Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF5521
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-02-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van de bijstand wegens oververmogen uit boedelscheiding. Is de hoogte van het terugvorderingsbedrag juist vastgesteld?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/3566 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R.F. Vogel, advocaat te Almere, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 31 mei 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 januari 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Vogel, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.




II. MOTIVERING


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de volgende nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft aan appellante van 29 juli 1992 tot 14 mei 1998 een bijstandsuitkering verleend naar de norm voor een eenoudergezin. In het besluit van 25 augustus 1992, waarbij de uitkering aan appellante is toegekend, is onder andere bepaald dat indien appellante na de boedelscheiding de beschikking krijgt over een vermogen dat uitgaat boven het krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) vrij te laten vermogen, de verstrekte bijstand op dit vermogen zal worden verhaald.

Bij vonnis van 4 november 1992 heeft de rechtbank Zwolle de echtscheiding tussen appellante en [ex-echtgenoot] (hierna: [ex-echtgenoot]) uitgesproken, welk vonnis op 26 november 1992 in de registers van de Burgerlijke Stand is ingeschreven.
Op 2 september 1998 zijn appellante en [ex-echtgenoot] overgegaan tot verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats], de daarop rustende hypothecaire schuld, de waarde van een polis van levensverzekering alsmede het door [ex-echtgenoot] opgebouwde ouderdomspensioen. Bij die verdeling is aan appellante onder meer de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire schuld toegedeeld.
Bij besluit van 3 april 1998 heeft gedaagde - voor zover van belang - op grond van artikel 82, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) een bedrag van f 41.100,-- aan verleende bijstand van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 5 februari 1999 heeft gedaagde het tegen het besluit van 3 april 1998 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het besluit van 5 februari 1999 beroep doen instellen.

Terwijl het beroep tegen het besluit van 5 februari 1999 bij de rechtbank aanhangig was, heeft gedaagde op 3 september 1999 een nader besluit op bezwaar genomen, waarbij het door gedaagde op grond van artikel 82 van de Abw teruggevorderde bedrag is beperkt tot f 23.346,12.

De rechtbank heeft het besluit van 3 september 1999 aangemerkt als een besluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep tegen het besluit van 5 februari 1999 mede gericht geacht tegen het besluit van 3 september 1999. Bij haar uitspraak van 31 mei 2000 heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 5 februari 1999 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 3 september 1999 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep doen instellen, voorzover daarbij haar beroep tegen het besluit van 3 september 1999 ongegrond is verklaard.

De Raad heeft naar aanleiding van het ingestelde hoger beroep het volgende overwogen.

Gedaagde heeft zijn besluit tot terugvordering van de onderhavige aan appellante verleende bijstand gebaseerd op artikel 82, eerste lid, van de Abw zoals deze bepaling sedert 1 januari 1996 luidt. Dat is onjuist omdat de kosten van bijstand ten bedrage van f 23.346,12, die gedaagde bij zijn besluit van 3 september 1999 van appellante terugvordert, zijn verleend in de jaren 1992, 1993 en 1994. In dit verband verwijst de Raad naar pagina 7 van het besluit van 5 februari 1999. Dit betekent dat het besluit van 3 september 1999 wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd en dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend.

Artikel 58, tweede lid, van de ABW, zoals deze bepaling in de periode van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996 luidde, bepaalt dat kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene worden teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt. Voor zover die middelen overeenkomstig artikel 7 ABW buiten beschouwing zouden zijn gelaten indien zij reeds bij de aanvang van de periode ter beschikking zouden hebben gestaan, blijft terugvordering achterwege.
Artikel 59, tweede lid, van de ABW zoals geldend vr 1 augustus 1992, heeft dezelfde strekking, met dien verstande dat in die bepaling over verhaal en niet over terugvordering wordt gesproken en dat zij een bevoegdheid (en geen verplichting) tot verhaal inhoudt.

Ingevolge artikel 61d, eerste lid, van de ABW, zoals geldend van 1 augustus 1992 tot 1 januari 1996, worden, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen 58 en 59, kosten van bijstand die meer dan vijf jaar vr de datum van verzending van de beschikking tot terugvordering zijn gemaakt, niet teruggevorderd.
Artikel 70 van de ABW, zoals luidend vr 1 augustus 1992, bepaalt dat de rechtsvordering tot verhaal vervalt na verloop van vijf jaar nadat de kosten gemaakt zijn.

Laatstgenoemde bepaling brengt evenwel niet mee dat de vordering tot verhaal van de aan appellante vr 1 augustus 1992 verleende bijstand is komen te vervallen. De Hoge Raad heeft immers in zijn arrest van 11 mei 1984, NJ 1985, 749, geoordeeld dat, wanneer in het besluit waarbij de in artikel 59, tweede lid, van de ABW bedoelde bijstand is verleend, duidelijk tot uitdrukking is gebracht dat deze later moet worden terugbetaald, deze bijstand in zoverre overeenstemt met bijstand in de vorm van een geldlening dat ook deze de strekking heeft een tijdelijk gebrek aan middelen op te heffen. Volgens artikel 71a, eerste lid, ABW (tekst vr 1 augustus 1992) is artikel 70 niet van toepassing ten aanzien van terugvordering van kosten van bijstand, voortvloeiend uit geldlening of borgtocht. Tegen deze achtergrond brengt een redelijke uitleg van artikel 70 van de ABW mee dat het in een geval als bovenomschreven buiten toepassing moet blijven, aldus de Hoge Raad.
De Raad ziet thans geen aanleiding anders dan de Hoge Raad te oordelen over de strekking en de uitleg van de artikelen 70 en 71a van de ABW zoals deze bepalingen vr 1 augustus 1992 luidden. Aangezien in het besluit van 25 augustus 1992, waarbij aan appellante met ingang van 29 juli 1992 bijstand is toegekend, duidelijk is vermeld dat deze bijstand zal worden verhaald, brengt een en ander mee dat de vordering tot verhaal van gedaagde van de bijstand die vr 1 augustus 1992 aan appellante is verleend, niet is vervallen.

