Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb
x
LJN:
x
AR7248
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 03/869 NABW
Datum uitspraak: 7 december 2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14a, 65, 69, 78 en 81 Abw (= , 17, 54, 58 en 58 Wwb) / 17 en 18 Wwb / 2 IWwb
Trefwoorden: inkomsten; zwartwerk; schending inlichtingenverplichting; intrekking bijstand; terugvordering; boete; hennepkweker; fraude
Essentie: Terechte boete en intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten als hennepkweker.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 03/869 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2003, reg.nr. 02/426 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. Motivering


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van gedaagde sedert 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van de melding van de regiopolitie Midden en West Brabant dat op 29 augustus 2001 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij was ontmanteld, heeft gedaagde onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 20 november 2001, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant in ieder geval in de periode van 9 mei 2001 tot en met 28 augustus 2001 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode ten minste één oogst is geweest.

Bij besluit van 20 november 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende uitkering over de periode van 9 mei 2001 tot en met 28 augustus 2001 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten als hennepkweker, waardoor het recht van appellant op bijstand over de periode van 9 mei 2001 tot en met 28 augustus 2001 niet kan worden bepaald. Tevens heeft gedaagde besloten de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van
ƒ9134,92 van hem terug te vorderen en hem een boete op te leggen van ƒ950,-.

Bij besluit van 24 januari 2002 heeft gedaagde het tegen het besluit van 20 november 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen werkzaamheden als hennepkweker heeft verricht en dat hij daarmee geen inkomsten heeft verworven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De intrekking en de terugvordering

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare onderzoeksgegevens toereikend zijn voor gedaagdes conclusie dat appellant in het betrokken tijdvak een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en dat er in die periode ten minste één oogst is geweest. Gedaagde heeft die conclusie gebaseerd op onder meer de resultaten van de huiszoeking van de regiopolitie op 29 augustus 2001, de door appellant op 29 oktober 2001 tegenover sociaal-rechercheurs afgelegde verklaring, het stroomverbruik van de woning van appellant ten tijde hier van belang, alsmede het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het ministerie van Justitie van 16 maart 1995 inzake de opbrengst van hennepplanten bij binnenkweek.

Naar aanleiding van hetgeen appellant heeft aangevoerd, merkt de Raad op dat de (enkele) ontkenning dat hij zich heeft beziggehouden met het kweken van hennep haaks staat op zijn verklaring die hij tijdens het verhoor op 29 oktober 2001 dienaangaande heeft afgelegd. De Raad heeft geen aanleiding gezien appellant niet te houden aan die verklaring. Voorts heeft appellant zijn stelling dat hij geen inkomsten heeft genoten op geen enkele wijze met verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat deze grief reeds hierom wordt gepasseerd.

Aangezien appellant van deze - onmiskenbaar op geld waardeerbare - werkzaamheden geen melding heeft gedaan, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde hier in geding niet is vast te stellen.

Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden tot intrekking van het recht op bijstand over deze periode over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde van intrekking zou kunnen afzien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat wat de terugvordering betreft, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van Abw. De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende reden als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekomt geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



De boete

Hierboven is vastgesteld dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van deze gedraging ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14a, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Voorts stelt de Raad vast dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting hier heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand over de periode van 9 mei 2001 tot en met 28 augustus 2001, zodat zich hier geen geval voordoet als bedoeld in artikel 14a, derde lid (tekst van 31 december 1998 tot en met 31 december 2001), van de Abw.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. De Wet werk en bijstand (Wwb) voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw.

Uit het overgangsrecht neergelegd in artikel 2 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand in verbinding met artikel 2 van het inwerkingtredingsbesluit (Stb. 2003, 386) en artikel 2 van de Invoeringsregeling Wwb (Stcrt. 2003, nr. 203) volgt echter dat artikel 14a van de Abw van kracht blijft tot uiterlijk 1 januari 2005. In het geval dat een college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van zijn in artikel 2 van de Invoeringsregeling Wwb geboden mogelijkheid van nadere fasering van de invoering van de Wwb (dat is: op een eerder door het college te bepalen tijdstip dan 1 januari 2005 al uitvoering geven aan onderdelen van de Wwb die, zoals artikel 18, tweede lid, van de Wwb, van onmiddellijke inwerkingtreding op
1 januari 2004 zijn uitgezonderd), betekent dat onder meer dat artikel 14a van de Abw buiten toepassing moet blijven vanaf het tijdstip dat een college van burgemeester en wethouders van deze mogelijkheid gebruik maakt.

