Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF0888
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/6339 NABW
Datum uitspraak: 3 september 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 106, 107 en 113 Abw (= 55, 9 en 9 Wwb) / 1:3 en 6:3 Awb
Trefwoorden: bezwaar; niet-ontvankelijk; verplichting tot onderwerping aan medische behandeling; rechtsgevolg; appellabel besluit
Essentie: Onterechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de verplichting zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard, omdat het opleggen van deze verplichting wťl een appellabel besluit inhoudt, aangezien het ertoe strekt dat op betrokkene de rechtsplicht komt te rusten de verplichting na te leven en derhalve is gericht op rechtsgevolg.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/6339 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Middelburg van 1 november 2000, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 juli 2002, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H. Hofman, werkzaam bij de gemeente Vlissingen.




II. Motivering


Bij besluit van 17 december 1999 heeft gedaagde appellant tot 1 juni 2000 ontheffing verleend van enkele van de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij heeft gedaagde onder meer het volgende opgenomen:
"Voorwaarde (...) is dat u vanaf heden tot 1 februari 2000 verplicht bent om een huisarts te zoeken en u via de huisarts te laten doorverwijzen naar de professionele hulpverlening. Als op 1 februari 2000 blijkt dat u aan deze voorwaarde niet hebt voldaan, dan kan dat consequenties hebben voor uw uitkering."

Daartegen heeft appellant bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 23 maart 2000 niet-ontvankelijk is verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het tegen het besluit van 23 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen.

De Raad overweegt het volgende.

Gedaagde heeft aan de aan appellant verleende ontheffing, die berust op artikel 107, tweede lid, van de Abw, de hiervoor weergegeven verplichting verbonden.

In artikel 106 van de Abw is, voor zover hier van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen kunnen verbinden die strekken tot inschakeling in de arbeid dan wel tot vermindering of beŽindiging van de bijstand.

De Raad kan uit de gedingstukken niet anders afleiden dan dat gedaagde met het opleggen van de onderhavige verplichting heeft beoogd te bevorderen dat de medische situatie van appellant verbetert, zodat appellant uiteindelijk (weer) in de arbeid kan worden ingeschakeld en zijn bijstandsuitkering kan worden verminderd of beŽindigd. Het opleggen van deze verplichting moet dan ook berusten op artikel 106 van de Abw. Daarmee staat vast dat wel degelijk sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

In het besluit van 23 maart 2000 heeft gedaagde aan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar ten grondslag gelegd dat sprake zou zijn van een op grond van artikel 6:3 van de Awb niet voor bezwaar en vervolgens beroep vatbaar besluit. Dit is onjuist. Het opleggen van een verplichting als bedoeld in artikel 106 van de Abw strekt ertoe dat op de betrokkene de rechtsplicht komt te rusten die verplichting na te leven. Van een besluit inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit is derhalve geen sprake. Dat voor het verbinden van een sanctie aan eventuele niet-naleving van de verplichting een afzonderlijk besluit nodig is, kan bovendien niet leiden tot het oordeel dat een besluit op grond van artikel 106 van de Abw de betrokkene niet rechtstreeks in zijn belang treft.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit van 23 maart 2000 dient te worden vernietigd. Gedaagde dient alsnog een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellant.

Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad ten slotte niet gebleken.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2000 gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt;
bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
Ä77,14 (É170,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   ABW / Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF0896
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/1107 NABW
Datum uitspraak: 29 oktober 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 30 en 57 ABW (= 65 en 81 Abw) (= 17 en 58 Wwb) / 69 Abw (= 54 Wwb) / 8:31 en 8:42 Awb
Trefwoorden: inlichtingenverplichting; bedrijfsbeŽindiging; tip; sociale recherche; beŽindiging bijstand; terugvordering; zesmaandenjurisprudentie; indiening verweerschrift
Essentie: Terechte beŽindiging en terugvordering bijstand wegens niet dan wel niet volledig nakomen van de inlichtingenverplichting (ter zake van het beŽindigde bedrijf), omdat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/1107 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te Den Haag, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 18 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 september 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Es, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. Motivering


Nadat appellant per 1 oktober 1995 was gestopt met zijn eigen bedrijf, is aan hem met ingang van 12 oktober 1995 een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend, welke later is voortgezet op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een melding heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. Op grond van de uitkomsten van dat onderzoek is bij besluit van 26 september 1997 de aan appellant over de periode van 12 oktober 1995 tot en met 31 december 1996 toegekende uitkering met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw ingetrokken. Tevens is bij dat besluit met toepassing van artikel 81 van de Abw hetgeen te veel aan uitkering is betaald, te weten een bedrag van É30.175,29, van appellant teruggevorderd.

