Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE8637
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 01/916 NABW-VV en 00/1046 NABW
Datum uitspraak: 27 maart 2001
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17 en 39 Abw (= 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; tandartskosten; twaalfdelige brug; voorliggende voorziening; onderzoek naar noodzaak; zeer dringende redenen
Essentie: Terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van een twaalfdelige brug, omdat de Zfw als een toereikende en passende voorliggende voorziening is aan te merken. B&W kan niet worden tegengeworpen dat zij niet zelf een onderzoek hebben doen instellen naar de noodzakelijkheid van de kosten, daar niet is gebleken van zeer dringende redenen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 01/916 NABW-VV en 00/1046 NABW




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Inleiding


Gedaagde heeft op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam op 25 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens verzoekster heeft mr. M.M.A. van Hooff, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft een tweetal namens verzoekster ingediende verzoeken om versnelde behandeling afgewezen.

Bij brief van 1 februari 2001 heeft mr. Van Hooff voornoemd namens verzoekster verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting op 20 maart 2001, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hooff, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de president naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 19 december 1997 heeft gedaagde een aanvraag van verzoekster van 1 december 1997 om bijzondere bijstand in de kosten van het plaatsen van een door haar tandarts J.N. Jesse geadviseerde twaalfdelige brug aan haar kaak afgewezen.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard bij besluit van 4 augustus 1998 op grond van het bepaalde in artikel 17 van de Algemene bijstandswet (Abw), zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 augustus 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen en beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en genomen, omdat gedaagde zelf een onderzoek had moeten (doen) instellen naar de noodzakelijkheid van de door verzoekster gevraagde voorziening.

Gedaagde heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De president stelt eerst met partijen vast dat voor de in geding zijnde kosten van belang is het bepaalde in artikel 17 van de Abw, zoals dat artikel luidt sedert 1 juli 1997.
Met de huidige tekst van dat artikel is beoogd te verduidelijken wat voordien ook al gold; de wetsgeschiedenis van deze bepaling biedt naar het oordeel van de president geen aanknopingspunten om het standpunt van gedaagde zoals neergelegd in het bestreden besluit voor onjuist te houden.
Dit betekent dat ook hier heeft te gelden dat de Ziekenfondswet voor de kosten van tandheelkundige hulp als een aan de Abw voorliggende, toereikende en passende voorziening is aan te merken, gelet op aanspraken op de tandheelkundige hulp voor verzekerden als verzoekster omschreven in de Regeling tandheelkundige hulp ziekenfondsverzekering, en dat artikel 17, eerste lid, van de Abw in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat.

Het derde lid van artikel 17 van de Abw biedt de mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij te worden gedacht aan noodsituaties. De gedingstukken bieden geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van verzoekster van een noodsituatie in de zin van het derde lid van artikel 17 van de Abw sprake was. Dat betekent dat gedaagde naar het oordeel van de president niet de bevoegdheid toekwam om verzoekster bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten. In dit licht bezien kan gedaagde naar het oordeel van de president niet worden tegengeworpen dat hij niet zelf een onderzoek heeft doen instellen naar de noodzakelijkheid van de kosten van de twaalfdelige brug, zoals de rechtbank heeft gedaan.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De president zal, doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het inleidend beroep ongegrond verklaren.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president ten slotte geen termen aanwezig.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep ongegrond;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE8643
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/3257 NABW en 00/3302 NABW-VV
Datum uitspraak: 8 augustus 2000
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 33, 38 en 81 Abw (= 25, 30 en 58 Wwb)
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; terugvordering; kostendeling; fictieve inkomsten; niet-aangevraagde aanvullende bijstand inwonend meerderjarig kind; gemeentelijke verordening
Essentie: Onterechte verlaging en terugvordering van de gemeentelijke toeslag wegens fictief inkomen van een inwonend meerderjarig kind, omdat overeenkomstig de gemeentelijke verordening de feitelijke en niet de fictieve inkomsten (het ontvangen loon vermeerderd met niet-aangevraagde aanvullende bijstand) van dat kind in aanmerking hadden moeten worden genomen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Centrale Raad van Beroep 00/3257 NABW en 00/3302 NABW-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Inleiding


