Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AF8927
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-05-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De bijstandsaanvraag wordt op grond van artikel 4:5 van de Awb niet verder in behandeling genomen omdat betrokkene niet de gevraagde bewijsstukken, waaronder een geldig identiteitsbewijs, heeft overgelegd. Is het overleggen van een identiteitsbewijs redelijkerwijs noodzakelijk voor de vaststelling van het recht op bijstand indien feitelijk geen twijfel over de identiteit bestaat?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/4686 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht op 21 juli 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 april 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.W.M. Berendsen en J.M. Mik, beiden werkzaam bij de gemeente Leerdam, terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Menkveld, advocaat te Utrecht.




II. MOTIVERING


Gedaagde, zoon van een Ambonese ex-K.N.I.L.-militair, heeft van 1 mei 1984 tot 1 januari 1995 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers ontvangen van appellant. Op 30 november 1998 heeft hij zich tot appellant gewend met het verzoek hem een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toe te kennen met ingang van
30 november 1998. Nadat was geconstateerd dat gedaagde niet in het bezit was van een geldig legitimatiebewijs, is hem een lijst uitgereikt, waarop onder meer is vermeld dat hij bij het eerstvolgende gesprek een geldig paspoort of Europese identiteitskaart mee moest brengen. Bij brief van 8 december 1998 heeft appellant gedaagde verzocht om op 11 december 1998 op het stadskantoor te komen en de op de lijst vermelde gegevens, waaronder een geldig paspoort of Europese identiteitskaart mee te nemen. Gedaagde is op 11 december 1998 op het stadskantoor verschenen zonder in het bezit te zijn van deze stukken.

Op 11 januari 1999 heeft appellant besloten de aanvraag van gedaagde van 30 november 1998 niet verder te behandelen op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit besluit is bekendgemaakt bij een op 14 januari 1999 aan gedaagde verzonden brief. Bij besluit van 9 september 1999 heeft appellant het tegen het besluit van 11 januari 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 9 september 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen binnen zes weken na het onherroepelijk worden van die uitspraak een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank bestond geen twijfel over de identiteit van gedaagde en was het vereisen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht in het onderhavige geval niet redelijkerwijs noodzakelijk voor de uitvoering van de Abw.

Inzake het hoger beroep van appellant tegen deze uitspraak volstaat de Raad met het volgende.

Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Voor het overleggen van het gevraagde identiteitsbewijs heeft appellant gedaagde schriftelijk een hersteltermijn gegund tot 11 december 1998. Op grond van de gedingstukken kan niet als vaststaand worden aangenomen dat die termijn op voor gedaagde kenbare wijze vervolgens is verlengd tot 5 januari 1999. Verlenging tot laatstgenoemde datum, waarvan sprake is in een rapport van de bijstandsmaatschappelijk werker J. Peeters van 8 januari 1999, is niet in een brief aan gedaagde vastgelegd. De Raad verwijst in dit verband voorts naar het bezwaarschrift waarin gedaagde over het gesprek dat op 11 december 1998 tussen hem en de bijstandsmaatschappelijk werkster E. Kaptein heeft plaatsgevonden het volgende opmerkt: "Er is mij alleen gezegd dat mijn aanvraag om bijstand niet in behandeling wordt genomen, waarbij ik zo spoedig mogelijk een schriftelijke bevestiging zal krijgen, opdat ik bezwaar kan aantekenen. Over de datum dat ik tot 5 januari 1999 deze ontbrekende informatie kan aanvullen, is mij niets meegedeeld."

Nu appellant eerst op 14 januari 1999 het besluit bekend heeft gemaakt om de aanvraag niet te behandelen, stelt de Raad vast dat dit besluit niet is bekendgemaakt binnen vier weken nadat de bij brief van 8 december 1998 gestelde termijn tot 11 december 1998 ongebruikt was verstreken, zoals is voorgeschreven in artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van laatstgenoemde bepaling komt naar voren dat een niet tijdig beslissen op dit punt betekent dat een buiten behandeling laten van de aanvraag niet meer mogelijk is. Een inhoudelijke beslissing op de aanvraag van 30 november 1998 was dan ook aangewezen.

Uit het voorgaande vloeit reeds voort dat het besluit van 11 januari 1999 in strijd met de wet is genomen en dat de rechtbank het bestreden besluit, waarbij eerstgenoemd besluit is gehandhaafd, terecht heeft vernietigd. Hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, behoeft thans geen verdere bespreking.

Met inachtneming van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. Appellant zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 322,--, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot 322,--, te betalen door de gemeente Leerdam;
Bepaalt dat van de gemeente Leerdam een recht van 348,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x