Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AT0209
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 03/4207 NABW
Datum uitspraak: 8 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 63a, 67 en 68a Abw (= 41, 43 en 44 Wwb)
Trefwoorden: terugwerkende kracht; bijstandverlening; ingangsdatum bijstand; meldingsdatum; aanvang; verblijfsvergunning met terugwerkende kracht
Essentie: Terecht geen bijstand met terugwerkende kracht verleend. Ingangsdatum bijstandverlening is gelijk aan datum melding bij CWI of gemeente. Verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is geen bijzondere omstandigheid voor bijstandverlening met terugwerkende kracht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep
03/4207 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juli 2003, reg.nr. 02/1429 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant - met bericht vooraf - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, werkzaam bij de gemeente Ede.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant woont sedert 9 mei 1998 in bij het gezin van zijn broer [broer] op het adres [adres] te [woonplaats] en ontving tot en met 2 februari 2002 een bedrag van
É186,- per week uit hoofde van de zogeheten zelf-zorg-arrangementregeling (ZZA). Daarvoor verbleef hij in het AZC ďde LeemkuilĒ te Wageningen. Bij besluit van 23 oktober 2001 is aan appellant met ingang van 2 juni 2000 een verblijfsvergunning regulier verleend tot 2 juni 2005. Op 9 januari 2002 heeft appellant zich gemeld bij de lokale vestiging van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: het CWI) met een verzoek om bijstand. Bij besluit van 19 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10% van het minimumloon [zie normbedragen Wwb, red.].

Bij besluit van 21 juni 2002 heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de uitkering nader bepaald op 9 januari 2002.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 juni 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant al eerder dan op de meldingsdatum bij het CWI een aanvraag om bijstand bij gedaagde heeft ingediend en dat evenmin is gebleken dat appellant vůůr die datum buiten staat was een dergelijke aanvraag te doen.

Appellant heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Hij heeft daarbij gesteld dat hem met terugwerkende kracht tot 2 juni 2000 (dit is de datum met ingang waarvan hem alsnog een verblijfsvergunning is verleend) een bijstandsuitkering had dienen te worden toegekend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Als gevolg van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) zijn bij Wet van 29 november 2001, Stb. 2001, 625, onder meer de artikelen 63a en 68a van de Abw ingevoegd. Deze artikelen zijn op 1 januari 2002 in werking getreden.

In artikel 63a, eerste lid, van de Abw is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij het CWI wordt ingediend en dat deze na overdracht verder door burgemeester en wethouders wordt behandeld. In de drie volgende leden van het artikel zijn voorts uitzonderingen op de hoofdregel (tweede lid) en afwijkingsmogelijkheden (derde en vierde lid) vermeld.

In artikel 63a, eerste lid, van de Abw is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij het CWI of bij burgemeester en wethouders kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er te veel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

Ingevolge artikel 2.3, derde lid, van het Besluit SUWI (KB van 20 december 2001, Stb. 2001, 688) wordt bij de melding, bedoeld in artikel 63a, tweede lid, van de Abw, door het CWI met de belanghebbende een afspraak gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen. Door het CWI wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 63a en 68a van de Abw valt op te maken dat de wetgever met de invoering van de Wet SUWI voor ogen stond dat uitkeringsgerechtigden zich in eerste instantie dienen te melden bij het CWI, waarna het CWI de benodigde gegevens verzamelt en de afstand van betrokkene tot de arbeidsmarkt bepaalt. Wat bijstandsgerechtigden betreft, heeft de wetgever voorts beoogd een efficiŽnte taakverdeling in het leven te roepen tussen het CWI en de gemeentelijke instelling belast met de uitvoering van de Abw, met dien verstande dat de uitkeringsintake bij aanvragen om algemene bijstand als regel door het CWI wordt gedaan, waarna de zaak binnen een termijn van in beginsel acht werkdagen wordt overgedragen en de beoordeling van het recht op bijstand plaatsvindt door burgemeester en wethouders.