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 28 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij het beroepschrift heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verzoeker heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 1 augustus 2000, waar voor verzoeker is verschenen H.L.P.M. van Helden, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, terwijl gedaagde niet is verschenen.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin verzoeker als verweerder en gedaagde als eiseres is aangeduid - ontleent de president de volgende feiten en omstandigheden:
"Eiseres was sinds 1987 gescheiden van haar toenmalige echtgenoot. Zij had een inwonende dochter, geboren 31 maart 1977. Met ingang van 19 juli 1993 ontving eiseres bijstandsuitkering, sedert 1 december 1996 onder vigeur van de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw). Die bijstandsuitkering bestond sedert 1 december 1996 uit het normbedrag voor een alleenstaande, vermeerderd met een toeslag van 20% van de in artikel 30, onderdeel c, van de Abw genoemde norm, kennelijk omdat haar inwonende dochter een inkomen had dat lager was dan 70% van het normbedrag voor een alleenstaande (artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de in verweerders gemeente geldende Verordening toelagen en verlagingen Abw, verder te noemen: de verordening). Daarnaast ontving eiseres tevens - op grond van door verweerder in het kader van de bijzondere bijstand gevoerd beleid - een "toeslag voormalig alleenstaande ouder" (hierna te noemen: TVAO). De TVAO wordt toegekend (kort gezegd) indien het totaal van de inkomsten van de alleenstaande en zijn of haar laatste kind lager is dan gehuwdennorm - en wel ter hoogte van het verschil tussen het totaal van die inkomens en die norm - en wordt beindigd onder meer indien dat kind 21 jaar wordt.
De TVAO is kennelijk met ingang van 31 maart 1998 - toen eiseresses dochter 21 jaar werd - beindigd. Volgens verweerder had met ingang van diezelfde datum tevens de toeslag van 20% verlaagd moeten worden naar 5% van de gehuwdennorm omdat de dochter ingaande die datum geacht moest worden een inkomen te (kunnen) hebben ter hoogte van (ten minste) de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder, zodat eiseres uit dien hoofde zowel de woonkosten als de overige woonkosten met haar dochter kon delen (artikel 3, zesde lid, aanhef en onder c, van de verordening). Verweerder heeft de toeslag van 20% echter ook na 30 maart 1998 aan eiseres doorbetaald.
Bij besluit van 11 februari 1999 heeft verweerder eiseresses bijstandsuitkering herzien in deze zin dat de TVAO over februari 1998 werd verlaagd en over maart 1998 werd ingetrokken, terwijl de toeslag over de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 werd verlaagd van 20% naar 5% van de gehuwdennorm. Tevens werd de volgens verweerder aldus te veel ontvangen bijstandsuitkering ter hoogte van
5354,57 van eiseres teruggevorderd.
Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij verweerders besluit van 25 mei 1999 ongegrond verklaard."

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen en een beslissing gegeven inzake vergoeding van griffierecht. Zij heeft daartoe overwogen:
"In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders in bezwaar gehandhaafde besluit om eiseresses bijstandsuitkering over de periode van 1 februari 1998 tot 1 februari 1999 te herzien en het volgens verweerder te veel betaalde bedrag terug te vorderen, in rechte kan worden gehandhaafd.
Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder de TVAO terecht heeft verlaagd respectievelijk ingetrokken in verband met inkomsten van eiseresses dochter en vanwege het feit dat zij de 21-jarige leeftijd bereikte.
Met de verlaging van de toeslag per 31 maart 1998 kan de rechtbank zich niet verenigen.
Ingevolge artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de verordening wordt de toeslag voor de alleenstaande in wiens woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven, bepaald op het in artikel 33, tweede lid, van de Abw genoemde maximumbedrag (dat is: 20% van de gehuwdennorm) indien de inwonende kinderen elk een inkomen hebben dat lager ligt dan 70% van het normbedrag zoals genoemd in artikel 30, onderdeel a, van de Abw (dat is: het normbedrag voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder).

Eiseresses dochter was ook op en na 31 maart 1998 (haar 21ste verjaardag) een inwonend kind als bedoeld in de zojuist genoemde bepaling, terwijl op geen enkele manier gebleken is dat haar inkomen in (alle maanden van) de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 gelijk was aan of hoger dan 70% van het normbedrag voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder. Verweerders argument dat dat inkomen die hoogte had kunnen bereiken indien de dochter op of na 31 maart 1998 bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder had aangevraagd, kan niet slagen. Het gaat te ver om artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de verordening zo ver uit te rekken dat daarbij in gevallen als het onderhavige ook rekening zou moeten worden gehouden met een fictief inkomen van het inwonende kind.
Gezien het vorenstaande heeft verweerder ten onrechte over (maanden van) de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 het zesde lid, aanhef en onder c, van artikel 3 van de verordening op eiseresses situatie toegepast in plaats van het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel. De in het bestreden besluit vervatte herziening en terugvordering kan derhalve niet in stand worden gelaten."

Verzoeker bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de herziening van de toeslag per 31 maart 1998. Naar zijn oordeel stelt de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt dat geen rekening kan worden gehouden met een fictief inkomen van het inwonende kind. Verwezen is onder meer naar 's Raads jurisprudentie met betrekking tot het vaststellen van inkomen bij het verrichten van productieve arbeid.

