Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AN8560
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Aanvraag voor omzetting van de Bbz-lening in bijstand om niet. Is het besluit deugdelijk gemotiveerd nu de stukken over het betreffende boekjaar nog niet bekend waren? Moeten de varkensrechten en mestproductierechten betrokken worden bij de vaststelling van het vermogen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/2989 NABW en 01/2990 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. R.G.M. Michels, advocaat te Deurne, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 april 2001, reg.nr. 00/594 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij een aanvullend beroepschrift heeft mr. G.R.A.G. Goorts, kantoorgenoot van mr. Michels, de gronden van het hoger beroep aangevoerd. Voorts heeft mr. Goorts desgevraagd een nader stuk ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd eveneens een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2003. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Goorts, terwijl appellante zich door mr. Goorts heeft laten vertegenwoordigen. Gedaagde is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellanten exploiteren een varkenshouderij. Op 20 oktober 1998 hebben zij een aanvraag ingediend om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Bij besluit van 22 maart 1999 heeft gedaagde bijstand in de vorm van een lening ter hoogte van f 214.000,-- verleend.

Bij besluit van 23 juni 1999 heeft gedaagde appellanten medegedeeld dat geen recht bestaat op omzetting van de lening in bijstand om niet, omdat het eigen vermogen van appellanten de toepasselijke vermogensgrens van f 309.000,-- overschrijdt. Gedaagde heeft, met verwijzing naar het aan het toekenningsbesluit van 22 maart 1999 ten grondslag gelegde advies van de dienst LASER van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: LASER) van 9 februari 1999, het eigen vermogen van appellanten vastgesteld op f 435.000,--. Daarbij is uitgegaan van een waarde van de bedrijfsgerelateerde onroerende zaken van f 1.158.000,-- en van een bedrag van f 29.000,-- aan mestproductierechten.

Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is, met verwijzing naar een op verzoek van appellanten door het makelaarskantoor Adriaan van den Heuvel te Helmond op 5 juli 1999 opgemaakt taxatierapport, aangevoerd dat de waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald op f 950.000,--. Als gevolg daarvan zou het eigen vermogen dalen tot f 227.000,-- en daarmee uitkomen onder de toepasselijke vermogensgrens.

In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft gedaagde nader advies ingewonnen bij LASER. In het door gedaagde op 6 augustus 1999 ontvangen nadere advies geeft LASER aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met latente belastingverplichtingen tot een bedrag van f 59.000,-- en dat voor het overige het advies van 9 februari 1999 wordt gehandhaafd. Vervolgens heeft gedaagde de onroerende zaken door het makelaarskantoor Meeuwsen te Budel opnieuw laten taxeren. In het op 30 september 1999 uitgebrachte taxatierapport worden de onroerende zaken getaxeerd op f 1.140.000,--.

Bij besluit van 7 december 1999 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij, mede gelet op het gegeven dat de beoordelingen van LASER en Meeuwsen elkaar niet substantieel ontlopen, opnieuw gebaseerd op het advies van LASER van 9 februari 1999, echter met inachtneming van de in het nadere advies van 6 augustus 1999 aangebrachte correctie van f 59.000,--. Gedaagde heeft aldus het eigen vermogen - nader - bepaald op f 376.000,--.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellanten tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 22, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald dat bijstand aan een zelfstandige ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt verleend in de vorm van een rentedragende lening of borgtocht. Ingevolge artikel 22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt, onder toepassing van bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere voorwaarden, op grond van artikel 22, eerste lid, van de Abw verleende bijstand ambtshalve geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet indien het inkomen van de zelfstandige gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden lager is dan de som van de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, paragraaf 2 en 3, van de Abw, en de verleende bijzondere bijstand en diens vermogen een zekere grens niet te boven gaat.

Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz), zoals deze bepaling luidde in 1998, wordt bijstand in de vorm van een bedrag om niet als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Abw niet verleend indien het eigen vermogen meer bedraagt dan f 309.000,--.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Bbz wordt de in de vorm van een lening verleende bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal geheel of gedeeltelijk omgezet in een bedrag om niet, indien het netto inkomen in het boekjaar van de aanvraag dan wel in het daaraan voorafgaande jaar lager is dan de jaarnorm. Het bedrag om niet bedraagt het verschil tussen de jaarnorm en het netto inkomen, doch ten hoogste het verschil tussen het eigen vermogen en de toepasselijke vermogensgrens, bedoeld in artikel 3 van het Bbz. De zelfstandige bepaalt het boekjaar waarover de bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

In artikel 24, eerste lid, van het Bbz is bepaald dat de voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke bezittingen en de aanwezige schulden van de zelfstandige worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer. In afwijking daarvan worden, op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz, immateriŽle activa gewaardeerd op basis van de aankoopprijs, waarbij rekening wordt gehouden met de afschrijving.

Ingevolge artikel 24, vijfde lid, van het Bbz laten burgemeester en wethouders, indien daartoe aanleiding bestaat, de onroerende zaken taxeren door een beŽdigd makelaar of taxateur.