Bij besluit op bezwaar van 16 juni 1998 heeft gedaagde zijn in het besluit van 26 september 1997 ingenomen standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 juni 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts zijn beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat gedaagde het intrekkingsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt vanaf 1 juli 1997, terwijl ook het terugvorderingsbesluit op een onjuiste wettelijke grondslag steunt. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien de rechtsgevolgen van zowel het intrekkingsbesluit als het terugvorderingsbesluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. De rechtbank heeft in dat verband, onder verwijzing naar de uit de gedingstukken blijkende onderzoeksresultaten, overwogen dat appellant de in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden en geoordeeld dat als gevolg van de schending van deze rechtsplicht het recht op uitkering niet is vast te stellen. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van artikel 57 van de ABW en artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals dat luidde tot 1 juli 1997, gehouden was tot terugvordering over te gaan.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Ter zitting van de Raad heeft appellant allereerst doen aanvoeren dat gedaagde naar aanleiding van het ingestelde hoger beroep geen verweerschrift heeft ingediend, zodat gedaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.

Appellant heeft betoogd dat reeds om die reden het beroep gegrond dient te worden verklaard en ook het besluit van 26 september 1997 niet in stand zal kunnen blijven.

De Raad stelt vast dat gedaagde - hoewel daartoe door de Raad bij brief van 23 mei 1999 uitgenodigd - geen verweerschrift heeft ingediend, zodat gedaagde inderdaad in strijd is gekomen met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt, verbindt (artikel 8:31 van) de Awb aan het niet of niet tijdig indienen van een verweerschrift echter geen gevolgen. Dat neemt overigens niet weg dat, indien geen verweerschrift wordt ingediend, het bestuursorgaan - afhankelijk van de overige gedingstukken - het risico loopt dat stellingen van de wederpartij als niet betwist worden beschouwd. In het onderhavige geval bestaat daarvoor geen grond.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw niet dan wel niet volledig is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet meer kan worden vastgesteld of appellant in de hier van belang zijnde periode in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de Abw. Blijkens de gegevens die appellant bij zijn aanvraag om bijstand aan gedaagde heeft verstrekt, waren alle activiteiten van zijn bedrijf per 1 oktober 1995 gestopt in verband met het feit dat de bank de kredieten had opgezegd. Het bedrijf was verkocht en het personeel ontslagen. Appellant heeft meegedeeld dat hij zich nog slechts bezighield met de afwikkeling van het bedrijf. Uit het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek blijkt echter dat appellant ook nadat hem uitkering was verleend, nog regelmatig op het bedrijfsterrein aanwezig was. Ter zitting van de Raad heeft hij in dit verband zelfs verklaard dat hij er dagelijks was. Ook heeft appellant naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek verklaard dat hij de nieuwe eigenaar heeft bijgestaan en geadviseerd bij het voortzetten en uitbouwen van de bedrijfsactiviteiten om zo de mogelijkheid te creŽren als werknemer in het bedrijf terug te keren, hetgeen appellant per 1 januari 1997 ook is gelukt. Het feit dat appellant met ingang van 1 juli 1996 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven als procuratiehouder van het bedrijf heeft appellant evenmin tijdig aan gedaagde gemeld.

Appellant heeft erop gewezen dat hij bij zijn aanvraag om bijstand een op 12 oktober 1995 gedateerde overeenkomst van geldlening heeft overhandigd, waaruit blijkt dat hij van zijn vader een lening ontvangt "tot het opnieuw opstarten van een eigen onderneming" welke lening bestaat "uit een maandelijkse bijdrage welke afhankelijk is van de uitgave voor levensonderhoud. Dit ter ondersteuning van de uitkering verkregen bij de dienst Sociale Zaken." Appellant is van opvatting dat hij met het overleggen aan gedaagde van dit stuk aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Nog daargelaten dat appellant ten tijde hier in geding niet zelf weer een bedrijf is begonnen, is de Raad echter van oordeel dat de door appellant bij de zogeheten intake overigens verstrekte gegevens zodanig waren dat niet kan worden geoordeeld dat gedaagde op grond van de overeenkomst van geldlening had kunnen en moeten concluderen dat appellant vanaf de aanvang van de hem verleende bijstandsuitkering ten behoeve van de eigenaar van het nieuwe bedrijf werkzaamheden zou gaan verrichten.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat uit de door hem overgelegde jaarstukken van de onderneming ten behoeve waarvan hij als adviseur activiteiten heeft verricht, blijkt dat de resultaten van die onderneming zodanig waren dat hem voor zijn adviserende taak geen geldelijke tegemoetkoming kon worden verleend. De Raad overweegt dienaangaande dat, wat hiervan ook zij, zulks niet afdoet aan het oordeel dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen als gevolg waarvan het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld.