De president overweegt het volgende.

De vigerende Verordening toeslagen en verlagingen Algemene bijstandswet (hierna: de verordening) bevat geen afzonderlijke bepaling ter vaststelling van inkomen. De toelichting op artikel 1 vermeldt wel dat de begrippen die in de verordening worden gebruikt een gelijkluidende betekenis hebben als de omschrijving in de Algemene bijstandswet (Abw), behoudens n (hier niet relevante) afwijking.
In artikel 3, vierde lid, van de verordening is onder meer gemarkeerd dat de alleenstaande in wiens woning uitsluitend inwonende kinderen verblijven met een eigen inkomen minder dan 70% van het in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw genoemde normbedrag, een maximale toeslag ontvangt; in de toelichting wordt opgemerkt dat het niet redelijk zou zijn, gezien het lage inkomen van het kind, te veronderstellen dat de kosten van het bestaan dan gedeeld zouden kunnen worden.
Indien ten minste n kind een inkomen heeft tussen de 70% en 100% van dat normbedrag, wordt de toeslag op 14% van de norm, genoemd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw bepaald.
Heeft n kind een inkomen ter hoogte van minimaal de alleenstaandennorm, dan is het zesde lid van artikel 3 van de verordening van toepassing; het door verzoeker toegepaste onderdeel c van dat artikellid bepaalt de toeslag dan op 5% van de norm, genoemd in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Abw, indien zowel de woonkosten als de overige kosten kunnen worden gedeeld.

Vaststaat dat gedaagdes dochter in de hier van belang zijnde periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999 met onderbrekingen wisselende inkomsten had uit arbeid. Uit de desgevraagd alsnog overgelegde bankafschriften blijkt welke bedragen die dochter netto ontvangen heeft en op welke perioden deze betrekking hebben. Onder vigeur van de Algemene Bijstandswet heeft de Raad beslist dat bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid in beginsel uitgegaan moet worden van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit daadwerkelijk worden verworven casu quo kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen zou ruimte kunnen zijn indien vaststaat dat de betrokkene aanspraak kan doen gelden op een bepaalde honorering, bijvoorbeeld ingevolge een geldende collectieve arbeidsovereenkomst of op basis van de Wet minimumloon- en minimumvakantiebijslag, en hij die ten onrechte niet ontvangt, als de hoogte van de ontvangen inkomsten niet kan worden vastgesteld of als tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo'n lage beloning staat dat van een rele betaling voor die arbeid geen sprake is (zie onder meer 's Raads uitspraak van 6 september 1994, ABW 1994/26, onder meer gepubliceerd in RSV 1995/94). Onder de werking van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft deze jurisprudentie bij de vaststelling van in aanmerking te nemen inkomen uit arbeid zijn betekenis niet verloren.

Het vorenstaande houdt in dat, waar niet gebleken is dat n van de zojuist in genoemde uitspraak bedoelde uitzonderingsgevallen zich hier voordoet, in lijn met deze jurisprudentie de feitelijke arbeidsinkomsten van gedaagdes dochter, voor zover deze betrekking hebben op de periode van 31 maart 1998 tot 1 februari 1999, hier in beschouwing genomen hadden moeten worden.

In hetgeen overigens in het beroepschrift is aangevoerd, ziet de president evenmin gronden om tot een ander oordeel te komen. De verwijzing in het beroepschrift naar de Beschikking bijstandverlening werkloze werknemers met een studerende partner treft geen doel, reeds omdat daarin een geheel andere situatie is geregeld waarin het in aanmerking te nemen inkomen uit studiefinanciering van de studerende partner is gefixeerd op een in die beschikking genoemd bedrag.
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, biedt ook de omstandigheid dat gedaagdes dochter, zijnde een niet in de onderhavige bijstand begrepen persoon, zelf (aanvullende) bijstand had kunnen aanvragen naar het oordeel van de president geen grond om het bepaalde in het zesde lid, onderdeel c, van artikel 3 van de verordening gedurende de gehele in geding zijnde periode zonder meer op gedaagde van toepassing te achten.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de president geen termen aanwezig, nu hem van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.




