Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO0365
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gevolgen voor de bijstand van de waardestijging van de eigen woning. Betrokkene heeft de op haar woning rustende hypotheek verhoogd als gevolg waarvan een bedrag van f 49.409,25 op haar bankrekening is bijgeschreven.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/2888 NABW en 01/2889 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 5 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak onder dagtekening 31 juli 2001 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 oktober 2003, waar appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Hes, voornoemd, terwijl gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellante ontving sedert 1 januari 1987 een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande, in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.

Tijdens een op 2 maart 1998 gehouden heronderzoek is gedaagde gebleken dat appellante de op haar woning rustende hypotheek in november 1997 heeft verhoogd als gevolg waarvan op 12 januari 1998 een bedrag van f 49.409,25 op haar bankrekening is bijgeschreven.

Bij besluit van 16 april 1998 heeft gedaagde onder meer besloten de bijstandsuitkering van appellante met ingang van 12 januari 1998 met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in te trekken aangezien zij per die datum, zonder daarvan opgave te hebben gedaan, over voldoende middelen beschikte en de kosten van bijstand van f 1.980,06 over de periode van 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 terug te vorderen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juli 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 16 juli 1998 vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante door verdere bezwaring van haar in de woning gebonden vermogen over middelen van bestaan was komen te beschikken, zodat gedaagde in beginsel terecht de bijstandsverlening aan appellante met ingang van 12 januari 1998 heeft beŽindigd en de ten onrechte betaalde kosten van bijstand vanaf die datum terecht heeft teruggevorderd.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens een motiveringsgebrek aangezien haar niet is gebleken dat gedaagde rekening heeft gehouden met de bijzondere bepalingen van artikel 20, derde, respectievelijk zevende lid, van de Abw.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij het geld geleend heeft ter financiering van achterstallig onderhoud van haar woning. Zij heeft deze lening slechts kunnen krijgen onder de voorwaarde dat zij de ontvangen gelden zou aanwenden voor verbouwing/meerwerk aan haar woning. Voorts is ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat gedaagde een beleid voert waarbij aan eigenaren van woningen toestemming wordt gegeven om in overleg met gedaagde een aanvullende hypothecaire lening af te sluiten voor onderhoud van de woning.

Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 31 juli 2001 het in rubriek I vermelde nadere besluit genomen en daarbij wederom het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 16 april 1998 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij onder meer overwogen dat artikel 20 van de Abw niet van toepassing is.

De Raad merkt het besluit van 31 juli 2001 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu met dit besluit niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, dient de Raad gelet op artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb tevens het besluit van 31 juli 2001 in zijn beoordeling te betrekken.

De Raad stelt vervolgens vast dat het besluit van 31 juli 2001 geheel in de plaats is getreden van het eerdere besluit van 16 juli 1998. In die omstandigheden heeft appellante geen procesbelang meer bij het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 31 juli 2001 overweegt de Raad als volgt.

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het bedrag van f 49.409,25, dat op 12 januari 1998 is bijgeschreven op de bankrekening van appellante, aan te merken is als een vermogensbestanddeel waarover zij redelijkerwijs kon beschikken zodat dat ingevolge artikel 42 van de Abw gerekend moet worden tot haar middelen.
Voor zover appellante heeft beoogd aan te voeren dat zij redelijkerwijs niet kon beschikken over voormeld bedrag aangezien dit bedrag slechts aangewend mocht worden ten behoeve van een verbouwing of meerwerk aan de woning, kan de Raad - wat er verder zij van die stelling - appellante hierin niet volgen. Reeds uit haar eigen, bij de rechtbank overgelegde overzicht van de besteding van het geleende geld blijkt dat appellante van de ontvangen som f 7.000,-- heeft besteed aan een auto, f 2.600,-- heeft uitgegeven aan een bed plus toebehoren en ruim f 3.000,- heeft aangewend voor levensonderhoud.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de op grond van paragraaf 1 van afdeling 3 van hoofdstuk IV van de Abw in aanmerking genomen middelen die worden ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, voorzover deze geen inkomen zijn als bedoeld in artikel 47 van de Abw.

