 4 oktober 1997 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.

Gedaagde heeft bij besluit van 9 oktober 1997 op basis van de in bezwaar verstrekte gegevens het terug te vorderen bedrag alsnog op 2579,54 gesteld en de namens appellant tegen het besluit van 18 juli 1997 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 13 augustus 1997 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 9 oktober 1997 ongegrond verklaard. Zij heeft voorts een beslissing gegeven inzake de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht en gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van
355,- wegens kosten van rechtsbijstand.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 oktober 1997 ongegrond is verklaard en voor zover zijn proceskosten zijn vastgesteld op 355,-.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag, nu de terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand is gebaseerd op artikel 81 van de Abw zoals deze bepaling met ingang van 1 juli 1997 luidt, terwijl de terugvordering ziet op kosten van bijstand verleend over een geheel vr 1 juli 1997 gelegen periode. Het bestreden besluit dient om die reden wegens strijd met de wet te worden vernietigd. Hierin ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit ondanks dit gebrek in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari 2000, welke de Raad aanmerkt als besluiten die op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling dienen te worden betrokken, overweegt de Raad het volgende.

Het besluit van 29 november 1999 strekt tot verlaging van het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd tot 2459,08, zulks in verband met de mogelijkheid om het werkgeversgedeelte van de ziekenfondspremie van 120,46 alsnog te verrekenen met het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Dit besluit is in strijd met artikel 90 van de Abw, nu blijkens het nadien op 19 januari 2002 genomen besluit ook het werknemersgedeelte van de ziekenfondspremie kon worden verrekend.
Nu in beide besluiten de gebreken in de grondslag van de terugvordering niet zijn hersteld, dienen ook deze besluiten wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

Een opdracht aan gedaagde tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar acht de Raad in dit geval niet aangewezen. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Voor de Raad is op grond van de gedingstukken genoegzaam komen vast te staan dat appellant op de inkomstenverklaringen met betrekking tot de maanden september, oktober, november en december 1996 geen volledige en correcte opgave heeft gedaan van zijn inkomsten uit arbeid bij [bedrijfsnaam] en daarmee de ingevolge artikel 65, eerste lid, (oud) van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg hiervan is hem in de maanden september en oktober 1996 te veel en over de maand november 1996 ten onrechte bijstand verstrekt.

Hiermee is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 1 september 1996 tot en met 30 november 1996 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, (oud) van de Abw. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Wat de hoogte van het terug te vorderen bedrag betreft, overweegt de Raad in de eerste plaats dat gedaagde op grond van artikel 81, eerste lid, (oud) van de Abw verplicht was om tot terugvordering tot een hoger bedrag over te gaan, nadat op grond van de eerst in bezwaar door appellant overgelegde informatie was gebleken dat het bedrag van de ten onrechte verleende bijstand hoger was dan bij het nemen van het primaire besluit werd aangenomen. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat gedaagde door in het besluit op bezwaar op die grond het bedrag van de terugvordering in voor appellant nadelige zin aan te passen het in artikel 7:11 van de Awb neergelegde verbod van reformatio in peius heeft geschonden.

De Raad overweegt voorts dat appellant geen belang heeft bij de beoordeling van zijn grief ter zake van de pseudo-overhevelingstoeslag aangezien deze component in de door gedaagde gehanteerde berekening eerst is afgetrokken, vervolgens is bijgeteld en dus per saldo niet van invloed is geweest op de hoogte van de teruggevorderde kosten van bijstand. Ook de grief van appellant dat de rechtbank zijn bezwaren tegen het meenemen van de premie Ziekenfondswet bij de brutering ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, behoeft geen bespreking meer.