Uit de nader door gedaagde verstrekte gegevens is de Raad gebleken dat gedaagde van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt met ingang van 1 juli 2004 en dat op deze datum (onder andere) de door de raad van de gemeente Tilburg vastgestelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Afstemmingsverordening) in werking is getreden. Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand verlaagt overeenkomstig deze verordening indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Eén van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de Wwb omschreven inlichtingenverplichting. Artikel 7, tweede lid, eerste volzin, van de Afstemmingsverordening bepaalt voor gevallen als hier aan de orde dat de afstemming plaatsvindt door het verlagen van de bijstand met 10 procent van het brutofraudebedrag.

Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van 30 juni 2004, onder meer gepubliceerd in RSV 2004/274 en USZ 2004/273, moet in gevallen als het onderhavige, waarin voor een bepaalde overtreding oorspronkelijk een boete op grond van de toenmalige regelgeving is opgelegd, die in de nadien tot stand gekomen regelgeving wordt vervangen door de hiervoor vermelde andersoortige sanctie, deze voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR geacht moet worden een “penalty” te zijn in de zin van dat artikel. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het door gedaagde gehanteerde Boetebesluit socialezekerheidswetten is de boete vastgesteld op 10 procent van het benadelingsbedrag. Derhalve kan niet worden gezegd dat de bepalingen van de Afstemmingsverordening met betrekking tot de hoogte van de sanctie voorzien in een lagere sanctie dan de bij het besluit van 24 januari 2002 gehandhaafde boete.

De Raad ziet voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de feiten of omstandigheden van dit geval aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de Abw op een ander bedrag vast te stellen. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien, is de Raad niet gebleken. Gedaagde was derhalve volgens nationaal recht verplicht aan appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid (tekst tot en met 31 december 2001), van de Abw op te leggen.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R. van den Munckhof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / IWwb / Wet Rea / Awb
x
LJN:
x
AP1140
Instantie:xxxxxxx Rechtbank Arnhem
Zaaknummer: AWB 03/1965, AWB 03/1966 en AWB 04/523
Datum uitspraak: 10 mei 2004
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 107 en 113 Abw (= 18, 9 en 9 Wwb) / 21 IWwb / 3:2, 3:9 en 7:12 Awb
Trefwoorden: arbeidsongeschiktheid; arbeidsgehandicapte; onderzoek; keuring; advies; zorgvuldigheid; motivering; arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; maatregel; sanctie; registratie CWI; inschrijving
Essentie: Onzorgvuldige besluitvorming vanwege onzorgvuldig medisch onderzoek naar arbeidsongeschiktheid. Als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea met volledige ontheffing van de arbeidsverplichtingen ex artikel 113 Abw is betrokkene onterecht een maatregel opgelegd wegens het niet geregistreerd zijn bij de CWI.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
enkelvoudige kamer Rechtbank Arnhem AWB 03/1965, AWB 03/1966 en AWB 04/523




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluiten


Besluiten van verweerder van 29 juli 2003 (besluiten I en II).




2. Procesverloop


Procesverloop voorafgaand aan besluit I van 29 juli 2003 betreffende het opleggen van de arbeidsverplichtingen en het niet aanmerken van eiser als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea).

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft verweerder aan eiser de volledige arbeidsverplichtingen in de zin van artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) opgelegd.

Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit I heeft verweerder de daartegen door eiser ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.



Procesverloop voorafgaand aan besluit II van 29 juli 2003 betreffende het opleggen van een maatregel

Bij besluit van eveneens 28 mei 2003 heeft verweerder aan eiser met ingang van 1 juni 2003 een maatregel opgelegd ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Abw in de vorm van een verlaging van zijn uitkering met 5% gedurende één maand.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit II heeft verweerder het daartegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 maart 2004. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.T.J. van Nieuwenhuijze.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten I en II de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan.

