Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF7522
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-03-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand omdat betrokkene in de periode in geding woonachtig was in een andere gemeente. Bepalend is de plaats waar de belanghebbende, gedurende de periode waarop hij aanspraak op bijstand maakt, in het algemeen zijn feitelijk hoofdverblijf heeft. Alleen in geval van bijzondere omstandigheden mag bijstand met terugwerkende kracht worden verleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/3785 NABW, 00/3787 NABW en 01/5319 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde 1, en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde 2.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellant heeft mr. M.L.W.J.S. Knook, advocaat te Groenlo, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zutphen op 6 juni 2000, onder toepassing van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde 2 heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Hupkes, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde 1 zich heeft doen vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Gedaagde 2 heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving van gedaagde 1 sedert 18 september 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande, welke uitkering met ingang van 20 februari 1997 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit van 4 januari 1999 heeft gedaagde 1 deze uitkering over de periode van 1 juni 1996 tot en met 30 november 1998 ingetrokken op de grond dat appellant in die periode niet woonachtig was in de gemeente Utrecht maar in de gemeente [woonplaats]. Daarbij is tevens de over genoemde periode ten onrechte verstrekte bijstand tot een bedrag van f 56.725,74 van hem teruggevorderd.
Vervolgens heeft gedaagde 1 bij besluit van 15 februari 1999 de Abw-uitkering van appellant met ingang van 1 december 1998 beëindigd op de grond dat hij niet in de gemeente Utrecht woont. Daarbij is tevens meegedeeld dat het gereserveerde vakantiegeld ten bedrage van f 442,51 is afgeboekt van de door evenvermelde terugvordering ontstane schuld.

Na gemaakt bezwaar tegen de besluiten van 4 januari 1999 en 15 februari 1999 heeft gedaagde 1 de ingangsdatum van de intrekking van de uitkering gewijzigd van 1 juni 1996 in 1 januari 1997 en het terug te vorderen bedrag in verband daarmee nader vastgesteld op f 44.407,38.

Op 10 december 1998 heeft appellant zich tot gedaagde 2 gewend met het verzoek hem met terugwerkende kracht vanaf juli 1996 voor een bijstandsuitkering in aanmerking te brengen.
Bij besluit van 2 maart 1999 heeft gedaagde 2 de aanvraag voorzover deze betrekking had op de periode voorafgaand aan 10 december 1998 afgewezen op de grond dat geen aanleiding bestond met terugwerkende kracht bijstand te verlenen. Voorzover de aanvraag zag op de periode van 10 tot en met 31 december 1998 is de aanvraag afgewezen omdat appellant niet tijdig de gevraagde gegevens heeft verstrekt.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt voorzover hem geen bijstand met terugwerkende kracht over de periode vóór 10 december 1998 is verleend.

Bij besluit van 19 augustus 1999 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De namens appellant tegen de besluiten van gedaagden 1 en 2 van respectievelijk 18 mei 1999 en 19 augustus 1999 ingestelde beroepen zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, behoudens voorzover de terugvordering betrekking heeft op de periode van 1 januari 1997 tot 20 februari 1997 en de verrekening van het gereserveerde vakantiegeld ten bedrage van f 442,51. Ten aanzien van beide laatste onderdelen zijn de besluiten vernietigd en zijn wat de terugvordering over de periode van 1 januari 1997 tot 20 februari 1997 betreft de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 18 mei 1999 in stand gelaten. De rechtbank heeft tevens een beslissing gegeven omtrent griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Inmiddels heeft gedaagde 1 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak het gereserveerde vakantiegeld ten bedrage van f 442,51 buiten de verrekening gelaten met de schuld uit hoofde van terugvordering en dit bedrag alsnog aan hem betaalbaar gesteld. Daarmee is op dat onderdeel geheel aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding het daarop betrekking hebbende besluit op bezwaar van 14 september 2001 in hoger beroep mede in de beoordeling te betrekken.

De Raad zal achtereenvolgens de intrekking en de terugvordering van de bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 1998 beoordelen alsmede de afwijzing van de bijstand over de periode voorafgaand aan 10 december 1998.



Intrekking en terugvordering

De Raad stelt voorop dat het door gedaagde 1 genomen besluit tot intrekking van de aan appellant verleende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 1998 voor de periode tot 1 juli 1997 niet kan worden gebaseerd op het sedert 1 juli 1997 geldende artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Het bestreden besluit berust dan ook in zoverre op een onjuiste wettelijke grondslag, zodat dat besluit reeds daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit (ten dele) in stand is gelaten.