Appellanten hebben - bij de aanvraag van 20 oktober 1998 - bepaald dat het in aanmerking te nemen boekjaar is het (kalender)jaar 1998.

Tot de gedingstukken behoort de op 29 april 1999 door appellanten ondertekende balans van hun bedrijf per 31 december 1998. Daarin zijn de onroerende zaken gewaardeerd op f 886.691,--. Op de balans komt voorts onder meer een post van f 29.381,-- voor aan immateriŽle vaste activa (mestproductierechten). De balans sluit op een eigen vermogen van f 86.895,--.

Appellanten stellen zich - kort weergegeven - op het standpunt dat bij de waardering van de onroerende zaken de op grond van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) aan hun bedrijf toekomende varkensrechten buiten beschouwing moeten blijven. Daartoe is primair aangevoerd dat varkensrechten geen vermogensrechten zijn en derhalve voor de vermogensvaststelling overeenkomstig artikel 24 van het Bbz niet relevant zijn. Subsidiair is aangevoerd dat voor de varkensrechten - die immers op grond van de Whv van rechtswege worden toegewezen - geen aankoopprijs is betaald, zodat zij op grond van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz niet bij de vermogensvaststelling mogen worden betrokken. Daarvan uitgaande hebben appellanten, met verwijzing naar een brief van Meeuwsen aan gedaagde van 5 november 1999, vervolgens betoogd dat de door Meeuwsen aangenomen waarde van de onroerende zaken met een bedrag van f 490.000,-- moet worden verminderd.

Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat het bedrag van f 29.000,-- aan mestproductierechten buiten beschouwing moet blijven, nu deze mestproductierechten voor (het bedrijf van) appellanten geen actuele waarde vertegenwoordigen.

De Raad stelt allereerst vast dat het besluit van 7 december 1999 is gebaseerd op het advies van LASER van 9 februari 1999. Dat advies is opgemaakt op basis van de tijdens een bezoek aan het bedrijf van appellanten op 29 januari 1999 verkregen gegevens, dus op een tijdstip waarop de jaarstukken over 1998 nog niet beschikbaar waren. Bij het besluit omtrent omzetting diende evenwel, gelet op het door appellanten gekozen boekjaar, het boekjaar 1998 (peildatum 31 december 1998) in aanmerking te worden genomen zodat gedaagde zijn besluitvorming niet - althans niet zonder meer - op bedoeld advies van LASER heeft kunnen baseren. Het besluit van 7 december 1999 berust daarmee, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op een deugdelijke motivering. Daaruit volgt dat, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond dient te worden verklaard en het besluit van 7 december 1999 dient te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde zijnde vraag of er aanleiding is, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend.

De Raad neemt bij zijn beoordeling, overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van het Bbz, tot uitgangspunt dat de onroerende zaken moeten worden gewaardeerd op basis van de waarde in het economisch verkeer.

De - bedrijfsgerelateerde - onroerende zaken (met name: de stallen e.d.) ontlenen hun waarde in het economisch verkeer in belangrijke mate aan het gebruik dat daarvan in het kader van de bedrijfsvoering kan worden gemaakt. Voor het exploiteren van een varkenshouderij zijn varkensrechten van essentieel belang. Mede in aanmerking genomen dat in het stelsel van de Whv varkensrechten onlosmakelijk zijn verbonden aan de onroerende zaken van het betrokken bedrijf, zou dan ook in ontoelaatbare mate afbreuk worden gedaan aan de in artikel 24 van het Bbz voorgeschreven wijze van vermogensvaststelling, indien de aan deze rechten verbonden gebruiksmogelijkheden niet bij de waardering van de bedrijfs- gerelateerde onroerende zaken zouden worden betrokken.

Nu de gemachtigde van appellanten ter zitting van de Raad heeft verklaard dat appellanten zich, behoudens op het punt van de varkensrechten, kunnen vinden in het taxatierapport van Meeuwsen, volgt uit het voorgaande dat de door Meeuwsen aan de onroerende zaken toegekende waarde van f 1.140.000,-- kan worden aangehouden.

Anders dan appellanten ziet de Raad vervolgens, gelet op artikel 24, tweede lid, aanhef en onder c, van het Bbz, en de vermelding van deze post op de balans geen grond om de waarde van de - door appellanten aangekochte - mestproductierechten buiten beschouwing te laten.

Uit het voorgaande volgt dat het eigen vermogen per 31 december 1998 moet worden vastgesteld op f 340.204,--, zijnde het in de balans opgevoerde eigen vermogen van f 86.895,--, vermeerderd met de hogere waarde van de onroerende zaken ten bedrage van f 253.309,--. Daarmee is gegeven dat de toepasselijke vermogensgrens van f 309.000,-- inderdaad wordt overschreden.

Hetgeen namens appellanten overigens is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten, begroot op Ä 644,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 december 1999;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door de gemeente Cranendonck;
Bepaalt dat de gemeente Cranendonck aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 ( f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x