Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AF1374
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: Abw 02/354-NIFT
Datum uitspraak: 11 november 2002
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 7 en 11 Abw (= 11 en 16 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; onrechtmatig verblijf kinderen; Koppelingswet; alleenstaandennorm; zeer dringende redenen; GBA-code 31; Joegoslaven
Essentie: Terechte toekenning bijstand naar de alleenstaandennorm in plaats van de alleenstaandeoudernorm, omdat de kinderen van betrokken vreemdeling volgens de vreemdelingendienst geen verblijfsstatus hebben en ten onrechte op het pasje van betrokkene staan vermeld. Indien betrokkene het daarmee niet eens is, dient hij zich tot de vreemdelingendienst te wenden; B&W vervullen slechts een lijdelijke rol.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Rechtbank Rotterdam Abw 02/354-NIFT




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 1 juni 2001 (verzonden op 8 juni 2001) heeft verweerder eiser met ingang van 20 maart 2001 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, vermeerderd met een toeslag van 20%, toegekend.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 10 juli 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder, onder intrekking van de beslissing op bezwaar van 14 januari 2002, en gelet op het advies dat de Sociale Kamer van de commissie bezwaar- en beroepschriften heeft uitgebracht, het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 5 februari 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 9 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2002. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz-Pierik.




2. Overwegingen



Feiten en omstandigheden

Eiser is bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 7 september 2000 als vluchteling tot Nederland toegelaten. De vergunning tot verblijf is op grond van artikel 29b van de Vreemdelingenwet afgegeven en geldt voor bepaalde tijd vanaf 1 november 2000 tot 1 november 2005. Op de achterzijde van de vergunning staat vermeld dat de vergunning tevens geldig is voor inwonende kinderen jonger dan 12 jaar.

Op 10 mei 2001 is eiser gehuwd met [mevrouw X], geboren [...] 1976. Beiden zijn in 1998 vanuit het voormalige JoegoslaviŽ in Nederland aangekomen, waar zij asiel hebben aangevraagd. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren: [kind Y], geboren [...] 1998 te Capelle aan den IJssel en [kind Z], geboren [...] 2001 te Capelle aan den IJssel. Beide kinderen zijn op 10 oktober 2000, de jongste derhalve vůůr zijn geboorte, erkend door eiser. Eiser ontvangt sinds 20 november 2000 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Hij woont dan, met zijn gezin, in bij zijn schoonmoeder.

Eiser heeft met ingang van 20 maart 2001 zelfstandige woonruimte aan de [straatnaam] te Capelle aan den IJssel gekregen en hij verhuist diezelfde dag met zijn partner en de beide kinderen naar de [straatnaam].

Verweerder heeft naar aanleiding van deze verhuizing aan eiser met ingang van 20 maart 2001 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, vermeerderd met een toeslag van 20% omdat hij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet meer met een ander kan delen. Voorts heeft verweerder eiser medegedeeld dat, nu het door hem overgelegde verblijfsdocument niet in overeenstemming is met de verblijfcodes van de kinderen in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) hierover uitsluitsel dient te worden gegeven door de vreemdelingendienst. Dat is in dit geval ook gebeurd. Informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet juist is dat beide kinderen op het pasje van eiser staan vermeld. Uitgangspunt van de wet is dat er geen bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een geldig verblijfsdocument beschikt. Dit is ook het oogmerk van de Koppelingswet. Dit is nog steeds onverkort van kracht. Het vorenstaande geldt tevens voor opname in de gezinsbijstand van (een) kind(eren). Aan de betekenis van code 31, geen recht op bijstand, dient dan ook toepassing te worden gegeven.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de door eiser ingediende bezwaren tegen het besluit van 1 juni 2001 ongegrond verklaard. Daarbij vormen de overwegingen in het advies van de Sociale Kamer van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften de motivering van het besluit. Deze commissie heeft, blijkens het bijgevoegde advies, overwogen dat de kinderen van eiser in de GBA zijn opgenomen onder vermelding van de code 31. Code 31 betekent dat men niet over een geldige verblijfstitel beschikt, zodat men ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw geen recht op bijstand heeft. Nadere informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet juist is dat de kinderen op het pasje van eiser staan vermeld. Volgens de vreemdelingendienst wordt het oudste kind bij de procedure van de moeder betrokken en is voor het jongste kind een afzonderlijke aanvraag om toelating ingediend. De commissie stelt vast dat, nu er sprake is van discrepantie tussen de door eiser overgelegde bescheiden en de gegevens in de GBA, de vreemdelingendienst uitsluitsel dient te geven over de verblijfstitel. Het is ook aan de vreemdelingendienst deze gegevens met elkaar in overeenstemming te brengen. In die zin vervult de gemeente een lijdelijke rol. De gemeente heeft in formele zin een correct besluit genomen door de bijstandsnorm van eiser, gelet op code 31 bij de kinderen in de GBA, te handhaven op de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Uitgangspunt van de Abw is dat geen bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een geldige verblijfstitel beschikt. Dit geldt ook voor opname in de gezinsbijstand van de kinderen. Daarnaast is het niet mogelijk om wegens zeer dringende redenen de bijstandsnorm van eiser ten behoeve van de kinderen te verhogen omdat artikel 11, tweede lid, van de Abw dit uitsluit. Voorts heeft de Sociale Kamer geconstateerd dat er bij een andere overheidsinstantie een fout is gemaakt waardoor het verblijfsdocument van eiser niet in overeenstemming is met de verblijfcodes van de kinderen in de GBA. De Sociale Kamer heeft de aanbeveling gedaan om te bevorderen dat over deze discrepantie duidelijkheid komt, ofwel door tussenkomst van het Rijksconsulentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dan wel door rechtstreeks contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de vreemdelingendienst.
Verweerder heeft besloten deze aanbeveling niet over te nemen.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

