Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE7316
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/4459 NABW
Datum uitspraak: 20 augustus 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 65 Abw (= 17 Wwb)
Trefwoorden: legitimatieverplichting; identificatie; identiteitsbewijs; geboorteakte; huwelijksakte
Essentie: Terechte afwijzing bijstand wegens het niet kunnen vaststellen van de identiteit, omdat betrokken Chinese vreemdelinge geen (Chinees) identiteitsbewijs kan overleggen. De door haar overgelegde geboorte- en huwelijksakte zijn geen documenten als bedoeld in artikel 1 Wid en zijn derhalve ontoereikend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/4459 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. A.C. Kool, advocaat te Amsterdam, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Amsterdam op 14 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 juli 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Kool, terwijl voor gedaagde is verschenen mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Als tolk was aanwezig T.Y. Siu.




II. Motivering


Appellante, van Chinese nationaliteit, heeft op 17 april 1998 om toelating in Nederland verzocht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Op 22 juni 1998 heeft zij zich tot gedaagde gewend met het verzoek haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 10 juli 1998 is deze aanvraag afgewezen, onder meer op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfsvergunning dan wel een Chinees identiteitsbewijs, zodat haar identiteit niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 29 januari 1999 is het namens appellante tegen het besluit van 10 juli 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit berust primair op de grond dat appellante vanaf 22 juni 1998 geen recht heeft op bijstand omdat haar identiteit niet kan worden vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (Wid) en subsidiair op de grond dat met ingang van 1 juli 1998 op grond van de Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203) voor appellante geen recht bestaat op bijstand.

De president van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het namens appellante tegen het besluit van 29 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 65, vierde lid, (tekst van 1 juli 1997 tot 1 januari 2002) van de Abw is de belanghebbende verplicht aan burgemeester en wethouders desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wid terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. In artikel 1 van de Wid (tekst van 1 januari 1994 tot 17 februari 1999) is bepaald dat als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit kan worden vastgesteld, worden aangewezen:
1. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Paspoortwet (Stb. 1991, 498);
2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

De Raad is van oordeel dat het voor de beoordeling van een mogelijke aanspraak van appellante op uitkering ingevolge de Abw redelijkerwijs nodig is dat haar identiteit kan worden vastgesteld aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wid. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het een eerste aanvraag om bijstand betrof.

Appellante heeft niet aan de in artikel 65, vierde lid, van de Abw neergelegde verplichting voldaan. Zij beschikte niet over ťťn van de hierboven vermelde documenten, terwijl de door haar overgelegde geboorte- en huwelijksakte geen documenten als bedoeld in artikel 1 van de Wid en dus ontoereikend zijn. Hetgeen namens appellante in dit verband is aangevoerd, onder meer dat haar paspoort is zoekgeraakt en dat zij telefonisch van de Chinese ambassade heeft vernomen dat haar als illegaal in Nederland verblijvende vreemdeling geen Chinees paspoort kan worden verstrekt, maakt dit niet anders.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 65, vierde lid, van de Abw blijkt dat indien de daarin neergelegde verplichting is opgelegd, het voldoen daaraan een voorwaarde is voor het geldend kunnen maken van het recht op bijstand (Kamerstukken II 1994-1995, nr. 21, blz. 40).
De door gedaagde gehanteerde werkvoorschriften houden de mogelijkheid in om van de identificatieverplichting af te zien ten aanzien van personen uit het daklozencircuit, psychiatrische patiŽnten en verslaafden, van wie de identiteit op zijn minst plausibel is. Daarbij is aangetekend dat met die mogelijkheid uiterst terughoudend moet worden omgegaan. Het namens appellante gedane beroep op dit beleid stuit reeds af op het feit dat zij naar het oordeel van de Raad niet als een persoon kan worden aangemerkt waarvoor op grond van de Werkvoorschriften van gedaagde een uitzondering op de identificatieverplichting kan worden gemaakt.

