Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AI0637
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-07-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de bijstand terecht ingetrokken en teruggevorderd in verband met schending van de inlichtingenverplichting?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/4090 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. D.G. Geerdink, advocaat te Oldenzaal, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo op 29 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Appellant heeft bij brieven van 18 januari 2001 en 25 april 2001 aanvullende gronden ingediend en nadere stukken ingezonden. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd eveneens nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 mei 2003, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Geerdink en gedaagde door M. Sijbrandij, werkzaam bij de gemeente Oldenzaal.




II. MOTIVERING


Appellant ontving vanaf 23 februari 1988, met uitzondering van de maanden augustus tot en met oktober 1994 waarin hij van het recht op uitkering was uitgesloten, uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is ingaande 1 mei 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Naar aanleiding van een op 26 februari 1999 bij gedaagde ingekomen brief van mr. Geerdink aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), waarin onder meer is vermeld dat appellant al dertien jaar in een caravan woont met toestemming van de eigenaar [betrokkene] en als wederdienst zo nu en dan werkzaamheden in diens marktbedrijf verricht, heeft de sociale recherche een bijzonder onderzoek ingesteld. In dat kader zijn [betrokkene] en zijn echtgenote alsmede [naam echtgenote], zaterdagverkoopster in het marktbedrijf van [betrokkene], als getuigen gehoord. Ook appellant is gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 27 april 1999.

Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde het recht van appellant op uitkering over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw herzien, en de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 december 1998 ontvangen bijstand tot een bedrag van f 15.119,85 met toepassing van onder meer artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en artikel 81, eerste lid, van de Abw van hem teruggevorderd. De herziening berust op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan de wettelijke inlichtingenplicht door niet te vermelden dat hij arbeid heeft verricht, waardoor hij tot een te hoog bedrag aan bijstand heeft ontvangen. De inkomsten uit de werkzaamheden zijn door gedaagde bepaald op f 1.500,-- per jaar vanaf 1 januari 1994 en op f 2.400,-- per jaar vanaf 1 januari 1996.

Bij besluit van eveneens 29 april 1999 heeft gedaagde aan appellant op grond van artikel 30a van de ABW de verplichting opgelegd om een bedrag van f 1.475,-- te betalen op de grond dat hij gedurende de periode van 1 augustus 1994 tot 1 juli 1997 ten onrechte bijstand heeft ontvangen als gevolg van het verstrekken van onjuiste informatie. In dat besluit is tevens vermeld dat de hoogte van de sanctie is vastgesteld op 15% van het benadelingsbedrag van f 9.914,52 en dat appellant het bedrag van f 1.475,-- ineens dient te betalen.

Gedaagde heeft de namens appellant tegen de besluiten van 29 april 1999 gemaakte bezwaren bij besluit van 1 september 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 1 september 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de herziening en de terugvordering

Het besluit van 1 september 1999, voorzover dat ziet op de herziening van de uitkering van appellant, is gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze bepaling sedert 1 juli 1997 luidt. Dit is niet juist voorzover de herziening het recht op uitkering over de periode vr 1 juli 1997 betreft. Het besluit van 1 september 1999 dient in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