Met inachtneming van het vorenstaande dient het bedrag van de terugvordering te worden vastgesteld op
1099,01, zijnde (2579,54 - (120,46 + 37,18) =) 2421,90. De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

De Raad stelt ten slotte vast dat gedaagde de proceskostenveroordeling in beroep, die beperkt is gebleven tot de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar, niet heeft bestreden. In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat de rechtbank ook het beroepschrift tegen het besluit op bezwaar in de begroting van de te vergoeden proceskosten had moeten betrekken. De aangevallen uitspraak komt ook op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking. De Raad acht termen aanwezig om de proceskostenveroordeling in beroep te verhogen tot 483,-. Voorts dient gedaagde te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden eveneens begroot op
483,-, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 9 oktober 1997;
verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari 2000 gegrond en vernietigt deze besluiten;
stelt het bedrag dat van appellant over de periode van 1 september 1996 tot en met 30 november 1996 wordt teruggevorderd vast op 1099,01;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
966,-, te betalen door de gemeente Maastricht;
bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van 77,14 (170,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE7159
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6249 NABW
Datum uitspraak: 27 augustus 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 42, 51, 52, 54, 69, 78 en 81 Abw (= 31, 34, 34, 34, 54, 58 en 58 Wwb) / 7:11 Awb
Trefwoorden: vermogen; aandelen; waardevermeerdering; verkoopkosten; oververmogen; terugvordering; spaargeld; verbod van reformatio in peius
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens oververmogen, omdat de waardevermeerdering van beursgenoteerde aandelen, na aftrek van de verkoopkosten, leidt tot vermeerdering van het in aanmerking te nemen vermogen en niet kan worden beschouwd als spaargeld. Bij het nieuw te nemen besluit op bezwaar mag het verbod van reformatio in peius niet worden geschonden door de terugvordering op een hoger bedrag te stellen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6249 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorburg [zie gemeente Leidschendam-Voorburg, red.], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 8 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 juli 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Biemond, en waar gedaagde zich - zoals aangekondigd - niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


Appellant ontving sedert 2 mei 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is bij besluit van 17 juli 1996 met ingang van 1 augustus 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar dezelfde norm. Zijn vermogen, onder meer bestaande uit een pakket aandelen, is daarbij per 1 augustus 1996 vastgesteld op 7860,11. In dit besluit heeft appellant berust.

In het kader van een heronderzoek op 15 december 1997 is gebleken dat appellant op 14 februari 1997 150 aandelen Baan Company heeft gekocht voor 97,50 per stuk en hiervan op 17 juli 1997 35 aandelen heeft verkocht voor 167,- per stuk. Na aftrek van de kosten heeft hij op 22 juli een bedrag van 5783,01 ontvangen. Deze laatste transactie heeft appellant vermeld op zijn rechtmatigheidsformulier over de maand juli 1997. Naar aanleiding hiervan is zijn vermogenspositie opnieuw beoordeeld.

Bij besluit van 16 december 1997 heeft gedaagde een bedrag van 2796,58 met toepassing van artikel 81, tweede lid, van de Abw van appellant teruggevorderd, op de grond dat hij, gelet op de hoogte van zijn vermogen, op 22 juli 1997 over de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 geen recht op bijstand heeft.

Bij besluit van 9 september 1998 heeft gedaagde het door appellant tegen het besluit van 16 december 1997 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Daarbij heeft gedaagde het vermogen van appellant op 22 juli 1997 als volgt vastgesteld:
 

"renterekening Spaarbeleg

112,50+
aandelen Baan Company 25 050,00+
25 162,50+
negatief saldo ING-bankrekening 996,83+
doorlopend krediet Aetran IDM 9 404,62
14 761,05"

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 9 september 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak namens appellant gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt allereerst, met verwijzing naar zijn uitspraak van 20 augustus 2002 (reg.nr. 99/6318 NABW), het volgende.

Artikel 81 van de Abw luidt:
-1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vr de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

Blijkens de memorie van toelichting is artikel 81, eerste lid, van de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel 69, vijfde lid, van de Abw - eerst een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw te nemen. Indien een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, tenzij toepassing dient te worden gegeven aan artikel 78, derde lid, van de Abw. Artikel 81, tweede lid, van de Abw is daarentegen - uitsluitend - geschreven voor de gevallen waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel 81, derde lid, van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel 78, eerste lid, van de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om artikel 81, tweede lid, van de Abw ook toe te passen in de gevallen waarop artikel 81, eerste lid, van de Abw ziet.