Aangezien als gevolg van het niet voldoen aan de verplichting van artikel 65, vierde lid, van de Abw niet kan worden vastgesteld of appellante aanspraak kan maken op een bijstandsuitkering, heeft gedaagde terecht geoordeeld dat zij op die grond geen recht heeft op bijstand.

Nu het besluit van 29 januari 1999 kan worden gedragen door de primair daaraan ten grondslag gelegde afwijzingsgrond, komt de Raad niet toe aan bespreking van de subsidiaire grond.

Met verbetering van de gronden overeenkomstig het voorgaande komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw / Awb
x
LJN:
x
AE7389
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/6316 NABW en 01/3016 NABW
Datum uitspraak: 3 september 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 107 en 113 Abw (= 13, 9 en 9 Wwb) / 1 Gw / 6:18, 6:19 en 7:11 Awb
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; ontheffing arbeidsverplichtingen; jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel; territorialiteitsbeginsel; IVBPR; verbod van reformatio in peius
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om langer (dertien weken) dan de gebruikelijke vakantieduur (vier weken) voor vakantie in het buitenland te verblijven, omdat betrokkenen duurzaam zijn ontheven van de arbeidsverplichtingen en derhalve dienen te worden gelijkgesteld met 57,5-plussers. Het gelijkheidsbeginsel gaat i.c. voor op het territorialiteitsbeginsel, daar niet kan worden gezegd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/6316 NABW en 01/3016 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 1 november 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 juli 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van den Boogaard en gedaagde door mr. W.A. Hakstege, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Appellant en zijn echtgenote [echtgenote], beiden geboren in 1943, ontvangen sinds 1981 met enige onderbrekingen een bijstandsuitkering, die bij besluit van 27 september 1996 met ingang van 1 oktober 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. Bij dat besluit zijn appellant en zijn echtgenote, met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw, met ingang van eveneens 1 oktober 1996 ontheven van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Aan de ontheffing is geen termijn verbonden.

Bij brieven van 19 en 21 december 1998 hebben appellant en zijn echtgenote gedaagde verzocht om toestemming om die winter drie maanden naar hun geboorteland Marokko te gaan en in de zomer van 1999 twee maanden.

Bij besluit van 22 januari 1999 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen. Daarbij is onder meer het volgende medegedeeld:

"Het is per kalenderjaar toegestaan om maximaal vier weken met behoud van uitkering in het buitenland te verblijven (artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene bijstandswet).

Voor personen ouder dan 57,5 jaar gelden ruimere regels. Ingevolge het gemeentelijk beleid is het voor personen van 57,5 jaar of ouder toegestaan om dertien weken met behoud van uitkering in het buitenland te verblijven.

Voor uw partner gelden op grond van het gemeentelijk beleid andere regels, namelijk uw partner, voor wie de arbeidsvoorwaarden niet gelden, mag zes weken met behoud van uitkering in het buitenland verblijven."

Bij besluit van 23 april 1999 heeft gedaagde het door appellant en zijn echtgenote tegen het besluit van 22 januari 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer bepaald dat voor zowel appellant als zijn echtgenote geldt dat zij maximaal vier weken met behoud van hun uitkering in het buitenland kunnen verblijven.

De rechtbank heeft - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het namens appellant tegen het besluit van 23 april 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover betrekking hebbende op de daarin besloten liggende vermindering van de in het besluit van 22 januari 1999 toegezegde vakantieduur met behoud van de uitkering van zes weken, dat besluit in zoverre vernietigd, bepaald dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het onderscheid naar leeftijd dat wordt gemaakt in de bij besluit van 13 maart 1998 tot stand gebrachte en met ingang van 1 april 1998 in werking getreden Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Stcrt. 1998, 53) (Regeling gebruikelijke vakantieduur), gelet op het daarmee nagestreefde doel gerechtvaardigd is en dat het stellen van een leeftijdsgrens als criterium een aanvaardbare en gerechtvaardigde keuze is om dat doel te bereiken. De rechtbank heeft het echter in strijd met het verbod van reformatio in peius geacht dat in het besluit van 23 april 1999 ten nadele van appellant (en diens echtgenote) - impliciet - wordt teruggekomen van de mededeling in het besluit van 22 januari 1999 dat een verblijf in het buitenland met behoud van de uitkering van zes weken is toegestaan.