Uit de toelichting op artikel 2.3 van het Besluit SUWI blijkt voorts dat de daar bedoelde afspraak wordt gemaakt om elke onduidelijkheid over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 67 van de Abw wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Raad ziet na de inwerkingtreding van artikel 63a van de Abw geen grond daarover wezenlijk anders te oordelen, zij het dat voor aanvraagdatum tevens meldingsdatum dient te worden gelezen. Daartoe overweegt de Raad dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden die erop wijzen dat met genoemd artikel is beoogd de mogelijkheid om met terugwerkende kracht bijstand toe te kennen (anders dan voorheen) in absolute zin te begrenzen, met dien verstande dat ook niet bij bijzondere omstandigheden bijstand kan worden verleend over een periode voorafgaand aan de meldingsdatum bij het CWI of de bijstandverlenende instantie. De Raad ziet daarentegen in het samenstel van genoemde bepalingen, en de daarop gegeven toelichting, veeleer de bedoeling van de wetgever tot uitdrukking komen om een duidelijke datum te markeren met ingang waarvan in ieder geval uitkering kan worden verstrekt indien overigens aan de voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan.

Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de Raad, ook in het geval er sprake is van een geregistreerde meldingsdatum, de gevraagde bijstand met ingang van een datum voorafgaand aan die meldingsdatum kan worden toegekend indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat appellant zich op 9 januari 2002 voor de eerste maal bij het CWI heeft gemeld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde in het gegeven dat appellant met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend aanleiding had moeten vinden hem met ingang van die datum (dat is: 2 juni 2000) met terugwerkende kracht een bijstandsuitkering toe te kennen.

Naar het oordeel van de Raad dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het enkele feit dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend geen bijzondere omstandigheid die het vervroegen van de ingangsdatum van de bijstand kan rechtvaardigen. De Raad ziet daartoe in dit geval te minder aanleiding nu niet is gesteld of gebleken dat appellant voordien niet in de noodzakelijke bestaanskosten heeft voorzien of aantoonbare schulden heeft moeten maken. Het door appellant gedane beroep op de uitspraak van de Raad van 19 juni 2001 faalt reeds omdat in dat geval, anders dan hier, sprake was van een eerder ingediende aanvraag en uit die uitspraak voorts slechts kan worden afgeleid dat achteraf bezien vanaf de datum waarop een verblijfsvergunning werd verleend de ROA geen toereikende en passende voorliggende voorziening (meer) vormde.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde de ingangsdatum op goede gronden op 9 januari 2002 heeft gesteld.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
             
           

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AT0233
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3098 NABW en 02/3099 NABW
Datum uitspraak: 8 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 14, 14a, 65, 69 en 81 Abw (= 17, 18, Ė, 54 en 58 Wwb) / 8 en 17 Wwb
Trefwoorden: vermogen; auto; schending inlichtingenverplichting; intrekking bijstand; beŽindiging; terugvordering; wettelijke rente en kosten; boete
Essentie: Terechte intrekking, beŽindiging en terugvordering (plus rente en kosten) van de bijstand wegens (verzwegen) bezit van een auto met een waarde boven de vermogensgrens. Boete wegens schending inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 02/3098 NABW en 02/3099 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. W.J.C. Piet, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 april 2002, reg.nrs. 01/1125 NABW en 01/1151 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden en een vraag beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Piet, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de
Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

Appellant ontving van gedaagde een uitkering krachtens de
Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een waarneming dat appellant gebruik maakte van een auto van het merk Mercedes heeft het Bureau Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is de Rijksdienst voor het Wegverkeer en Stad Rotterdam Verzekeringen om inlichtingen verzocht, is appellant gehoord en zijn twee getuigen verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 april 2001.

De onderzoeksresultaten waren voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 17 april 2001 het recht op bijstand over de periode van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001 in te trekken, de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
É10.576,54 van appellant terug te vorderen en hem een boete op te leggen van É1075,- (zijnde 10% van het benadelingsbedrag, naar boven afgerond op een veelvoud van É25,-). Bij besluit van 23 april 2001 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 april 2001 beŽindigd. Aan deze besluiten heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellant ten tijde hier van belang, zonder daarvan aan gedaagde melding te hebben gemaakt, in het bezit was van een auto van het merk Mercedes die hij had aangeschaft voor een bedrag van É50.000,- en derhalve beschikte over een vermogen dat de grens van het voor hem vrij te laten vermogen ruimschoots overtrof.

Bij besluiten van 17 mei 2001 respectievelijk 28 juni 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 17 april 2001 en 23 april 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 17 mei 2001 en 28 juni 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de auto ten tijde hier van belang niet tot zijn vermogen kon worden gerekend.