In het onderhavige geval berust de terugvordering op het standpunt van gedaagde dat appellant over de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 gezien zijn vermogen geen recht had op bijstand. Gedaagde had dan ook, met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw, het recht op bijstand moeten intrekken en vervolgens, met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, de ten onrechte betaalde bijstand van appellant moeten terugvorderen.
Gedaagde heeft derhalve ten onrechte artikel 81, tweede lid, van de Abw aan de terugvordering ten grondslag gelegd.

Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de wet. De Raad zal om die reden, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad met betrekking tot de vraag of appellant op de in dit geding van belang zijnde datum - 22 juli 1997 - beschikte over middelen welke aan bijstandverlening in de weg stonden, het volgende.

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de aandelen die appellant op 22 juli 1997 in zijn bezit had, zijn aan te merken als vermogensbestanddelen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en die derhalve ingevolge artikel 42 van de Abw worden gerekend tot diens middelen. Het gaat hier immers om beursgenoteerde aandelen, die appellant te allen tijde te gelde kan maken.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt onder vermogen - naast het in artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw bedoelde aanvangsvermogen - tevens verstaan de op grond van paragraaf 1 van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Abw in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voor zover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de Abw.

Van tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is naar het oordeel van de Raad niet alleen sprake indien nieuwe vermogensbestanddelen worden verworven, maar ook indien tijdens de bijstand ontvangen vermogensbestanddelen - in dit geval aandelen - in waarde stijgen. Ook in dit laatste geval is immers sprake van een toename van de middelen waarover de betrokkene kan beschikken. Dit brengt mee dat de actuele waarde van de in het bezit van de betrokkene zijnde aandelen, verminderd met de aan verkoop daarvan verbonden kosten, als vermogen in de zin van artikel 51 van de Abw moet worden aangemerkt.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 2 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/158, overweegt de Raad voorts dat artikel 51, eerste lid, van de Abw er niet aan in de weg staat om in geval van een herbeoordeling van het recht op uitkering tijdens de periode van bijstandverlening naast de ontvangen positieve vermogensbestanddelen ook de negatieve ontwikkelingen in het vermogen in aanmerking te nemen.

Het voorgaande brengt mee dat bij de beoordeling van het recht op bijstand van appellant per 22 juli 1997 aan de hand van zijn vermogenspositie op dat moment, moet worden bezien of zijn middelen aan bijstandverlening in de weg stonden.

Bij die beoordeling zal niet alleen acht moeten worden geslagen op de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw, maar ook op hetgeen is bepaald in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Abw. Als een in rechte vaststaand uitgangspunt voor de toepassing van onderdeel b van dat artikellid heeft ten aanzien van appellant te gelden dat zijn bij aanvang van de bijstandverlening ingevolge de Abw aanwezige vermogen 7860,11 bedroeg. Voorts dient op grond van onderdeel c van dat artikellid de waardevermindering van zijn tegoed op de renterekening buiten beschouwing te blijven. De Raad ziet echter, anders dan namens appellant is betoogd, geen grond om het bedrag van de waardevermeerdering van zijn aandelen te beschouwen als spaargeld dat is opgebouwd tijdens de periode waarover bijstand wordt ontvangen, als gevolg waarvan dat bedrag met toepassing van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw niet in aanmerking zou dienen te worden genomen. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling is daarmee beoogd het uit de algemene bijstand opgebouwde spaartegoed buiten aanmerking te laten, omdat het onbillijk werd geacht om bijstandsontvangers niet de mogelijkheid te geven om vanuit hun inkomen besparingen te verrichten voor een grotere aanschaf, ook als daarmee de grens van het bescheiden vermogen tijdelijk zou worden overschreden. Van een spaartegoed als hier bedoeld is in het geval van appellant geen sprake, voor zover het gaat om de waarde van de aandelen.