In beroep heeft de gemachtigde van eiser het volgende aangevoerd.
In de eerste plaats heeft de gemachtigde gewezen op de hierboven genoemde aanbeveling van de Sociale Kamer van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Verweerder heeft deze aanbeveling in het bestreden besluit geheel terzijde gelegd en weigert hieraan te voldoen. Dat is in strijd met het vertrouwen dat een burger in de overheid mag stellen. De Sociale Kamer en verweerder constateren dat de vreemdelingendienst ten aanzien van eiser een foutieve code in de GBA heeft opgegeven, aldus eiser. Verweerder dient, alvorens een zo nadelige beslissing te nemen, de zaak op te helderen. Ook heeft verweerder onredelijk en in strijd met de rechtszekerheid gehandeld. Verweerder kent de feitelijke situatie van eiser en toch behandelt verweerder eiser als een alleenstaande.



Wettelijk kader

Per 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet van 26 maart 1998 tot wijzigingen van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (hierna: de Koppelingswet).

Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen.

Artikel 7 van de Abw luidt sindsdien (tot 1 april 2001, de datum van de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000) als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz - zijnde de op het derde lid van artikel 7 van de Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur - luidde (tot 1 april 2001) als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet (...) wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. vůůr de beŽindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

In het per 1 juli 1998 in werking getreden artikel 1b van de Vreemdelingenwet (oud) is bepaald dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.

Artikel 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het aan vreemdelingen die houder zijn van een vergunning tot verblijf is toegestaan in Nederland te verblijven tot het tijdstip waarop die vergunning haar geldigheid verliest.

Artikel 11 van de Abw luidt als volgt:
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kunnen burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.



Beoordeling

Niet in geding is dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en dat hem op grond van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Abw bijstand is verleend.

Waar het in deze zaak om gaat, is of aan eiser over de periode van 20 maart 2001 tot 1 september 2001 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande dan wel een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder dient te worden toegekend.

Zoals blijkt uit de hierboven weergegeven standpunten is verweerder van oordeel dat eiser slechts recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande nu de GBA-code ten aanzien van de kinderen inhoudt dat zij geen verblijfsstatus hebben. Eiser stelt, kortweg, dat de vreemdelingendienst een fout heeft gemaakt, waardoor de verkeerde code in het GBA is vermeld en dat eiser door deze fout niet benadeeld mag worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog benadrukt dat de feitelijke situatie is dat beide kinderen ten laste van eiser komen en dat de bijstand, ook gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Abw, afgestemd dient te worden op de mogelijkheden en middelen van het gezin. De status van de kinderen is dan niet relevant.