De
Raad komt tot de volgende beoordeling.



Intrekking

Met de rechtbank en gedaagde is de
Raad van oordeel dat het rapport van het Bureau Fraudebestrijding van 19 april 2001 met bijlagen een toereikende grondslag biedt voor de conclusie dat appellant gedurende de periode van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001 beschikte over een auto van het merk Mercedes met een waarde die het voor appellant geldende vrij te laten vermogen overtrof. De Raad hecht in dit verband in het bijzonder betekenis aan de omstandigheid dat deze auto blijkens een rekening van autobedrijf [naam bedrijf] op 26 september 2000 voor É50.000,- is gekocht voor rekening van appellant, dat de auto bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer van 13 oktober 2000 tot 17 oktober 2000 en van 12 januari 2001 tot 19 januari 2001 op naam van appellant stond geregistreerd en vanaf 3 november 2000 op naam van appellant was verzekerd en dat appellant volgens zijn eigen verklaring regelmatig in deze auto heeft gereden. Hetgeen gedaagde in hoger beroep heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn standpunt dat de auto niet tot zijn vermogen behoorde, bevat in vergelijking met zijn grieven in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Door van dit vermogen aan gedaagde geen mededeling te doen, heeft appellant gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw, op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan gedaagde aan hem ten onrechte bijstand heeft verleend over de hier in geding zijnde periode. Gedaagde was dan ook gehouden het recht op bijstand van appellant over deze periode in te trekken op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.



Terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw, zodat gedaagde gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001. Van dringende redenen om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien is de Raad evenmin gebleken.



BeŽindiging

Hiervoor is geoordeeld dat de Mercedes van 26 september 2000 tot en met 31 maart 2001 tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend en dat appellant vanwege de waarde van de Mercedes geen recht op bijstand had. Niet is gebleken dat appellant op 1 april 2001 niet langer over deze auto beschikte. Gedaagde heeft de bijstandsuitkering van appellant derhalve terecht met ingang van 1 april 2001 beŽindigd.



Boete

Hiervoor is vastgesteld dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de
Abw, neergelegde inlichtingenverplichting niet is nagekomen als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat elke verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt en dat gedaagde daarom toepassing had moeten geven aan artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw. Gelet hierop was gedaagde gehouden appellant een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw op te leggen. Gedaagde heeft de hoogte van de boete overeenkomstig de bepalingen van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op Ä1075,-.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.
Ten tijde van de behandeling van het hoger beroep is de
Abw ingetrokken en is de Wet werk en bijstand (Wwb) in werking getreden. De Wwb voorziet niet langer in de mogelijkheid van het opleggen van een boete, zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw.

De gemeenteraad van Tilburg heeft inmiddels de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb bedoelde Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Afstemmingsverordening) vastgesteld.

Artikel 18, tweede lid, van de Wwb bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college van burgemeester en wethouders de bijstand verlaagt overeenkomstig evengenoemde verordening indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Eťn van deze verplichtingen is de in artikel 17, eerste lid, van de Wwb omschreven inlichtingenverplichting.

Artikel 7, tweede lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de hoogte van de maatregel in geval van schending van de inlichtingenverplichting 10% van het brutofraudebedrag bedraagt. Bij een reeds beŽindigde uitkering of een te beŽindigen uitkering bestaat de maatregel uit de wettelijk verschuldigde rente over het fraudebedrag en administratiekosten, hetgeen neerkomt op 15% van het fraudebedrag met een maximum van
Ä750,-.

Derhalve kan niet worden gezegd dat de bepalingen van de Afstemmingsverordering met betrekking tot de hoogte van de sanctie voorzien in een lagere sanctie dan de bij het besluit van 28 juni 2001 gehandhaafde boete.

Van feiten of omstandigheden die aanleiding geven om de boete met toepassing van artikel artikel 14a, tweede lid, eerste volzin, van de
Abw op een ander bedrag vast te stellen, is de Raad niet gebleken. Evenmin is gebleken van dringende redenen op grond van artikel 14a, vierde lid, van de Abw, op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om van het opleggen van een boete af te zien.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De
Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AT0236
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3528 NABW, 02/3529 NABW, 03/3192 NABW en 03/3193 NABW
Datum uitspraak: 8 maart 2005
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: art. 3 Abw (= 3 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; beŽindiging bijstand; herhaalde aanvraag; nieuwe feiten of omstandigheden; duurzaam gescheiden; fraude
Essentie: Terechte beŽindiging van de bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding en voldoende middelen. Onterechte afwijzing van bijstand na verbreking van de samenwoning.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 02/3528 NABW, 02/3529 NABW, 03/3192 NABW en 03/3193 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Met ingang van 1 januari 2004 heeft appellant het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 30 mei 2002, reg.nrs. 01/00841 ABW en 01/00856 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar namens appellant is verschenen mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente Den Haag, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Amsterdam.