Met ingang van 1 januari 2004 is de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking getreden en is de Abw ingetrokken. De bestreden besluiten zijn tot stand gekomen onder de werking van de Abw. Ingevolge artikel 21, eerste lid, onderdeel a, van de Invoeringswet Wwb (IWwb) dient in deze zaak met toepassing van de Abw te worden beslist.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.
Eiser ontvangt een uitkering ingevolge de Abw. Op 11 december 2001 heeft hij een volledig medisch onderzoek ondergaan bij Argonaut. In de rapportage vermeldt de verzekeringsgeneeskundige dat de klachten van eiser konden worden verklaard bij uitvoerig geestelijk en lichamelijk onderzoek en concludeert hij dat er sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen van lichamelijke en psychische aard. Op basis van dit advies werd eiser arbeidsongeschikt geacht tot in ieder geval december 2002 en werd hij aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea. Op 27 januari 2003 heeft opnieuw een medisch onderzoek door Argonaut plaatsgevonden. In zijn advies van 10 mei 2003 geeft de arts voor arbeid en gezondheid K. van Rijn aan dat eiser geschikt is voor voltijdse arbeid, mits in zekere mate rekening wordt gehouden met de pijnklachten en spanningsgevoeligheid in algemene zin. Totdat zijn conditie is opgebouwd, dient eiser enigszins te worden ontzien in zware lichamelijke arbeid. Met betrekking tot de verrichte onderzoeksactiviteiten wordt vermeld dat in overleg met eiser geen informatie werd ingewonnen bij de behandelend sector, omdat de medische situatie en de functionele mogelijkheden duidelijk zijn. Een lichamelijk onderzoek wordt niet verricht.
In het rapport van 9 juni 2003 concludeert registerarbeidsdeskundige W. Penninx dat eiser in staat is tot het verrichten van arbeid. De arbeidsdeskundige oordeelt vervolgens dat eiser niet als arbeidsgehandicapt dient te worden beschouwd. De afstand tot de arbeidsmarkt wordt bepaald op fase 2.
Op 27 maart 2003 heeft een heronderzoek plaatsgevonden waaruit naar voren is gekomen dat eiser zijn inschrijving als werkzoekende bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) niet heeft verlengd. Blijkens het rapport van het heronderzoek van 28 mei 2003 zonder legitieme reden. Eiser heeft zich op 28 maart 2003 doen inschrijven bij het CWI.



Ten aanzien van besluit I, betreffende het niet aanmerken van eiser als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser in staat geacht een fulltimebaan te kunnen verrichten, mits er rekening gehouden wordt met zijn belemmeringen. Eiser is derhalve niet aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van 10 mei 2003 van de arts voor arbeid en gezondheid en de rapportage van 9 juni 2003 van de registerarbeidsdeskundige. Verweerder stelt dat de adviezen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen en stelt zich op het standpunt dat het onderzoek van verweerder onvolledig is, nu geen informatie is ingewonnen bij de behandelend artsen en er geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 3:2 van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

In artikel 3:9 van de Awb is bepaald dat indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en omstandigheden door een adviseur verricht, het bestuursorgaan er zich van dient te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt voorop dat een (medisch) advies dat is uitgebracht door een ter zake deskundige in het algemeen voldoende grondslag vormt voor een beslissing als waartegen eiser thans in beroep opkomt.
Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder andere CRvB 22 december 1998, JABW 1999/20) blijkt evenwel dat het op de weg van het bestuursorgaan ligt zich ervan te vergewissen dat de adviezen van de in te schakelen deskundigen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een deugdelijke advisering die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt om daarop af te gaan slechts sprake zijn indien uit die adviezen ten minste blijkt op basis van welke gegevens deze tot stand zijn gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van die adviezen is gevolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de adviezen van de arts voor arbeid en gezondheid en de registerarbeidsdeskundige zodanig kort geformuleerd dat niet aan vorenstaand toetsingskader is voldaan. De rechtbank stelt vast dat er door de arts geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, alsmede dat geen informatie bij de huisarts of de behandelend sector is ingewonnen.
De rechtbank is van oordeel dat in het kader van een deugdelijke advisering in beginsel niet kan worden volstaan met een advies louter gebaseerd op door de betrokkene gegeven informatie, maar dat tevens is vereist dat informatie wordt ingewonnen bij de behandelend sector c.q. de huisarts, te meer daar eiser heeft betwist dat in overleg met hem hiervan werd afgezien.
Dit klemt te meer nu de rechtbank vaststelt dat verweerder op basis van voornoemd advies tot een geheel ander besluit komt dan ten tijde in 2001, terwijl aan dit besluit geen nieuwe medische gegevens ten grondslag zijn gelegd en ook anderszins niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden. Nu het advies van de arts bovendien onvoldoende inzicht geeft in het antwoord op de vraag op grond waarvan eiser op het moment ten tijde in geding volledig arbeidsgeschikt geacht wordt en derhalve niet wordt aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op het vorenstaande, haar besluit niet op dit advies heeft kunnen baseren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat besluit I wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:9 van de Awb in zoverre niet in stand kan blijven.