De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de vanaf 12 oktober 1995 verleende uitkering in stand heeft gelaten.

Nu met het voorgaande is gegeven dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 57 van de ABW respectievelijk artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw is voldaan en niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid (oud), van de Abw, heeft de rechtbank voorts terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dat ziet op de terugvordering in stand gelaten.

Appellant heeft, evenals in eerste aanleg, nog een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 21 oktober 1996 (gepubliceerd in RSV 1995/122). Appellant stelt zich in dit verband op het standpunt dat er gelet op de informatie die blijkt uit de overeenkomst van geldlening van 12 oktober 1995 geen grond is voor terugvordering van bijstand welke is verstrekt na 1 april 1996.

De Raad merkt dienaangaande allereerst op dat die jurisprudentie betrekking heeft op wettelijke bepalingen waarin, anders dan in artikel 57 van de ABW en artikel 81 van de Abw, sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. De in het onderhavige geval van toepassing zijnde bepalingen uit de ABW en de Abw leggen het bestuursorgaan daarentegen de verplichting op om tot terugvordering te besluiten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 25 september 2001 (gepubliceerd in RSV 2001/270). Overigens heeft de Raad meer dan eens geoordeeld (zie onder meer zijn uitspraak van 15 september 1999; gepubliceerd in RSV 2000/17) dat de door appellant bedoelde jurisprudentie niet van toepassing is in situaties als de onderhavige, waar de betrokkene opzettelijk bepaalde, voor de toepassing van de betrokken wettelijke voorschriften van belang zijnde, gegevens heeft verzwegen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF0905
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/8 NABW en 01/1796 NABW
Datum uitspraak: 3 september 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 17, 39 en 68 (oud) Abw (= 15, 35 en Ė Wwb) / 4:5 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; medicijnkosten; weigering overleggen originele nota's; privacy; niet behandelen aanvraag; inleveren originele nota's; fotokopieŽn
Essentie: Terecht zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor medicijnkosten niet in behandeling genomen, omdat betrokkene (uit privacyoverwegingen) weigert de voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke originele nota's van de apotheek te overleggen waarop zichtbaar is om welke medicijnen het gaat. Ten onrechte wordt van hem verlangd dat hij de originele nota's (van andere kostenposten waarvoor hij tevens bijzondere bijstand heeft aangevraagd) inlevert ter bewaring in de administratie van de sociale dienst, omdat kan worden volstaan met de originele notaís te laten tonen en daar vervolgens kopieŽn van te maken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/8 NABW en 01/1796 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Haarlem tussen partijen gewezen uitspraken van respectievelijk 22 november 1999 en 13 februari 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend. Mr. Fischer heeft in de zaak met het reg.nr. 00/8 NABW een reactie gegeven op het verweerschrift, waarop gedaagde weer heeft gereageerd.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 augustus 2002, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. Fischer, en waar gedaagde - zoals aangekondigd - zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft - voor zover hier van belang - bij besluit van 28 juli 1998 de aanvraag van appellant van 30 juni 1998 om bijzondere bijstand in de kosten van medicijnen op grond van artikel 68, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) niet in behandeling genomen, op de grond dat appellant de aanvraag niet binnen de gestelde termijn heeft aangevuld met de - originele - nota van de Centraal Apotheek waarop zichtbaar is voor welke medicijnen vergoeding wordt gevraagd. Bij besluit van 23 oktober 1998 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 28 juli 1998 ongegrond verklaard.

Het tegen het besluit van 23 oktober 1998 ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort gezegd en voor zover hier van belang - het standpunt van gedaagde onderschreven dat het, gelet op het bepaalde in de artikelen 17 en 39 van de Abw, voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand noodzakelijk is dat gedaagde kennis neemt van de precieze aanduiding van de medicijnen in de kosten waarvan appellant bijstand vraagt.

Het hoger beroep richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank.

Op 23 oktober 1999 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor een aantal nadere kosten, waaronder opnieuw kosten van medicijnen. Gedaagde heeft aan appellant verzocht om deze aanvraag binnen een bepaalde termijn aan te vullen door alsnog de daarop betrekking hebbende originele notaís in te leveren, waarbij op de notaís voor de medicijnen zichtbaar dient te zijn voor welke medicijnen vergoeding wordt gevraagd. Omdat appellant geen gehoor heeft gegeven aan dit verzoek, heeft gedaagde bij besluit van 25 januari 2000 - voor zover hier van belang - ook deze aanvraag op grond van artikel 68, vierde lid, van de Abw buiten (verdere) behandeling gelaten. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 15 juni 2000 ongegrond verklaard.

