Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF8735
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand deels wegens verzwegen inkomsten uit arbeid en deels wegens verzwegen hoofdverblijf in een andere gemeente. Zijn de thans beschikbare gegevens, met name als gevolg van het buiten beschouwing blijven van de bijlagen 2 en 3 bij het rapport van de sociale recherche, toereikend om de intrekking te kunnen dragen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/2559 NABW en 00/2560 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant 1], appellant, en [appellant 2], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. I.M.van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 maart 2000, reg.nr. 99/710 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 september 2002. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.P.A. van Beers, advocaat te Roosendaal. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Beers. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door E.C.G. Nijman en P.L.W.G. van de Molengraaf, beiden werkzaam bij de gemeente Roosendaal.




II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sinds 16 april 1992 een uitkering ingevolge de op de Algemene Bijstandswet (ABW) berustende Rijksgroepsregeling werkloze werknemers naar de norm voor een echtpaar, welke nadien is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 1 februari 1996 is de uitkering beŽindigd wegens werkaanvaarding door appellant.

Naar aanleiding van ambtelijke informatie van februari 1998 inzake een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen onder anderen appellant, is door de Sociale Recherche op 18 september 1998 ten aanzien van appellanten een rapport opgemaakt. Naar aanleiding van de bevindingen van dat rapport heeft gedaagde bij besluit van 25 september 1998 het recht op uitkering van appellanten over de periode van 1 januari 1994 tot 1 februari 1996 herzien (lees: ingetrokken), en tevens de over die periode betaalde bijstand tot een bedrag van f 65.314,68 van appellanten teruggevorderd. Daaraan is - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat zij in die periode de beschikking hebben gehad over middelen die de toepasselijke bijstandsnorm te boven gingen, en voorts dat zij in een deel van die periode geen verblijf hielden in de gemeente Roosendaal.

Bij besluit op bezwaar van 9 maart 1999 heeft gedaagde de intrekking en de terugvordering gehandhaafd. Daarbij is de intrekking gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a (tekst vanaf 1 juli 1997), van de Abw en de terugvordering op artikel 81, eerste lid (tekst vanaf 1 juli 1997), van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellanten tegen het besluit van 9 maart 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat bij het besluit van 9 maart 1999 de intrekking ten onrechte is gebaseerd op het, immers eerst met ingang van 1 juli 1997 in werking getreden, artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zodat het besluit van 9 maart 1999 in zoverre op een onjuiste wettelijke grondslag berust.

Naar aanleiding van de beroepsgronden van appellanten overweegt de Raad het volgende.

Met appellanten is de Raad van oordeel dat gedaagde, in strijd met artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in bezwaar niet ook de stukken ter inzage heeft gelegd waarnaar in het rapport van de Sociale Recherche wordt verwezen. Als gevolg daarvan appellanten zijn onvoldoende in de gelegenheid geweest in het kader van de bezwaarschriftprocedure hun bezwaren tegen het primaire besluit van 25 september 1998 naar voren te brengen en te onderbouwen. Dat gedaagde die stukken in beroep - alsnog - heeft ingezonden, kan daaraan niet afdoen.

De Raad onderschrijft vervolgens niet de stelling van appellanten dat de stukken van het strafrechtelijk onderzoek - waaronder de als bijlage 8 bij het rapport van de Sociale Recherche gevoegde vertrouwelijke rapportage van het Buro FinanciŽle Ondersteuning van de politieregio Utrecht - niet, althans niet zonder enige formaliteit, in het kader van de onderhavige bestuursrechtelijke procedure hadden mogen worden gebruikt. Deze stellingname stuit reeds af op het, uit de gedingstukken blijkende, feit dat de bevoegde officier van justitie daarvoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.

Wel is de Raad, met appellanten, van oordeel dat het rapport van de Sociale Recherche voorzover dat is gebaseerd op de in de daarbij behorende bijlagen 2 en 3 neergelegde samenvattingen van in het kader van het strafrechtelijk onderzoek opgemaakte processen-verbaal, niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd. Gedaagde heeft immers niet de beschikking gehad over de volledige, authentieke processen-verbaal en heeft zich aldus niet kunnen vergewissen van de juistheid van de in de samenvattingen vermelde en voor de besluitvorming door gedaagde op onderdelen van essentieel belang zijnde feiten. Ook blijkt uit de samenvattingen niet door welke functionaris deze zijn gemaakt. In zoverre is het besluit van 9 maart 1999 tot stand gekomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. In die omstandigheden mag de inhoud van de bijlagen 2 en 3 bij het rapport van de Sociale Recherche dan ook niet bij de beoordeling worden betrokken.

De stelling van appellanten dat gedaagde ten onrechte de intrekking en de terugvordering in ťťn besluit heeft neergelegd treft geen doel, nu geen geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel zich tegen een dergelijke handelwijze verzet.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het besluit van 9 maart 1999 - alsnog - gegrond dient te worden verklaard en dat dit besluit dient te worden vernietigd.

