Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE7677
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/4643 NABW
Datum uitspraak: 10 september 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 63 Abw (= 40 Wwb)
Trefwoorden: woonplaats; domicilie; woonstede; bevoegde gemeente; beŽindiging bijstand
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens het woonplaats hebben in een andere gemeente, omdat betrokkene reeds anderhalf jaar niet of nauwelijks gebruik maakt van zijn woning, maar bijna altijd (om medische redenen) bij zijn ouders in een andere gemeente verblijft, in welke situatie vooreerst geen wijziging te verwachten is. Uit de daden van betrokkene moet worden afgeleid dat hij zijn woonplaats heeft verplaatst.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/4643 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, appellant,

en

[gedaagde], wonende [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J.H. Oude Wolcherink, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp te Breda, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 juli 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en waar namens gedaagde mr. Oude Wolcherink is verschenen.




II. Motivering


Bij besluit van 1 juni 1999 heeft appellant het bezwaarschrift van gedaagde tegen de beŽindiging van de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 februari 1999 gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum betreft, de beŽindigingsdatum nader vastgesteld op 1 maart 1999 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Appellant heeft tot de beŽindiging van de bijstand besloten op de grond dat gedaagde ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw, ingaande 1 maart 1999 geen recht op bijstand jegens hem heeft, aangezien gedaagde niet langer in de gemeente Eindhoven woonplaats heeft. Daaraan ligt ten grondslag dat gedaagde, die vanaf 1992 op kamers in Eindhoven woonde en na afronding van zijn opleiding met ingang van 1 september 1997 een bijstandsuitkering van appellant ontving, sedert medio 1997 feitelijk bij zijn ouders in [woonplaats] verblijft. Het feit dat er voor dat verblijf medische redenen zijn, doet er, aldus appellant, niet aan af dat gedaagde geen woonplaats meer heeft in de gemeente Eindhoven.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 juni 1999 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de vraag of gedaagde woonplaats heeft in Eindhoven ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw moet worden beantwoord aan de hand van de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank is, met verwijzing naar artikel 11, eerste lid, Boek 1 BW, van oordeel dat op grond van de voorhanden gegevens niet kan worden gezegd dat gedaagde zijn woonstede heeft verloren door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het feit dat gedaagde niet of nauwelijks gebruik maakt van de kamer in Eindhoven en de lange duur van gedaagdes verblijf in de gemeente [woongemeente] ten tijde in geding reeds meer dan anderhalf jaar bedraagt, terwijl een mogelijke terugkeer naar Eindhoven ongewis is, de conclusie rechtvaardigt dat gedaagde geen woonplaats meer heeft in de gemeente Eindhoven. De enkele verklaring van gedaagde dat hij voornemens is terug te keren naar zijn kamer in Eindhoven is volgens appellant niet voldoende om daarmee zijn woonplaats in Eindhoven te behouden.

Van de kant van gedaagde is naar voren gebracht dat hij door ziekte vanaf half 1997 in een overmachtsituatie beland is, waardoor hij noodgedwongen bij zijn ouders verblijft en door hen verzorgd wordt. Hij heeft echter zijn kamer in Eindhoven aangehouden en daarvoor een huur van É150,- per maand betaald. Hij verbleef daar een paar dagen per maand, althans hij probeerde dit, maar was telkens gedwongen naar zijn ouders terug te keren. Uit niets blijkt dat hij de wil had om zijn kamer in Eindhoven prijs te geven. Daardoor kan niet gezegd worden dat gedaagde ten tijde van de beŽindiging van de bijstandsuitkering door appellant zijn woonstede in Eindhoven had verloren. Ter zitting is meegedeeld dat gedaagde uiteindelijk met ingang van 1 juni 2002 de huur heeft opgezegd en nog steeds bij zijn ouders in [woonplaats] woont.