De rechtbank stelt vast dat partijen niet van mening verschillen omtrent het feit dat de code die in de GBA bij de kinderen staat vermeld bepalend is voor de status van de kinderen. In deze zaak staat bij de kinderen code 31 vermeld, hetgeen betekent dat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikken. Dit is in tegenspraak met het verblijfsdocument van eiser. Verweerder heeft daarop, conform het in de circulaire "Bijstandverlening aan vreemdelingen" gestelde, informatie ingewonnen bij de vreemdelingendienst.
In deze circulaire staat voorts vermeld dat de vreemdelingendienst de instantie is die de wijzigingen in de verblijfstitel, en daarmee de wijziging in de code, aan de GBA doorgeeft. Bij wijzigingen in de uitkering dient verweerder de verblijfsstatus van de vreemdeling te onderzoeken aan de hand van het door de vreemdeling te overleggen verblijfsdocument. Deze gegevens dienen gecontroleerd te worden aan de hand van de gegevens in de GBA en indien de situatie hiertoe aanleiding geeft, dient verweerder informatie in te winnen bij de vreemdelingendienst.

De rechtbank is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat verweerder een zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de verblijfsstatus van de kinderen van eiser. Verweerder heeft informatie ingewonnen bij de vreemdelingendienst en de mededeling van de vreemdelingendienst is dat de kinderen geen verblijfsstatus hebben en ten onrechte op de verblijfsvergunning van eiser staan vermeld. Indien eiser het met deze uitkomst niet eens is, dient hij zich tot de vreemdelingendienst te wenden. Verweerder kan hierin, zoals blijkt uit het bovenstaande, voor het overige geen actieve rol spelen. Dat desalniettemin naar code 31 van de minderjarige kinderen door de vreemdelingendienst dan wel de Immigratie- en Naturalisatiedienst nog een onderzoek gaande is, maakt de beoordeling van dit geschil niet anders. Het is naar het oordeel van de rechtbank immers zeer wel denkbaar dat de kinderen de status van de moeder in plaats van de vader volgen.

De Abw is een vangnet en nu niet is gebleken van de onjuistheid van code 31 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de norm alleenstaande gehanteerd. De rechtbank kan eiser derhalve niet volgen in diens grief dat verweerder hem, los van de status van de kinderen, gelet op de feitelijke situatie bijstand dient te verlenen als alleenstaande ouder.

Nu de rechtbank ook niet is gebleken van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 11 van de Abw is het bestreden besluit rechtens houdbaar en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zondervan als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 november 2002.

De griffier,            De rechter,




Afschrift verzonden op:




Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

    
            
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb
x
LJN:
x
AF1408
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/1056 NABW
Datum uitspraak: 22 oktober 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 8, 22, 78 en 83 Abw (= 7 en 7 IWwb en 58 en 58 Wwb)
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; bedrijfsbeŽindiging; liquidatie; aflossing geldlening; schuldsanering; finale kwijting; buiteninvorderingstelling; kwijtschelding
Essentie: Terechte afwijzing verzoek medewerking te verlenen aan een schuldsanering, omdat de gewezen zelfstandige gedurende een periode van vijf jaar na beŽindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50% van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm dient te besteden voor aflossing van de rentedragende geldlening verstrekt ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal; daarna wordt de restantschuld buiten invordering gesteld dan wel kwijtgescholden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/1056 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 1 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desverzocht nog een aantal nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 september 2002, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.F. Strikwerda, werkzaam bij de gemeente Steenbergen.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 21 november 1990 heeft gedaagde appellant op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) bedrijfskapitaal verstrekt ten bedrage van É150.000,- in de vorm van een rentedragende lening. In februari 1993 heeft appellant zijn bedrijf beŽindigd. Bij besluit van 7 maart 1996 heeft gedaagde de restantvordering uit hoofde van de Bz-lening vastgesteld op É69.679,86 en het maandelijkse aflossingsbedrag (per 18 april 1994) bepaald op É160,87. Daarbij is tevens aangegeven dat bij constante aflossing op 18 april 1999 kwijting van het eventuele restant van de vordering zal worden verleend. Bij besluit van 8 juli 1998 is aan appellant meegedeeld dat de betalingsachterstand op dat moment É5378,42 bedroeg en is het aflossingsbedrag met ingang van 1 maart 1998 nader bepaald op É121,- per maand.