De intrekking kan inhoudelijk niettemin over de gehele in geding zijnde periode gerechtvaardigd blijken te zijn indien daarbij op de juiste materiële bepalingen acht wordt geslagen. In dit verband wijst de Raad er nog op dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de Invoeringswet herinrichting ABW, de bepalingen van de ABW van toepassing zijn tot 1 februari 1997, nu appellant gelet op het navolgende achteraf bezien over januari 1997 geen recht had op een ABW-uitkering.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 14 van de ABW is bepaald dat bijstand aan een persoon wordt verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zich bevindt. Met dit laatste wordt naar vaste rechtspraak van de Raad gedoeld op een feitelijk criterium. Bepalend is derhalve de plaats waar de belanghebbende, gedurende de periode waarop hij aanspraak op bijstand maakt, in het algemeen zijn feitelijk hoofdverblijf heeft.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat het recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 (tot 1 januari 1998: Titel 3) van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 (tekst tot en vanaf 1 januari 1998) van de Abw dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken voldoende grondslag voor de conclusie dat de gemeente Utrecht in de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 1998 niet de gemeente was waar appellant in het algemeen feitelijk verblijf hield dan wel zijn woonplaats had. Daargelaten dat appellant dit in feite ook zelf met zoveel woorden heeft erkend, blijkt uit de gedingstukken onder meer dat hij zijn kamer in Utrecht op het adres [adres] in december 1996 heeft ontruimd en dat hij vanaf die tijd in [woonplaats], althans buiten de gemeente Utrecht, heeft verbleven. Hetgeen appellant onder verwijzing naar zijn gehandhaafde inschrijving in het bevolkingsregister van de gemeente Utrecht en zijn gestelde aanspraken uit huurovereenkomst inzake bovengenoemd adres heeft aangevoerd doet daaraan geen afbreuk aangezien voor de toepassing van de onderhavige bepalingen de feitelijke woonsituatie van doorslaggevende betekenis is.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat appellant jegens gedaagde 1 ten tijde in geding geen recht op uitkering had.

Voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1998 is voorts nog artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw van belang. Deze bepaling verplicht gedaagde 1 tot herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand onder meer in het geval dat het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Die situatie doet zich hier voor. Vaststaat immers dat appellant van zijn verblijf buiten de gemeente Utrecht geen melding heeft gemaakt op de (mede daarvoor bestemde) inlichtingenformulieren. Dat gedaagde 1 mogelijk uit andere gedingstukken eerder had kunnen afleiden dat appellante ten tijde in geding wellicht niet meer duurzaam in de gemeente Utrecht verbleef maakt dit niet anders, aangezien dit onverlet laat dat appellant zijn feitelijke woon- en verblijfplaats op de voorgeschreven wijze - derhalve: primair via de maandelijkse inlichtingenformulieren dan wel anderszins op niet mis te verstane wijze - aan gedaagde 1 kenbaar had dienen te maken en hij zulks heeft nagelaten.

Uit het voorgaande volgt dat gedaagde 1 terecht de aan appellant verleende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 november 1997 heeft ingetrokken. Van dringende redenen op grond waarvan gedaagde 1 geheel of gedeeltelijk van intrekking kon afzien is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de terugvordering stelt de Raad vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW over de periode van 1 tot en met 31 januari 1997 en aan die van artikel 81, eerste lid (tekst voor en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW en artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde 1 niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Afwijzing nieuwe aanvraag met terugwerkende kracht

De Raad merkt allereerst op dat het verzoek om bijstand met terugwerkende kracht in verband met het voorgaande nader beperkt is tot de periode van 1 januari 1997 tot en met 9 december 1998.

Voorts overweegt de Raad het volgende.

De rechtbank heeft terzake overwogen dat naar vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 67 van de Abw, dat in de plaats is gekomen van artikel 22 van de ABW, in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hiervan wordt afgeweken is de rechtbank niet gebleken.

De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. De Raad voegt daaraan nog toe dat het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd niet als een bijzondere omstandigheid in bovenbedoelde zin kan gelden, aangezien een terugvordering onverlet laat dat appellant over de betreffende periode over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft beschikt. De Raad ziet in gevallen als het onderhavige te minder aanleiding een bijzonder geval aan te nemen, nu de oorzaak van de ten onrechte verleende uitkering en de daarop volgende terugvordering is toe te schrijven aan een verwijtbare handelwijze van appellant, te weten schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting.

Het hoger beroep kan in zoverre dan ook niet slagen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde 1 te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen de intrekking over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1997 en de terugvordering over de periode van 1 februari 1997 tot en met 19 februari 1997 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van 18 mei 1999 voorzover dit betrekking heeft op de intrekking over de periode van 1 januari 1997 tot en met 30 juni 1997 en de terugvordering over de periode van 1 februari 1997 tot en met 19 februari 1997 en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde 1 in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de gemeente Utrecht;
Bepaalt dat de gemeente Utrecht aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2003.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x