Bij besluit van 24 november 2000 heeft gedaagde, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, het in het besluit van 22 januari 1999 neergelegde (met inbegrip van de mededeling betreffende de periode van zes weken) gehandhaafd en vervolgens het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat appellant op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw in samenhang met artikel 1 van de op artikel 9, derde lid, van de Abw gebaseerde Regeling gebruikelijke vakantieduur maximaal vier weken per jaar in het buitenland mag verblijven met behoud van zijn bijstandsuitkering. In artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur is immers - voor zover hier van belang - bepaald dat onder de gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Abw, wordt verstaan: voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is: dertien weken per kalenderjaar (onderdeel a); en voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar (onderdeel b).

Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd. Namens appellant is, ook in hoger beroep, onder meer aangevoerd dat het in artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur opgenomen leeftijdscriterium in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, is het ingevolge artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR niet alleen op de in die artikelen uitdrukkelijk genoemde gronden, maar op welke grond dan ook, verboden onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door objectieve en redelijke gronden. In dit verband is het volgende van belang.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw blijkt dat ten aanzien van degenen die op grond van artikel 113, vierde lid, van de Abw zijn vrijgesteld van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling, in voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland dan (de destijds in het algemeen gebruikelijke) vier weken kan worden toegestaan.

Op grond van artikel 113, vierde lid, van de Abw is bij besluit van 20 april 1995 tot stand gebracht de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw (Stcrt. 1995, 85) (Regeling vrijstelling). Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling vrijstelling (tekst tot 1 mei 1999) zijn bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Abw. Blijkens de toelichting bij de Regeling vrijstelling ligt aan de vrijstelling ten grondslag de overweging dat onder de zich destijds voordoende arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van de groep werklozen van 57,5 jaar of ouder in het algemeen niet mag worden verwacht. De Regeling vrijstelling is bij Besluit van 25 februari 1999, Stcrt. 1999, 40, met ingang van 1 mei 1999 gewijzigd in die zin dat degenen die de leeftijd van 57,5 jaar bereiken niet langer zijn vrijgesteld van de verplichtingen, genoemd in artikel 113, eerste lid, onderdeel b, c en d, van de Abw.

Naar aanleiding van verzoeken uit de samenleving om de vakantieduur van bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder te verruimen, alsmede ter uitvoering van de motie-Dittrich/Noorman-Den Uyl (Kamerstukken II 1997-1998, 25 601, nr. 26), is de Regeling gebruikelijke vakantieduur vastgesteld, welke in werking is getreden met ingang van 1 april 1998. Bij de vaststelling van de daarin gehanteerde leeftijdsgrens is kennelijk aansluiting gezocht bij de leeftijdsgrens in de Regeling vrijstelling. Uit een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 21 januari 1998 (Kamerstukken II 1997-1998, 25 601, nr. 27) en uit de toelichting bij de Regeling gebruikelijke vakantieduur blijkt voorts dat voor de termijn van dertien weken aansluiting is gezocht bij hetgeen in de Werkloosheidswet gebruikelijk is, alsmede dat met een verblijf in het buitenland door een bijstandsgerechtigde (van 57,5 jaar of ouder) van - ten hoogste - dertien weken de doelmatige controle op het bestaan van het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het gedrang komen.