Bij brief van 8 januari 1999 is namens appellant aan gedaagde verzocht medewerking te verlenen aan een schuldsanering, inhoudende het door appellant betalen van 47% van zijn betalingsachterstand tegen finale kwijting van het restant van de Bz-schuld. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 26 januari 1999 afgewezen omdat - kort gezegd - het inmiddels van kracht geworden Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) daartoe geen ruimte biedt. Bij besluit van 20 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 april 1999 ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat onder verwijzing naar artikel 23 van het Bbz - overwogen dat gedaagde op goede gronden geweigerd heeft medewerking te verlenen aan een schuldsanering, nu kwijtschelding van de Bz-schuld van appellant eerst aan de orde kan komen indien hij gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Daarbij heeft hij primair de toepasselijkheid van het Bbz betwist en voorts gesteld dat gedaagde, gelet op artikel 22 van het Bbz en artikel 78 van de Algemene bijstandswet (Abw), ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan de verzochte schuldsanering.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet besluiten op grond van de Algemene Bijstandswet (en daarop geŽnte regelingen als het Bz) inzake terugvordering of anderszins terugbetaling van reeds verleende bijstand van kracht blijven tot het moment waarop zich in het betrokken geval een zodanige wijziging van omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan dat een herziening van het besluit dient plaats te vinden. Aangezien gedaagde bij besluit van 8 juli 1998 het aflossingsbedrag van de Bz-lening heeft herzien en met ingang van 1 maart 1998 nader heeft vastgesteld op É121,- per maand, is vanaf dat moment de Abw, en daarmee ook het Bbz, op appellant van toepassing. Gedaagde en de rechtbank hebben het verzoek van appellant van 8 januari 1999 derhalve terecht aan het Bbz getoetst.

De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat artikel 22 van het Bbz, houdende de verplichting van het gemeentebestuur tot medewerking aan een schuldenregeling bij een actuele bedrijfsbeŽindiging, in dit geval niet van toepassing is omdat de beŽindiging van het bedrijf van appellant reeds in 1993 haar beslag heeft gekregen.
Daarentegen acht de Raad met gedaagde en de rechtbank artikel 23, tweede lid, van het Bbz wel op appellant van toepassing. Ingevolge artikel 23, tweede lid, tweede volzin, van het Bbz dient de gewezen zelfstandige gedurende een periode van vijf jaar na beŽindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50% van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Abw te besteden voor aflossing van deze lening. Daarna wordt het restant buiten invordering gesteld dan wel kwijtgescholden. Voor tussentijdse alternatieven ten behoeve van deze specifieke groep biedt het artikel - behoudens tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting - ook naar het oordeel van de Raad geen ruimte.
Hetgeen appellant nog naar voren heeft gebracht met betrekking tot de toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad volstaat in dit verband met erop te wijzen dat artikel 23 van het Bbz voor de specifieke categorie van personen waartoe appellant behoort (de gewezen zelfstandige) bijzondere regels geeft voor terugbetaling en kwijtschelding. In deze fase is van terugvordering, welke voor geldleningen in algemene zin regeling heeft gevonden in artikel 83 van de Abw, nog geen sprake. Dit brengt mee dat artikel 78 van de Abw, dat immers deel uitmaakt van de terugvorderingsparagraaf van de Abw, evenzeer toepassing mist. Voor analoge toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw ziet de Raad, gegeven de strekking van artikel 23, tweede lid, van het Bbz, geen grond.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF1409
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 00/1545 NABW en 02/5245 NABW
Datum uitspraak: 29 oktober 2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 13 en 39 Abw (= 18 en 35 Wwb) / 6:19 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; inrichtingskosten; opknapkosten; speelgoed; televisie; telefoon; bijstand om niet; individualisering; tweedehands goederen; noodzakelijke kosten
Essentie: Juiste vaststelling van het bedrag aan bijzondere bijstand om niet voor kosten van speelgoed en van inrichting en opknappen van de nieuw betrokken woning (na echtscheiding), omdat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan die kosten noodzakelijkerwijs hoger moesten zijn dan de in de werkinstructie vermelde richtbedragen, waarbij aangenomen dat voor een deel gebruikte goederen kunnen worden gekocht of overgenomen van de vorige bewoners. Terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van een televisietoestel en telefoon, daar niet is aangetoond dat die kosten noodzakelijk zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 00/1545 NABW en 02/5245 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp Zwolle, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 21 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Tot de bijlagen bij dit verweerschrift behoort een besluit van 14 juni 2000, waarbij - onder wijziging in zoverre van het primaire besluit van 13 juli 1998 - de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten alsnog is vastgesteld op É12.000,- in verband met de inwoning per oktober 1998 van een zoon van appellante.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 september 2002, waar voor appellante is verschenen mr. H.E. Nijk, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G. Smit, werkzaam bij de gemeente Zwolle.