Ten aanzien van besluit I, betreffende het opleggen van de arbeidsverplichtingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser volgens de eerder genoemde adviezen van 10 mei 2003 en 9 juni 2003 in staat moet worden geacht om fulltimewerkzaamheden te verrichten. Gelet op het medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder met toepassing van artikel 107, eerste lid, juncto artikel 113, eerste lid, van de Abw aan eiser de arbeidsverplichtingen opgelegd.

Eiser heeft dit besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aan de Abw ligt het uitgangspunt ten grondslag dat een ieder in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan. Als uitvloeisel van dit uitgangspunt wordt van bijstandsgerechtigden een actieve houding verwacht ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces.

De rechtbank stelt voorop dat de bevoegdheid om met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw een bijstandsgerechtigde ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen een discretionaire bevoegdheid betreft van verweerder.
De rechtbank dient zich derhalve te beperken tot de beoordeling of verweerder bij de uitoefening van deze bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Verweerder heeft aan zijn beslissing dat er geen medische belemmeringen zijn voor het opleggen van de arbeidsverplichtingen ingevolge artikel 113, eerste lid, van de Abw, het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek van Argonaut ten grondslag gelegd.
Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het advies van Argonaut op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet op basis van voornoemd advies tot het opleggen van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 107, eerste lid, juncto artikel 113, eerste lid, van de Abw heeft kunnen besluiten.
Besluit I komt derhalve geheel voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb.
Het beroep tegen besluit I dient dan ook gegrond te worden verklaard.



Ten aanzien van besluit II

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser zijn inschrijving bij het CWI niet tijdig heeft verlengd, waardoor sprake is van een maatregelwaardige gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw in samenhang met artikel 3, aanhef en eerste lid, sub a [aanhef en onderdeel 1, onder a, red.], van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Stb. 1996, 360, laatst gewijzigd Stb. 2001, 687).
Verweerder heeft met toepassing van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz het recht van eiser op bijstand voor de duur van één maand met 5% verlaagd.

Eiser heeft dit besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, in het navolgende ingaan.

In geding is de vraag of verweerder terecht tot een maatregel heeft besloten wegens het niet nakomen door eiser van de verplichting om ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij de Centrale organisatie werk en inkomen en geregistreerd blijft.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat eiser bij onherroepelijk geworden besluit van 21 juni 2002 de verplichting is opgelegd dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij het CWI en geregistreerd blijft.
Eiser heeft gesteld dat hij dit besluit niet meer kon vinden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier niet uit dat eiser dit besluit ook niet heeft ontvangen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser van de verplichting op de hoogte had kunnen zijn.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser zijn inschrijving niet tijdig heeft verlengd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, door het niet tijdig verlengen van de inschrijving, waardoor hij gedurende de periode 11 oktober 2002 tot 28 maart 2003 niet ingeschreven heeft gestaan als werkzoekende, onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking.

In voornoemd besluit van 21 juni 2002 wordt eiser evenwel tevens voorlopig vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 113 Abw, genoemd onder a, c, d, e en f. Verweerder geeft aan dit besluit genomen te hebben op grond van een medisch advies - van 11 december 2001 - van Argonaut. Na herziening van het advies zal de situatie opnieuw worden bekeken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat, ingeval er sprake is van een (tijdelijke) ontheffing van de arbeidsverplichtingen, zoals in het onderhavige geval, eiser niet gehouden is een door het CWI aangeboden baan te accepteren. Desgevraagd gaf de gemachtigde te kennen dat de inschrijvingsverplichting in het geval van een tijdelijke ontheffing louter een administratief doelt dient.

