Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF1660
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens (vermeende) gezamenlijke huishouding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 99/5863 NABW, 99/5864 NABW en 99/5929 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, gedaagde 1,
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten hebben respectievelijk mr. G. van De Nesse, advocaat te IJsselstein, en mr. F. Verschuren, juridisch medewerker bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, op bij afzonderlijke beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 21 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde 1 heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 15 oktober 2002, waar appellante en appellant zijn verschenen in persoon, bijgestaan door respectievelijk mr. van De Nesse en mr. Verschuren. Gedaagde 1 heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J.K. Klok werkzaam bij de gemeente Nieuwegein en gedaagde 2 door A. van Baren, werkzaam bij de gemeente IJsselstein.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving sedert 1 januari 1990 van gedaagde 1 een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een eenoudergezin. Met ingang van 1 januari 1994 is deze norm gewijzigd in de norm voor een alleenstaande. Per 1 februari 1996 is deze uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 december 1996 is appellante verhuisd naar de gemeente IJsselstein en ontving zij een Abw-uitkering naar laatstgenoemde norm van gedaagde 2.

Naar aanleiding van ingekomen informatie dat appellante zou samenwonen met appellant, heeft een sociaal rechercheur van de regio Zuid/West Utrecht in opdracht van gedaagde 1 een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek is informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, de Zwolsche Algemene Schadeverzekering, de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zeist en Bunnik, het toenmalige GAK te Utrecht en de firma Boekhout Beroepsvervoer te Bunnik waar appellant als internationaal vrachtwagenchauffeur werkzaam was. Voorts zijn observaties verricht bij de woning van appellante en zijn twee getuigen gehoord alsmede appellante en appellant.

Naar aanleiding van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 30 juni 1997, heeft gedaagde 1 bij besluit van 13 maart 1998, gericht tot appellante, het recht op uitkering van appellante met ingang van 1 september 1992 ingetrokken en - met inachtneming van artikel 70 van de ABW - de over de periode van 1 april 1993 tot 1 december 1996 aan haar verstrekte bijstand tot een bedrag van f 82.073,54 van haar teruggevorderd op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en artikel 81, eerste lid, van de Abw. Bij besluit van eveneens 13 maart 1998, gericht tot appellant, heeft gedaagde 1 dit bedrag onder toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de ABW en artikel 84, tweede lid, van de Abw mede van appellant teruggevorderd. Daaraan voorafgaand had gedaagde 2 de bijstandsuitkering van appellante bij besluit van 22 juli 1997 met ingang van 1 juni 1997 beŽindigd op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met appellant.

Bij besluit van 2 oktober 1998 heeft gedaagde 1 de bezwaren van appellante tegen de intrekking en terugvordering van haar, alsmede het bezwaar van appellant tegen de terugvordering mede van hem, ongegrond verklaard. Daaraan voorafgaand was het bezwaar van appellante tegen de beŽindiging van haar uitkering per 1 juni 1997 door gedaagde 2 bij besluit van 7 april 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens appellanten ingestelde beroepen tegen de besluiten van 7 april 1998 en 2 oktober 1998 ongegrond verklaard.

Namens appellanten is die uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad staat in deze gedingen primair voor de beantwoording van de vraag of gedaagden terecht hebben aangenomen dat appellanten ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding voerden. Deze vraag zal worden beoordeeld aan de hand van de hierna te noemen bepalingen van respectievelijk de ABW en de Abw.



a. Met betrekking tot de periode van 1 september 1992 tot 1 februari 1996

Ingevolge artikel 5a, tweede lid, van de ABW kan slechts sprake zijn van een gezamenlijke huishouding indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

De Raad wijst er in dit verband allereerst op dat de feitelijke vaststelling dat men gezamenlijk (dat wil zeggen: beiden) hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, anders dan gedaagde 1 blijkens het besluit van 2 oktober 1998 kennelijk meent, op zichzelf onvoldoende is om aan te nemen dat ook gezamenlijk wordt voorzien in huisvesting. De Raad verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2001, gepubliceerd in JABW 2001/101.

