Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AM2848
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-10-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toepassing van artikel 4:6 van de Awb; gewijzigde formulering in de jurisprudentie.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4095 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wassenaar, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij het beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 juni 2001, reg.nr. 00/7254 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding daarvan heeft appellant een schriftelijke reactie (met nadere stukken) ingezonden.

Gedaagde heeft schriftelijk enkele door de Raad aan hem voorgelegde vragen beantwoord en daarbij een nader stuk ingezonden. Appellant heeft daarop schriftelijk gereageerd en daarbij een ander stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 augustus 2003, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. P.A. Aerts, werkzaam bij de gemeente Wassenaar.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 13 maart 1996 heeft gedaagde de bijzondere bijstand van appellant voor dieet- en stookkosten voortgezet en daarbij als draagkrachtperiode vastgesteld 1 januari 1996 tot en met 31 augustus 1996. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Met ingang van 1 september 1996 is aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet toegekend.

Bij besluit van 20 november 1996 heeft gedaagde aan appellant voor de periode van 1 juli 1996 tot en met 31 augustus 1996 opnieuw bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend. Daarbij is tevens medegedeeld dat de bijzondere bijstand per 1 september 1996 zal eindigen (lees: is geŽindigd) en dat bij een eventuele aanvraag om bijzondere bijstand per 1 september 1996 deze wellicht in de vorm van een geldlening onder verband van een krediethypotheek zal worden verleend, waarbij - anders dan voorheen - het bedrijfsgedeelte van de woning van appellant in de berekening voor een krediethypotheek zal worden meegenomen. Bij besluit op bezwaar van 4 maart 1997 heeft gedaagde het besluit van 20 november 1996 gehandhaafd. Bij uitspraak van 22 april 1998 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 4 maart 1997 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 3 april 2000 heeft appellant aan gedaagde onder meer het volgende bericht:

"(...)
Per 20-09-1996, de dag waarop ik 65 jaar op deze aarde verbleef, verviel mijn recht op Algemene Bijstand omdat de Algemene Ouderdoms Wet de verantwoordelijkheid voor onze algemene kosten van levensonderhoud overnam.
Maar voor de Bijzondere Bijstand veranderde er niets: Onze woningsituatie veranderde niet en mijn invaliditeit werd alleen maar erger.

Toch werd per september 1996 de Bijzondere Bijstand stopgezet.

Dit betrof een daad van onzorgvuldig bestuur.

Ik verzoek u hierbij deze fout te herstellen en zonder een nieuw vrijstellingsbedrag te bepalen (...) de uitkering van de woonkostenbijdrage in het kader van de Bijzondere Bijstand met terugwerkende kracht tot augustus 1996 uit te betalen.
Tevens verzoek ik u de aan mij tot september 1996 uitbetaalde Bijzondere Bijstand in verband met mijn invaliditeit te hervatten, dit ook met terugwerkende kracht tot augustus 1996."

Gedaagde heeft deze brief aangemerkt en in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de beŽindiging van de bijzondere bijstand per 1 september 1996, neergelegd in de besluiten van 13 maart 1996 en 20 november 1996.

Bij besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat ten aanzien van het besluit van 13 maart 1996 sprake is van termijnoverschrijding en ten aanzien van het besluit van 20 november 1996 al een bezwaarschriftprocedure was doorlopen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 mei 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad is van oordeel dat de brief van appellant van 3 april 2000 naar zijn inhoud en strekking niet moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift, maar als een verzoek om terug te komen van de in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 13 maart 1996, respectievelijk 20 november 1996 (en 4 maart 1997). Dat appellant - zelf - in de aanhef van deze brief heeft vermeld "BEZWAARSCHRIFT tegen stopzetting Bijzondere bijstand R. BlŲte per september 1996" doet daaraan geen afbreuk.

Gedaagde heeft derhalve ten onrechte de brief van appellant van 3 april 2000 aangemerkt en in behandeling genomen als bezwaarschrift, en eveneens ten onrechte een - inhoudelijke - beoordeling van het in deze brief neergelegde verzoek achterwege gelaten. De rechtbank heeft dit miskend.

Uit het voorgaande volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 16 mei 2000 dient te worden vernietigd. De Raad zal daarbij bepalen dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog een - primair - besluit dient te nemen op het in de brief van appellant van 3 april 2000 neergelegde verzoek.

Met het oog daarop merkt de Raad nog het volgende op.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, mag van degene die - zoals in dit geval - een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Van kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad ten slotte niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 mei 2000;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak alsnog een primair besluit neemt op het in de brief van appellant van 3 april 2000 neergelegde verzoek;
Bepaalt dat de gemeente Wassenaar aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2003.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x