De verplichtingen opgenomen in artikel 113 Abw zijn gericht op herinschakeling in het arbeidsproces. In geval van een - tijdelijke - ontheffing van de arbeidsverplichtingen is eiser, zoals door verweerder ter zitting is bevestigd, niet gehouden aangeboden arbeid te accepteren. Nu eiser niet gehouden was arbeid te aanvaarden, kan dan ook niet gesteld worden dat eiser arbeidskansen heeft gemist.

Gezien vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel niet in stand kan blijven. Derhalve komt besluit II wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
Het beroep tegen besluit II dient eveneens gegrond te worden verklaard.

Nu niet gebleken is van door eiser gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, acht de rechtbank geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


de rechtbank:

verklaart de beroepen tegen de besluiten I en II gegrond;
vernietigt de besluiten I en II en bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt voorts dat de gemeente Nijmegen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad
€31,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.F. Gielissen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2004.

De griffier,            De rechter,




Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep
, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
 
 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AT0206
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/2742 NABW en 02/2743 NABW
Datum uitspraak: 8 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 9, 54, 65, 69 en 81 Abw (= 13, 34, 17, 54 en 58 Wwb) / 3:2, 7:12 Awb
Trefwoorden: inkomsten; zwartwerk; vermogen; detentie; intrekking bijstand; terugvordering; auto; gebruikskosten; schadevergoeding; drugshandel; fraude
Essentie: Deels terechte intrekking en terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) oververmogen (waarde personenauto's minus gebruikskosten), verzwegen inkomsten (uit criminele activiteiten) en verzwegen detentie. Afwijzing verzoek tot schadevergoeding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 02/2742 NABW en 02/2743 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, gedaagde.




I. Ontstaan van het geding


Namens appellanten heeft mr. G.M. Kool, advocaat te Breukelen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 april 2002, reg.nr. SBR 01/877.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar voor appellanten is verschenen mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Roemers, werkzaam bij de gemeente Zeist.




II. Motivering


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sedert 27 november 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Naar aanleiding van het bij gedaagde gerezen vermoeden dat appellant zich heeft beziggehouden met criminele activiteiten, heeft de Sociale Recherche Zuid-Oost Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij derden en is gebruik gemaakt van gegevens uit het dossier van de tegen appellant aangespannen strafzaak en van een proces-verbaal van het Bureau Financiële Ondersteuning (BFO) van de politieregio Utrecht van 22 september 2000. Appellanten hebben in dat kader geen verklaring willen afleggen.

Gelet op het resultaat van het onderzoek van de sociale recherche, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 30 november 2000, heeft gedaagde bij besluit van 8 december 2000 het recht op bijstand van appellanten over de periode van 27 september 1997 tot 1 september 2000 ingetrokken op de grond dat appellanten in die periode beschikten over een vermogen boven de grens als bedoeld in artikel 54 van de Abw. Tevens heeft gedaagde besloten de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen tot een bedrag van
ƒ87.082,09.

Bij besluit van 3 mei 2001 heeft gedaagde de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij is de grondslag van de intrekking aangevuld in die zin dat is overwogen dat appellanten in de in geding zijnde periode een wederrechtelijk voordeel hebben verkregen van minimaal
ƒ134.183,-, dat appellanten tot 3 maart 2000 gebruik maakten van twee personenauto’s en dat appellant vanaf 25 april 2000 gedetineerd is geweest, waarvan geen mededeling aan gedaagde is gedaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 mei 2001 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juni 2002 is appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. Daarbij heeft het Hof onder meer bewezen verklaard - samengevat - dat appellant in de periode van oktober 1999 tot en met 25 april 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, dat hij op 31 maart 2000 in [woonplaats] een hoeveelheid XTC-tabletten heeft afgeleverd en aanwezig heeft gehad, dat hij in Utrecht een hoeveelheid XTC-tabletten aanwezig heeft gehad en dat hij in februari 2000 in Bilthoven 1.726.800 sigaretten voorhanden heeft gehad.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De intrekking

Bij de bespreking van de intrekking zal de Raad, gelet op de hiervoor vermelde feiten, uitgaan van drie te onderscheiden periodes.



De periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999

Aan de intrekking van het recht op bijstand over deze periode ligt ten grondslag het standpunt van gedaagde dat appellanten hebben beschikt over vermogen boven de vermogensgrens en over inkomsten uit criminele activiteiten.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken voor dat standpunt evenwel geen toereikende grondslag, waartoe het volgende wordt overwogen.

