Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF5326
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 12-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand wegens het ontvangen van hogere inkomsten dan opgegeven. Betrokkene heeft geen objectieve gegevens, bij voorbeeld loonstroken of jaaropgaves, overgelegd waaruit blijkt dat de door de fiscus en de accountant verstrekte gegevens onjuist zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/493 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [vestigingsplaats], appellant,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Mr. M.Ph. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, heeft op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 4 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 1 oktober 2002, waar voor appellant is verschenen mr. De Witte, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.




II. MOTIVERING


Aan appellant is ingaande 31 januari 1992 een uitkering toegekend ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), berekend naar de norm voor een echtpaar.

Met ingang van 1 mei 1993 is appellant als bedrijfsleider gaan werken bij [naam bedrijf], eigenaar van [naam cafť] te [vestigingsplaats]. Volgens zijn opgave aan gedaagde werkte hij een dag per week tegen een salaris van f 435,-- netto per maand.

Aan de herhaalde verzoeken van gedaagde om loonstroken in te leveren heeft appellant eerst in december 1994 voldaan. Hij heeft toen salarisspecificaties overgelegd vanaf augustus 1994. Ter verklaring van het feit dat die specificaties een hoger salaris laten zien dan hij aan gedaagde heeft opgegeven, heeft appellant medegedeeld dat hij per augustus 1994 zijn werkzaamheden heeft uitgebreid.

In februari en maart 1995 heeft gedaagde van de Belastingdienst en van de accountant van de werkgever van appellant informatie ontvangen waaruit naar voren komt dat appellant in de periode van 1 mei 1993 tot 1 augustus 1994 meer inkomsten heeft ontvangen dan hij aan gedaagde heeft opgegeven.

De uitkering ingevolge de Rww van appellant is met ingang van 1 maart 1996 beŽindigd op de grond dat zijn inkomsten per maand hoger zijn dan het voor hem geldende normbedrag.

Bij besluit van 27 april 1998 heeft gedaagde de over de periode van 1 mei 1993 tot en met 31 juli 1994 verstrekte uitkering ten bedrage van f 26.199,97 van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant de op hem rustende informatieplicht heeft geschonden waardoor hem ten onrechte uitkering is verstrekt.

Het tegen het besluit van 27 april 1998 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 4 december 1998 ongegrond verklaard, daarbij toepassing gevend aan artikel 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet (ABW) in verbinding met artikel 30, tweede lid, van die wet.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voorzover van belang - het beroep tegen het besluit van 4 december 1998 ongegrond verklaard, voorzover daarbij de bezwaren tegen het besluit van 27 april 1998 ongegrond waren verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant - kort gezegd - de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW op hem rustende informatieplicht niet nagekomen zodat gedaagde de gemaakte kosten van bijstand van appellant dient terug te vorderen.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de voormelde ongegrondverklaring van zijn beroep door de rechtbank. Hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad echter niet tot een ander oordeel gebracht dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

Vast staat dat de door de fiscus en de accountant van appellants (voormalige) werkgever verstrekte informatie aangeeft dat appellant in de periode van 1 mei 1993 tot 1 augustus 1994 hogere inkomsten heeft genoten dan hij aan gedaagde heeft opgegeven. Appellant heeft over de vermelde periode geen objectieve gegevens, bij voorbeeld loonstroken of jaaropgaves, overgelegd waaruit blijkt dat de door de fiscus en de accountant verstrekte gegevens onjuist zijn.

Ook zijn stelling, dat de Belastingdienst en de accountant zijn gegevens hebben verwisseld met die van zijn zoon die ten tijde van belang bij dezelfde werkgever werkte, heeft appellant op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat klemt te meer omdat die zoon een andere leeftijd, een ander adres, een andere functie en een ander sofi-nummer dan appellant heeft, zodat een persoonsverwisseling niet voor de hand ligt. Voorts was de accountant op de hoogte van het feit dat appellant en diens zoon beiden bij werkgever [naam werkgever] in dienst waren, terwijl het niet waarschijnlijk is dat de accountant vanaf augustus 1994 wťl de juiste gegevens vermeldt maar over de daaraan voorafgaande periode niet.

De Raad is dan ook met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat appellant ten tijde van belang de verplichting bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW niet behoorlijk is nagekomen. Hetgeen appellant in dit verband nog naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad tekent daarbij nog aan dat gedaagde appellant vanaf mei 1993 om loonspecificaties heeft verzocht zodat het voor risico van appellant komt dat het voor hem door het tijdsverloop onmogelijk is geworden om zijn gelijk te bewijzen. Voorts faalt het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel omdat de aantekening op 13 april 1995 in zijn dossier, inhoudende dat zijn inkomsten reeds verrekend zijn en er geen actie meer nodig is, een interne mededeling betreft. Aan een dergelijke mededeling kan appellant niet het vertrouwen ontlenen dat niet tot terugvordering zal worden overgegaan.

Gezien het vorenoverwogene was gedaagde gehouden de gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen, nu van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW niet is gebleken.

De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar
op 12 november 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get). P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x