Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF7477
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beëindiging bijstand omdat niet de gevraagde giroafschriften zijn overgelegd, waardoor niet het recht op bijstand kan worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/3190 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 3 mei 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 januari 2003, waar partijen, gedaagde met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres en gedaagde als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"Aan eiseres is met ingang van 1 december 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Awb) toegekend.
Op 9 maart 1999 is eiseres - blijkens een rapportage van verweerder - zonder bericht van afmelding niet verschenen voor een hercontrolegesprek. Op grond hiervan is eiseres bij brief van gelijke datum meegedeeld dat zij binnen 7 dagen een nieuwe afspraak diende te maken. Op 19 maart 1999 heeft een hercontrolegesprek plaatsgevonden met eiseres. Naar aanleiding hiervan is haar bij brief met verzenddatum 22 maart 1999 medegedeeld dat zij vóór 25 maart 1999 nog een aantal gegevens diende te verstrekken, waaronder “alle afschriften van de Postbank over de periode van 1 december 1998 tot en met 18 maart 1999”.
Omdat eiseres tijdens het heronderzoeksgesprek op 29 maart 1999 niet alle door verweerder gevraagde gegevens heeft verstrekt, is eiseres bij brief met verzenddatum 1 april 1999 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te helen voor 12 april 1999. Hierbij is haar medegedeeld dat zij de “giroafschriften van Postbankrekeningnummer 6910741 met volgnummer 4 (allen), 5 (alleen blad 1), 6 (allen) en 7 (alleen blad 3)” en “alle afschriften van uw plusrekening bij de Postbank van het moment dat de rekening is geopend tot heden” over diende te leggen. Omdat voor 12 april 1999 slechts enkele gegevens werden verstrekt, heeft verweerder bij besluit van 7 mei 1999, verzonden op 10 mei 1999, onder toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Awb de uitkering opgeschort met ingang van 29 maart 1999 en eiseres in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door de giroafschriften met de volgnummers 4 en 5 alsnog binnen één week na dagtekening van dit besluit in te leveren. Tegen dit besluit is geen bezwaarschrift ingediend. Evenmin zijn de gevraagde giroafschriften binnen de gestelde termijn ingeleverd. Bij besluit van 19 mei 1999 en verzonden op deze datum, heeft verweerder de uitkering met ingang van 29 maart 1999 beëindigd op grond van artikel 69, vierde lid van de Awb. Tegen dit besluit is namens eiseres op 30 juni 199 bezwaar gemaakt."

Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft gedaagde het besluit van 19 mei 1999 gehandhaafd en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 26 oktober 1999 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad heeft het volgende overwogen.

Het besluit tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand berust op artikel 69, vierde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw). Die bepaling verplicht gedaagde tot die intrekking met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort indien de belanghebbende in het geval, bedoeld in het eerste lid, het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het eerste lid schorten burgemeester en wethouders het recht op bijstand op indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek.

De Raad stelt vast dat appellante de voor de verlening van bijstand van belang zijnde afschriften van haar girorekening met de volgnummers 4 en 5 niet heeft overgelegd, hoewel daarom vanaf 19 maart dan wel 22 maart 1999 bij herhaling, zowel mondeling als schriftelijk, is verzocht. Niet is gesteld of gebleken dat appellante van die nalatigheid geen verwijt valt te maken.
Voorts staat vast dat gedaagde bij besluit van 7 mei 1999 het recht op bijstand van appellante met ingang van 29 maart 1999 heeft opgeschort, haar heeft uitgenodigd de gevraagde afschriften binnen één week na dagtekening van dat besluit over te leggen en daaraan de waarschuwing heeft verbonden dat, indien de gegevens niet voor de genoemde datum worden verstrekt, de uitkering zal worden beëindigd.
Ten slotte staat vast dat appellante het verzuim niet heeft hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn.
In dit verband overweegt de Raad dat op grond van de stukken als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat gedaagde het opschortingsbesluit van 7 mei 1999 op de in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. Dat appellante dat besluit mogelijk niet heeft ontvangen, omdat een ex-vriend haar post regelmatig zou ontvreemden, is een omstandigheid die voor haar rekening komt en er niet aan af doet dat gedaagde heeft voldaan aan het in artikel 69, tweede lid, van de Abw bepaalde.

Gelet op het vorenoverwogene, was gedaagde verplicht het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van 29 maart 1999 in te trekken, tenzij er dringende redenen aanwezig zouden zijn om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

De Raad is van zodanige redenen niet gebleken. In dit verband wijst de Raad er op dat dringende redenen in de zin van artikel 69, vijfde lid, van de Abw slechts kunnen zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een intrekking voor de betrokkene. Het feit dat er, aldus appellante, van een geringe tekortkoming sprake was, levert derhalve geen dringende reden op in de zin van de van toepassing zijnde bepaling. Dat geldt evenzeer voor het feit dat een bijstandsuitkering een basisvoorziening is. Dat heeft de wetgever er immers niet van weerhouden om in artikel 69 van de Abw aan het bestuursorgaan de verplichting op te leggen om een besluit tot toekenning van een bijstandsuitkering in te trekken indien wordt voldaan aan de in die bepaling neergelegde voorwaarden.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2003.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x