In dit geding dient de Raad ten gronde de vraag te beantwoorden of het besluit van 1 juni 1999 in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het BW. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 63 Abw blijkt dat de wetgever door aansluiting te zoeken bij het woonplaatsbegrip in het BW heeft beoogd het aantal domiciliebepalingen in de Abw te verminderen en dat in verband met artikel 1:10, eerste lid, van het BW als hoofdregel is aangehouden dat als gemeente van bijstand is aangewezen de gemeente waar belanghebbende zijn woonstede heeft, en bij gebreke van een woonstede, de plaats van zijn werkelijk verblijf.
In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Naar het oordeel van de Raad sluit dit niet uit dat een woonstede ook op grond van andere feiten en omstandigheden geacht kan worden te zijn opgebroken. De Raad vindt hiervoor mede steun in de wetsgeschiedenis van artikel 1:11, eerste lid, van het BW. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 van de Abw dient naar het oordeel van de Raad dan ook beantwoord te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

In het onderwerpelijke geval staat vast dat gedaagde ten tijde in dit geding van belang
- 1 maart 1999 - reeds anderhalf jaar vrijwel onafgebroken feitelijk in [woonplaats] verbleef. Vanuit [woonplaats] werd zijn administratie gevoerd en alle post werd naar het adres van zijn ouders in [woonplaats] doorgestuurd.
Onder die omstandigheden kan het naar het oordeel van de Raad niet meer worden gesproken van een tijdelijk verblijf elders dat niet tot wijziging van de woonplaats in de zin van artikel 63 van de Abw leidt. Uit de daden van gedaagde moet worden afgeleid dat hij zijn woonplaats heeft verplaatst van Eindhoven naar [woonplaats]. Daaraan kan niet afdoen dat hij steeds te kennen heeft gegeven naar Eindhoven te willen terugkeren zodra zijn gezondheidstoestand dat mogelijk zou maken, te meer omdat daarop op 1 maart 1999 geen reŽel uitzicht bestond.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant bij het bestreden besluit van 1 juni 1999 op goede gronden heeft geconcludeerd dat gedaagde met ingang van 1 maart 1999 niet langer woonplaats heeft in de gemeente Eindhoven en dus terecht heeft bepaald dat gedaagde vanaf die datum niet langer recht heeft op bijstand jegens appellant. Ten onrechte is dat besluit door de rechtbank vernietigd, zodat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt daarom als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. M.A. Hoogeveen en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2002.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE8099
Instantie:xxxxxxx Rechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: AWB 02/1487 NABW-VV
Datum uitspraak: 5 juli 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 17 Abw (= 11 en 15 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd; realisering huisvesting buiten AZC; toekenning bijstand; Rva 1997; voorliggende voorziening; asielzoeker
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand wegens voorliggende voorziening (de Rva 1997), omdat de verstrekkingen van de Rva 1997 eindigen indien het een vreemdeling zoals betrokkene betreft op wiens asielaanvraag een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd is verleend, op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten een asielzoekerscentrum kan worden gerealiseerd, zoals betrokkene is gelukt in verweerders gemeente.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank 's-Hertogenbosch AWB 02/1487 NABW-VV




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
gemachtigde: mr. M.F. Kiers,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente B, verweerder,
in dezen vertegenwoordigd door drs. R.A.J. Wilbers.




I. Procesverloop


Verzoeker, afkomstig uit Sierra Leone, heeft op 18 juni 2001 een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd gekregen. Hij heeft vanaf 14 februari 2002 in het asielzoekerscentrum te Leeuwarden verbleven. Op 2 mei 2002 heeft verzoeker zich in verweerders gemeente gevestigd op het adres [...]straat 33a te B.

Op 14 mei 2002 heeft verzoeker een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet ingediend.

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen om reden dat het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) hem niet heeft gemeld in het kader van de zogeheten taakstelling reguliere huisvesting. Voorts is verweerder van mening dat, nu verzoeker zelf huisvesting heeft gezocht, hij kan terugkeren in het azielzoekerscentrum (AZC) en aanspraak kan blijven maken op een uitkering ingevolge de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieŽn vreemdelingen 2005 (Stcrt. 1997, 246) (hierna: Rva), hetgeen als een toereikende voorliggende voorziening wordt aangemerkt.

Namens verzoeker is hiertegen op 17 juni 2002 bezwaar gemaakt, terwijl bij schrijven van dezelfde datum de voorzieningenrechter tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat verzoeker onverwijld bijstand wordt verstrekt.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 juli 2002, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.