II. Motivering


Appellante is met ingang van 2 juli 1998 met drie van haar kinderen gescheiden gaan leven van haar toenmalige echtgenoot en ontvangt sedertdien een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In verband met haar verhuizing heeft appellante op 26 juni 1998 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in onder meer inrichtingskosten.

Bij besluit van 13 juli 1998 is aan appellante voor de inrichtingskosten van haar woning bijzondere bijstand in de vorm van een uitkering om niet toegekend tot een bedrag van É11.000,-.

Bij besluit van 5 januari 1999 heeft gedaagde, voor zover hier van belang, de namens appellante tegen het besluit van 13 juli 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat in aanvulling op de reeds toegekende bijstand alsnog een bedrag van É650,- zal worden verstrekt voor de kosten van het opknappen van de woning en voor de aanschafkosten van speelgoed.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 5 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij was - kort samengevat - van oordeel dat bij de aanschaf van een complete woninginrichting in beginsel kan worden uitgegaan van forfaitaire normbedragen, aangezien het een categorie van regelmatig terugkerende verstrekkingen met een belangrijke mate van uniformiteit betreft en dat van de zijde van appellante niet gemotiveerd is aangegeven dat het voor haar geldende normbedrag van É11.000,- voor haar onvoldoende zou zijn. De kosten van een televisie en een telefoon komen naar het oordeel van de rechtbank behoudens bijzondere omstandigheden, welke zich hier niet voordoen, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

In hoger beroep is dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep betrekking heeft op de weigering om appellante bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van een telefoon, een telefoonkastje en een televisietoestel en op de vaststelling van de hoogte van de aan haar verstrekte bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen en inrichten van haar woning.

In artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Met betrekking tot de aanschafkosten van een televisietoestel en een telefoon met een kastje is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat op grond van hetgeen door appellante ter zake is aangevoerd en overigens uit de stukken blijkt, niet is aangetoond dat aanschaf van deze goederen in haar geval noodzakelijk is. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat de hier besproken kosten zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw.

Wat betreft de opknapkosten en de inrichtingskosten is niet in geding dat in het geval van appellante sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in deze bepaling waarin zij niet zelf kan voorzien en dat zij in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand voor deze kosten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijk te achten en voor bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten van het opknappen en inrichten van een woning hanteerde gedaagde ten tijde hier van belang richtprijzen, welke als maximumbedragen moeten worden beschouwd en waarvan in individuele gevallen naar boven en naar beneden kan worden afgeweken. Deze, in de werkinstructie "Richtprijzen" van 1 maart 1997 opgenomen bedragen zijn ontleend aan gegevens van het NIBUD en de prijzengids van Divosa Limburg, en worden jaarlijks bijgesteld aan de hand van de prijsontwikkelingen. Blijkens de werkinstructie gelden in gevallen waarin bijstand wordt verleend voor een complete woninginrichting op de gezinsgrootte afgestemde forfaitaire bedragen. Deze bedragen zijn geen optelsom van de bedragen die gelden voor de verschillende onderdelen van de woninginrichting. Bij het inrichten van een complete woning mag volgens de instructie worden verondersteld dat een aantal zaken van vorige bewoners kan worden overgenomen en dat eventueel een deel van de aangeschafte goederen niet nieuw maar gebruikt is.

In het geval van appellante heeft toepassing van deze richtbedragen geresulteerd in toekenning van É300,- voor opknapkosten, É11.000,- voor inrichtingskosten, verhoogd met É350,- voor speelgoed.