Het tegen het besluit van 15 juni 2000 namens appellant ingestelde beroep is gericht tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep, met een bepaling ter zake van griffierecht, gegrond verklaard en het besluit van 15 juli 2000 in zoverre vernietigd, omdat het berust op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven.

Ook tegen deze uitspraak heeft appellant zich in hoger beroep gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.



Met betrekking tot het geding reg. nr. 00/8 NABW

De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 23 oktober 1998 gedeeltelijk berust op een onjuiste wettelijke grondslag, namelijk op het per 1 januari 1998 vervallen artikel 68, vierde lid (oud), van de Abw. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard en het besluit van 23 oktober 1998 - voor zover thans nog in geschil - dient te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak van 22 november 1999 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 23 oktober 1998 in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb is de aanvrager verplicht gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:3, eerste lid, van de Awb kan de aanvrager weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

Vaststaat dat appellant heeft geweigerd om, binnen de daarvoor gestelde termijn, gevolg te geven aan het verzoek van gedaagde om de medicijnen, waarvoor hij een aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, aan gedaagde bekend te maken.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het, gelet op de artikelen 17 en 39, eerste lid, van de Abw, voor de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand noodzakelijk is dat gedaagde op de hoogte is van de precieze aanduiding van de medicijnen waarvoor deze bijstand wordt gevraagd. Deze kennis is voor gedaagde tevens onmisbaar bij de beantwoording van de vraag of hij zich bij de beoordeling van het recht op bijstand moet laten adviseren door een arts van de GGD, waarbij de Raad nog opmerkt dat een dergelijk medisch oordeel geen antwoord geeft op de vraag of aan alle in de artikelen 17 en 39 van de Abw opgenomen vereisten voor het toekennen van een aanvraag om bijzondere bijstand wordt voldaan. Het door appellant gedane beroep op bescherming van zijn privacy is ook naar het oordeel van de Raad terecht niet gehonoreerd, aangezien het daarin gelegen belang niet opweegt tegen het belang van kennisneming van gegevens voor het door gedaagde te nemen besluit. De Raad tekent daarbij nog aan dat voor gedaagde en zijn medewerkers een geheimhoudingsplicht geldt, zodat deze gegevens vertrouwelijk worden behandeld en niet zonder meer aan derden ter inzage worden gegeven. Het vorenstaande leidt ertoe dat de in hoger beroep aangevoerde grieven niet kunnen slagen.

De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
Ä1288,-, voor verleende rechtsbijstand.



Met betrekking tot het geding reg. nr. 01/1796 NABW

Nu de gedingen 00/8 en 01/1796 NABW voor zover het betreft de aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van medicijnen identiek zijn, zal de Raad hier volstaan met verwijzing naar het hiervoor overwogene. De aangevallen uitspraak van 13 februari 2001 komt derhalve wat dit onderdeel betreft voor bevestiging in aanmerking.

Resteert nog de vraag of de rechtbank terecht - ook ten aanzien van de overige kostenposten - de rechtsgevolgen van het besluit van 15 juni 2000 in stand heeft gelaten, onder toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb in verband met de weigering van appellant om originele notaís in te leveren. In dit verband is van belang dat appellant zich bereid heeft getoond om de originele nota's van de overige kostenposten te tonen, maar er bezwaar tegen heeft dat door hem over te leggen originele nota's, zoals gedaagde verlangt, in de administratie van gedaagde worden opgenomen.

De Raad acht het met het oog op een correcte beoordeling en effectieve controle van het recht op bijstand gerechtvaardigd dat (medewerkers van) gedaagde originele nota's kunnen inzien voor zover deze relevant zijn voor een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Abw. De Raad vermag echter niet in te zien dat, bezien vanuit een oogpunt van toepassing van de Abw, ook het in het bezit (blijven) houden van originele nota's noodzakelijk is. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat hetgeen door gedaagde naar voren is gebracht omtrent het voorkomen van fraude kan worden ondervangen door appellant de originele notaís te laten tonen en daar vervolgens kopieŽn van te laten maken.