III. Beslissing


De president van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
bepaalt dat van de gemeente Eindhoven een recht van 675,- wordt geheven;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als president, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2000.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AE9538
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Leeuwarden
Zaaknummer: 02/834 ABW
Datum uitspraak: 25 oktober 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 51, 54, 65, 69 en 81 Abw (= 34, 34, 17, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vermogen; sieraden; oververmogen; afwijzing bijstand; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; taxatie; verklaring sociaal rechercheur
Essentie: Terechte afwijzing en terugvordering bijstand wegens oververmogen, omdat de geschatte waarde ad 50.000,- van de sieraden van betrokkenen het vrij te laten bescheiden vermogen ruimschoots overschrijdt. De door de sociaal rechercheur onder ambtsbelofte afgelegde verklaring dat het aantal door hem waargenomen sieraden niet overeenkomt met het aantal sieraden dat betrokkenen hebben laten taxeren, doet de rechtbank niet twijfelen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Leeuwarden 02/834 ABW




U I T S P R A A K




ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht inzake het geding tussen:

[eiser] en [eiseres], beiden thans wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. A. Atema, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp in Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, verweerder,
gemachtigde: D. de Grave, werkzaam bij verweerders gemeente.




1. Procesverloop


Op 7 juni 2002 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van besluiten op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze besluiten is namens eisers beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 16 oktober 2002. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.




2. Motivering


Eisers hebben over de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juli 2001 van verweerder een Abw-uitkering ontvangen. Zij waren in die periode met elkaar gehuwd. Nadat de relatie vanaf 15 juni 2001 was verbroken, heeft eiser op 26 juni 2001 voor zichzelf een aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend. Op zijn aanvraagformulier heeft eiser op de desbetreffende vraag onder meer aangegeven dat hij sieraden bezit met een geschatte waarde van 50.000,-.

Naar aanleiding van deze laatste opgave heeft de sociaal rechercheur K. Hoekstra een onderzoek ingesteld, dat is uitgemond in een rapport van 1 augustus 2001. Op grond van dit rapport heeft verweerder besloten de Abw-uitkering van eisers met ingang van 26 augustus 2000 te herzien, omdat zij op dat moment konden beschikken over een vermogen van in totaal 70.000,-. Het te veel betaalde bedrag ad 10.136,37 netto wordt van hen teruggevorderd. Dit heeft verweerder eisers meegedeeld bij besluit van 11 september 2001. Voorts heeft verweerder besloten om de aanvraag van eiser af te wijzen, omdat hij over sieraden beschikt ter waarde van 50.000,. Dit heeft verweerder eiser meegedeeld bij besluit van eveneens 11 september 2001. Bij de bestreden besluiten zijn de tegen die besluiten gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

In beroep is namens eisers - onder meer en samengevat - aangevoerd dat eiser een vergissing heeft gegaan toen hij opgave deed van de waarde van de sieraden. Hij bedoelde de waarde in Surinaamse guldens aan te geven, maar per abuis heeft hij Nederlandse guldens vermeld. Eisers hebben noch samen, noch ieder voor zich sieraden bezeten met een waarde van 50.000,. Voorts zijn de conclusies van Hoekstra waarop verweerder zijn standpunt baseert te vaag.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of de bestreden besluiten terecht en op goede gronden zijn genomen. Zij overweegt daartoe als volgt.

In artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, Abw is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

In artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, Abw is voorts bepaald dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

In artikel 54 Abw is ten slotte (voor zover hier van belang) bepaald dat de in artikel 52, eerste lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
a. voor een alleenstaande: 10.000,- per 1 januari 2000 en 10.300,- per 1 januari 2001;
b. (...)
c. voor de gehuwden tezamen: 20.000,- per 1 januari 2000 en 20.600,- per 1 januari 2001.

Voor het feit dat eiser bij vergissing op zijn aanvraagformulier heeft opgegeven dat de sieraden 50.000 Nederlandse guldens waard zijn, terwijl hij Surinaamse guldens bedoelde, heeft hij geen overtuigende verklaring gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het niet voor de hand om de in het aanvraagformulier opgenomen vraag naar het bezit van sieraden anders te beantwoorden dan met een opgave in Nederlandse guldens. Niet valt in te zien waarom deze eenvoudige vraag eiser tot een vergissing zou kunnen brengen. Ook uit de verklaring die eiser op 26 juli 2001 tegenover Hoekstra heeft afgelegd, blijkt dat hij opnieuw, tot tweemaal toe, een bedrag van 50.000,- noemt, zonder daarbij aan te geven dat het om Surinaamse guldens zou gaan. Eiser heeft zowel de aanvraag als zijn verklaring tegenover Hoekstra ondertekend. Eerst nadat hij bekend was geraakt met de besluiten van 11 september 2001, heeft hij verklaard dat hij geen Nederlandse, maar Surinaamse guldens bedoelde.