II. Overwegingen


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien het in de bodemprocedure bestreden besluit naar voorlopig oordeel onrechtmatig is te achten en om die reden zal worden vernietigd, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is. Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in het geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Aangezien tegen verweerders besluit van 13 juni 2002 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen belemmeringen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.

Ten aanzien van de vraag of in dit geval een voorlopige voorziening moet worden getroffen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker een vreemdeling is in de zin van artikel 7, tweede lid, van de Abw.
Ter zitting heeft de gemachtigde het standpunt van verweerder nader toegelicht. Daarbij is gewezen op de toelichting op artikel 2 van de Rva waarin staat dat deze regeling kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw. Voorts is aangevoerd dat verzoeker, ook al is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, in het AZC Leeuwarden had dienen te blijven totdat het COA hem passende woonruimte zou hebben aangeboden. Verzoeker kan terugkeren naar het AZC en weer in aanmerking komen voor een Rva-uitkering.

Namens verzoeker is dit standpunt van verweerder bestreden. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de Rva slechts van toepassing is op asielzoekers. Nu verzoeker in het bezit is gesteld van een vergunning voor bepaalde tijd asiel is de Rva mitsdien niet op hem van toepassing en kan dientengevolge van een voorliggende voorziening geen sprake zijn. Namens verzoeker is voorts aangevoerd dat de verstrekkingen in het kader van de Rva ingevolge artikel 8 van deze regeling eindigen indien passende woonruimte buiten het opvangcentrum kan worden gerealiseerd. Verzoeker heeft zelf woonruimte in verweerders gemeente gevonden, hetgeen betekent dat de Rva op dat moment niet meer op hem van toepassing is. Van een voorliggende voorziening, voor zover daar al sprake van zou zijn geweest, is volgens verzoeker ook om die reden geen sprake.

De voorzieningenrechter kan verweerder in zijn standpunt niet volgen. Met verzoeker is zij van oordeel dat de Rva bedoeld is voor asielzoekers die verblijven in de centrale opvang (zoals het AZC). Voor die asielzoeker wordt inderdaad deze regeling een toereikende voorliggende voorziening geacht, zoals bedoeld in artikel 17 van de Abw. De achterliggende gedachte daarbij is dat daarmee wordt voorkomen dat iedere in een AZC verblijvende asielzoeker tevens aanspraak op een bijstandsuitkering kan maken. Hiermee wordt gelijkgesteld degene die een vergunning tot verblijf is verleend en in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente, zie hiervoor artikel 1, vierde lid, Rva.

Blijkens artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, Rva eindigen de verstrekkingen, bedoeld in artikel 5 (waaronder een wekelijkse financiŽle toelage), indien het een vreemdeling betreft op wiens asielaanvraag - voor zover hier van belang - een vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd is verleend, op de dag waarop naar het oordeel van het COA passende huisvesting buiten een centrum kan worden gerealiseerd.
Blijkens de toelichting op laatstgenoemd artikellid betreft de in onderdeel a beschreven omstandigheid het beschikbaar zijn van huisvesting voor de betrokkene buiten een centrum, nadat hij een status heeft gekregen. Nadat een asielzoeker in kennis is gesteld van de beschikking waarin de status hem is meegedeeld, wordt de opvang beŽindigd op de dag waarop passende huisvesting buiten het centrum daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Daarvan is in ieder geval sprake enkele dagen (bedoeld om verhuizing mogelijk te maken) nadat aan een statushouder een woning is aangeboden of als betrokkene ervan afziet om in te gaan op het aanbod, dan wel als betrokkene er zelf in slaagt in huisvesting te voorzien.

Uit het voorgaande kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen andere conclusie volgen dan dat, ook ingeval een asielzoeker met een status er zelf in slaagt woonruimte te vinden, de Rva-verstrekkingen worden beŽindigd.
De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden, en ook de gemachtigde van verweerder is daarin niet geslaagd, waaruit moet worden afgeleid dat de asielzoeker moet afwachten (in het AZC) totdat aan hem door het COA passende woonruimte wordt aangeboden.
Gemeenten in Nederland hebben een taak in het kader van het huisvesten van statushouders in het kader van de taakstelling huisvesting statushouders. In dat verband zijn er afspraken gemaakt welke aantallen statushouders door de verschillende gemeenten worden gehuisvest. Dat mogelijk door verzoekers eigen initiatief in het vinden van huisvesting de afspraken tussen verweerders gemeente en het COA in het kader van de taakstelling huisvesting asielzoekers worden doorkruist, kan geen reden zijn voor verweerder om het verzoek om bijstand te weigeren.