Voor zover gedaagde zich erop beroept dat hij de originele notaís in bezit moet hebben
- en houden - om een administratie te voeren conform de in de hoofdstukken IX en X van de Abw daaraan te stellen eisen, verwijst de Raad naar de toelichting op artikel 6 van de Regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Abw, Ioaw en Ioaz 1996, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
"Het gaat erom dat aantoonbaar wordt vastgelegd dat er een juiste op
de wet gebaseerde beslissing is genomen. Dit houdt onder meer in dat het niet voldoende is om vast te leggen dat er is geverifieerd. De bescheiden waaraan is getoetst, dienen in afschrift in de dossiers aanwezig te zijn dan wel in de dossiers dient er een verwijzing te zijn naar andere delen van de administratie, bijvoorbeeld een register."

Gelet op het vorenstaande is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant ten onrechte is tegengeworpen dat hij geweigerd heeft originele notaís ter bewaring in gedaagdes administratie in te leveren. De rechtbank heeft derhalve in zoverre ten onrechte de rechtsgevolgen in stand gelaten. De Raad acht het aangewezen om de aangevallen uitspraak in zijn geheel te vernietigen en opnieuw recht te doen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
Ä1288,-, voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

Met betrekking tot het geding onder nummer 00/8 NABW:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 23 oktober 1998 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover in beroep bestreden;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
Ä1288,-, te betalen door de gemeente Heemstede;
bepaalt dat de gemeente Heemstede aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal
Ä102,10 (É225,-) vergoedt.

Met betrekking tot het geding onder nummer 01/1796 NABW:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juni 2000 gegrond en vernietigt dat besluit - voor zover in beroep bestreden - met uitzondering van de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag met betrekking tot de medicijnen;
bepaalt dat gedaagde in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
Ä1288,-, te betalen door de gemeente Heemstede;
bepaalt dat de gemeente Heemstede aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal
Ä106,85 (É230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AF1081
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Zutphen
Zaaknummer: 02/1355 en 02/1400
Datum uitspraak: 6 november 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 3 Abw (= 3 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; beŽindiging bijstand; wederzijdse zorg; financiŽle verstrengeling; intrekking verklaring; sociale recherche
Essentie: Terechte beŽindiging bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding, omdat (onder meer) sprake is van wederzijdse verzorging en financiŽle verstrengeling en het inkomen meer bedraagt dan de gehuwdennorm. Indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, mag van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan, tenzij is gebleken dat die verklaring niet in vrijheid is afgelegd, waarvan i.c. geen sprake is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Zutphen 02/1355 en 02/1400




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], verzoekster/eiseres, hierna: eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.




1. Bestreden besluit


Besluit van verweerder van 25 september 2002, houdende ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van 13 augustus 2002, waarbij verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juni 2002 heeft beŽindigd.




2. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. M.J. van Dijk, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Zutphen, bij brief van 2 oktober 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 25 september 2002 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 oktober 2002, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. te Hennepe, bijgestaan door [naam sociaal rechercheur], sociaal rechercheur.




3. Motivering


Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.

Verweerder heeft aan de beŽindiging van de bijstandsuitkering per 1 juni 2002 ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met de heer [X] (hierna: [X]) en diens inkomsten meer bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Verweerder heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan hetgeen eiseres heeft verklaard tijdens het vierde verhoor door de sociale recherche.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Eiseres heeft erop gewezen dat zowel zij als [X] beschikken over een eigen woning en dat niet is gebleken dat zij gezamenlijk hoofdverblijf in ťťn der beide woningen hebben.
Tevens heeft zij bestreden dat er sprake is van wederzijdse verzorging. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte waarde heeft toegekend aan haar verklaringen zoals weergegeven in het proces-verbaal van het vierde verhoor.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Eiseres heeft volgens het proces-verbaal tijdens het vierde verhoor uiteindelijk verklaard - samengevat - dat zij al gedurende ťťn jaar met [X] samenwoont in twee huizen, dat zij het laatste jaar iedere nacht bij elkaar slapen, afwisselend in elkaars woningen, dat zij ook overdag heel veel bij elkaar zijn, met name in de woning annex praktijkruimte van [X] te [woonplaats], waarbij eiseres ook werkzaamheden verricht in de praktijk (voor natuurgeneeswijzen) van [X].

Met betrekking tot de vraag of verweerder op deze verklaringen, zoals opgenomen in het mede door eiseres ondertekende proces-verbaal, heeft mogen afgaan, moet voorop worden gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een politiefunctionaris en/of een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan, tenzij is gebleken dat de eerste verklaring niet in vrijheid is afgelegd.