Naar het oordeel van de Raad bieden de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende het hier aan de orde zijnde tijdvak gezamenlijk met appellante in huisvesting voorzag. Weliswaar komt uit die gegevens naar voren dat appellant in de weekends veelal het merendeel van de tijd bij appellante in haar woning doorbracht, maar daarmee is nog niet gegeven dat hij ook gezamenlijk met appellante in huisvesting voorzag. De Raad laat daartoe wegen dat appellant doorgaans vijf nachten per week in de slaapcabine van zijn vrachtwagen overnachtte. Hij neemt voorts in aanmerking dat appellant niet beschikte over een eigen huissleutel zodat hij zich niet vrijelijk toegang tot de woning van appellante kon verschaffen, dat in de woning van appellante behoudens enige kleding (bestemd om te worden gewassen) geen andere persoonlijke bezittingen van appellant zijn aangetroffen, en dat niet is gebleken dat hij aldaar zijn hobby's uitoefende.

Nu niet aan de eis van het gezamenlijk voorzien in huisvesting is voldaan kan, anders dan gedaagden en de rechtbank hebben geoordeeld, reeds daarom niet worden aangenomen dat appellanten ten tijde hier van belang met elkaar een gezamenlijke huishouding voerden. De vraag of appellanten in de onderhavige periode een bijdrage hebben geleverd in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien, kan derhalve buiten bespreking blijven.



b. Met betrekking tot de periode van 1 februari 1996 tot en met 1 juni 1997

Ingevolge artikel 3, tweede lid (oud), van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar het oordeel van de Raad, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van artikel 3 van de Abw, de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. De Raad vindt voor deze opvatting mede steun in het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001, gepubliceerd in JABW 2001/178.

Naar het oordeel van de Raad bieden de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende het tijdvak van 1 februari 1996 tot en met 1 juni 1997 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante in Nieuwegein respectievelijk in IJsselstein. De Raad volstaat hier met verwijzing naar de onder a. gegeven overwegingen. Daarmee is gegeven dat ook gedurende het hier aan de orde zijnde tijdvak ťn per 1 juni 1997 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding van appellant en appellante.

Het vorenstaande betekent dat de besluiten van 7 april 1998 en 2 oktober 1998 ter zake van de intrekking en beŽindiging van de bijstand van appellante wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kunnen blijven. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering van bijstand komen te ontvallen, zodat het besluit van 2 oktober 1998 ook in zoverre niet in stand kan blijven.

Waar bij de aangevallen uitspraak de beroepen ongegrond zijn verklaard, dient deze te worden vernietigd. De Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Hij ziet aanleiding daarbij, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, ook de besluiten van 22 juli 1997 en 13 maart 1998 te vernietigen, aangezien deze op dezelfde niet houdbaar gebleken grondslagen berusten.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde 1 en 2 te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze worden voor gedaagde 1 begroot op Ä 2.898 (2 x Ä 1.449,--) en voor gedaagde 2 op Ä 1.449,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen gegrond;
Vernietigt de besluiten van 7 april 1998 en 2 oktober 1998 alsmede de besluiten van 22 juli 1997 en 13 maart 1998;
Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 1.449,-- en van appellant tot een bedrag van Ä 1.449,--, te betalen door de gemeente Nieuwegein aan de griffier van de Raad (99/5864 en 99/5829 NABW);
Veroordeelt gedaagde 2 in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 1.449,--, te betalen door de gemeente IJsselstein aan de griffier van de Raad (99/5863 NABW);
Bepaalt dat de gemeente Nieuwegein het betaalde griffierecht van Ä 24,96 (f 55,--) in geding 99/5864 NABW vergoedt aan appellante en het betaalde griffierecht van Ä102,10 (f 225,--) in geding 99/5929 NABW vergoedt aan appellant;
Bepaalt dat de gemeente IJsselstein het betaalde griffierecht van in totaal Ä 102,10 (f 225,--) in geding 99/5863 NABW vergoedt aan appellante.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) P.C. de Wit




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Bijstandswet/Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep kan worden ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x