De Raad wijst er voorts nog op dat gedaagde, ter voorkoming van schending van het verbod van reformatio in peius, bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar de intrekking van het recht op bijstand dient te beperken tot de periode van 22 juli 1997 tot en met 21 september 1997 en tevens het van appellant terug te vorderen bedrag daarbij niet op een hoger bedrag mag stellen dan in het primaire besluit van 16 december 1997.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op
644,- in beroep en op 644,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 september 1998;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
1288,-, te betalen door de gemeente Voorburg;
bepaalt dat de gemeente Voorburg aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal 104,37 (230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE7242
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6318 NABW
Datum uitspraak: 20 augustus 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 69, 78 en 81 Abw (= 54, 58 en 58 Wwb)
Trefwoorden: terugvordering; te veel betaalde leenstand; wettelijke grondslag
Essentie: Terechte terugvordering van te veel betaalde leenbijstand, doch vernietiging van aangevallen uitspraak en bestreden besluit wegens onjuiste wetstoepassing.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6318 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasbree, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank Roermond van 9 november 1999, reg.nrs. 99/950 en 99/951 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 juli 2002, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. Verblackt, kantoorgenoot van haar gemachtigde, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. D. van Dijck, werkzaam bij de gemeente Helden.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Gelet op de omvang van het geding in hoger beroep volstaat hij hier met het volgende.

Bij - primair - besluit van 3 mei 1999 heeft gedaagde een tot appellante gericht besluit van 22 juni 1998 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene bijstandswet (Abw) herzien, in die zin dat aan haar bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand voor herinrichtingskosten wordt toegekend tot een bedrag van 943,52. Voorts is daarbij, met toepassing van artikel 81, tweede lid, van de Abw, een bedrag van 2000,- aan te veel betaalde leenbijstand van haar teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 6 september 1999 heeft gedaagde, voor zover hier van belang, de terugvordering beperkt tot een bedrag van 1171,20 (het bestreden besluit).

Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat gedaagde het onverschuldigd betaalde bedrag van 1171,20 ten onrechte van haar heeft teruggevorderd, aangezien zij redelijkerwijs niet had kunnen begrijpen dat sprake was van onverschuldigd betaalde bijstand.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep ongegrond verklaard, waarmee appellante zich niet kan verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 81 van de Abw luidt:
-1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.
-2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
-3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vr de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.

Blijkens de memorie van toelichting is artikel 81, eerste lid, van de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel 69, vijfde lid, van de Abw - allereerst een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw te nemen. Indien een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde of vierde lid, van de Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, tenzij toepassing dient te worden gegeven aan artikel 78, derde lid, van de Abw. Artikel 81, tweede lid, van de Abw is daarentegen - uitsluitend - geschreven voor de gevallen waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel 81, derde lid, van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel 78, eerste lid, van de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om artikel 81, tweede lid, van de Abw toe te passen in de gevallen waarop artikel 81, eerste lid, van de Abw ziet.

In het onderhavige geval staat vast dat sprake is van tot een te hoog bedrag verleende bijstand als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Gedaagde had dan ook met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, het onverschuldigd betaalde bedrag van appellante moeten terugvorderen.

Gedaagde heeft derhalve ten onrechte artikel 81, tweede lid, van de Abw aan de terugvordering ten grondslag gelegd.

Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit in strijd is met de wet. De Raad zal om die reden, met vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Nu van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw niet is gebleken, kan toepassing door gedaagde van de juiste bepalingen niet leiden tot een andere uitkomst dan in het bestreden besluit reeds is neergelegd. Om die reden ziet de Raad aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

Hetgeen door appellante is aangevoerd kan gelet op het voorgaande buiten bespreking blijven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot die kosten op
1288,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal
1288,-, te betalen door de gemeente Maasbree aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Maasbree aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal
104,37 (230,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x