De Raad acht het aanvaardbaar dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van bijzondere bijstand voor regelmatig terugkerende verstrekkingen als uitgangspunt richtprijzen hanteert en - in geval van een volledige woninginrichting - een op de gezinsgrootte afgestemd all-inbedrag. De hoogte van de aangehouden all-inbedragen kan niet als onredelijk worden bestempeld, aangenomen dat kennelijk beoogd wordt in de elementaire inrichtingskosten te voorzien en dat in geval van een noodzakelijke volledige inrichting voor een deel gebruikte goederen kunnen worden gekocht of overgenomen van de vorige bewoners. Dat deze bedragen lager zijn dan het totaalbedrag dat maximaal zou kunnen worden verstrekt indien alle in de werkinstructie vermelde afzonderlijke inrichtingsgoederen tegelijkertijd nieuw zouden worden aangeschaft, maakt dit niet anders.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het bijstandverlenend orgaan, gelet op het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, en 39, eerste lid, van de Abw, bij de vaststelling van de hoogte van de in een concreet geval te verstrekken bijzondere bijstand steeds dient na te gaan of sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan voor de inrichting van de woning noodzakelijkerwijs hogere kosten moeten worden gemaakt dan de in de werkinstructie vermelde richtbedragen.

Gedaagde stelt zich blijkens het besluit op bezwaar op het standpunt dat in het geval van appellante van individuele omstandigheden als hier bedoeld niet is gebleken.
Hetgeen van de zijde van appellante in dit verband is aangevoerd en overigens uit de stukken blijkt, biedt ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor het oordeel dat zij tengevolge van bijzondere individuele omstandigheden noodzakelijkerwijs hogere inrichtingskosten heeft gemaakt dan de door gedaagde aangehouden richtbedragen. De verwijzing door appellante naar het in haar geval berekende totaalbedrag van de in de werkinstructie vermelde onderdelen van inrichting acht de Raad daartoe niet toereikend, nu niet is gebleken dat zij genoodzaakt was al deze goederen daadwerkelijk tegen de daarvoor geldende richtprijzen aan te schaffen. Door gedaagde is weliswaar niet onderkend dat appellante niets van de vorige bewoner van haar woning heeft kunnen overnemen, maar dit brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat zij niet in staat is geweest een deel van de inrichting tweedehands aan te schaffen. Ook de door appellante overgelegde aankoopbewijzen bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat appellante voor het opknappen en inrichten van haar woning meer kosten heeft moeten maken dan haar op grond van de richtbedragen is toegekend.

Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat gedaagde in afwijking van het richtbedrag van É11.000,- aan appellante tot een hoger bedrag bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting had moeten verstrekken.

De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

De Raad ziet aanleiding om het besluit van gedaagde van 14 juni 2000 op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in dit geding te betrekken. In het voorgaande ligt besloten dat het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen dit besluit ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 14 juni 2000 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF1533
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 02/1613 NABW VV
Datum uitspraak: 25 november 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14f, 87 en 138 Abw (= Ė, 60 en 79 Wwb) / 1:3, 6:15 en 8:84 Awb
Trefwoorden: terugvordering; schorsing tenuitvoerlegging; opheffing executoriaal beslag; civiele rechter; feitelijke handeling; appellabel besluit
Essentie: Onbevoegdverklaring van de voorzieningenrechter, omdat ter zake van schorsing van de executie van de terugvordering en opheffing van het beslag op de uitkering de burgerlijke rechter bevoegd is. Een bestuursrechtelijke rechtsgang staat wťl open indien de invordering wordt aangevochten als zijnde een met een besluit gelijk te stellen handeling of indien de voorzieningenrechter, nadat bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt verzocht om schorsing van het terugvorderingsbesluit zelf.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Maastricht AWB 02/1613 NABW VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 16 januari 2001, kenmerk 15.35/7653.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 januari 2001 heeft verweerder aan verzoeker mededeling gedaan van een ten aanzien van verzoeker genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit is door mr. P.J. de Graaf, advocaat te Utrecht, namens verzoeker een bezwaarschrift bij verweerder en vervolgens een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Bij schrijven van 17 juli 2002 heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, laten weten dat hij de zaak van bovengenoemde gemachtigde overneemt.
Bij uitspraak van 26 augustus 2002 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

Vervolgens heeft verzoeker zich gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb ter zake schorsing van de executie van de verhaalsbeslissing en opheffing van het beslag op de uitkering.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.