De met de Regeling gebruikelijke vakantieduur tot stand gekomen verruiming is blijkens het vorenstaande gericht op belanghebbenden van wie wederinpassing in het arbeidsproces volgens de besluitgever in het algemeen niet mocht worden verwacht en die om die reden geheel zijn vrijgesteld van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. De Regeling gebruikelijke vakantieduur is niet gewijzigd, hoewel nadere inzichten omtrent de arbeidsdeelname van ouderen wel tot de hiervoor genoemde wijziging van de Regeling vrijstelling per 1 mei 1999 hebben geleid. Dit heeft tot gevolg dat degenen die op of na die datum de leeftijd van 57,5 jaar bereiken dertien weken met behoud van bijstandsuitkering in het buitenland mogen verblijven, maar - behoudens toepassing van artikel 107 van de Abw - tezelfdertijd ook verplicht zijn tot geregistreerd zijn en geregistreerd blijven als werkzoekende, om passende arbeid te aanvaarden en om na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert.

De Raad stelt vervolgens vast dat, anders dan in de Werkloosheidswet, in de Abw groepen van belanghebbenden jonger dan 57,5 jaar zijn aan te wijzen die van de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling zijn ontheven of vrijgesteld. Te denken valt daarbij aan degenen die op grond van artikel 107, eerste lid, van de Abw om redenen van medische of sociale aard dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand van die verplichtingen zijn ontheven. Voorts is er de categorie bijstandsouders met een volledige verzorgende taak voor ťťn of meer in Nederland woonachtige, ten laste komende eigen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen jonger dan vijf jaar, die op grond van artikel 107, tweede lid, van de Abw van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, zijn vrijgesteld tot het (jongste) kind de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt. Beide groepen verkeren, zolang zij van bedoelde verplichtingen zijn ontheven of vrijgesteld in vergelijkbare omstandigheden als degenen die voor 1 mei 1999 de leeftijd van 57,5 jaar hebben bereikt en op grond van de Regeling vrijstelling niet aan genoemde verplichtingen behoeven te voldoen.

In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Abw en van de Regeling gebruikelijke vakantieduur heeft de Raad geen argumenten aangetroffen ter rechtvaardiging van het onderscheid naar leeftijd tussen enerzijds bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder en anderzijds jongere bijstandsgerechtigden ten aanzien van wie buiten twijfel is dat het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw, niet, althans niet (meer) in de voor de beoordeling van een aanvraag om toestemming voor verblijf in het buitenland relevante periode, mag worden gevergd. Het voorgaande in aanmerking genomen, kan, indien de aanvrager tot de laatstgenoemde groep van bijstandsgerechtigden moet worden gerekend, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het gemaakte onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd wordt door objectieve en redelijke gronden.

Thans mede in ogenschouw nemend de feiten en omstandigheden van het onderhavige geding, stelt de Raad vast dat appellant (evenals zijn echtgenote) al vanaf 1 oktober 1996 geheel is ontheven van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. De Regeling gebruikelijke vakantieduur dient daarom in het geval van appellant wegens strijd met artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het IVBPR buiten toepassing te worden gelaten. Het op de Regeling gebruikelijke vakantieduur gebaseerde besluit van 23 april 1998 kan derhalve in rechte geen standhouden.

De Raad acht het aangewezen de aangevallen uitspraak in zijn geheel te vernietigen. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 23 april 1998 (niet gedeeltelijk, maar geheel) vernietigen. Dat geldt ook ten aanzien van het besluit van 24 november 2000, tegen welk besluit het beroep overeenkomstig de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht moet worden geacht.

