Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF7713
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-01-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor begrafeniskosten. Begrafeniskosten worden niet geacht tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van de overledene zelf te behoren. Ook na zijn dood heeft de overledene zelf geen recht op bijzondere bijstand, aangezien hij dan niet langer behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/4196 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant q.q.,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 20 juni 2001, reg.nr. 00/8910 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 december 2002, waar appellant - met voorafgaande kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Evink, werkzaam bij de gemeente Lelystad.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[Overledene] (hierna: [overledene]) ontving een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). In 1998 is [overledene] overleden. De kosten van de begrafenis van [overledene] op 15 september 1998 zijn betaald door zijn moeder.

Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 4 augustus 1999 is appellant benoemd tot curator over de onbeheerde nalatenschap van [overledene]. Op 18 januari 2000 heeft appellant, in zijn hoedanigheid van curator, bij gedaagde een aanvraag om bijzondere bijstand voor de begrafeniskosten van [overledene] ingediend. Bij besluit van 29 februari 2000, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2000, is die aanvraag afgewezen. Het daartegen door appellant ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard, waarmee appellant zich niet kan verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad stelt voorop dat de omstandigheid dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen melding heeft gemaakt van en ook niet uitdrukkelijk is ingegaan op de bij brief van 20 februari 2001 door appellant ingezonden repliek, anders dan appellant heeft bepleit, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leidt. Niet kan worden gezegd dat de aangevallen uitspraak niet voldoet aan het in artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste dat de uitspraak de gronden van de beslissing vermeldt.

De Raad stelt vervolgens vast dat de nalatenschap terzake geen aanspraak kan doen gelden.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (vgl. de uitspraak van 19 december 2000, gepubliceerd in JABW 2000, nr. 112), worden de begrafeniskosten niet geacht tot de noodzakelijke kosten van het bestaan van de overledene zelf te behoren. Ook na zijn dood heeft de overledene zelf geen recht op bijzondere bijstand, aangezien hij dan niet langer behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw (vgl. de uitspraak van de Raad van 30 mei 2000, gepubliceerd in JABW 2001, nr. 14). Van een aanspraak van [overledene] zelf, welke daarmee tot de nalatenschap zou behoren, is derhalve geen sprake. Gedaagde heeft dit oordeel dan ook terecht aan het besluit van 19 oktober 2000 ten grondslag gelegd.

In de uitspraak van 19 december 2000 heeft de Raad voorts overwogen dat de begrafeniskosten in beginsel behoren tot de passiva van de nalatenschap en daarmee voor rekening komen van de erfgenamen, die ieder voor zich en op persoonlijke titel bijzondere bijstand kunnen aanvragen voorzover hun erfdeel niet toereikend is en het hun aan middelen ontbreekt om hun aandeel in deze kosten te voldoen. Appellant - die in het beroepschrift bij de rechtbank heeft erkend dat de erfgenamen over toereikende middelen beschikten om de begrafeniskosten te betalen - heeft echter geen bijzondere bijstand aangevraagd namens een of meer van de erfgenamen, maar ten behoeve van de onbeheerde nalatenschap als zodanig. Een onbeheerde nalatenschap is echter, gelet op de tekst van artikel 7, eerste lid, van de Abw, geen zelfstandig subject van bijstand en kan dat ook niet zijn.

Gelet op het voorgaande heeft gedaagde bij het besluit van 19 oktober 2000 de afwijzing van de aanvraag van appellant terecht gehandhaafd.

Voorzover appellant in hoger beroep nog heeft willen betogen dat hij de aanvraag mede namens de weduwe van [overledene] ([naam weduwe]) heeft gedaan, kan dit - nog daargelaten of zulks inderdaad het geval is - niet tot een ander oordeel leiden. Uit de gedingstukken blijkt immers dat zij sedert 3 mei 1998 haar woonstede in Nederland heeft prijsgegeven, zodat zij niet tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw behoort.

Al hetgeen appellant in hoger beroep overigens heeft aangevoerd, kan evenmin leiden tot het oordeel dat het besluit van 19 oktober 2000 in rechte geen stand kan houden.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2003.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) D. Nebbeling.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x