II. Motivering


De
Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op de grond dat zij duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]).

Naar aanleiding van bij appellant binnengekomen informatie is het vermoeden gerezen dat gedaagde niet (langer) duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Appellant heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verstrekte uitkering. In dat kader is onder meer een administratief onderzoek ingesteld en zijn huisbezoeken afgelegd. Uit het administratief onderzoek is naar voren gekomen dat de contracten voor levering van water en energie voor de woning van gedaagde aan de [adres] op naam van [echtgenoot] zijn gesteld. Het water- en energieverbruik in deze woning komt in de jaren 1997-1999 overeen met een gemiddeld verbruik van een twee- tot driepersoonshuishouden. Tijdens een op 24 januari 2000 afgelegd onaangekondigd huisbezoek op de [adres] betrad [echtgenoot] de woning met een eigen sleutel en is zijn kleding in de woning aangetroffen. Bij een eveneens op 24 januari 2000 afgelegd huisbezoek aan de [adres 2], het adres waar [echtgenoot] stelde te wonen, bleken in deze vierkamerwoning de dochter van gedaagde, de zoon van [echtgenoot] en hun drie kinderen woonachtig. In de door [echtgenoot] als zijn slaapkamer aangewezen kamer zijn geen persoonlijke bezittingen van hem aangetroffen, maar wel kinderkleding en speelgoed.

Bij besluit van 8 februari 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde met ingang van 1 februari 2000 beŽindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met haar echtgenoot en geacht wordt over voldoende middelen te beschikken om zelf in de kosten van het bestaan te voorzien.

Bij besluit van 12 januari 2001 heeft appellant de bezwaren tegen het besluit van 8 februari 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 30 mei 2002, reg.nrs. 01/00854 ABW en 01/00855 ABW, is onder meer het besluit van 12 januari 2001 vernietigd op de grond dat appellant eraan voorbij heeft gezien dat gedaagde en [echtgenoot] in de hier van belang zijnde periode gehuwd waren en dat de vraag of in hun geval sprake was van een gezamenlijke huishouding, gelet op hun huwelijkse staat, niet van belang is voor de beoordeling van het besluit om tot beŽindiging van de uitkering van gedaagde over te gaan. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen niet in stand gelaten.

Bij uitspraak van heden in de zaken met reg.nrs. 02/3594 NABW, 02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW [zie LJN AT0237, red.] heeft de
Raad de uitspraak van de rechtbank van 30 mei 2002 vernietigd en onder meer het besluit van 12 januari 2001 waarbij de beŽindiging van de bijstandsuitkering werd gehandhaafd vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiermee staat de beŽindiging van het recht op bijstand van gedaagde per 1 februari 2000 in rechte vast.

Op 16 februari 2000 heeft gedaagde opnieuw een uitkering ingevolge de
Abw aangevraagd. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat de kleding van [echtgenoot] zich niet meer in haar woning bevindt, dat [echtgenoot] zijn sleutel heeft ingeleverd en nog steeds woonachtig is aan de [adres 2]. Voorts heeft gedaagde aangegeven dat het contract met Eneco inmiddels op haar naam is gesteld en dat de omzetting van de huurovereenkomst en de overeenkomst met Duinwaterleiding in gang is gezet.

Bij besluit van 23 februari 2000 heeft appellant de aanvraag afgewezen op de grond dat zich na 8 februari 2000 geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die een andere beslissing rechtvaardigen.

Op 8 maart 2000 heeft gedaagde opnieuw een uitkering op grond van de
Abw aangevraagd.