Gedaagde dient, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zal gedaagde worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, in totaal begroot op
Ä1288,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen de besluiten van 23 april 1998 en 24 november 2000 gegrond en vernietigt die besluiten;
bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
Ä1288,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal
Ä104,37 (É230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE7520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5842 NABW
Datum uitspraak: 9 juli 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; werkweigering; verlies passende arbeid; ingangsdatum maatregel
Essentie: Terechte maatregel van 100% gedurende ťťn maand wegens werkweigering, omdat betrokkene passende arbeid heeft geweigerd door ten onrechte niet in te stemmen met een (redelijke) studiekostenregeling van de werkgever. Een tweede maatregel, opgelegd wegens het niet behouden van passende arbeid, kan eerst ingaan op het tijdstip waarop de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5842 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 14 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2002. Appellant heeft zich daar, zoals tevoren aangekondigd, wegens overmacht niet kunnen doen vertegenwoordigen, terwijl gedaagde is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. F. Verschuren, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Van de zijde van appellant is kort vůůr de zitting nog een faxbericht bij de Raad ingekomen, inhoudende de pleitnotitie die de gemachtigde van appellant voornemens was ter zitting voor te dragen. Gedaagde en diens gemachtigde alsmede de Raad hebben daarvan vůůr de behandeling ter zitting kennisgenomen.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft tot eind januari 1998 werktuigbouwkunde gestudeerd aan de Technische Universiteit Eindhoven. Na zijn afstuderen heeft hij op 27 februari 1998 bij appellant een aanvraag om bijstand met ingang van 1 februari 1998 ingediend. Bij besluit van 23 maart 1998 is gedaagde een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend voor de periode van 1 februari 1998 tot 30 maart 1998, de dag met ingang waarvan gedaagde een volledige dienstbetrekking heeft aanvaard.
Appellant heeft deze uitkering voorts bij wijze van maatregel over genoemde periode verlaagd met 100% op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat gedaagde enerzijds passend werk heeft geweigerd (via uitzendbureau [naam uitzendbureau] BV, hierna: [naam uitzendbureau], bij Ingenieurs- en adviesbureau [naam ingenieurs- en adviesbureau]; hierna: [naam ingenieurs- en adviesbureau]) en anderzijds verwijtbaar passende arbeid niet heeft behouden (via uitzendbureau [naam uitzenbureau 2] bij inlener [naam inlener]). Het daartegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 2 juni 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat gedaagde ingaande 2 februari 1998 heeft nagelaten de bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] voorhanden zijnde arbeid te aanvaarden, verworpen en derhalve geoordeeld dat ter zake geen maatregel kon worden opgelegd. Met betrekking tot de tweede verweten gedraging heeft zij geoordeeld dat een maatregel op zijn plaats is, maar dat deze niet eerder dan met ingang van de datum van de gedraging (16 maart 1998) kan worden opgelegd.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt voorop dat, nu van de zijde van gedaagde geen hoger beroep is ingesteld, de tweede aan hem verweten gedraging (het niet behouden van passende arbeid bij [naam inlener]) vaststaat. Het geschil in hoger beroep beperkt zich derhalve tot de vraag of gedaagde kan worden verweten dat hij het aangeboden werk bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] niet heeft aanvaard en vervolgens of de door appellant opgelegde maatregel in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde, nadat hij reeds eerder in januari 1998 met [naam uitzendbureau] in contact was getreden, op 30 januari 1998 met een medewerker daarvan een overeenkomst heeft getekend, inhoudende dat en onder welke voorwaarden hij op 2 februari 1998 met zijn werkzaamheden bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] zou starten. Gedaagde heeft toen tevens een document met betrekking tot de bij ECE geldende Regeling studiekostenvergoeding voor akkoord getekend. Deze regeling houdt kort gezegd in dat de werkgever 100% van eventuele studiekosten aan de werknemer zal vergoeden in de vorm van een renteloze lening, met dien verstande dat gedurende het jaar volgende op de beŽindiging van de studie maandelijks 1/12 deel van de verstrekte vergoeding wordt kwijtgescholden. Treedt de werknemer binnen ťťn jaar na beŽindiging van de studie uit dienst of neemt hij binnen die termijn ontslag, dan dient hij de verstrekte vergoeding naar rato van het nog niet verstreken aantal maanden van het jaar volgend op de beŽindiging van de studie aan de werkgever terug te betalen. Gedaagde heeft [naam uitzendbureau] vervolgens op 2 februari 1998 laten weten bij nader inzien niet bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] te gaan werken. [Naam uitzendbureau] heeft appellant gemeld dat gedaagde wegens de hoogte van het geboden salaris niet met zijn werkzaamheden bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] is gestart. In bezwaar en beroep heeft gedaagde benadrukt dat niet de hoogte van het salaris, maar de studiekostenregeling voor hem een onoverkomelijk struikelblok vormde.

