Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AN8962
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vermoeden van bijstandsfraude. Was er sprake van een gezamenlijke huishouding?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 00/6225 NABW, 00/6226 NABW, 02/6060 NABW en 03/4809 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en [appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten heeft mr. D.Y. Li, advocaat te Hoogezand, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen twee door de rechtbank Groningen op 30 oktober 2000 gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft verweer gevoerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraken heeft gedaagde onder dagtekening 19 februari 2001 twee nieuwe besluiten op bezwaar gegeven, waartegen namens appellanten beroep is ingesteld bij de rechtbank Groningen. De rechtbank heeft de betreffende stukken aan de Raad doorgezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 30 september 2003, waar voor appellanten is verschenen mr. M.M. Rietveldt, advocaat te Hoogezand, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door T. Veltman, werkzaam bij de gemeente Hoogezand-Sappemeer.




II. MOTIVERING


Mr. Rietveldt heeft verzocht de behandeling van de gedingen aan te houden, omdat het hem nog niet gelukt was de zaak met appellanten te bespreken. De Raad ziet daartoe geen aanleiding, nu de uitnodigingen voor de zitting reeds op 28 augustus 2003 zijn verzonden naar het kantooradres van mr. Rietveldt.

Appellant ontving sedert 22 december 1992 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Appellante ontving vanaf 1 augustus 1992 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, welk pensioen met ingang van 1 juli 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet.

Naar aanleiding van een vermoeden van bijstandsfraude is op verzoek van gedaagde onderzoek ingesteld door de Regiopolitie Groningen. Van de bevindingen van dit onderzoek is verslag gedaan in het proces-verbaal van 12 maart 1998. Onder de bijlagen van dit proces-verbaal bevinden zich de processen-verbaal van verhoor van appellant en appellante op 10 februari 1998 alsmede gegevens over het verbruik van water en energie in de woningen van appellant en appellante ten tijde hier van belang. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat appellant en appellante vanaf 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante. Voorts heeft gedaagde geconcludeerd dat het gezamenlijk inkomen hoger is dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Bij besluit van 24 maart 1998 heeft gedaagde de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 februari 1998 beŽindigd.

Bij besluit van 27 maart 1998 heeft gedaagde de aan appellant toegekende bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 januari 1998 ingetrokken en de betaalde bijstand over die periode van appellant en appellante teruggevorderd.

Gedaagde heeft de bezwaren van appellant en appellante tegen dit besluit bij separate besluiten van 22 september 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant en appellante gegrond verklaard en de besluiten van 22 september 1998 vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft allereerst overwogen dat zij op grond van de door appellanten afgelegde verklaringen en de overige bij het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden met gedaagde van oordeel is dat appellant en appellante ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (ABW), respectievelijk artikel 3 van de Algemene bijstandswet (Abw). De rechtbank is er geenszins van overtuigd geraakt dat de verklaringen van appellanten tot stand zijn gekomen onder toepassing van ongeoorloofde druk door de betrokken opsporingsambtenaren. Evenmin hebben appellanten naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat hun verklaringen niet juist zijn weergegeven. Voorts hebben appellant en appellante geen afdoende verklaring gegeven voor onder meer de van een normaal gebruik afwijkende verbruikscijfers voor water en elektriciteit.
De rechtbank heeft niettemin de bestreden besluiten vernietigd omdat zij niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid en genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is gedaagde ten onrechte niet nagegaan in hoeverre aanspraak op bijstand bestaat met inachtneming van de inkomsten van appellante, nu die inkomsten ten tijde in geding minder bedroegen dan de gehuwdennorm.

Appellant en appellante zijn van die uitspraken in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep richt zich blijkens de aanvullende beroepschriften uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant en appellante in de periode van 1 januari 1995 tot 1 februari 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Gedaagde heeft in die uitspraken berust en heeft ter uitvoering daarvan op 19 februari 2001 twee nieuwe besluiten genomen, inhoudende dat appellanten gedurende het tijdvak van 1 januari 1995 tot en met 31 januari 1998 alsnog recht op bijstand hebben naar de norm voor een echtpaar respectievelijk gehuwden, onder aftrek van de inkomsten van appellante. Tevens is daarbij het over de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 januari 1998 van appellanten terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op f 49.923,55.

De Raad merkt de besluiten van 19 februari 2001 aan als besluiten in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met deze besluiten niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellanten, dient de Raad gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb tevens de besluiten van 19 februari 2001 in zijn beoordeling te betrekken.

De Raad stelt vervolgens vast dat de besluiten van 19 februari 2001 geheel in de plaats zijn getreden van de eerdere besluiten van 22 september 1998. In die omstandigheden hebben appellanten geen procesbelang meer bij de door hen ingestelde hoger beroepen, zodat die niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Met betrekking tot de besluiten van 19 februari 2001 overweegt de Raad als volgt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant en appellante ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 5a van de ABW en artikel 3 van de Abw. De door appellanten afgelegde verklaringen, alsmede de overige onderzoeksbevindingen, tonen voldoende aan dat appellant zo veelvuldig in de woning van appellante verbleef, dat gezegd moet worden dat hij aldaar zijn hoofdverblijf had. De Raad acht met deze onderzoeksresultaten tevens voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van wederzijdse verzorging. Hetgeen namens appellanten in hoger beroep naar voren is gebracht bevat, in vergelijking met het in eerste aanleg aangevoerde, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad dan ook niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Het vorenstaande betekent dat gedaagde bij de besluiten van 19 februari 2001 terecht de aan appellanten gedurende de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 januari 1998 toekomende bijstandsuitkering heeft vastgesteld naar de norm voor een echtpaar respectievelijk gehuwden, onder aftrek van de inkomsten van appellante.

Tegen het door gedaagde gewijzigde terugvorderingsbesluit zijn geen afzonderlijke gronden naar voren gebracht. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat dit besluit in rechte geen stand kan houden.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de hoger beroepen voorzover deze betrekking hebben op de besluiten van 22 september 1998 niet-ontvankelijk;
Verklaart de beroepen voor zover deze geacht moeten worden te zijn gericht tegen de besluiten van 19 februari 2001 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.H.M. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 november 2003

(get.) J.H.M. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x