Voorts blijkt uit eisers verklaring tegenover Hoekstra dat hij deze sieraden al vijf jaar in bezit heeft en dat hij ze nooit eerder aan verweerders Sociale Dienst heeft opgegeven, omdat hij niet wist dat dat moest. Ook blijkt uit de verklaring dat eiser Hoekstra heel veel sieraden heeft getoond: diverse kettingen, ringen en armbanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het licht van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de latere taxatierapporten van juwelier Popma respectievelijk van Schaap en Citroen. Het komt de rechtbank voor dat deze taxateurs aanmerkelijk minder sieraden onder ogen hebben gehad dan Hoekstra. De rechtbank ziet in dat verband geen aanleiding om te twijfelen aan de op 7 maart 2002 door Hoekstra onder ambtsbelofte afgelegde verklaring dat het aantal door hem waargenomen sieraden niet overeenkomt met het aantal sieraden dat eisers hebben laten taxeren.

Ten slotte is niet met concrete gegevens aangetoond dat de sieraden niet aan eiser toebehoren of aan anderen zouden toekomen.

Op grond van het rapport van Hoekstra ziet de rechtbank, alles overziend, voldoende aanleiding om te concluderen dat met een bezit van sieraden tot een bedrag van f 50.000,- over de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juli 2001, alsmede ter zake van eisers aanvraag van 26 juni 2001, de respectievelijke vermogensgrenzen als bedoeld in artikel 54 Abw worden overschreden. Eisers hebben verzuimd hiervan eerder dan 26 juni 2001 mededeling te doen aan verweerder. Terecht en op goede gronden heeft verweerder derhalve besloten om de Abw-uitkering van eisers over de periode van 26 augustus 2000 tot en met 24 juli 2001 te herzien en het te veel betaalde bedrag van hen terug te vorderen en om eiser naar aanleiding van zijn aanvraag van 26 juni 2001 geen Abw-uitkering toe te kennen. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan verweerder van voormelde terugvordering had moeten afzien.

Het beroep van eisers zal ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.




3. Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op
25 oktober 2002, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier.

R.J. van der Veen            P.G. Wijtsma  




Afschrift verzonden op: 25 oktober 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Gw
x
LJN:
x
AE9790
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 01/1334 NABW Z
Datum uitspraak: 4 oktober 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 1 Gw
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten stofzuiger, gasfornuis en televisie; categoriale bijzondere bijstand; gemeentelijke beleidsregel; gelijkheidsbeginsel
Essentie: Onterechte afwijzing (categoriale) bijzondere bijstand voor kosten van een stofzuiger, gasfornuis en televisie, omdat betrokkenen ten onrechte niet tot de doelgroepen van de gemeentelijke beleidsregel zijn gerekend nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke en objectieve gronden berust. Zo zijn betrokkenen evenals de wl tot de doelgroepen behorende 65-plussers ontheven van de sollicitatieverplichting, waardoor zij niet door middel van betaalde arbeid een hoger inkomen zullen kunnen verwerven.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Maastricht AWB 01/1334 NABW Z




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats], eisers,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht - Dienst Sociale en Economische Zaken - gevestigd te Maastricht, verweerder.



Datum bestreden besluit: 18 september 2001.
Kenmerk: 0067.42.13.
Behandeling ter zitting: 2 mei 2002.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef genoemde besluit van 18 september 2001 heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eisers door mr. D. Koeleman, advocaat te Maastricht, bij schrijven van 3 oktober 2001 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 2 mei 2002, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Koeleman, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer M. Bruijnzeels.




II.  Overwegingen



1.  De feiten

Eisers ontvangen vanwege verweerders gemeente een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Op 27 april 2001 hebben eisers een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van de aanschaf van een stofzuiger, een gasfornuis en een televisie.
Verweerder heeft bij besluit van 6 juli 2001 de aanvraag van eisers afgewezen.

Tegen dat besluit is namens eisers bij schrijven van 25 juli 2001 een bezwaarschrift ingediend.
In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft op 6 september 2001 een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze zitting is een verslag opgemaakt.



2.  Het bestreden besluit

Bij het thans bestreden besluit van 18 september 2001, verzonden 19 september 2001, heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de aanschafkosten van een televisie, een stofzuiger en een fornuis, behoudens bijzondere omstandigheden, tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend, welke uit de algemene bijstandsnorm dan wel een inkomen op bijstandsniveau gedragen dienen te worden. Verweerder heeft hierbij tevens overwogen dat in bijzondere omstandigheden hiervan kan worden afgeweken, doch dat van zulke bijzondere omstandigheden in dit geval niet is gebleken. Ook het gemeentelijk beleid biedt geen soelaas nu eisers niet tot de doelgroepen behoren.
Voorts is niet aangetoond dat eisers geen lening meer kunnen krijgen bij de Kredietbank Limburg.