De Raad stelt allereerst vast dat een studiekostenregeling waarbij een verstrekte vergoeding naar rato dient te worden terugbetaald als het contract met de werknemer op diens initiatief of door zijn toedoen binnen zekere termijn wordt beŽindigd niet ongebruikelijk is te achten.

De Raad heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet de overtuiging gekregen dat de toepassing van onderhavige regeling met het oog op de door gedaagde te volgen cursus, in de omstandigheden waarin gedaagde destijds verkeerde, als onredelijk moet worden beschouwd. Indien gedaagde na ondertekening van het contract bij nader inzien meende dat hij door werkaanvaarding bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] ernstige financiŽle risico's zou lopen, had het op zijn weg gelegen door middel van het inwinnen van gerichte informatie bij [naam uitzendbureau] vooraf (meer) duidelijkheid te verkrijgen omtrent de precieze inhoud en strekking van de studiekostenregeling. Daarvan is de Raad echter niet gebleken. Weliswaar heeft gedaagde ter zitting naar voren gebracht dat hij zich op 2 februari 1998 om 08.30 uur nog bij [naam uitzendbureau] heeft gemeld, maar tijdens dat onderhoud heeft gedaagde - uitgaande van zijn eigen interpretatie van de studiekostenregeling - enkel aangedrongen op een wijziging van het contract. Toen dat niet mogelijk bleek, heeft gedaagde vervolgens van werkaanvaarding bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] afgezien.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde door zijn handelwijze geweigerd heeft passende arbeid te aanvaarden.

In zoverre treft het hoger beroep dan ook doel.

Vervolgens is aan de orde of de door appellant voor beide aan gedaagde verweten gedragingen gezamenlijk opgelegde maatregel in rechte stand kan houden.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de twee aan gedaagde verweten gedragingen, een maatregel van 100% verlaging gedurende de gehele uitkeringsperiode, derhalve van 1 februari 1998 tot 30 maart 1998, gerechtvaardigd was.

De Raad stelt allereerst vast dat de in verband met de eerste aan gedaagde verweten gedraging op te leggen maatregel niet eerder kan ingaan dan op de datum waarop het laakbare handelen heeft plaatsgevonden, te weten 2 februari 1998 (vgl. de uitspraak van de Raad van 12 maart 2002, gepubliceerd in RSV 2002/123 en USZ 2002/15 [LJN AE3147, red.]).

De Raad overweegt vervolgens dat, gelet op artikel 14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met de artikelen 3, aanhef en onder 4, subonderdeel a, en 5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, de eerste aan gedaagde verweten gedraging een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende ťťn maand (derhalve over de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998) rechtvaardigt. Van dringende redenen als bedoeld in het derde lid van artikel 14 van de Abw is de Raad niet gebleken.

Dat geldt, op zichzelf, ook ten aanzien van de tweede aan gedaagde verweten gedraging. Aangezien dat laakbare handelen eerst op 16 maart 1998 heeft plaatsgevonden, kan de voor deze aan gedaagde verweten gedraging op te leggen maatregel echter niet eerder ingaan dan op 16 maart 1998.

Voor het opleggen van enige maatregel over de periode van 2 maart 1998 tot en met
15 maart 1998 ziet de Raad, anders dan appellant, geen grond. Van feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor een verlenging van de ten aanzien van de eerste verweten gedraging op te leggen maatregel is de Raad niet gebleken. Voor zover appellant heeft beoogd de ernst van de tweede verweten gedraging mede aan de verlenging van de maatregel voor de eerste gedraging ten grondslag te leggen, stuit dit af op hetgeen hiervoor reeds is overwogen.

