Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF4569
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-10-2002
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor rechtsbijstandskosten ad f 5000,- in een civiele zaak. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak. De Wrb geldt als toereikende en passende voorliggende voorziening.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter  02/4035 NABW-VV en 01/4769 NABW




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk,
gedaagde.




I. INLEIDING


Verzoeker heeft op de in het hoger beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 20 augustus 2001 tussen partijen gewezen uit-spraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 juli 2002 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaal-de in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nadien heeft verzoeker nadere stukken naar de Raad gefaxt.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 september 2002, waar verzoeker in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Verzoeker heeft op 20 september 2000 een aanvraag voor bijzondere bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingediend ter voorziening in de kosten van rechtsbijstand. De aanvraag betreft een voorschotnota van f 5.000,-- van [naam advocaat], die door verzoeker als advocaat is benaderd voor het instellen van appel tegen een vonnis van de rechtbank Arnhem. Bij dit vonnis is een civiele vordering van verzoeker tegen oud-notaris [naam notaris] wegens verzoeker als toenmalig ondernemer toegebrachte schade afgewezen. Bij besluit van 29 september 2000 is deze aanvraag afgewezen op aan artikel 14, eerste lid, van de Abw ontleende gronden.

[naam advocaat] heeft verzoeker bij brief van 29 september 2000 meegedeeld dat hij hem niet zal bijstaan en verzoeker vervolgens wegens verrichte werkzaamheden een nota van f 1.066,47 gestuurd.

Bij besluit van 1 februari 2001 heeft gedaagde de door verzoeker tegen het primaire besluit van 29 september 2000 ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de artikelen 39, eerste lid, (oud) alsmede op artikel 17, tweede en derde lid, van de Abw.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 februari 2001 ongegrond verklaard. Zij is tot het oordeel gekomen dat de kosten van rechtsbijstand voor het voeren van de onderhavige procedure, in dit geval het bedrag van f 1.066,47 dat door [naam advocaat] in rekening is gebracht, niet behoren tot de noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, (oud), van de Abw.

Verzoeker heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden. Hij houdt staande dat hem ten onrechte bijzondere bijstand tot een bedrag van f 1.066,47 in de door hem gemaakte advocaatkosten is geweigerd.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw (tekst vanaf 1 juli 1997) bestaat geen recht op bijstand voorzover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het tweede lid van artikel 17 bepaalt dat het recht op bijstand zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient voor de kosten van rechtsbijstandvoorziening de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) in beginsel te worden beschouwd als een aan de Abw voorliggende, toereikend en passende voorziening. Verzoeker komt niet in aanmerking voor toevoeging van een advocaat in de door hem gevoerde civielrechtelijke procedures, omdat ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb geen rechtsbijstand wordt verleend, indien, zoals in het onderhavige geval, het rechtsbelang de uitoefening van een zelfstandig bedrijf of beroep betreft.
Uit artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb en de toelichting op deze bepaling leidt de voorzieningenrechter af dat de wetgever in een geval als het onderhavige het bieden van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand niet noodzakelijk heeft geacht, zodat artikel 17, tweede lid, van de Abw zich in beginsel tegen bijstandsverlening in de onderhavige kosten verzet.
Niet gesteld of gebleken is dat zich ten aanzien van verzoeker zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Abw voordeden op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekwam om in afwijking van bovengenoemde bepaling bijzondere bij-stand voor de onderhavige kosten te verlenen.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter ten slotte geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x