Aannemelijk is dat eiseres als gevolg van vermoeidheid en ongerustheid over de opvang van haar zoon onder een zekere druk heeft gestaan tijdens het vierde verhoor, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiseres haar verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Voorts is het niet aannemelijk dat eiseres, wier moedertaal Engels is, als gevolg van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal verklaringen heeft afgelegd die niet overeenkwamen met haar bedoelingen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat eiseres - ook na consultatie van haar gemachtigde, die, zo bleek ter zitting, door eiseres tussen het derde en het vierde verhoor in het Nederlands werd geconsulteerd - geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de verhoren in de Nederlandse taal werden afgenomen. Bovendien heeft de sociaal rechercheur [naam sociaal rechercheur], die de verhoren mede heeft afgenomen, ter zitting verklaard dat hem niet is gebleken dat eiseres de gestelde vragen en hetgeen zij in antwoord daarop heeft verklaard niet goed zou hebben begrepen. Voorts zijn er - mede gelet op het verhandelde ter zitting - onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de schriftelijke weergave van de verklaringen van eiseres onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat deze weergave door andere oorzaken inhoudelijk niet overeenkomt met hetgeen door eiseres mondeling is verklaard.
Eiseres kan derhalve niet worden gevolgd in haar standpunt dat aan haar verklaringen, zoals weergegeven in het proces-verbaal, geen waarde had mogen worden toegekend.

Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning, heeft te gelden dat daarvan volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer uitspraak van 20 juni 2000, JABW 2000/130) ook sprake kan zijn in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke woonruimte. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts ťťn van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

In het onderhavige geval is redelijkerwijs aannemelijk dat zich een situatie van samenwoning voordoet door de wijze waarop van beide woningen gebruik wordt gemaakt. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van eiseres valt immers af te leiden dat eiseres en [X] reeds een jaar lang de avonden en nachten gezamenlijk afwisselend in de ene of de andere woning doorbrengen en overdag meestal gezamenlijk verblijven in met name de woning annex praktijkruimte van [X]. Hierbij is ook van belang dat eiseres, naar zij tijdens het vierde verhoor heeft verklaard, een sleutel heeft van de praktijk van [X] en deze een sleutel heeft van haar woning. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de overige bevindingen van de sociale recherche, verkregen uit observaties en verhoren van derden, het beeld van feitelijke samenwoning bevestigen, waarbij verder nog van belang is dat eiseres en [X] sommige weekeinden gezamenlijk doorbrengen in de stacaravan van [X] te [plaats]. De omstandigheid dat bij onderzoek in de woning van eiseres geen eigendommen van [X] zijn aangetroffen en zich - naar eiseres onweersproken heeft gesteld - in de woning van [X] geen eigendommen van haar bevinden, is van onvoldoende gewicht om niet aannemelijk te achten dat sprake is van een feitelijke situatie van samenwoning.
Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan het vereiste van gezamenlijke huisvesting in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder eveneens met juistheid geconcludeerd dat sprake is van wederzijdse verzorging in de zin van deze bepaling. In dit verband is van belang dat uit de verklaringen van eiseres tijdens het vierde verhoor (onder meer) blijkt dat zij vrijelijk kon beschikken over de auto van [X] zonder dat zij daarvoor (met inbegrip van de brandstof) een vergoeding verschuldigd was, dat [X] wel eens kleding kocht voor de zoon van eiseres en diens zwemlessen betaalde, dat het [X] was toegestaan om de zoon van eiseres van school op te halen (hetgeen bij de school bekend was), dat [X], als hij bij eiseres verbleef, meeat zonder daarvoor een vergoeding te betalen, dat eiseres kon gebruik maken van de stacaravan van [X] zonder dat zij aan hem een vergoeding was verschuldigd en ten slotte dat eiseres en [X] ieder ongeveer de helft van de kosten van de huishouding betaalden.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de bijstandsuitkering van eiseres terecht en op goede gronden per 1 juni 2002 heeft beŽindigd. Het beroep is derhalve ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.




4. Beslissing


De voorzieningenrechter,

recht doende:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.




[NB: Deze uitspraak is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 20 juli 2004, LJN AS8223, red.]
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AF1186
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/5832 NABW
Datum uitspraak: 29 april 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 en 106 Abw (= 35 en 55 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; reiskosten naar psycholoog; beperking duur bijzondere bijstand; beperking behandelfrequentie; verplichting strekkende tot vermindering van bijstand; GGD-advies; verklaring behandelend medisch specialist
Essentie: Terechte beperking tot ťťn jaar van het recht op bijzondere bijstand voor reiskosten naar de klinisch psycholoog in Amsterdam, terechte oplegging van de verplichting om binnen een redelijke termijn op zoek te gaan naar een vervangende voorziening voor de behandelingen binnen de gemeente Den Haag en terechte vaststelling van de behandelfrequentie op gemiddeld eens per maand. Het bestreden besluit is gebaseerd op deugdelijke GGD-adviezen, terwijl aan de verklaringen van de behandelend zenuwarts de nodige motivering ontbreekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/5832 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 14 september 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Bij faxbericht van 8 maart 2002 is van de zijde van appellante nog een nader stuk ingezonden.

