Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF6426
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van de bijstand wegens oververmogen uit boedelscheiding. Had de interingsnorm moeten worden toegepast en had rekening moeten worden gehouden met de extra herinrichtingskosten vanwege de caraklachten van betrokkenes kinderen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 00/4748 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 26 juli 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2003, waar partijen - appellant met kennisgeving - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante is met ingang van 1 maart 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 22 juni 1999 heeft gedaagde met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw van appellante over de periode van 1 maart 1999 tot en met 1 augustus 1999 een bedrag aan verleende bijstand van f 7.489,- teruggevorderd, op de grond dat appellante met betrekking tot die periode inmiddels beschikt of heeft kunnen beschikken over een op 1 juni 1999 uit hoofde van de boedelscheiding ontvangen bedrag van f 41.500,-.

Bij besluit van 10 december 1999 is het besluit van 22 juni 1999 gehandhaafd met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag over de in geding zijnde periode is herzien in f 2.794,26.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, het namens appellante tegen het besluit van 10 december 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Door appellante wordt in hoger beroep aangevoerd dat bij de vaststelling van het terug te vorderen bedrag de zogenaamde interingsnorm op het door haar ontvangen vermogen toegepast had moeten worden en tevens dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de extra herinrichtingskosten die appellante heeft moeten maken in verband met caraklachten bij een van haar kinderen.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot het hanteren van de genoemde interingsnorm, inhoudende - kort gezegd - dat op een vermogen wordt ingeteerd met een bedrag per maand dat overeenstemt met anderhalf maal de voor de betrokkene geldende bijstandsnorm, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat deze berekeningswijze in voorkomende gevallen kan worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of voorafgaande aan de aanvraag om bijstand sprake is geweest van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw. Deze beoordeling is hier evenwel niet aan de orde. Gelet hierop heeft gedaagde bij de berekening van het terug te vorderen bedrag in het onderhavige geval terecht met deze norm geen rekening gehouden.

Voorts is de Raad van oordeel dat in het kader van de hier aan de orde zijnde beoordeling, verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met de door appellante gestelde saneringskosten, alleen al nu uit de gedingstukken blijkt dat bij de hernieuwde vaststelling van het in aanmerking te nemen vermogen reeds een vrijlatingsbedrag is opgenomen voor herinrichting van haar woning tot een bedrag van f 9.311,- en door appellante op geen enkele wijze is aangetoond dat zij bij de herinrichting nog extra kosten heeft moeten maken in verband met de door haar beweerde gezondheidsklachten bij een van haar kinderen.
Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2003.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x