Van tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen als bedoeld in artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw is naar het oordeel van de Raad niet alleen sprake indien nieuwe vermogensbestanddelen worden verworven, maar ook indien tijdens de bijstand - zoals in het onderhavige geval - de woning in waarde stijgt en verder wordt bezwaard met een hypothecaire lening, waardoor geld vrijkomt. Ook in dit laatste geval is immers sprake van toename van middelen waarover de betrokkene kan beschikken.

Volgens vaste rechtspraak staat artikel 51, eerste lid, van de Abw er niet aan in de weg om in geval van een herbeoordeling van het recht op uitkering tijdens de periode van bijstandsverlening naast de ontvangen positieve vermogensbestanddelen ook de negatieve ontwikkelingen in het vermogen in aanmerking te nemen.

Uit het door appellante in het heronderzoeksformulier Abw van 21 februari 1998 gegeven overzicht van bezittingen en schulden blijkt dat zij ten tijde in geding een schuld had aan de Rabobank in verband met haar woning van f 95.000,-- alsmede een schuld aan de gemeente Zoeterwoude vanwege een onder verband van hypotheek verstrekte lening van f 33.050,--; van overige schulden is niet gebleken. Omdat de geschatte waarde van haar woning bij vrije oplevering volgens haar eigen opgave f 200.000,-- bedraagt, overtreffen reeds hierom de positieve vermogensbestanddelen in ruime mate de negatieve vermogensbestanddelen.

Met betrekking tot artikel 20 van de Abw overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt voorop dat dit artikel is geplaatst is Hoofdstuk III van de Abw, regelende de vorm van de bijstand. Dit artikel 20 biedt gelet op het eerste lid burgemeester en wethouders de mogelijkheid om aan de belanghebbende die een eigen woning bezit, die hijzelf bewoont, bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het onroerend goed in redelijkheid niet kan worden gevraagd. De overige leden van dit artikel alsmede het op het zevende lid gebaseerde Besluit krediethypotheek bijstand bevatten een verdere uitwerking. In het onderhavige geding heeft appellante zich niet tot gedaagde gewend met het verzoek om bijstand of een lening, doch zich rechtstreeks tot een bankinstelling gewend voor verdere bezwaring van haar onroerende zaak, zodat hetgeen bij of krachtens artikel 20 van de Abw is bepaald in dit geding niet aan de orde kan komen.

Naar aanleiding van het beroep dat appellante heeft gedaan op gedaagdes beleid, dat eigenaren van woningen toe- stemming wordt gegeven om in overleg met gedaagde een aanvullende hypothecaire lening af te sluiten voor onderhoud van de woning, heeft gedaagde te kennen gegeven dat appellante daarop geen aanspraak kan maken omdat zij vooraf niet om toestemming heeft verzocht en achteraf de noodzaak van het gepleegde onderhoud niet meer is vast te stellen. Nu de Raad uit de gedingstukken is gebleken dat deze werkzaamheden ten tijde hier van belang reeds in gang waren gezet en in een gevorderd stadium verkeerden, volgt de Raad gedaagde in zijn standpunt dat de noodzaak daartoe achteraf niet meer is vast te stellen.

Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante vanaf 12 januari 1998 beschikte over voldoende middelen als bedoeld in artikel 42 van de Abw, die aan verdere bijstandsverlening in de weg stonden.

Omdat voorts appellante van deze voor de verlening van bijstand van belang zijnde omstandigheid aan gedaagde geen opgave heeft gedaan, heeft appellante de op haar rustende wettelijke verplichting tot het verstrekken van alle voor het recht op bijstand relevante inlichtingen geschonden. Gedaagde heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw met ingang van 12 januari 1998 de aan appellante toegekende bijstand ingetrokken. Van dringende reden in de zin van het vijfde lid om daarvan af te zien is de Raad niet gebleken.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 12 januari 1998 tot en met 31 maart 1998 is voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 juli 2001 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.H.M. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. R.M. van Male en
mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2003.

(get.) J.H.M. van der Kolk-Severijns.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x