Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AI0036
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-06-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Komt bij de heroverweging in bezwaar van een besluit strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag nog betekenis toe aan gegevens die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/1557 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is door mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 9 februari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij wijze van verweerschrift meegedeeld zich te conformeren aan het standpunt van de rechtbank.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2003, waar appellant - zonder kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F. Poort, werkzaam bij de gemeente Utrecht.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 18 mei 1999 bij gedaagde een aanvraag om bijstand ingediend. Deze aanvraag heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van 1 juli 1999 om de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet te behandelen, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de aanvraag met de gevraagde gegevens heeft aangevuld.

Bij besluit van 15 februari 2000 heeft gedaagde het besluit van 1 juli 1999 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 15 februari 2000 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd - en wat in vergelijking met het in eerste aanleg aangevoerde geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevat - geen aanleiding gevonden om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Daartoe overweegt hij het volgende.

Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling is van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Appellant is bij brief van 16 juni 1999 in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag van 18 mei 1999 aan te vullen met de in die brief vermelde stukken. Die stukken hadden met name betrekking op zijn betrokkenheid bij de Stichting Jeugdzaken, Volksontwikkeling, Kunst- en Kultuuruiting, welke stichting door appellant indertijd is opgericht. Appellant is voorzitter van het bestuur van die stichting. Appellant heeft gedaagde op 18 juni 1999, voor het verstrijken van de in de brief van 16 juni 1999 gegeven termijn, laten weten niet in staat te zijn een van de gevraagde stukken, de notariŽle akte van de betreffende stichting, over te leggen omdat deze akte in een verhuiscontainer zou zijn opgeslagen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde notariŽle akte, en met name hetgeen daarin is opgenomen omtrent het doel en de middelen van de stichting, van belang was om inzicht te krijgen in de financiŽle banden tussen de stichting en appellant en zodoende te kunnen bepalen of appellant ten tijde hier in geding voor bijstand in aanmerking kon komen.
De Raad wijst er in dit verband op dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant ook gebruik heeft gemaakt van de girorekening van de genoemde stichting.

Voorts is de Raad van oordeel dat niet is gebleken dat appellant niet in staat was om over het gevraagde stuk te beschikken en deze tijdig te overleggen. Uit het verslag van de hoorzitting van 30 november 1999 blijkt immers dat appellant op 12 juli 1999 alsnog in staat was de gevraagde akte over te leggen en door appellant is niet aannemelijk gemaakt dat hij in de onmogelijkheid verkeerde het betreffende stuk op een eerder tijdstip in te dienen.

Met betrekking tot het na het primaire besluit overleggen van gegevens merkt de Raad nog het volgende op. De aard en inhoud van het primaire besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van de onderhavige aanvraag om bijstand, brengt met zich dat bij de heroverweging in bezwaar van dat besluit in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken indien het gegevens of bescheiden betreft waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant redelijkerwijs niet in staat is geweest om ter zake informatie binnen de gestelde termijn te verstrekken. In het voorgaande ligt reeds besloten dat hiervan in dit geval geen sprake is.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2003.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x