Het geding is, gevoegd met de gedingen tussen partijen, genummerd 99/3306 NABW en 00/5835 NABW, behandeld ter zitting van 19 maart 2002.
Aldaar is appellante in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.G.H. van de Wetering, voornoemd, en heeft gedaagde zich doen vertegenwoordigen door G.R.L. Berkes, werkzaam bij de gemeente Den Haag. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. Motivering


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is sedert 1996 wegens psychische klachten onder behandeling van de in Amsterdam gevestigd medisch psycholoog A.J. Kuiper. Voor de daaraan verbonden reiskosten heeft zij bij besluit van 19 augustus 1997 bijzondere bijstand ontvangen. Op 9 april 1998 heeft appellante om voortzetting van de bijzondere bijstand voor deze reiskosten gevraagd.

Gedaagde heeft bij besluit van 1 december 1998 aan appellante het volgende meegedeeld:
"Hierbij delen wij u mede dat aan u over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 augustus 1999 een bijzonderebijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) voor kosten in verband met gebruik van openbaar vervoer is toegekend tot een bedrag van É28,- per maand. Van toepassing is artikel 39 Abw.
Bij dit besluit is het advies van 16 september 1998 van de Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (GGD) betrokken. Dit besluit is genomen overeenkomstig het advies.
Afhankelijk van wijzigingen in uw situatie of van wet en regelgeving kan dit bedrag of de periode worden aangepast.
U bent verplicht direct alles te melden wat van invloed kan zijn op uw uitkering. Als dit mogelijk is, moet u daarvan bewijsstukken overleggen. Bovendien dient u die medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. Van toepassing is artikel 65 Abw. Indien u deze verplichting niet nakomt, kan uw uitkering worden verlaagd, opgeschort of beŽindigd.
De vergoeding voor reiskosten van en naar uw behandelaar in Amsterdam is gelimiteerd tot ťťn bezoek per maand.
Tevens dient u in de periode tot 31 augustus 1999 op zoek te gaan naar een voorliggende voorziening voor uw behandelingen in Amsterdam binnen de gemeente Den Haag. Na 31 augustus 1999 is er geen vergoeding meer mogelijk voor de reiskosten van en naar uw behandelaar in Amsterdam."

Bij besluit van 25 juni 1999 heeft gedaagde de door appellante tegen het besluit van 1 december 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Daartoe is onder meer het volgende overwogen:
"Het bezwaar richt zich verder niet tegen de hoogte van het verstrekte bedrag, echter wel tegen de periode, de limiet van het aantal bezoeken en de grenzen waarbinnen geacht wordt voor na 31 augustus 1999 een voorliggende voorziening te vinden.
Ten aanzien van de periode en de limiet kan het volgende opgemerkt worden. Een positief GGD-advies geldt altijd voor maximaal ťťn jaar tenzij op het advies een kortere periode is aangegeven. In casu is van dit laatste geen sprake, zodat naar onze mening redelijkerwijze in de beschikking een termijn tot 31 augustus 1999 opgenomen kon worden. Gezien het feit dat de bestreden beschikking mede vermeldt dat de periode aangepast kan worden indien er wijzigingen zijn in de situatie kan, nadat u uw operatie heeft ondergaan, indien nodig blijkt alsnog een nieuwe keuring aangevraagd worden. Van een uitsluiting van een verlening (lees: verlenging) op basis van medische gronden blijkt dus niet uit de bestreden beschikking. Voor wat betreft de in de keuring vermelde bezoekfrequentie van gemiddeld eens per maand kan opgemerkt worden dat niet is gebleken van een noodzaak van een eventuele uitloopfrequentie tot vijftien bezoeken.
Ten aanzien van de grenzen van de voorliggende voorziening na 31 augustus 1999 is uit onderhoud met de GGD-arts en de bijstandsmedewerker duidelijk naar voren gekomen dat u gezien uw persoonlijke gesteldheid op dit moment redelijkerwijze geacht kan worden zelf te zoeken naar een voorliggende voorziening binnen de gemeente Den Haag. Volgens de GGD zijn er namelijk voldoende voorzieningen binnen de gemeente aanwezig.
Naar aanleiding van het horen in bezwaar heeft u alsnog een lijst overgelegd met de door u inmiddels geraadpleegde instanties vanaf juli 1998. Hieruit blijkt dat er bij een aantal psychologen een wachtlijst wordt gehanteerd. Naar onze mening kan redelijkerwijze geacht worden dat u zich daarop laat inschrijven om zo voor zover nodig na 31 augustus 1999 verzekerd te zijn van een plaats. Het verweer dat u geen beroep mag doen op het RIAGG vanwege het vrijwilligerswerk is naar onze mening niet aannemelijk geworden. Het lijkt ons dat gezien de omvang van het RIAGG in de gemeente enigszins een hulpverlener, dan wel hulpverleners, voor handen zijn waarmee u nog niet in contact bent getreden. Bovendien kunt u een beroep doen op de geheimhoudingsplicht."

