Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO1143
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-11-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is op goede gronden de aanvraag voor bijzondere bijstand voor woonkosten en verhuiskosten afgewezen? Maatregel bij gebleken tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/1316 NABW en 01/2572 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft H.B. Wilken op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 februari 2001, reg.nr. 00/635 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 oktober 2003, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door H.B. Wilken, en gedaagde door mr. P. Bethlehem, werkzaam bij de gemeente Emmen.




II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante woonde zelfstandig in een huurwoning. Zij is op 5 juli 1999 opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 29 november 1999 heeft appellante tijdens een gesprek met een ambtenaar van de gemeente Emmen het voornemen geuit een woning te kopen. Op 29 december 1999 heeft de eigendomsoverdracht van deze woning plaatsgevonden. De verhuizing vond plaats op 29 januari 2000. Vervolgens is appellante op 11 februari 2000 uit het ziekenhuis ontslagen.

Op 12 mei 2000 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor woonkosten en verhuiskosten. Bij besluit van 26 mei 2000 heeft gedaagde die aanvraag afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 juli 2000 ongegrond verklaard. Aan de weigering van bijstand voor woonkosten heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat geen sprake is van noodzakelijke kosten van het bestaan, omdat appellante door te kiezen voor verhuizing naar een koopwoning de mogelijkheid van toekenning van huursubsidie onmogelijk heeft gemaakt. Aan de weigering van bijstand voor verhuiskosten heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in deze kosten had kunnen voorzien. Bovendien kan geen bijstand worden verleend voor kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag om bijstand is ingediend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, voorzover gericht tegen de weigering van bijstand voor woonkosten, het besluit van 20 juli 2000 in zoverre vernietigd en gedaagde opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar.

De rechtbank heeft de vernietiging gegrond op haar oordeel dat gedaagde zich weliswaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante ten onrechte geen serieuze pogingen heeft ondernomen om een geschikte huurwoning te vinden, maar dat gedaagde zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de kosten van bewoning van de koopwoning niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van het ter zitting van de door gedaagde nader ingenomen standpunt heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat appellante blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden is - zij het met inachtneming van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Abw - aan appellante terzake een maatregel op te leggen.

Met betrekking tot de weigering van bijstand voor verhuiskosten heeft de rechtbank het besluit van 20 juli 2000 in stand gelaten.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Op 15 maart 2001 heeft gedaagde, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de bijstand voor woonkosten opnieuw - blijvend en geheel - geweigerd. Gedaagde heeft geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw aanwezig geacht.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de weigering van bijstand voor verhuiskosten

Gelet op het in artikel 67 van de Abw neergelegde primaire uitgangspunt dat bijstand op schriftelijke aanvraag wordt verleend en in aanmerking nemend de noodzaak van een beoordeling van de individuele situatie op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw, dient volgens vaste rechtspraak als uitgangspunt te gelden dat in beginsel geen bijstand wordt toegekend met terugwerkende kracht. Van dat uitgangspunt kan slechts worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Uit de gedingstukken is de Raad niet gebleken dat appellante zich voorafgaand aan haar verhuizing tot gedaagde heeft gewend met het doel een aanvraag in te dienen om bijzondere bijstand voor de verhuiskosten. Gedaagde heeft de schriftelijke aanvraag op 12 mei 2000 ontvangen. Noch onbekendheid met de wet, noch de gestelde noodzaak voor appellante om op zeer korte termijn te verhuizen leidt tot een bijzondere omstandigheid op grond waarvan afwijking van het uitgangspunt dat geen bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend, te rechtvaardigen is. Reeds om die reden heeft gedaagde de weigering van bijstand voor verhuiskosten terecht gehandhaafd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.



Met betrekking tot de weigering van bijstand voor woonkosten

De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat appellante blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, verenigen. De Raad stelt daarbij voorop dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde voor de bestaansvoorziening behoort om aanspraken op aan de Abw voorliggende voorzieningen, waaronder een bijdrage in woonkosten op grond van de Huursubsidiewet, geldend te maken. Appellante had een dergelijke aanspraak kunnen realiseren, indien zij na het verlaten van haar oude huurwoning en het ontslag uit het ziekenhuis naar een andere huurwoning met een huur onder de maximale subsidiabele huurgrens zou zijn verhuisd en vervolgens tijdig een aanvraag om huursubsidie had ingediend. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de Raad af dat appellante in november 1999, voordat het gesprek met een ambtenaar van de gemeente Emmen had plaatsgevonden, de keus voor een bepaalde koopwoning reeds had gemaakt. Zij heeft zich daarbij laten leiden door het feit dat de aankoop van die woning (te financieren met een geldlening van haar moeder onder verband van hypotheek) en de feitelijke verhuizing op korte termijn gerealiseerd konden worden. Uit de door appellante overgelegde - niet gemotiveerde - verklaring van de behandelend psychiater van appellante, A.C. Saraber, van 3 februari 2000 komt naar

voren dat appellante op medisch-psychiatrische gronden moest verhuizen. Uit die verklaring en ook uit de overige stukken blijkt niet dat er voor haar een noodzaak bestond om op zeer korte termijn naar de desbetreffende koopwoning te verhuizen. Door dit toch te doen heeft zij zich op voorhand de mogelijkheid ontnomen om ter zake van woonkosten een beroep te doen op een voorliggende voorziening.

Ook in zoverre komt de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep van appellante tegen het besluit van 20 juli 2000 mede geacht gericht tegen het besluit van 15 maart 2001.

Met betrekking tot de in het besluit van 15 maart opgenomen blijvende gehele weigering van bijstand voor woonkosten overweegt de Raad dat van de hier aan de orde zijnde gedraging niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gedaagde was dan ook in beginsel gehouden om wegens gebleken tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan een maatregel op te leggen.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw, zoals deze bepaling met ingang van 1 juli 1997 is gewijzigd, voorziet niet langer in de mogelijkheid om wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bijstand blijvend geheel te weigeren. Anders dan appellant maakt de Raad uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wijziging op dat het toenmalige kabinet zich heeft neergelegd bij het door de Tweede Kamer aangenomen amendement van het lid Noorman-den Uyl, dat het schrappen van die mogelijkheid inhield. Daarbij is door het kabinet onder meer aangegeven dat telkens na afloop van een periode van een tijdelijke gehele weigering beoordeeld moet worden of de omstandigheden zijn gewijzigd en dat ook in zeer ernstige gevallen een gehele weigering van bijstand alleen tijdelijk kan zijn (Kamerstukken I 1995-1996, 23909, nr. 114b, blz. 1).

Gelet op het vorenstaande deelt de Raad niet het standpunt van gedaagde dat in dit geval een blijvend gehele weigering van bijstand voor woonkosten wel mogelijk was. Het besluit van 15 maart 2001 kan daarom wegens strijd met de wet niet in stand blijven. Het daartegen gericht geachte beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard en dat besluit dient te worden vernietigd. Gedaagde dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar te nemen en daarbij te bezien welke tijdelijke maatregel hier passend is, gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin appellante ten tijde van haar aanvraag om bijstand voor woonkosten verkeerde.



Slot

Van kosten van appellante waarop een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 maart 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de weigering van bijstand voor woonkosten;
Bepaalt dat de gemeente Emmen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x