Nu uit de stukken is gebleken dat verzoeker op 1 mei 2002 een kamer heeft gehuurd van de woning aan de [...]straat 33a te B staat daarmee vast dat verzoeker zich heeft gevestigd in verweerders gemeente. Gelet op artikel 8 Rva zal verzoeker derhalve vanaf de voornoemde datum geen aanspraak meer kunnen maken op deze regeling.

Gezien het vorenstaande zal verweerders besluit tot afwijzing van verzoekers aanvraag om bijstand naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar geen stand kunnen houden.

Nu voorts voldoende aannemelijk is dat verzoeker in een financiŽle noodsituatie verkeert, zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat met ingang van 17 juni 2002 bijstandsuitkering aan verzoeker wordt verstrekt.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal
Ä644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;
- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
- waarde per punt
Ä322,-;
- wegingsfactor 1.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de door verzoeker gemaakte reiskosten tot een bedrag van
Ä10,78, berekend op basis van kosten van het openbaar vervoer.

Het verzoek verweerder te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding zal worden afgewezen, daargelaten wat er van dat verzoek zij, omdat de aard van deze procedure zich niet leent voor de beoordeling van schade de vorm van wettelijke rente.

De voorzieningenrechter zal wel bepalen dat door verweerder aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat verzoeker met ingang van 17 juni 2002 bijstand naar de voor hem geldende norm wordt verstrekt, tot zes weken nadat een beslissing op bezwaar is genomen;
- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op
Ä644,- voor door een derde verleende rechtsbijstand en Ä10,78 voor door verzoeker gemaakte reiskosten;
- wijst verweerder aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;
- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan de griffier.

Aldus gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries in tegenwoordigheid van de griffier, mr. I.K. Hahn, en uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2002.




Afschrift verzonden:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE8232
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5827 NABW en 02/1565 NABW
Datum uitspraak: 10 september 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 21, 32 en 39 Abw (= 51, 24 en 35 Wwb) / 6:18, 6:19 en 7:11 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; geldlening; hoogte aflossingsbedrag; verbod van reformatio in peius; beslagvrije voet
Essentie: Onterechte verhoging in bezwaar van het aflossingsbedrag van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, omdat daarmee het verbod van reformatio in peius is geschonden. Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is echter niet de toepasselijke bijstandsnorm (i.c. de alleenstaandeoudernorm), maar de leefvorm (i.c. samenwonende echtgenoten) bepalend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5827 NABW en 02/1565 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Delft, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 15 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 2 maart 2002 heeft gedaagde desverzocht het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 15 november 1999 genomen nadere besluit op bezwaar aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 juni 2002. Daar is appellante verschenen bij haar gemachtigde mr. S.B. de Jong, verbonden aan het Bureau Rechtshulp Gouda, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suijkerbuijk, werkzaam bij de gemeente Drimmelen.




II. Motivering


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De aanvraag van haar echtgenoot [naam echtgenoot] om met behoud van uitkering het voorbereidend jaar aan de universiteit te volgen, is afgewezen.

Bij besluit van 22 december 1998 is aan appellante en haar echtgenoot bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van É9983,33. Bij besluit van dezelfde datum is het aflossingsbedrag ingaande 1 januari 1999 bepaald op É124,15 per maand.
Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het ten aanzien van appellante genomen bestreden besluit van 4 februari 1999 voor de berekening van het aflossingsbedrag aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475É, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het af te lossen bedrag nader vastgesteld op É189,80 per maand. [Naam echtgenoot] wordt wegens het ontbreken van inkomsten niet tot aflossing in staat geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 1999 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante door het aantekenen van bezwaar in een minder gunstige positie is komen te verkeren dan vůůr het aanwenden van dit rechtsmiddel, sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius, terwijl zich in onderhavig geding niet een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet dat gedaagde bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van belanghebbende te wijzigen. Met betrekking tot de grief van appellante omtrent de gehanteerde beslagvrije voet merkt de rechtbank nog op dat gedaagde bij de vaststelling van het aflossingsbedrag is uitgegaan van de juiste beslagvrije voet, te weten 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

Gedaagde heeft bij het besluit van 15 november 1999 het met ingang van 1 januari 1999 maandelijks af te lossen bedrag nader vastgesteld op É124,15.