Met het oog op de door gedaagde te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van appellanten overweegt de Raad allereerst, dat op grond van de - wel - bij de beoordeling te betrekken gedingstukken niet kan worden vastgesteld welke concrete inkomsten appellant in de in geding zijnde periode heeft gehad, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat die inkomsten de voor appellanten toepasselijke bijstandsnorm te boven gingen. In zoverre deelt de Raad het oordeel van appellanten, dat de vastgestelde feiten -voorzover al betrekking hebbend op de in geding zijnde periode - op onderdelen een andere, voor appellanten gunstiger interpretatie toelaten dan daaraan door gedaagde is gegeven. Ook aan het overzicht van uitgaven en inkomsten, opgenomen in onderdeel 7.4 van de rapportage van het Buro FinanciŽle Ondersteuning van de politieregio Utrecht, kan de Raad niet de daaraan in dit verband door gedaagde toegekende betekenis hechten.

Vervolgens stelt de Raad echter vast, dat gelet op de uit de gedingstukken blijkende en door appellanten ook slechts gedeeltelijk betwiste feiten, appellanten in gebreke zijn gebleven aan gedaagde genoegzame gegevens te verstrekken over de werkzaamheden van appellant, althans voorzover het de periode van 1 juli 1994 tot 1 februari 1996 betreft.

In het, ambtsedige, proces-verbaal van de politie van 21 juli 1997 wordt verwezen naar de in beslag genomen administratie van het internationaal transportbedrijf [bedrijfsnaam], waaruit blijkt dat van juli 1994 tot en met januari 1997 transporten van PMK, een grondstof voor de vervaardiging van XTC, vanuit Hong Kong via appellant naar elders hebben plaatsgevonden. Appellant heeft daarvoor in geen enkel opzicht een toereikende verklaring kunnen of willen geven.

Voorts bevat bijlage 4 bij het rapport van de Sociale Recherche een door het reisbureau Holland International overgelegd overzicht, waaruit blijkt dat appellant van mei 1994 tot en met november 1997 regelmatig reizen heeft gemaakt naar onder meer de bestemmingen Boedapest, Boekarest, Entebbe en Hong Kong. Appellant heeft niet gesteld dat het daarbij zou gaan om vakantiereizen. Wel heeft hij verklaard dat hij de in 1994 en 1995 gemaakte reizen weliswaar zelf heeft afgerekend, maar dat hij dat deed met geld van de klanten voor wie hij die reizen ook maakte.

Voorts blijkt uit het proces-verbaal van 21 juli 1997 en uit onderdeel 7.1.10 van de rapportage van het Buro FinanciŽle Ondersteuning van de politieregio Utrecht dat appellanten van maart 1995 tot en met november 1996 regelmatig kasopnames van en kasstortingen op bankrekeningen in Luxemburg hebben gedaan die op hun naam stonden. Daaromtrent hebben zij verklaard dat het ging om derden-rekeningen ten behoeve van klanten.

Uit het feit dat appellanten, naar eigen zeggen, klanten hebben gehad moet worden afgeleid dat sprake is geweest van werkzaamheden.

Voorts stelt de Raad vast dat appellanten ter zitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben erkend dat zij vanaf augustus 1995 verblijf hebben gehouden in de gemeente [woonplaats].

Van al de hiervoor vermelde activiteiten en werkzaamheden, die onmiskenbaar van belang zijn in het kader van de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand, alsmede van het feit dat zij vanaf augustus 1995 niet meer woonachtig waren in de gemeente Roosendaal, hebben appellanten geen mededeling gedaan aan gedaagde. Daaruit volgt dat appellanten de over het tijdvak van 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995 in artikel 30, tweede lid, van de ABW en over het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 31 januari 1996 in artikel 65, eerste lid, van de Abw (tekst tot 1 juli 1997) neergelegde inlichtingenverplichting hebben geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld. De Raad merkt hierbij op, dat appellanten gezien het voorgaande geen personen waren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet en dat hun aanspraak op bijstand daarom met ingang van 1 januari 1996 diende te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw.

Hetgeen appellanten hebben aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat, als zij de inlichtingenplicht wel naar behoren zouden zijn nagekomen, aan hen over de periode van 1 juli 1994 tot en met 31 januari 1996 volledige, althans aanvullende bijstand zou zijn verstrekt. Nog daargelaten dat zulks hoe dan ook geen afbreuk zou kunnen doen aan (de gevolgen van) het gegeven dat appellanten hebben verzwegen dat zij vanaf augustus 1995 woonachtig waren in een andere gemeente dan de gemeente Roosendaal, heeft appellant van zijn werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten geen deugdelijke administratie bijgehouden, zodat hij niet over toereikende bewijsstukken omtrent de inkomsten in die periode beschikt. Hetgeen appellanten omtrent de hoogte van de inkomsten overigens naar voren hebben gebracht, mist gelet op de overige beschikbare gegevens geloofwaardigheid.

Hieruit vloeit voort dat gedaagde de intrekking van de uitkering van appellanten over de periode van 1 juli 1994 tot en met 31 januari 1996 zal kunnen handhaven. Voor de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1994 zijn de thans beschikbare gegevens, met name als gevolg van het buiten beschouwing blijven van de bijlagen 2 en 3 bij het rapport van de Sociale Recherche, niet toereikend om de intrekking te kunnen dragen.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het tijdvak van 1 juli 1994 tot en met 31 december 1995 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en over het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 31 januari 1996 van artikel 81, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te gaan tot terugvordering van de over die tijdvakken ten onrechte aan appellanten verleende bijstand. Van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, is de Raad niet gebleken.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep, begroot op Ä 1.288,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 9 maart 1999;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van Ä 1.288,--, te betalen door de gemeente Roosendaal;
Bepaalt dat de gemeente Roosendaal aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 december 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x