II. Overwegingen


Gelet op artikel 8:84, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of hij bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De voorzieningenrechter overweegt ter zake als volgt.

Bij besluit van 16 januari 2001, waartegen bezwaar aanhangig is, heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat verzoekers uitkering met ingang van 1 mei 1999 wordt herzien. Voorts heeft verweerder gebruik gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheid krachtens de Algemene bijstandswet verleende bijstand terug te vorderen. Dit besluit bevatte (voor zover hier van belang) de mededeling dat dit besluit tot terugvordering een executoriale titel oplevert.
Namens verzoeker is geen beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
In het tweede lid van dit artikel wordt artikel 14f van de Abw van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze laatste bepaling regelt de wijze van invordering van de terugvordering.

Verweerder heeft in het onderhavige geval executoriaal beslag op de uitkering van eiser gelegd. In het thans voorliggende verzoekschrift wordt namens verzoeker verzocht om de hiervoor genoemde executie te schorsen en het beslag op te heffen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze maatregelen en het daarop gerichte verzoek niet worden geregeerd door artikel 14f van de Abw, maar door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De voorzieningenrechter merkt daartoe als volgt op.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan het gebruik maken van de hier bedoelde bevoegdheid tot invordering worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 138 van de Abw. Op grond van deze bepaling wordt een dergelijke handeling voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit. Verzoeker heeft echter geen rechtsmiddel aangewend tegen de als zodanig te kwalificeren handeling.
In de parlementaire geschiedenis van de artikelen 14f en 87 van de Abw, met name in de memorie van toelichting, wordt verder opgemerkt dat de administratieve rechter tevens bevoegd kan worden geacht indien de belanghebbende zich, na bezwaar te hebben gemaakt of beroep te hebben ingesteld, tot de voorzieningenrechter wendt met het verzoek over te gaan tot schorsing van het besluit tot terugvordering (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 12, blz. 7) dan wel eerst een verzoek tot het bestuursorgaan richt inhoudende schorsing van de tenuitvoerlegging (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 14, blz. 14).
Reeds in de memorie van toelichting is echter benadrukt dat het aan de betrokkene is een keuze te maken welke rechtsbescherming hij verkiest. Indien niet voor de hiervoor weergegeven bestuursrechtelijke voorzieningen wordt gekozen, dient een geschil in verband met de executie te worden beslecht op grond van artikel 438 Rv (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 63).

Gelet op de duidelijke bewoordingen van het verzoek zal verzoeker zich voor het door hem gevraagde dienen te wenden tot de civiele rechter. De voorzieningenrechter verklaart zich dan ook onbevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Mogelijk ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat doorzending van het verzoek om voorlopige voorziening aan de civiele voorzieningenrechter met toepassing van artikel 6:15 van de Awb niet mogelijk is. De verschillen tussen het bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke geding op het punt van het aanhangig maken, maken dat niet mogelijk.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De president van de Rechtbank Maastricht:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters            w.g. F.A.G.M. Vluggen




Voor eensluidend afschrift: de griffier:

Verzonden: 25 november 2002.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
            
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AF1552
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Maastricht
Zaaknummer: AWB 02/1614 NABW VV
Datum uitspraak: 25 november 2002
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14f, 87 en 138 Abw (= Ė, 60 en 79 Wwb) / 1:3, 6:15 en 8:84 Awb
Trefwoorden: terugvordering; schorsing tenuitvoerlegging; opheffing executoriaal beslag; civiele rechter; feitelijke handeling; appellabel besluit
Essentie: Onbevoegdverklaring van de voorzieningenrechter, omdat ter zake van schorsing van de executie van de terugvordering en opheffing van het beslag op de uitkering de burgerlijke rechter bevoegd is. Een bestuursrechtelijke rechtsgang staat wťl open indien de invordering wordt aangevochten als zijnde een met een besluit gelijk te stellen handeling of indien de voorzieningenrechter, nadat bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, wordt verzocht om schorsing van het terugvorderingsbesluit zelf.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter
Rechtbank Maastricht AWB 02/1614 NABW VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vaals, gevestigd te Vaals, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 10 juli 2002, kenmerk LS 010037.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 10 juli 2002, verzonden diezelfde datum, heeft verweerder aan verzoeker mededeling gedaan van een ten aanzien van verzoeker genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen dit besluit is door mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, namens verzoeker bij schrijven van 13 augustus 2002 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft verzoeker zich gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb ter zake schorsing van de executie van de verhaalsbeslissing en opheffing van het beslag op de uitkering.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.