De Raad merkt het besluit van 15 november 1999 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu bij dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante wordt ingevolge artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 november 1999.

Partijen houdt verdeeld de vraag of het aflossingsbedrag gezien naar 1 januari 1999 op de juiste hoogte is vastgesteld.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde bij de bepaling van het door appellante af te lossen bedrag als uitgangspunt heeft genomen dat zij de beschikking dient te houden over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv.

Ingevolge artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Abw die beiden 21 jaar of ouder zijn: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 30, tweede lid, onderdeel c en d, van die wet;
b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en
b, van de Abw die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn, voor zover hier van belang, ten minste 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel a en b van de Abw
, en ten hoogste 90 procent van die bijstandsnorm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag, genoemd in artikel 33, tweede lid, van die wet.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, Rv in plaats van aan het bepaalde in artikel 474d, eerste lid, aanhef en onder a, Rv als vorenaangehaald gegeven. Daartoe overweegt hij het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten echtgenoten zijn in de zin van artikel 3 van de Abw. Naar de gemachtigde van gedaagde bij de behandeling van het geding ter zitting heeft toegelicht, is voor de bepaling van de hoogte van het aflossingsbedrag niettemin aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rv, omdat appellante met toepassing van artikel 32 van de Abw een uitkering is verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen, aangezien ingevolge artikel 475d Rv niet de
bijstandsnorm, maar de leefvorm bepalend is voor de hoogte van de beslagvrije voet.

De Raad stelt ten slotte vast dat artikel 475d Rv niet een afwijkende regeling bevat voor het geval dat zich de situatie van artikel 32 van de Abw voordoet, zodat het bestreden besluit op dit punt in strijd met de wet is genomen.

In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Ook het besluit van 15 november 1999 dient wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op
Ä644,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 februari 1999;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot
Ä644,-, te betalen door de gemeente Drimmelen;
bepaalt dat de gemeente Drimmelen aan appellante het betaalde griffierecht van Ä77,14 (É170,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE8634
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/4599 NABW-VV en 99/4560 NABW
Datum uitspraak: 11 november 1999
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9 (oud) en 17 Abw (= Ė en 15 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: opleiding; studie; extraneus; toekenning bijstand; voorliggende voorziening; studiefinanciering; voltijdopleiding; voltijdonderwijs; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand wegens voorliggende voorziening (studiefinanciering ingevolge de WSF), omdat betrokkene als extraneus geen volledig hoger onderwijs volgt en derhalve geen aanspraak kan maken op studiefinanciering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 99/4599 NABW-VV en 99/4560 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 5 augustus 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.

In zijn beroepschrift heeft verzoeker eveneens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 november 1999, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Visser, werkzaam bij de gemeente Groningen. Gedaagde is daar niet verschenen.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is in dit geval van oordeel dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde, geboren in 1973, volgde vanaf 1 september 1991 een dagopleiding economie aan de Rijksuniversiteit te Groningen (RUG) en ontving in verband hiermee studiefinanciering ingevolge de Wet op de studiefinanciering (WSF).
In oktober 1997 heeft gedaagde besloten om de voltijdopleiding af te breken en zich te gaan richten op het vinden van werk op de arbeidsmarkt, omdat hij naar verwachting nog geruime tijd verwijderd was van de voltooiing van de opleiding economie en hij zijn studieschuld niet verder wilde laten oplopen. Per 1 november 1997 heeft hij zich uitgeschreven als voltijdstudent bij de RUG en zich aansluitend in laten schrijven als extraneus.

Bij besluit van 26 november 1997 heeft verzoeker een aanvraag van gedaagde om hem met ingang van 1 november 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te kennen, afgewezen.