3.  Het beroep

Blijkens het beroepschrift kunnen eisers zich met laatstgenoemd besluit niet verenigen. Daartoe is namens eisers - samengevat - aangevoerd dat de zoon van eiseres tot het gezin behoort en zij wettelijk verplicht zijn om gedurende diens minderjarigheid voor zijn levensonderhoud te zorgen. De betreffende zoon kan zich niet bij het gezin voegen omdat zijn aanvraag voor een visum om samen met zijn moeder in Nederland te komen wonen, werd afgewezen, zodat zijn afwezigheid uit Nederland door de Nederlandse overheid is afgedwongen en geheel buiten de schuld van eiseres en haar zoon is ontstaan. Tegen bovengenoemde afwijzing is beroep ingesteld.

Voorts wordt aangevoerd dat eisers wel behoren tot de doelgroep als bedoeld in het gemeentelijk beleid omdat eisers maandelijks van hun Abw-uitkering een bedrag van 250,- zenden aan het pleeggezin waarbij de 16-jarige zoon van eiseres in huis is, zodat hij aldaar onderwijs kan volgen. Daarenboven wordt een bedrag van 100,- per maand ingehouden ter aflossing van een schuld in het verleden. Genoemde bedragen zijn derhalve niet ter beschikking van eisers waardoor zij niet het norminkomen hebben en van het overgeblevene niet kunnen reserveren.

Eisers stellen ten aanzien van een mogelijke lening dat verweerder ook wist, casu quo had moeten weten, dat een echtpaar dat 350,- per maand minder te verteren heeft dan het bestaansminimum niet (meer) gerechtigd zijn om een (nieuwe) lening af te sluiten.

Eiser ontkent dat de schulden waarop wordt afgelost huwelijkskosten zijn. Het betreffen normale vakantiekosten.
De kosten zijn noch in noch ten behoeve van het buitenland gemaakt, nu het in Nederland betaalde reiskosten betroffen alsook de vaste lasten van de woning van eiser in Nederland. Tevens zijn ook de kosten van levensonderhoud van eiser gedurende zijn ziekte in Turkije door eiseres betaald, toen eisers vakantiegeld door het verlengde verblijf op was gegaan. Eisers achten dit niet in strijd met het territorialiteitsbeginsel.

Eiser stelt dat de bezwaarschriftbeslissing Abw/2232 van 27 april 1999 geen betrekking heeft op de in deze procedure aangevoerde lening.
Door genoemde beslissing staat vast dat eiser voor een periode van vier maanden verstoken was van enig inkomen waardoor hij geen lening kon krijgen bij een bank. Vaststaat ook dat eiser zich niet met betreffende beslissing heeft kunnen verenigen ondanks dat hij hiertegen geen beroep heeft ingesteld. Hij was de wanhoop nabij en had geen middelen om maar iets te ondernemen. Door hulp van familie heeft hij het kunnen redden. Het alsnog rekening houden met bedoelde lening zou het schrijnend tekort aan bestaansmiddelen kunnen helpen redresseren.

Eisers verzoeken alsnog in aanmerking te worden gebracht voor de gevraagde bijzondere bijstand voor de aanschaf van een stofzuiger, een fornuis en een televisie.



4.  Het verweerschrift

Verweerder heeft betoogd dat de betreffende zoon niet feitelijk tot het gezin behoort. Hij verblijft permanent in het buitenland. Bijstandverlening is beperkt tot degene die hier te lande verblijft. In de zich voordoende situatie kan met de aangevoerde kosten voor bedoelde zoon geen rekening gehouden worden. Betreffende zoon maakt geen daadwerkelijk deel uit van het gezin. Er zijn per saldo geen minderjarige kinderen inwonend, zodat het specifieke beleid niet van toepassing is.

Verweerder stelt onder verwijzing naar de overwegingen in de bestreden beslissing dat geen rekening gehouden kan worden met aflossingen/schulden.

Voorts voert verweerder aan dat uit de ten grondslag liggende rapportage blijkt dat de heer Van Loo van de Kredietbank Limburg heeft aangegeven dat betrokkene een lening van 2700,- kan afsluiten.
Blijkens het bezwaarschrift werd de eerdere lening afgesloten om in het huwelijk te kunnen treden.

Ten slotte voegt verweerder toe dat uit de jurisprudentie blijkt dat de gevolgen van een langer verblijf in het buitenland voor rekening van de betrokkene blijven, ongeacht de reden van het langere verblijf. Betrokkene had zich tegen de gevolgen van het langere verblijf kunnen verzekeren. Feitelijk is geen beroep ingesteld zodat de betreffende bezwaarschriftbeslissing onherroepelijk is.

Verweerder verzoekt het beroep ongegrond te verklaren en het eventuele verzoek om kostenveroordeling en wettelijke rente af te wijzen.