Bij besluit van 19 april 2000 heeft gedaagde ook deze aanvraag afgewezen op de grond dat zich na de beslissing van 8 februari 2000 geen nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan die een andere beslissing rechtvaardigen.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 januari 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 23 februari 2000 en 19 april 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 12 januari 2001 gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar haar uitspraak van dezelfde datum waarbij het beroep van gedaagde tegen de beŽindiging en de intrekking van haar bijstandsuitkering gegrond is verklaard (zaken 01/00854 ABW en 01/00855 ABW). In aansluiting op deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde aannemelijk heeft gemaakt dat zij duurzaam gescheiden van [echtgenoot] leeft, zodat zij aan de vereisten voldoet om voor een bijstandsuitkering in aanmerking te komen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Hangende het hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank bij besluit van 13 september 2002 de bezwaren van gedaagde opnieuw ongegrond verklaard

De
Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de
Raad ligt het in een geval waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beŽindiging van bijstandverlening of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die beŽindiging of afwijzing een relevante wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat deze thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

In het licht van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden die voor appellant redengevend zijn geweest voor de beŽindiging van de bijstandsuitkering van gedaagde, heeft gedaagde naar het oordeel van de
Raad aan voornoemde maatstaf voldaan. Reeds bij de eerste aanvraag heeft gedaagde aannemelijk gemaakt dat haar omstandigheden zijn gewijzigd in de zin dat het contract voor de levering van energie op haar naam is gesteld en zij voorts doende is het huurcontract en de overeenkomst tot waterlevering op haar naam te stellen. Voorts heeft zij aangegeven dat de kleding van [echtgenoot] zich niet meer in haar woning bevindt en hij zijn sleutel heeft ingeleverd. Ten tijde van de afhandeling van de tweede aanvraag heeft gedaagde door middel van nadere stukken aangetoond dat de huurovereenkomst op haar naam zal worden overgeschreven en dat de tenaamstelling van de overeenkomst met Duinwaterleiding is aangepast. In het kader van de behandeling van de aanvraag van 8 maart 2000 heeft appellant op 24 maart 2000 voorts een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres van gedaagde aan de [adres] waarbij noch [echtgenoot], noch zijn kleding is aangetroffen. Ook overigens zijn geen bijzonderheden waargenomen.

De
Raad stelt vast dat gedaagde op basis van de gewijzigde omstandigheden in beginsel voldoet aan de vereisten om voor een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande in aanmerking te komen. Indien appellant desalniettemin twijfelde of de situatie van gedaagde daadwerkelijk was gewijzigd, lag het op de weg van appellant ter zake nader onderzoek te doen. Appellant heeft de hem ten dienste staande mogelijkheden om naar aanleiding van de door gedaagde opgegeven relevante wijzigingen nader onderzoek te doen naar haar woon- en leefsituatie echter onbenut gelaten.

Uit voorgaande volgt dat de bestreden besluiten waarbij gehandhaafd zijn de besluiten waarbij de aanvragen van gedaagde zijn afgewezen op de grond dat geen sprake is van een relevante wijziging in omstandigheden na een eerdere beŽindiging, wegens een ontoereikende feitelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komen.
Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, zij het op geheel andere gronden, zal worden bevestigd.

Gezien het feit dat aan het door appellant naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit van 13 september 2002 dezelfde gebreken kleven als aan de besluiten van 12 januari 2001 komt het de
Raad geraden voor ook dat nadere besluit te vernietigen.

De
Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
Ä644,- te betalen door de gemeente Den Haag aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat van de gemeente Den Haag een griffierecht van
Ä409,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ís-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb
x
LJN:
x
AT0237
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/3594 NABW, 02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW
Datum uitspraak: 8 maart 2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 3, 65, 69 en 81 Abw (= 3, 17, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; onderhoudsplichtige; schending inlichtingenverplichting; beŽindiging bijstand; intrekking; terugvordering; duurzaam gescheiden; fraude
Essentie: Terechte beŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding met een onderhoudsplichtige.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 02/3594 NABW, 02/3597 NABW, 03/3190 NABW en 03/3191 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Met ingang van 1 januari 2004 heeft appellant het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ís-Gravenhage van 30 mei 2002, reg.nrs. 01/00854 ABW en 01/00855 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, waar namens appellant is verschenen mr. K.H. van Bolhuis, werkzaam bij de gemeente Den Haag, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Amsterdam.




II. Motivering


De
Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden [zie ook LJN AT0236, red.].