Wat het vermogen betreft, kan uit de gedingstukken uitsluitend de eigendom van de Honda Civic met het kenteken [kenteken 1] worden afgeleid. Niet is komen vast te staan dat ook de Ford Scorpio met het kenteken [kenteken 2] aan appellanten in eigendom toebehoorde, zodat deze auto niet tot hun vermogen kan worden gerekend. Appellante heeft de Honda in juni 1995 gekocht voor een bedrag van
ƒ52.500,-. Bij gebreke van nadere gegevens betreffende de waarde van deze auto in de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het vermogen van appellanten als gevolg van het bezit van deze auto over deze gehele periode het bedrag van de toepasselijke vermogensgrens te boven ging.

In het proces-verbaal van het BFO is het vermoedelijk door appellant in de periode van januari 1995 tot april 2000 genoten wederrechtelijk voordeel berekend. Voor de thans besproken periode komt daaraan evenwel onvoldoende betekenis toe. De door het BFO vermelde feiten die zich in de periode tot 1 oktober 1999 hebben voorgedaan, hebben niet geleid tot een veroordeling door de strafrechter. Evenmin is sprake geweest van definitieve vaststelling van het wederrechtelijk voordeel uit deze feiten of van een ontnemingsvordering. De constatering in het proces-verbaal dat appellant in 1996 uit criminele activiteiten een bedrag van minimaal (ruim)
ƒ120.000,- moet hebben verkregen, is tegen die achtergrond dan ook onvoldoende. Daarbij betrekt de Raad dat de onderliggende stukken, zoals de relevante processen-verbaal, betreffende de totstandkoming van dat voordeel ontbreken. Voor het overige zijn geen inkomsten over de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 vastgesteld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 3 mei 2001 in zoverre onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering. Het komt dan ook in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 respectievelijk 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal gedaagde opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellanten. Met het oog daarop overweegt de Raad dat gedaagde in dat kader het aan het bezit van de Honda verbonden vermogen van appellanten zal dienen te bepalen aan de hand van voldoende objectieve branchegegevens, zoals de ANWB-koerslijst. Verder dienen de aan het gebruik van beide auto’s verbonden kosten, zoals door appellanten opgevoerd, bij de bepaling van het vermogen buiten beschouwing te blijven.



De periode van 1 oktober 1999 tot 25 april 2000

Gelet op het arrest van het Hof van 26 juni 2002 moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant in deze periode criminele activiteiten heeft verricht. Gelet op aard en omvang van deze activiteiten is de Raad van oordeel dat het hier gaat om activiteiten die op geld waardeerbaar zijn, zodat deze relevant zijn voor de vaststelling van (de omvang van) het recht op bijstand. De Raad acht het ook aannemelijk dat daaruit daadwerkelijk inkomsten zijn verkregen. De Raad ziet echter onvoldoende grondslag voor het standpunt van gedaagde dat appellant gedurende deze periode heeft beschikt over vermogen boven de vermogensgrens en/of over maandelijkse inkomsten boven de toepasselijke bijstandsnorm. Naast hetgeen hiervoor is overwogen over de aan appellanten toebehorende auto, overweegt de Raad dat voor één en ander onvoldoende concrete gegevens voorhanden zijn.

Ook in zoverre ontbeert het besluit van 3 mei 2001 een deugdelijke motivering en komt het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

De Raad ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van dit te vernietigen gedeelte van het besluit van 3 mei 2001 in stand te laten. Vaststaat dat appellanten van de hiervoor bedoelde activiteiten van appellant en van de daaruit verkregen inkomsten in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, op hen rustende inlichtingenverplichting geen melding hebben gemaakt aan gedaagde. Appellanten hebben van de uit de activiteiten ontvangen inkomsten ook geen administratie bijgehouden. Hierdoor hebben appellanten gedaagde de mogelijkheid ontnomen om zich een oordeel te vormen over aard en omvang van deze activiteiten en de hoogte van de aan appellanten toe te rekenen inkomsten. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellanten verkeerden in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw. Dit betekent dat gedaagde gehouden was met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op bijstand over deze periode in te trekken. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.