Met betrekking tot de inhoud van het herzieningsbesluit is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat op grond van de onderzoeksbevindingen genoegzaam is komen vast te staan dat appellant gedurende de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 ten behoeve van [betrokkene] werkzaamheden van uiteenlopende aard heeft verricht, onder meer bestaande uit het wekelijks vervoeren van de marktkar van [betrokkene], en dat hij in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting van deze werkzaamheden en de daaruit verworven inkomsten geen opgave aan gedaagde heeft gedaan. De Raad acht in dit verband in het bijzonder van belang dat zowel het echtpaar [met naam betrokkene] als [naam echtgenote] hebben verklaard dat appellant elke zaterdag de marktkar van [betrokkene] op de markt klaarzette en voorts al sinds vijf jaar tegen betaling andere werkzaamheden verrichtte voor [betrokkene]. Voorts ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten van appellant niet heeft mogen uitgaan van de op dit punt door [betrokkene] afgelegde verklaring, inhoudende dat hij appellant vanaf 1 januari 1994 minimaal f 1.500,-- per jaar en vanaf 1 januari 1996 minimaal f 2.400,-- per jaar in contanten heeft betaald voor de voor hem verrichte werkzaamheden. Hetgeen appellant in dit verband naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Gezien het voorgaande heeft gedaagde de uitkering van appellant over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998 - vanaf 1 juli 1997 mede onder toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw - terecht herzien. Van dringende redenen om - wat de periode vanaf 1 juli 1997 betreft - van herziening af te zien is de Raad niet gebleken.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het tijdvak van 1 mei 1994 tot 1 mei 1996 aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en over het tijdvak van 1 mei 1996 tot en met 31 december 1998 aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid (tekst vr en vanaf 1 juli 1997), van de Abw is voldaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 1 september 1999 in stand kunnen blijven en dat de rechtbank dat besluit wat de herziening en de terugvordering betreft voor het overige terecht in stand heeft gelaten.



Met betrekking tot de verplichting om f 1.475,-- te betalen

De Raad stelt vast dat gedaagde deze verplichting uitsluitend heeft gebaseerd op artikel 30a van de ABW in verband met het verstrekken van onjuiste informatie gedurende de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997. De toepassing van artikel 30a van de ABW is niet juist voorzover deze ziet op de periode van 1 mei 1996 tot en met 30 juni 1997, reeds omdat met ingang van 1 mei 1996 de Abw op appellant van toepassing was.

Met betrekking tot de periode van 1 januari 1994 tot 1 mei 1996 is het volgende van belang.

Indien in onvoldoende mate wordt voldaan aan de in artikel 30, tweede lid, van de ABW neergelegde algemene informatieplicht, kan op grond van deze bepaling in verbinding met artikel 3, vijfde lid, van de ABW de bijstand worden beindigd of in afwijking van artikel 1 van de ABW op een lager bedrag worden vastgesteld. De onderhavige verplichting vloeit niet voort uit een verlaging van de bijstand op die grondslag maar komt boven op de verplichting tot terugbetaling van te veel ontvangen bijstand op grond van het hiervoor besproken besluit tot terugvordering. De vraag rijst of het in het kader van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing (Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 682) ingevoegde artikel 30a van de ABW een zelfstandige - wettelijke - grondslag biedt voor het opleggen van deze extra verplichting. Laatstgenoemd artikel luidde als volgt:
"Burgemeester en wethouders dragen zorg voor een adequate controle op het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30, tweede lid, en het doen van aangifte bij het Openbaar Ministerie, dan wel voor het opleggen van een
administratieve sanctie."
Zoals ook uit de wetsgeschiedenis blijkt regelde deze bepaling een zorgplicht voor gemeenten voor de bijzondere controle in het kader van de fraudebestrijding in de sociale zekerheid. De wetgever wilde met het opnemen van die bepaling de intentie tot fraudebestrijding duidelijk zichtbaar maken, zowel voor de lokale politiek als voor de regering en het parlement. (Kamerstukken II 1992-1993, 23052, nrs. 10 en 11). Gelet hierop is de Raad van oordeel dat artikel 30a van de ABW geen zelfstandige - wettelijke - grondslag biedt voor het opleggen van de onderhavige verplichting.

Het besluit van 1 september 1999, waarbij die verplichting is gehandhaafd, dient (ook) in zoverre wegens strijd met de wet te worden vernietigd. Gedaagde zal ter zake een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

Omwille van de duidelijkheid acht de Raad het aangewezen de aangevallen uitspraak in zijn geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op 966,-- in beroep en op 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 1 september 1999, voorzover betrekking hebbende op de herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997 en de verplichting tot betaling van f 1.475,--;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 1 september 1999 voorzover betrekking hebbende op de herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1994 tot en met 30 juni 1997 in stand blijven;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de verplichting tot betaling van f 1.475,--;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1610,--, te betalen door de gemeente Oldenzaal aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Oldenzaal aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th. G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x