5.  De beoordeling

In geding is of het besluit van 18 september 2001 in rechte kan worden gehandhaafd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot afwijzing van de gevraagde bijzondere bijstand.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Ingevolge de tweede volzin van dit artikel is discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, niet toegestaan. Gelijk de rechtbank ook in haar eerdere uitspraken van 13 januari 2000, JABW 2000/43, en 10 januari 2002 (niet gepubliceerd), welke uitspraken aan verweerder als destijds verwerende partij bekend zijn, heeft overwogen, moet discriminatie op grond van leeftijd worden aangemerkt als discriminatie "op welke grond ook" als bedoeld in artikel 1 van de Grondwet. De rechtbank heeft in de eerstgenoemde uitspraak echter tevens overwogen dat niet ieder onderscheid naar leeftijd discriminatie oplevert in de zin van deze bepaling. Indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan, is het maken van onderscheid naar leeftijd geoorloofd.

Ingevolge artikel 26 van het IVBPR zijn allen gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw bepaalt dat onder bijzondere bijstand wordt verstaan: de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Artikel 39, eerste lid, van de Abw bepaalt dat onverminderd hoofdstuk II de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

In de Bijdrageregeling duurzame gebruiksgoederen van de gemeente is geregeld dat bijzondere bijstand om niet kan worden verstrekt voor de noodzakelijke kosten van vervanging of aanschaf van duurzame gebruiksgoederen aan minima met de zorg voor kinderen, die reeds drie jaren of langer onafgebroken afhankelijk zijn van een minimuminkomen en voor zover men in drie jaren voorafgaand nog geen bijzondere bijstand om niet voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen heeft ontvangen. Deze termijn wordt als onafgebroken beschouwd als deze niet langer dan drie maanden aaneengeschakeld is onderbroken. Hetzelfde geldt voor personen van 65 jaar of ouder die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben.

Met dit beleid maakt verweerder naast de meerjarige minima met de zorg voor kinderen ook onderscheid naar personen van 65 jaar of ouder, die gedurende minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben, en daarmee een onderscheid naar leeftijd ten aanzien van de voorwaarden met betrekking tot de aanspraken op bijzondere bijstand in de kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.

In de discussie over de uitbreiding van de doelgroep met de meerjarige minima zonder kinderen heeft verweerder destijds overwogen dit niet te ondersteunen. Ter motivering werd daartoe aangevoerd dat het enerzijds ging om een verruiming van het beleid, specifiek gericht op de meest kwetsbare groep, namelijk de minima met de zorg voor kinderen. Uitbreiding naar alle minima zou inhouden dat de achterstand van de aanvankelijk beoogde doelgroep onverkort in stand blijft.
Anderzijds zou uitbreiding van de doelgroep een veel te hoog bedrag (4,2 miljoen) aan extra middelen vereisen.

Niet in geschil is dat eisers beiden jonger zijn dan 65 jaar en langer dan drie jaar een minimaal inkomen hebben. Eisers verkeren derhalve in een gelijke situatie als een persoon van 65 jaar of ouder die gedurende ten minste drie jaar een minimaal inkomen heeft en een aanvraag om toekenning van bijzondere bijstand heeft ingediend in de kosten van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen.

In het licht van de onderhavige procedure stelt de rechtbank voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het licht van het doel van de hiervoor geformuleerde beleidsregel voor het gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.
Het doel van de onderhavige beleidsregel is een vereenvoudigde afdoening van aanvragen om toekenning van bijzondere bijstand aan bepaalde groepen bijstandsgerechtigden. Het feit dat de belanghebbenden reeds sedert minimaal drie jaar een minimaal inkomen hebben, leidt ertoe dat de bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw zijn gegeven. Indien tevens sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan, waartoe verweerder de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen als een televisie, stofzuiger en gasfornuis rekent, dan is het recht op bijzondere bijstand gegeven.

Ten opzichte van de belanghebbende die 65 jaar of ouder en bijstandsgerechtigd is, verkeren eisers als bijstandsgerechtigd gezin in een andere positie in die zin dat hen een andere bijstandsnorm toekomt dan de bijstandsgerechtigde oudere.
Ten aanzien van dit aspect merkt de rechtbank op dat zowel de op eisers toepasselijke bijstandsnorm als de op de oudere bijstandsgerechtigde toepasselijke norm binnen de grenzen van het door verweerder gehanteerde begrip "minimaal inkomen" blijven.
Voorts constateert de rechtbank dat beide eisers net als de 65-jarige oudere ontheven zijn van de sollicitatieverplichting als bedoeld in artikel 113 van de Abw. Dit betekent dat ervan uitgegaan mag worden dat eisers niet door middel van betaalde arbeid een hoger inkomen zullen kunnen verwerven.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte eisers niet tot de doelgroepen van de hiervoor genoemde beleidsregel heeft gerekend nu het onderscheid naar leeftijd zoals dat in deze beleidsregel wordt gemaakt niet op redelijke en objectieve gronden berust.

Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor gegrond worden gehouden en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Gelet op deze gegrondverklaring behoeft hetgeen overigens namens eisers is aangevoerd geen bespreking.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van
322,- per punt toe voor de indiening van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x 322,- x 1 = 644,-

Nu aan eisers ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 25 juli 2001 met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van
27,23 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op
644,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters            w.g. F.A.G.M. Vluggen




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 4 oktober 2002.




Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.




[NB: Deze uitspraak is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 25 januari 2005, LJN AQ6681, red.]
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Wik / Wwik / Awb
x
LJN:
x
AF0759
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 99/6032 NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW
Datum uitspraak: 25 juni 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb) / 6:18 en 6:19 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending sollicitatieverplichting; aankomend Wik-gerechtigde
Essentie: Terechte oplegging maatregelen van 20% gedurende twee maanden, omdat betrokkene zich telkens onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Dat zij in afwachting was van de inwerkingtreding van de Wik om als kunstenares van die voorziening gebruik te maken, doet daaraan niet af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 99/6032 NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 oktober 1999, reg.nrs. 98/494 ABW en 98/1358 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellante heeft mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van Steijn en gedaagde door G.J. Singel, werkzaam bij de gemeente Voorst.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante, vormgeefster/ontwerpster, ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit op bezwaar van 9 april 1998 heeft verweerder aan appellante een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de uitkering met 20% gedurende vier maanden, ingaande 1 november 1997. Bij besluit op bezwaar van 1 december 1998 heeft gedaagde een ingaande 1 augustus 1998 aan appellante opgelegde maatregel, bestaande uit een verlaging van de uitkering met 40% gedurende twee maanden, gehandhaafd. Aan beide besluiten ligt ten grondslag dat appellante, in strijd met de ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw op haar rustende verplichtingen, zich onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - de namens appellante tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat gedaagde in zoverre opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen. De rechtbank heeft - kort weergegeven en voor zover thans van belang - overwogen dat aan appellante inderdaad kan worden verweten dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en daarmee inschakeling in de arbeid heeft belemmerd, maar dat er ten aanzien van beide betrokken perioden geen grond is om een zwaardere maatregel op te leggen dan ter zake is voorzien in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), te weten een verlaging van telkens 20% gedurende twee maanden.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 17 november 1999 dienovereenkomstig beslist.

Met het hoger beroep beoogt appellante te bewerkstelligen dat, anders dan uit de aangevallen uitspraak voortvloeit, de aan haar opgelegde maatregelen volledig ongedaan worden gemaakt. Appellante is van mening dat haar ter zake geen enkel verwijt treft. Zij heeft daartoe aangevoerd dat gedaagde bekend was met haar, mede door haar gezinsomstandigheden ingegeven, wens om met behoud van de Abw-uitkering als kunstenares werkzaam te blijven en dat zij meermalen aan gedaagde heeft kenbaar gemaakt in de toekomst graag gebruik te willen maken van de mogelijkheden die de - toen nog in voorbereiding zijnde - Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) zou gaan bieden. In verband daarmee had gedaagde, aldus appellante, dienen te handelen overeenkomstig de circulaire "Toepassing Abw ten aanzien van kunstenaars" van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 1997, die heeft gegolden tot de inwerkingtreding van de Wik. In die circulaire heeft de minister aan de gemeenten kenbaar gemaakt dat in afwachting van de inwerkingtreding van de Wik een terughoudend rijkstoezicht zal worden uitgeoefend met betrekking tot kunstenaars in de bijstand.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Abw weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien de belanghebbende onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Abw wordt een dergelijke maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert, en wordt van het opleggen van een maatregel in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van de Abw zijn in het Maatregelenbesluit nadere regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de maatregelen.

Uit de gedingstukken blijkt, en tussen partijen is zulks ook niet wezenlijk in geschil, dat appellante in de betrokken perioden haar sollicitatieactiviteiten vrijwel volledig heeft beperkt tot haar eigen vakgebied. Daarmee is gegeven dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Abw was gedaagde dan ook gehouden telkens een maatregel op te leggen. Dat de minister in de hiervoor bedoelde circulaire heeft laten weten dat niet zal worden opgetreden tegen gemeenten die, in afwachting van de inwerkingtreding van de Wik, kunstenaars met een Abw-uitkering niet (meer) onverkort houden aan de verplichtingen van artikel 113 van de Abw, kan aan die gehoudenheid van gedaagde niet afdoen.

Nu voorts de door de rechtbank rechtens aanvaardbaar geoordeelde hoogte van de maatregelen in hoger beroep als zodanig niet is betwist, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 17 november 1999, welk besluit ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling van het hoger beroep wordt betrokken, ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 17 november 1999 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x