Hetgeen blijkens de in hoger beroep ingezonden pleitnotitie overigens naar voren is gebracht ter rechtvaardiging van de duur van de opgelegde maatregel kan reeds daarom niet in aanmerking worden genomen, omdat die bijkomende feiten en omstandigheden niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.

In zoverre treft het hoger beroep derhalve geen doel.

Op grond van het voorgaande ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak geheel te vernietigen en het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en - zelf in de zaak voorziend - de verlaging van de bijstandsuitkering van gedaagde vast te stellen op 100% gedurende de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998.

De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant ook te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op
Ä644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de verlaging van de bijstandsuitkering van gedaagde wordt vastgesteld op 100% gedurende de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal
Ä1288,-, te betalen door de gemeente Eindhoven;
bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan gedaagde het in beroep betaalde griffierecht van
Ä24,96 (É55,-) vergoedt.


Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE7594
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/1937 NABW-VV en 02/2018 NABW
Datum uitspraak: 18 juni 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 6:5 en 6:6 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; vereisten bezwaarschrift; herstel verzuim
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, omdat niet uit het bezwaarschrift blijkt tegen welk besluit het bezwaar is gericht en evenmin wat de gronden van dat bezwaar zijn. Ook na een geboden hersteltermijn is betrokkene er niet in geslaagd de verzuimen te herstellen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 02/1937 NABW-VV en 02/2018 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 25 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij het inleidend beroepschrift heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de
hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Ter beoordeling staat de vraag of gedaagde op goede gronden het door verzoeker op 27 oktober 1997 gefaxte bezwaarschrift op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt niet uit het bezwaarschrift van 27 oktober 2001 tegen welk besluit dit is gericht en evenmin wat de gronden van dat bezwaar zijn. Verzoeker is door gedaagde bij brief van 27 november 2001 in de gelegenheid gesteld deze verzuimen te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker, gelet op de inhoud van zijn nadien ingezonden brief van 29 november 2001, hierin niet geslaagd. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker niet heeft voldaan aan de in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Awb neergelegde vereisten dat het bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar bevat.
Gedaagde was dan ook bevoegd de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren.

Van de zijde van verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan gedaagde van gebruikmaking van die bevoegdheid had behoren af te zien.

Naar aanleiding van verzoekers verwijzing naar hetgeen in beroep is aangevoerd omtrent de artikelen 12, 14 en 30 van het Europees Sociaal Handvest merkt de voorzieningenrechter nog op dat verzoeker in zijn beroepschrift slechts heeft volstaan met vermelding van deze artikelen en het beroepschrift in zoverre op geen enkele wijze met argumenten heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om deze grief thans verder buiten bespreking te laten.

Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep van verzoeker tegen het besluit op bezwaar van 21 december 1998 ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Bw / Awb
x
LJN:
x
AE7599
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/2280 NABW-VV en 02/2220 NABW
Datum uitspraak: 25 juni 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7, 69 en 81 Abw (= 11, 54 en 58 Wwb) / 26 Bw / 6:18, 6:19, 7:11 en 8:69 Awb
Trefwoorden: inkomsten; schending inlichtingenverplichting; toereikende inkomsten; beŽindiging bijstand; terugvordering; grondslag uitspraak; terugverwijzing zaak naar rechtbank
Essentie: Terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank, omdat zij niet heeft geoordeeld over het beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar tegen de beŽindiging van de bijstand wegens (verzwegen) toereikende inkomsten en ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar tegen het beŽindigingsbesluit tevens had moeten worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het terugvorderingsbesluit (waarbij opgemerkt dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit geen beroep is ingesteld).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 02/2280 NABW-VV en 02/2220 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 14 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

In hetzelfde geschrift is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 juni 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht, en gedaagde niet is verschenen.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Uit de gedingstukken blijkt onder meer het volgende.