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 25 juni 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Blijkens het aanvullend beroepschrift zijn de bezwaren van appellante gericht tegen:
- de in het primaire besluit opgenomen beperking van de periode waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met de toevoeging dat na 31 augustus 1999 geen vergoeding meer mogelijk is;
- de frequentie van de noodzakelijk geachte bezoeken; en
- de aan de bijstandverlening verbonden verplichting om in de periode tot 31 augustus 1999 op zoek te gaan naar een vervangende voorziening voor haar behandelingen binnen de gemeente Den Haag.

Met betrekking tot de in het primaire besluit opgenomen beperking van de periode waarover bijzondere bijstand in de onderhavige reiskosten wordt verleend, overweegt de Raad dat gedaagde blijkens de overwegingen in het bestreden besluit na heroverweging van het primaire besluit is teruggekomen van deze strikte duurbeperking. Gedaagde stelt zich na bezwaar op het standpunt dat het positieve GGD-advies ook in dit geval voor ťťn jaar geldt, dat de periode van bijstandverlening kan worden aangepast en dat verlenging op medische gronden derhalve niet uitgesloten is.

De Raad ziet geen grond om te oordelen dat gedaagde niet vast mocht houden aan de in het primaire besluit aangegeven beperking van de periode waarover de bijzondere bijstand was toegekend. Hij stelt voorts vast dat de toevoeging in dat besluit dat na 31 augustus 1999 geen vergoeding meer mogelijk was, door gedaagde is herroepen in het besluit op bezwaar, zodat dit punt geen verdere bespreking behoeft.

Wat de frequentie van de noodzakelijke geachte bezoeken betreft, is de Raad van oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijke kosten heeft kunnen afgaan op het gestelde in het advies van de GGD van 16 september 1998, dat een behandelfrequentie van gemiddeld eens per maand redelijk is. Hetgeen van de zijde van appellante - onder overlegging van een brief van de zenuwarts M. van der Velden te Den Haag van 20 februari 2002 ter zake is aangevoerd - heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Met betrekking tot de verplichting welke gedaagde aan de verlening van bijzondere bijstand heeft verbonden, te weten dat zij op zoek gaat naar een vervangende voorziening voor haar behandelingen binnen de gemeente Den Haag, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 106 van de Abw, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die strekken tot vermindering of beŽindiging van de verleende bijstand.

Nu vaststaat dat de bijstandverlening in de onderhavige reiskosten kan worden beŽindigd indien appellante zich onder behandeling stelt van een medisch psycholoog in de gemeente Den Haag, was gedaagde op grond van laatstgenoemde bepaling in beginsel bevoegd om aan de bijstandverlening de verplichting te verbinden dat appellante pogingen in het werk stelt om een andere medisch psycholoog in haar woonomgeving te vinden.

De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in dit verband is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid tot het opleggen van deze verplichting heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

In het bijzonder ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat van appellante niet kan worden gevergd dat zij pogingen onderneemt om voor de door haar te volgen therapie een behandelaar in haar eigen woonomgeving te vinden. De in dit verband door de gemachtigde van appellante overgelegde brief van de zenuwarts M. van der Velden te Den Haag van 20 februari 2002, waarin deze verklaart dat vervanging van de behandelaar door een behandelaar in de omgeving van Den Haag niet wenselijk is en voortzetting van de behandeling door de psycholoog Kuiper medisch noodzakelijk is, is hiertoe naar het oordeel van de Raad ontoereikend. Met name is in de brief van genoemde zenuwarts geen op de persoon van appellante toegesneden motivering te lezen voor diens conclusie dat appellante voor de door haar te volgen therapie noodzakelijkerwijs blijft aangewezen op behandeling door haar Amsterdamse therapeut Kuiper.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x