Verzoeker heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard bij het bestreden besluit van 2 juni 1998. Daarbij heeft verzoeker onder meer overwogen dat gedaagde door zich aansluitend aan zijn uitschrijving als voltijdstudent in te schrijven als extraneus is aan te merken als studerend en dat hij op grond van het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Abw geen recht op algemene bijstand heeft. Tevens heeft verzoeker als motivering gegeven dat gedaagde een beroep had kunnen doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, omdat hij, indien hij zich gedurende het gehele studiejaar 1997-1998 als voltijdstudent had ingeschreven, recht gehad zou hebben op studiefinanciering ingevolge de WSF in de vorm van een rentedragende lening.

In zijn beroepschrift heeft gedaagde, evenals in bezwaar, aangegeven dat hij zich als extraneus heeft ingeschreven om de mogelijkheid open te houden om wellicht in de toekomst zijn studie of enige vakken af te ronden. Hij zou zich echter na het afbreken van zijn studie gericht hebben op het vinden van werk en dit met bewijzen hebben onderbouwd, hetgeen geresulteerd heeft in werkaanvaarding met ingang van 6 mei 1998.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 2 juni 1998 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Verzoeker heeft in hoger beroep betoogd dat in het geval van gedaagde, die als extraneus stond ingeschreven en om die reden geen aanspraak had op studiefinanciering, wel degelijk sprake was van een voorliggende voorziening die aan bijstandverlening in de weg stond. Verzoeker stelt namelijk dat gedaagde, indien hij gebruik gemaakt had van de mogelijkheid om zich als voltijdstudent in te schrijven, wel aanspraak had kunnen maken op studiefinanciering krachtens de WSF. Aangezien deze financiering als een voorliggende voorziening in de zin als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Abw moet worden aangemerkt, had gedaagde, voor wie deze mogelijkheid openstond, volgens verzoeker geen recht op een bijstandsuitkering.
Daarnaast stelt verzoeker zich op het standpunt dat artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw ruim uitgelegd dient te worden in die zin dat ook de persoon die zich als extraneus heeft ingeschreven in aansluiting op een inschrijving als voltijdstudent aan te merken is als studerend in de zin van dat artikel en op die grond geen recht heeft op algemene bijstand.

De president oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Vaststaat dat gedaagde als extraneus stond ingeschreven bij de RUG. Daardoor had hij geen recht op deelname aan het onderwijs, maar was hij alleen gerechtigd om tentamens en examens af te leggen. Evenmin kon hij als extraneus aanspraak maken op studiefinanciering krachtens de WSF omdat ťťn van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor studiefinanciering op grond van hoofdstuk II van de WSF is dat de studerende volledig hoger onderwijs volgt.
In de onderhavige situatie kon studiefinanciering krachtens de WSF dan ook niet als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Abw worden aangemerkt omdat gedaagde per 1 november 1997 niet meer daadwerkelijk een beroep op de WSF kon doen.

Evenmin kan de president verzoeker volgen in zijn stelling dat afwijzing van de bijstand op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw gerechtvaardigd is. Het gegeven dat gedaagde op en na 1 november 1997 geen onderwijs volgde als bedoeld in hoofdstuk II van de WSF staat daaraan in de weg (zie ook de uitspraak van de Raad van 25 mei 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/233 en JABW 1999/113). Gelet op de duidelijke bewoordingen van het zojuist genoemde voorschrift ziet de president voor de door verzoeker bepleite ruime uitleg van deze bepaling geen plaats. De verwijzing naar de onder de werking van de Algemene Bijstandswet gevormde jurisprudentie - waarvan de kernoverweging is dat in geval van inschrijving als extraneus als vervolg op een beŽindigde inschrijving als dagstudent er in beginsel van mag worden uitgegaan dat de betrokkene een zwaarder gewicht aan zijn studie toekent dan aan het verrichten van arbeid in dienstbetrekking - treft geen doel. Deze jurisprudentie is immers uitsluitend van belang voor de beoordeling van de vraag of een extraneus al dan niet behoort tot de personenkring van de - in een geval als het onderhavige tot 1 januari 1996 gevigeerd hebbende - Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Die vraag is in dit geding niet aan de orde.