Gedaagde voerde sedert 8 juli 1998 een gemeenschappelijke huishouding met [naam huisgenoot], die niet over een verblijfsvergunning beschikt. Op 5 september 1999 is zij met hem gehuwd.
Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op 9 mei 2001 heeft de sociaal rechercheur W.J.M. Hochs een rapport uitgebracht aan verzoeker. Uit dit rapport komt naar voren dat gedaagde schoonmaakwerkzaamheden verrichtte bij particulieren en dat haar echtgenoot werkzaamheden verrichtte in de frituur [naam werkgever] te [vestigingsplaats].
Bij besluit van 10 mei 2001 heeft verzoeker de uitkering van gedaagde onder verwijzing naar artikel 7 van de Abw beŽindigd per 1 april 2001 op de grond dat het gezamenlijke inkomen uit arbeid van gedaagde en haar echtgenoot hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Namens gedaagde is bezwaar gemaakt tegen het besluit tot beŽindiging van de uitkering van gedaagde per 1 april 2001.

Vervolgens heeft verzoeker bij besluit van 29 mei 2001 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het besluit tot toekenning van bijstand ingetrokken vanaf 1 oktober 1998 tot en met 31 maart 2001 en tevens de over die periode verleende bijstand teruggevorderd met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw.

Het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2001 is ongegrond verklaard bij besluit van 15 juni 2001. Tegen dit besluit is beroep ingesteld.
Het bezwaar tegen het besluit van 29 mei 2001 is niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 28 augustus 2001. Tegen dit laatste besluit is geen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft - onder bepalingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 15 juni 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2001 tevens moeten aanmerken als te zijn gericht tegen het besluit van 29 mei 2001. Nu verzoeker dit niet heeft gedaan, is dit besluit volgens de rechtbank in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb. Verzoeker dient, aldus de rechtbank, eerst een eigen oordeel te formuleren over de tegen het besluit van 29 mei 2001 ingebrachte bezwaren.

Verzoeker heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat het besluit van 10 mei 2001 ertoe strekt om de toegekende bijstandsuitkering van gedaagde met toepassing van artikel 7 van de Abw te beŽindigen per 1 april 2001. De mededeling omtrent herziening in de brief waarbij dit beŽindigingsbesluit bekend is gemaakt, noemt een periode gedurende welke herziening zal gaan plaatsvinden, maar is verder geheel onbepaald. Ter zake wordt een nader door gedaagde te ontvangen bericht in het vooruitzicht gesteld. Gelet hierop kan die mededeling niet geacht worden rechtsgevolgen in het leven te hebben geroepen met betrekking tot de toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw over een vůůr 1 april 2001 gelegen tijdvak. Laatstbedoelde rechtsgevolgen zijn eerst ontstaan met het besluit van 29 mei 2001, samen met de rechtsgevolgen welke voortvloeien uit het op basis daarvan gelijktijdig bekendgemaakte terugvorderingsbesluit.

In het vorenstaande ligt besloten dat het besluit van 29 mei 2001 niet kan worden beschouwd als een besluit tot wijziging van het besluit van 10 mei 2001, waarop het bepaalde in artikel 6:18 van de Awb van toepassing is. Aan verzoeker kan niet worden tegengeworpen dat hij het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2001 tevens had moeten aanmerken als te zijn gericht tegen het besluit van 29 mei 2001. Het bestreden besluit is derhalve op onjuiste gronden vernietigd.
Ter beoordeling van de rechtbank stond slechts het namens gedaagde ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar van 15 juni 2001, waarbij de beŽindiging van de uitkering van gedaagde per 1 april 2001 is gehandhaafd. Aangezien de rechtbank hierover niet heeft geoordeeld, is in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De zaak zal met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet worden teruggewezen naar de rechtbank.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door gedaagde gemaakte proceskosten overweegt de voorzieningenrechter ten slotte dat hem van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
wijst de zaak met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 15 juni 2001 ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Maastricht;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
bepaalt dat de griffier het door verzoeker gestorte griffierecht van
Ä327,- terugbetaalt aan de gemeente Maastricht.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x