Gedaagde ontving een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet (Abw) laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van bij appellant binnengekomen informatie is het vermoeden gerezen dat gedaagde niet (langer) duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Appellant heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan gedaagde verstrekte uitkering. In dat kader is onder meer een administratief onderzoek ingesteld en zijn huisbezoeken afgelegd. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat gedaagde op haar adres aan de [adres] te ís- Gravenhage een gezamenlijke huishouding voert met haar echtgenoot [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]).

Bij besluit van 8 februari 2000 heeft appellant de uitkering van gedaagde met ingang van 1 februari 2000 beŽindigd op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [echtgenoot]. Bij besluit van 10 juli 2000 heeft appellant het recht op bijstand van gedaagde over de periode van 24 januari 2000 tot en met 31 januari 2000 op dezelfde grond ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
É346,34 van haar teruggevorderd.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 januari 2001 heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 8 februari 2000 en 10 juli 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de besluiten van 12 januari 2001 vernietigd op de grond dat appellant bij de beŽindiging en de intrekking van het recht op bijstand ten onrechte van belang heeft geacht de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding. Daarbij is overwogen dat, nu gedaagde en [echtgenoot] gehuwd zijn, aan de orde is de vraag of gedaagde als ongehuwd kan worden aangemerkt wegens het feit dat zij duurzaam gescheiden leeft van [echtgenoot].
Op basis van hetgeen gedaagde heeft aangevoerd en de ter zitting van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten niet in stand kunnen blijven. Ten slotte zijn beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Hangende het hoger beroep heeft appellant naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank bij besluit van 13 september 2002 de bezwaren van gedaagde opnieuw ongegrond verklaard.

De
Raad komt tot de volgende beoordeling.

De
Raad stelt voorop dat hij met de rechtbank van oordeel is dat appellant de beŽindiging en intrekking van het recht op bijstand van gedaagde ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw. Gedaagde en [echtgenoot] zijn gehuwd, zodat aan de orde is de vraag of zij al dan niet duurzaam gescheiden leefden in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw. De rechtbank heeft bestreden besluiten derhalve terecht vernietigd.

De
Raad is evenwel anders dan de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand dienen te blijven, aangezien hij de onderzoeksbevindingen van appellant wel toereikend acht voor de conclusie dat gedaagde ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot.

De
Raad kent daarbij betekenis toe aan de volgende omstandigheden in onderlinge samenhang bezien. Ondanks dat de echtelijke samenleving met [echtgenoot] volgens gedaagde sinds 1992 is verbroken zijn de huurovereenkomst voor de woning van gedaagde en de overeenkomsten tot levering van gas, water en elektra ten tijde in geding nog mede op naam van [echtgenoot] gesteld. Het water- en energieverbruik in die woning komt in de jaren 1997-1999 overeen met een gemiddeld verbruik van een twee- tot driepersoonshuishouden. Tijdens een door medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 24 januari 2000 afgelegd onaangekondigd huisbezoek aan de [adres] betrad [echtgenoot] de woning met een eigen sleutel en is zijn kleding in de woning aangetroffen.
Bij een eveneens op 24 januari 2000 afgelegd huisbezoek aan de [adres 2], het adres waar [echtgenoot] stelt te wonen, bleken in deze vierkamerwoning de dochter van gedaagde, de zoon van [echtgenoot] en hun drie kinderen woonachtig. In de door [echtgenoot] als zijn slaapkamer aangewezen kamer zijn geen persoonlijke bezittingen van hem aangetroffen, maar wel kinderkleding en speelgoed.

Gedaagde heeft aangevoerd dat de kleding van [echtgenoot] in haar woning aanwezig is omdat daarvoor op de [adres 2] geen plaats is. Ook is aangevoerd dat de oudste zoon van haar dochter nagenoeg de gehele week bij gedaagde, zijn oma, slaapt, waardoor er voor [echtgenoot] in de woning aan de [adres 2] een slaapkamer beschikbaar is. Gedaagde heeft de door haar gegeven lezing van de feiten ter zitting van de rechtbank door verklaringen van twee van haar dochters doen bevestigen.

De
Raad acht de geschetste gang van zaken niet geloofwaardig met name daar waar de kleding van zowel [echtgenoot] als de oudste zoon van de dochter van gedaagde zich juist op het andere adres bevindt dan waar zij zouden verblijven. In het licht van de overige bovengenoemde omstandigheden kan de Raad aan de door de dochters afgelegde verklaringen dan ook niet de door gedaagde gewenste betekenis toekennen.