De grief van appellante, dat zij uit het besluit van 25 augustus 1992 niet heeft kunnen afleiden dat zij de haar toegekende bijstand mogelijk zou moeten terugbetalen, verwerpt de Raad. Naar het oordeel van de Raad is de tekst van het besluit van 25 augustus 1992 op dit punt duidelijk en niet voor tweerlei uitleg vatbaar. Indien appellante de strekking van dat besluit niet duidelijk mocht zijn geweest, had zij zich tot gedaagde dienen te wenden om uitleg terzake. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar rekening.

De Raad heeft voorts het volgende overwogen.

Vaststaat dat gedaagde aan appellante ingaande 29 juli 1992 bijstand heeft verleend en dat appellante toen aanspraken op middelen uit de huwelijksgemeenschap van haar en [ex-echtgenoot] had, waarover zij nog niet redelijkerwijs kon beschikken.
Toen appellante en [ex-echtgenoot] op 2 september 1998 - derhalve vr de datum van het bestreden besluit - overgingen tot verdeling van de voormalige echtelijke woning, de daarop rustende hypothecaire schuld, de waarde van een polis van levensverzekering alsmede het door [ex-echtgenoot] opgebouwde ouderdomspensioen, ontving appellante evenwel middelen die zij redelijkerwijs liquide kon maken en werd gedaagde gerechtigd dan wel verplicht de aan appellante ingaande 29 juli 1992 verleende bijstand te verhalen respectievelijk terug te vorderen.
In dit verband heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante sedert 14 mei 1998 geen bijstand meer ontving en de hypotheek op de haar toebedeelde woning heeft verhoogd teneinde [ex-echtgenoot] het hem toekomende bedrag wegens onderbedeling uit te betalen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat appellante het haar toebedeelde niet liquide kon maken teneinde gedaagde de betaalde kosten van bijstand terug te betalen. Te minder nu inmiddels de voormalige echtelijke woning is verkocht.

Gedaagde heeft bij de vaststelling van het bedrag dat op appellante wordt verhaald dan wel van haar wordt teruggevorderd - voorzover van belang - enerzijds rekening gehouden met de waarde van de voormalige echtelijke woning in 1998 en anderzijds met het in 1998 vrij te laten bescheiden vermogen van f 19.400,-- alsmede met de vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Abw.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit de tekst van de artikelen 59 respectievelijk 58 van de ABW dat bij het verhaal dan wel de terugvordering rekening wordt gehouden met de waarde van het onroerend goed ten tijde van de boedelverdeling in 1998. Appellante kreeg toen immers daadwerkelijk de beschikking daarover. Dat de waarde van het onroerend goed in de periode van 1992 tot 1998 sterk is gestegen, maakt dit niet anders, waarbij de Raad aantekent dat appellante eerder de verdeling van de gemeenschap had kunnen vorderen.

De Raad stelt vervolgens vast dat de artikelen 59 respectievelijk 58 van de ABW geen verplichting inhouden om rekening te houden met de extra vrijlating als bedoeld in artikel 8a van het Bijstandsbesluit landelijke normering, terwijl ingevolge die bepalingen het vermogen slechts buiten beschouwing wordt gelaten naar het bij de aanvang van de bijstandsverlening vrij te laten bedrag.

Dit betekent dat appellante zeker niet te kort is gedaan nu gedaagde het bedrag van de terugvordering met inachtneming van voormelde vrijlatingen heeft bepaald op f 23.346,12.
De Raad tekent daarbij nog aan dat ingevolge het tweede lid van artikel 59 respectievelijk 58 van de ABW bij de vaststelling van het voor verhaal/terugvordering vatbare vermogen slechts rekening gehouden kan worden met schulden die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig waren. Dit betekent dat met de schulden die volgens appellante nadien tijdens de periode van bijstandsverlening zijn ontstaan, geen rekening kan worden gehouden.

Ten slotte overweegt de Raad naar aanleiding van de grief van appellante dat gedaagde aan appellante ingaande 29 juli 1992 bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek had kunnen en moeten verlenen, het volgende.
De door appellante bewoonde woning maakte op de ingangsdatum van de bijstand deel uit van de (niet verdeelde) huwelijksgemeenschap.
Om aan appellante ingaande 29 juli 1992 bijstand te kunnen verlenen onder verband van hypotheek had de (ex-)echtgenoot van appellante bereid moeten zijn die hypotheek te vestigen. Dat die bereidheid bestond, is niet gesteld of gebleken.

Nu ook hetgeen overigens van de zijde van appellante naar voren is gebracht, de Raad niet tot een ander oordeel heeft kunnen brengen, en de Raad voorts niet is gebleken dat het besluit om de aan appellante verleende bijstand te verhalen niet in redelijkheid kon worden genomen dan wel dat daarbij anderszins is gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, terwijl evenmin is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien, dient te worden beslist als hierna is aangegeven.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, begroot op 966,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 3 september 1999;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 966,-- te betalen door de gemeente Almere;
Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op18 februari 2003.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x