II. Overwegingen


Gelet op artikel 8:84, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of hij bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De voorzieningenrechter overweegt ter zake als volgt.

Bij besluit van 26 september 2001 heeft verweerder gebruik gemaakt van de aan hem toekomende bevoegdheid krachtens de Algemene bijstandswet verleende bijstand terug te vorderen. In dit besluit heeft verweerder aan verzoeker de mededeling gedaan dat, indien verzoeker niet binnen een bepaalde tijd betaalt of met verweerder een betalingsregeling treft, er beslag kan worden gelegd op zijn inkomen en/of vermogen. Verzoeker heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend, omdat hij dit, naar zijn zeggen, niet heeft ontvangen.
Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat er nog een terugvordering tegen hem openstond. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 10 juli 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is namens verzoeker beroep ingesteld.
Of het eerstgenoemde besluit onherroepelijk is geworden, is ter beoordeling in de bodemprocedure tegen de beslissing op bezwaar van 10 juli 2002. Evenzo is ter beoordeling in die procedure de vraag of verweerder op goede gronden de brief van 17 oktober 2001 als een besluit heeft aangemerkt en daarmee terecht eiser ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar en op goede gronden dit bezwaar ongegrond heeft verklaard.

Ingevolge artikel 87, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) levert het besluit tot terugvordering een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
In het tweede lid van dit artikel wordt artikel 14f van de Abw van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze laatste bepaling regelt de wijze van invordering van de terugvordering.

Verweerder heeft in het onderhavige geval executoriaal beslag op de uitkering van eiser gelegd. In het thans voorliggende verzoekschrift wordt namens verzoeker verzocht om de hiervoor genoemde executie te schorsen en het beslag op te heffen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze maatregelen en het daarop gerichte verzoek niet worden geregeerd door artikel 14f van de Abw, maar door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De voorzieningenrechter merkt daartoe als volgt op.

Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan het gebruik maken van de hier bedoelde bevoegdheid tot invordering worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in artikel 138 van de Abw. Op grond van deze bepaling wordt een dergelijke handeling voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb gelijkgesteld met een besluit. Verzoeker heeft echter geen rechtsmiddel aangewend tegen de als zodanig te kwalificeren handeling.
In de parlementaire geschiedenis van de artikelen 14f en 87 van de Abw, met name in de memorie van toelichting, wordt verder opgemerkt dat de administratieve rechter tevens bevoegd kan worden geacht indien de belanghebbende zich, na bezwaar te hebben gemaakt of beroep te hebben ingesteld, tot de voorzieningenrechter wendt met het verzoek over te gaan tot schorsing van het besluit tot terugvordering (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 12, blz. 7) dan wel eerst een verzoek tot het bestuursorgaan richt inhoudende schorsing van de tenuitvoerlegging (Kamerstukken II 1995-1996, 23 909, nr. 14, blz. 14).
Reeds in de memorie van toelichting is echter benadrukt dat het aan de betrokkene is een keuze te maken welke rechtsbescherming hij verkiest. Indien niet voor de hiervoor weergegeven bestuursrechtelijke voorzieningen wordt gekozen, dient een geschil in verband met de executie te worden beslecht op grond van artikel 438 Rv (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909, nr. 3, blz. 63).

Gelet op de duidelijke bewoordingen van het verzoek zal verzoeker zich voor het door hem gevraagde dienen te wenden tot de civiele rechter. De voorzieningenrechter verklaart zich dan ook onbevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.

Mogelijk ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat doorzending van het verzoek om voorlopige voorziening aan de civiele voorzieningenrechter met toepassing van artikel 6:15 van de Awb niet mogelijk is. De verschillen tussen het bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke geding op het punt van het aanhangig maken, maken dat niet mogelijk.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht:

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters
als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2002 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters            w.g. F.A.G.M. Vluggen




Voor eensluidend afschrift: de griffier:

Verzonden: 25 november 2002.




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x