Nu gedaagde ten tijde in geding niet kan worden aangemerkt als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de
Abw kan zij niet worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had zij derhalve geen recht op uitkering naar de norm voor een alleenstaande.
Gedaagde heeft aan appellant geen mededeling gedaan van het feit dat zij niet (langer) duurzaam gescheiden van haar echtgenoot leefde. Zij heeft derhalve de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de
Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

In het voorgaande ligt besloten dat appellant het recht op bijstand van gedaagde terecht heeft beŽindigd en voorts gehouden was met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de
Abw tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan.
Van dringende redenen om van de intrekking af te zien is de
Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de
Abw, zodat appellant gehouden was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 24 januari 2000 tot en met 31 januari 2000 over te gaan. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van de door haar vernietigde besluiten niet in stand heeft gelaten, zodat het hoger beroep slaagt. Om redenen van duidelijkheid zal de
Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen, met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot proceskosten en griffierecht.

Als gevolg van de vernietiging van de aangevallen uitspraak is aan het besluit van 13 september 2002 dat appellant naar aanleiding van de uitspraak heeft genomen de rechtsgrond komen te ontvallen. Het komt de
Raad daarom geraden voor ook dat nadere besluit te vernietigen.

De
Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van hetgeen daarin is bepaald omtrent griffierecht en proceskosten;
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt de besluiten van 12 januari 2001;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 12 januari 2001 in stand blijven;
vernietigt het besluit van 13 september 2002.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2005.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding en het begrip duurzaam gescheiden leven.
 
 

 

 

 

                                          

 

 
             
         

 

 

JURISPRUDENTIE   ---   Abw / Wwb / Awb
x
LJN:
x
AT0309
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Zaaknummer: 02/4343 NABW en 02/4894 NABW
Datum uitspraak: 23 februari 2005
Soort procedure: herziening
Bron: Rechtspraak.nl
Wetsartikelen: artt. 39 Abw (= 35 Wwb) / 8:88 Awb
Trefwoorden: herzieningsverzoek; revisie; uitspraken hoger beroep; nieuwe feiten of omstandigheden
Essentie: Terechte afwijzing verzoek om herziening uitspraken hoger beroep, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 
Uitspraak meervoudige kamer
Centrale Raad van Beroep 02/4343 NABW en 02/4894 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraken van de Raad
van
13 augustus 2002, reg.nrs. 99/2931 NABW en 99/4468 NABW.

Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 januari 2005, waar verzoeker niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.J.C.J. Crombach, werkzaam bij de gemeente Tilburg.




II. Motivering


Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan de
Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vůůr de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vůůr de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de
Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden
hebben kunnen leiden.

Bij de uitspraak met reg.nr. 99/2931 NABW heeft de
Raad de in hoger beroep door verzoeker aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda van 21 april 1999 inzake de weigering door gedaagde van bijzondere bijstand voor woonkosten bevestigd voor zover aangevochten.

Bij de uitspraak met reg.nr. 99/4468 NABW heeft de
Raad de in hoger beroep door verzoeker aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juli 1999 inzake de weigering door gedaagde van bijzondere bijstand voor een bouwkundige offerte en voor de opknapkosten van de woning van verzoeker eveneens bevestigd voor zover aangevochten.

De
Raad stelt vast dat de gronden die verzoeker in zijn (aanvullende) verzoekschriften tegen de uitspraken van 13 augustus 2002 heeft aangevoerd, niet kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De feiten en omstandigheden waarop verzoeker zich beroept, dateren alle van vůůr die uitspraken en zijn in de procedures die tot de uitspraken hebben geleid - materieel - ook aan de orde geweest. Er is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden die bij verzoeker vůůr de uitspraken niet bekend waren.

Wat verzoeker met de verzoeken om herziening in wezen beoogt, is het ter discussie stellen van de juistheid van de uitspraken van 13 augustus 2002. Daarvoor is het - bijzondere - rechtsmiddel van herziening echter niet bedoeld.

De verzoeken om herziening dienen daarom te worden afgewezen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de
Raad geen aanleiding.




III. Beslissing


De
Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

wijst de verzoeken om herziening af.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. H.J. de Mooij en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.

(get). Th.G.M. Simons.

(get). M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

                                          

 

 
 

 

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x