De periode vanaf 25 april 2000

Appellant was in deze periode gedetineerd. Gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw had hij vanaf 25 april 2000 niet langer recht op een bijstandsuitkering. Aan appellanten kwam derhalve vanaf die datum geen bijstand meer toe naar de norm voor gehuwden. Appellanten hebben van de detentie, in strijd met de hiervoor vermelde inlichtingenverplichting, geen mededeling aan gedaagde gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellanten over de periode van 25 april 2000 tot 1 september 2000 ten onrechte gezinsbijstand verleend. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op die bijstand met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw in te trekken. Van dringende redenen om van intrekking af te zien, is de Raad ook wat deze periode betreft niet gebleken.

In zoverre slaagt het hoger beroep derhalve niet.



De terugvordering

Uit het voorgaande volgt dat over de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 niet is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Over de periode van 1 oktober 1999 tot 1 september 2000 is dat wel het geval. Van dringende reden om wat die periode betreft geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.

Het besluit van 3 mei 2001 komt voor zover het ziet op de terugvordering niettemin geheel voor vernietiging in aanmerking. Het terugvorderingsbesluit moet immers als één geheel worden beschouwd, nu dit - zoals ook in dit geval - uitmondt in één bedrag aan teruggevorderde bijstand. Dat klemt te meer nu een terugvorderingsbesluit een executoriale titel oplevert. Gedaagde zal ook in zoverre een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.



Slotoverwegingen

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep van appellanten gegrond moet worden verklaard.

Appellanten hebben de Raad verzocht gedaagde te veroordelen tot schadevergoeding indien hun beroep gegrond wordt verklaard. Uit de onderbouwing van dat verzoek blijkt dat het ziet op de periode vanaf de datum waarop appellant werd gedetineerd. Volgens appellanten had appellante vanaf die datum bijstand naar de norm voor een alleenstaande behoren te ontvangen.

De Raad overweegt hierover in de eerste plaats dat gedaagde volgens vaste rechtspraak niet gehouden was om ambtshalve te besluiten of appellante per 25 april 2000 voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande in aanmerking kwam.

Voorts is gebleken dat aan appellante op basis van een nieuwe aanvraag met ingang van 7 januari 2002 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande is toegekend. Ter zitting is komen vast te staan dat tegen dit besluit geen bezwaar is gemaakt. Verder blijkt uit de gedingstukken dat twee eerdere aanvragen van appellante door gedaagde met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling zijn gesteld. De desbetreffende besluiten van gedaagde zijn inmiddels eveneens in rechte onaantastbaar geworden.

Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen over de intrekking van het recht op bijstand van appellanten over de periode van 25 april 2000 tot 1 september 2000, ziet de Raad geen grondslag voor veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding. Het verzoek van appellanten daartoe zal derhalve worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op
€644,- in beroep en op €644,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep van appellanten gegrond;
vernietigt het besluit van 3 mei 2001 voor zover het ziet op de intrekking over de periode van 27 november 1997 tot 25 april 2000 en op de terugvordering;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 3 mei 2001 in stand blijven voor zover het de intrekking over de periode van 1 oktober 1999 tot 25 april 2000 betreft;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het de intrekking over de periode van 27 november 1997 tot 1 oktober 1999 en de terugvordering over het tijdvak van 27 november 1997 tot 1 september 2000 betreft;
wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van
1288,-, te betalen door de gemeente Zeist aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Zeist aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AT0123
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3253 NABW
Datum uitspraak: 1 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 4:6 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten lekvrije stofzuiger; medische noodzaak; afwijzing herhaalde aanvraag; geen nieuwe feiten of omstandigheden
Essentie: Terechte afwijzing herhaalde bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten lekvrije stofzuiger, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak
enkelvoudige kamer Centrale Raad van Beroep 02/3253 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 mei 2002, reg.nr. 00/614 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/3263 NABW, behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Van Willigen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. Tanamal, werkzaam bij de
gemeente Arnhem. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan [zie LJN AT0173, red.].