Gelet op het vorenstaande komt de president evenals de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit op een niet deugdelijke motivering berust, zodat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan worden gelaten. Daarin ligt tevens besloten dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Gedaagde zal een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen de president in deze uitspraak heeft overwogen.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak zijn er geen redenen voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
bepaalt dat verzoeker een nieuw besluit neemt op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
bepaalt dat van de gemeente Groningen een recht van É675,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Regt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 1999.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.A. de Regt.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AE8636
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/5104 NABW
Datum uitspraak: 15 mei 2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17 en 39 Abw (= 15 en 35 Wwb) / 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten behandeling tandheelkundige stoorvelden; medische noodzaak; voorliggende voorziening; motivering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van (een voorgenomen) behandeling van tandheelkundige stoorvelden, niet wegens een voorliggende voorziening (welke niet aanwezig is), maar omdat op grond van medisch onderzoek de noodzaak van de behandeling niet is komen vast te staan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/5104 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellante heeft op in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Maastricht op 16 september 1999 ten aanzien van partijen gewezen uitspraak, genummerd 98/1914 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Hierna heeft appellante zich nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend.

Het geding is - gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd 99/750 NABW en 99/753 NABW - behandeld ter zitting van 20 februari 2001. Daar is appellante in persoon verschenen en heeft gedaagde zich niet doen vertegenwoordigen.
Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Appellante heeft zich op 31 juli 1998 tot gedaagde gewend met het verzoek haar bijzondere bijstand te verlenen in de kosten van (een voorgenomen) behandeling van tandheelkundige stoorvelden.

Gedaagde heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 15 september 1998, welk besluit - na gemaakt bezwaar - is gehandhaafd bij besluit van 14 december 1998. In het bijzonder is overwogen dat met betrekking tot het behandelen van stoorvelden in beginsel een voorliggende voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) voor handen is in de vorm van de Ziekenfondswet (Zfw).

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat appellante heeft ingesteld tegen het besluit van 14 december 1998 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank de motivering van het bestreden besluit omarmd.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen die uitspraak gekeerd.
De Raad heeft het volgende overwogen.

Voor de kosten die verband houden met een medische of paramedische behandeling zijn de Zfw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in beginsel aan te merken als aan de Abw voorliggende, toereikende en passende voorzieningen.
In casu staat vast dat appellante voor de kosten van de behandeling van stoorvelden geen beroep kan doen op de Zfw of de AWBZ en dat hier ook van een situatie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, geen sprake is.
Aangezien niet is gesteld of gebleken dat er overigens voor de onderwerpelijke behandeling een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 17 van de Abw is aan te wijzen, is tevens gegeven dat de op dit voorschrift steunende motivering van het bestreden besluit als onjuist moet worden aangemerkt.

Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd.

De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Hij beantwoordt deze vraag op grond van de volgende overwegingen bevestigend.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Gedaagde heeft naar aanleiding van de aanvraag van appellante de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Oostelijk Zuid-Limburg verzocht appellante te onderzoeken en een advies uit te brengen. Dit heeft geleid tot een rapport van 3 september 1998 van F.C.W. Klaassen, sociaal-geneeskundige van deze dienst, in welk rapport de tandarts M. Dautzenberg verslag doet van zijn bevindingen van het bij appellante ingestelde onderzoek. De conclusie van dit rapport is dat vooralsnog de gevraagde "hulp" medisch niet noodzakelijk is.

De Raad is van oordeel dat op grond van dat rapport in het geval van appellante de noodzaak van de door haar bedoelde behandelingen niet is komen vast te staan. Dat appellante ter zitting heeft verklaard dat de inmiddels plaatsgevonden hebbende behandelingen een voor haar gunstig resultaat hebben gehad, maakt dit niet anders. Ook overigens heeft appellante naar het oordeel van de Raad geen argumenten naar voren gebracht die de Raad tot een ander oordeel zouden kunnen brengen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op É16,75 en É70,- (totaal É86,75) voor reiskosten.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van É86,75, te betalen door de gemeente Nuth;
gelast de gemeente Nuth aan appellante het gestorte recht van É55,- in beroep en É170,- in hoger beroep (totaal É225,-) te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2001.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x