II. Motivering


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt van gedaagde sedert 1982 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Op 5 januari 1998 diende appellant een aanvraag in om bijzondere bijstand in de kosten van onder meer een zogenoemde lekvrije stofzuiger. Bij besluit van 24 maart 1998 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen medische noodzaak aanwezig is met betrekking tot de kosten waarvoor bijstand is aangevraagd, waarmee is aangegeven dat geen sprake is van kosten als bedoeld in artikel 39 van de Abw. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Op 26 april 1999 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van een lekvrije stofzuiger. Bij besluit van 5 augustus 1999 is ook deze aanvraag afgewezen door gedaagde op de grond dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het tegen het besluit van 5 augustus 1999 gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 februari 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 februari 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand in de kosten van een lekvrije stofzuiger terecht afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover hierbij het tegen het besluit van 22 februari 2000 ingestelde beroep ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hij heeft in dit verband gewezen op de door hem overgelegde brieven van zijn behandelend longarts dr. F.J.J. van Elshout en de resultaten van een door de consumentenbond uitgevoerde test van goedkope stofzuigers onder
€100,-. Daarbij gaat het naar het oordeel van de Raad echter niet om relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien uit die gegevens niet blijkt dat er voor appellant een noodzaak bestond een lekvrije stofzuiger aan te schaffen. Die noodzaak volgt niet uit de opmerking van Van Elshout dat appellant een allergie voor voorraadmijt heeft en dat hem saneringsadviezen zijn gegeven, en evenmin uit de conclusie van de test van de consumentenbond dat mensen met een allergie voor stof en uitwerpselen van de huisstofmijt baat hebben bij een goede filtratie.

Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 24 maart 1998. In hetgeen door appellant is gesteld, ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AT0173
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3263 NABW
Datum uitspraak: 1 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 4:6 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten wasdroger; medische noodzaak; afwijzing herhaalde aanvraag; geen nieuwe feiten of omstandigheden; heroverweging
Essentie: Terechte afwijzing herhaalde bijzonderebijstandsaanvraag voor kosten wasdroger, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Heroverweging in volle omvang.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 02/3263 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 mei 2002, reg.nr. 00/615 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met reg.nr. 02/3253 NABW, behandeld ter zitting van 18 januari 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Van Willigen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. Tanamal, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan [zie LJN AT 0123, red.].




II. Motivering


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt van gedaagde sedert 1982 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

In februari 1998 diende appellant een aanvraag in om bijzondere bijstand in de kosten van een wasdroger. Bij besluit van 23 maart 1998 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen op de grond dat een wasdroger medisch niet noodzakelijk was, waarmee is aangegeven dat geen sprake is van kosten als bedoeld in artikel 39 van de Abw. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Op 26 april 1999 heeft appellant opnieuw bijzondere bijstand aangevraagd in de kosten van een wasdroger. Bij besluit van 5 augustus 1999 is ook deze aanvraag afgewezen door gedaagde.

Het tegen het besluit van 5 augustus 1999 gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 februari 2000 na een inhoudelijke beoordeling ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 februari 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat in dit geval de situatie aan de orde is dat na een afwijzing van een eerdere aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van een wasdroger opnieuw een soortgelijke aanvraag is ingediend gericht op het verkrijgen van bijzondere bijstand voor dezelfde ten tijde van die laatste aanvraag nog te maken kosten. Naar het oordeel van de Raad dient de aanvraag van appellant onder de gegeven omstandigheden te worden opgevat als een verzoek dat ertoe strekt dat gedaagde van het eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft gedaagde in bezwaar de zaak in volle omvang inhoudelijk beoordeeld, hetgeen echter niet tot een toekenning van bijstand heeft geleid.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag heeft appellant gewezen op de door hem overlegde brieven van zijn behandelend longarts dr. F.J.J. van Elshout en de rapportage van de verzekeringsarts F.G. Slebus. Daarbij gaat het naar het oordeel van de Raad niet om relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien uit die gegevens niet blijkt dat er voor appellant een noodzaak bestond een wasdroger aan te schaffen. Die noodzaak volgt niet uit de opmerking van Van Elshout dat appellant een allergie voor voorraadmijt heeft en dat hem saneringsadviezen zijn gegeven, en evenmin uit de conclusie van de rapportage van Slebus dat appellant beperkingen heeft met betrekking tot dragen en tillen, reeds omdat die rapportage is opgesteld in verband met een medische beoordeling in het kader van de vaststelling van de mate van arbeidshandicap als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. De Raad vindt voor zijn oordeel ook overigens steun in het advies van de Dienst Brandweer en Volksgezondheid van 9 november 1999.

Daarvan uitgaande kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt derhalve, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x